Part 1
DE GOUDZOEKERS.
Naar de zesde Fransche Uitgave VAN GUSTAVE AIMARD.
MET ACHT OORSPRONKELIJKE HOUTGRAVURES. DERDE DRUK.
’s Gravenhage, DE ERVEN J. L. NIERSTRASZ.
DE GOUDZOEKERS.
I.
DE PRAUW.
De 25 September 16 .. juist op het tijdstip dat de zon tot het zenith gekomen, hare gloeiende heete stralen loodrecht nederzond op den reeds half verschroeiden grond, voer een prauw door drie personen bemand, na veel moeite Kaap Coquibacoa om, zette haar koers langs de westkust van de baai van Venezuela voort, en bleef ten laatste vast zitten in het zand van den oever, bij de monding eener rivier zonder naam, na zich eerst doorgeworsteld te hebben tusschen doode boomen en zware waterplanten van allerlei soort, die op deze plek bijna totaal de bedding van dit armzalige stroompje verstopten.
De bemanning van de prauw beraadslaagde eenige minuten in fluisterend gesprek en hield vrij bezorgd den blik onafgebroken gericht naar de beide te dezer plaatse niet ver van elkaar verwijderde oevers. Een hunner wantrouwender of misschien voorzichtiger dan zijne metgezellen, trok uit zijn wambuis een verrekijker te voorschijn (een werktuig dat in die dagen nog tot de zeldzaamheden behoorde) en na die gesteld te hebben, doorsnuffelde hij met zijn oog, om het zoo eens uit te drukken, al de dicht begroeide plekjes en boschjes in de nabijheid; daarna schoof hij den kijker met de palm van zijn rechterhand ineen en zei:
—Wij kunnen gerust aan wal stappen. In den ganschen omtrek is geen menschelijk wezen door mij ontdekt kunnen worden.
Toen sprongen alle drie op den oever, zorgden daarna er voor om de prauw stevig vast te meeren, schoon de boeg reeds diep in het zand was gewoeld en gingen toen zitten in de schaduw van eenige kort daarbij staande boomen, wier zwaar bladerengewelf hun eene hoogst welkome beschutting aanbood tegen de zonnestralen die van lieverlede verzengend dreigden te worden.
Zooals wij reeds gezegd hebben bestond de bemanning van de prauw uit drie personen.
De Spaansche schildwacht, die op post stond op den toren van Guette, waardoor de ingang van de golf van Venezuela wordt beschermd, had met onverschilligen blik de vlugge vaart van het lichte vaartuig, dat bijna binnen het bereik van een geweerschot van zijn wachtpost passeerde, gadegeslagen; meer dan half drommelend, en misleid door het armzalige voorkomen van de prauw, had hij die gehouden voor een kano uit boomschors vervaardigd, waarvan de Indianen zich bedienen als zij in volle zee gaan visschen, en verder had hij zich daarover niet bekommerd. Maar als hij beter toe had gekeken, dan zou hij zeker gehuiverd hebben van angst en alarm gemaakt, want dan zou hem gebleken zijn, dat de drie gewaande Indianen, niet slechts waren Broeders der Kust, maar zelfs twee hunner voornaamste aanvoerders, Montbars de Verdelger en Luiwammes [1], want werkelijk waren zij het die met zoo groote stoutmoedigheid de golf van Venezuela binnendrongen. Wat hun metgezel betreft, dit was iemand van vier- of vijfendertig jaar, die men zoo door zijn voorkomen als door zijne lengte, die meer bedroeg dan zes voet, een echte Hercules had kunnen noemen; even als dit dikwerf voorkomt had ook deze reus, een open gelaat, een frissche kleur, rood als van een jong meisje, dikke, hoogroode lippen en prachtig aschblond haar, wel slecht verzorgd, doch dat toch met lokken zacht als zijde tot op zijne schouders neerviel; om kort te gaan, zijn gunstig uiterlijk werd gekenmerkt door eene zóó groote mate van goedhartigheid, schoon volstrekt niet verwant met onnoozelheid, dat dit dadelijk iedereen reeds bij de eerste ontmoeting voor hem moest innemen.
Zijn gewaad bestond uit den bol van een hoed met oogklep, twee hemden, over elkaar aangetrokken, een broek, een wambuis, alles van dezelfde stof, namelijk grof linnen; zijne krachtig gespierde beenen, zoo harig als die van een beer, waren naakt; sandalen van varkensleer, beschermden zoo goed als kwaad dit ging, zijne voeten tegen de beten der slangen en de scherpte der steenen op den weg. Hij droeg een gordel van stierenleer, waaraan aan den eenen kant hingen een kruithoorn en kogeltasch en aan den anderen kant een koker van krokodillenvel, waarin vier lange, breede messen en een dolk staken; een tent van zeer fijn linnen, zoodanig in elkaar gerold, dat die niet veel plaats besloeg, was bij wijze van bandelier over zijn schouder geslagen, en het was of die diende om zijne uitrusting compleet te maken, doch toch was hij nog bovendien gewapend met een geweer uit de fabriek van Brachie te Dieppe. Die man was de pandeling van Montbars, en heette Tributor. In de hoogste mate gehecht aan zijn meester, wien hij reeds sinds een paar jaar toebehoorde, werd hij door Montbars bij voorkeur gekozen als er sprake was van een dier gevaarlijke verkenningstochten die gewoonlijk de expeditie van den Verdelger voorafgingen.
Wij hebben nog verzuimd gewag te maken van een prachtige patrijshond met gele vlekken, lange hangende ooren, en oogen die tintelden van slimheid; dat dier was ook uit de prauw gesprongen en had zich op een wenk van Tributor, aan diens voeten neergelegd. Dit laatste personage was begiftigd met den naam van Monaco.
En wat was nu de oorzaak dat die drie mannen en die hond zóóver verwijderd waren van de streek waar zij gewoonlijk vertoefden, en zich nu bevonden in de golf van Venezuela dat wil zeggen geheel en al op Spaansch territoir en dus te midden hunner onverzoenlijke vijanden? Dit zal ons duidelijk worden door het volgende gesprek.
Toen zij daar een poosje gezeten hadden, begon Luiwammes zich druk onledig te houden, al zijne zakken te doorsnuffelen, die hij den een na den ander omkeerde, hoogst waarschijnlijk om naar iets te zoeken, wat hij maar niet kon vinden; eindelijk na tal van vergeefsche pogingen, gaf hij het op, sloeg met de vuist op de dij en riep spijtig:
—Mooi zoo! Nu ziet het er voor mij prettig uit! Waarachtig! Dat mankeerde er nog maar aan.
Montbars draaide het hoofd naar hem toe en vroeg:—Wat scheelt er aan?
—Ik heb mijn pijp en mijn tabak verloren,—gaf de flibustier ten antwoord.—Wat zegt ge van zoo iets? Nu weet ik niet wat ik moet aanvangen.
—Wel natuurlijk!—hernam Montbars.—Niet rooken tot ge weer in de gelegenheid zijt.
—Niet rooken!—herhaalde de ander met diepe verslagenheid.
—Ik weet ten minste niets anders te bedenken; ge weet dat ik nooit rook.
—Dat is zoo!—stemde hij toe, zeer teleurgesteld.—Wel verduiveld! Het is of in de laatste dagen alles ons moet tegenloopen.
—Vindt ge dat?—vroeg Montbars, en glimlachte daarbij op eene zonderlinge manier.—Dan ben ik het niet met je eens, kameraad.
—Zoo!—bromde de ander met gebogen hoofd.—Verschil van opinie! Nu, houd het er dan maar voor, dat ik niets heb gezegd.
—Kapitein Luiwammes,—begon de pandeling op zeer onderdanigen toon.—Ik heb nog tabak, ’t is wel niet veel, maar toch genoeg om zoo gij dit verlangt je een pruim aan te bieden.
—Wat, of ik dit verlang?—herhaalde Luiwammes zeer verheugd.—Geef maar gauw, beste Tributor! Drommels, ge zijt nog eerst een ferme kerel, en op dit oogenblik doet ge niet veel minder al gelooft ge dat zoo niet, dan mijn leven redden.
—Ba!—hernam de pandeling goedhartig.—Dit meent ge niet!
—Niet meenen? Ik ben er zeker van! Geef maar gauw wat!
—Ik ga het halen uit de prauw, waar ik de tabak onder een bank had gestopt om die frisch te doen blijven.
—Hij is toch een onbetaalbare kerel!—verklaarde Luiwammes lachend.—Hij denkt altijd aan alles!
Tributor stond op en liep naar de prauw, maar halverwege bleef hij staan, bukte, en uitte een kreet van verrassing.
—Hei! Waarom schreeuwt ge zoo?—vroeg Luiwammes.—Hebt ge misschien zonder het te merken op een slang getrapt?
—Dat niet,—luidde het antwoord,—maar ik heb je pijp en je tabak teruggevonden. Kijk maar eens!
Te gelijk toonde hij een soort van zak gemaakt uit de blaas van een wild zwijn, en een rood steenen pijp met korten steel van kersenboomenhout, welke beide zaken hij uit het gras had opgeraapt.
—Het is waarachtig waar!—riep Luiwammes recht in zijn schik.—Het is zeker onderweg uit mijn zak gevallen. Heerlijk! Nu is, Goddank! de ramp zóó groot niet, als ik duchtte.
Zonder verder verwijl, begon hij de pijp te stoppen, die Tributor hem had aangereikt, stak die aan, en dampte toen met die uitdrukking van innig welgevallen, zoo dikwerf merkbaar op het gelaat van een hartstochtelijk rooker. Tributor had zich weer op het gras uitgestrekt.
—Dus, Luiwammes, oude jongen—zei Montbars spottend—schijnt ge nu tot andere gedachten gekomen, en voelt ge u niet meer zoo diep ongelukkig als straks?
—Dat is zoo kameraad, maar toch ge moet er niet boos om worden als ik dat zeg, hebben wij overigens geen reden te beweren dat wij tot nu toe gelukkig gekoerst hebben.
—Dan ben je te hoog in je eischen. Komt er een kink in de kabel, dan raak je dadelijk overstuur, en gelooft niet anders dan dat de heele boel verloren is.
—Neen, ik geloof niet zoo gauw dat de heele boel verloren is, Montbars, en vooral niet als gij er bij zijt maar toch...
—Maar toch—viel de ander haastig in—, meent ge dat er veel te veel gewaagd wordt, is het niet zoo?
—Waarom zou ik dit ontkennen? Het is immers de waarheid.
—Hoor eens, wij hebben op dit oogenblik overvloed van tijd, want de felste hitte moet geweken zijn, eer wij onzen tocht voortzetten, zeg dus hoe ge er over denkt. Ik luister naar je.
—Blijft ge dan nog altijd van plan om er naar toe te gaan?—werd met groote verbazing door den ander gevraagd.
—Ge weet toch dunkt mij van ouds,—antwoordde Montbars eenigszins heftig,—dat ik nooit op een eens genomen besluit terugkom.
—Dat is volkomen waar! Het schijnt dat ik alles ga vergeten en een halve zot word.
—Daarover wil ik niet met je harrewarren, je moet zelf maar uitmaken wat daarvan aan is, maar dat is nu de zaak niet.
—En wat dan wel?
—Wij moeten nu spreken over de weinige kans, die naar jou meening, voor ons bestaat.
—Nu, dat kan gauw afgehandeld zijn, want waarachtig is het niet noodig zóó verbazend knap te wezen, om dit dadelijk in te zien.
—Leg mij dit dan uit.
—Als ge dit wilt, goed! Maar ge eischt het bepaald van mij, niet waar?
—Zeker, zeker! Ik verlang er zelfs naar om precies te weten hoe ge daarover denkt. Spreek vrijuit, en zonder omwegen.
—Och! Wat ik te zeggen heb, is gauw genoeg verteld. Wij zijn uit Port-Margot vertrokken, op een goed schip, bemand met veertig flinke kerels, klaar en gereed voor ieder karweitje, dat gij ons aan de hand mocht doen, goed! Wij kruisen een paar weken in de richting die de galjoenen gewoonlijk nemen, en zien niets, zelfs geen enkele meeuw, over het gansche natte vlak opdagen, best! Wij krijgen onze bekomst van zoo’n vervelende vaart, wendden het over den anderen boeg, om dichter bij de kust te komen, in de hoop dáár een goeden slag te slaan, en krijgen het toen te kwaad met een bui, die ons dwarschscheeps aanpakt uit het noord-noordwesten, met zoo’n geweld dat wij genoodzaakt zijn de zeilen in te halen en ons op goed geluk te laten drijven, hoe langer hoe mooier! En of dit alles nog niet goed genoeg was, stoot ons goed, lief schip plotseling op een vervloekt stuk rots tusschen wind en water, dat wij niet gewaar hadden kunnen worden, waardoor het opensplijt, als een gehalveerde meloen en binnen een uur gaat het naar den grond met al onze kameraden. Het mag nog een geluk genoemd worden, dat...
—O, zoo!—viel Montbars in.—Ge spreekt daar toch nog over een geluk! Ik zal dat woord onthouden.
—Mij wel, onthoud zooveel als je maar wilt, maar dit verandert niets aan de ramp. Onze kameraden zijn verdronken en ons goede schip is te gronde gegaan!
—Wat konden wij er tegen doen? Is het onze schuld geweest?
—Dat wil ik volstrekt niet beweren. Neen, in het geheel niet!
—En wat is er nog meer gebeurd? Dit, dat wij toen heel toevallig een prauw op sleeptouw hadden, een paar dagen te voren door ons in volle zee opgepakt; hoe en waarom weet ik niet, misschien onder den drang van een voorgevoel, had ik Tributor last gegeven, om die prauw te voorzien van leeftocht, kruit en wapens. Juist op het tijdstip van dat noodlottige onheil, was de flinke kerel daarmee klaar gekomen; hij sneed de tros door waarmee de prauw aan ons schip was verbonden, deed zich ongeveer een kabellengte afdrijven om buiten het zog van ons vaartuig te blijven, en trok ons in de boot juist in tijds, want uitgeput door inspanning waren wij op het punt als baksteenen te zinken. Zes uur later liepen wij de golf van Venezuela binnen, dáár hebben wij verder geen last van storm gehad, en nu het laatste, wat eigenlijk de hoofdzaak is, die ge goed in gedachte moogt houden,—hier zijn wij nu als de eenige overgeblevenen van de gansche equipage.
—Ja, dat alles is waar, dat alles moet ik toegeven, maar voeg er dan ook bij, hoe wij hier zijn, namelijk ver van onze broeders, overgelaten aan ons zelven, in een land waar allen, beesten zoowel als menschen, ons vijandig zijn, en dan zult ge mij ook moeten toegeven, dat die toestand alles behalve aangenaam genoemd kan worden. Denkt ge des ondanks er anders over, dan maar basta! En spreken wij liever over iets anders.
—Luister eens, Luiwammes,—hernam Montbars—het wordt nu meer dan tijd dat ge met mijne gansche meening daarover bekend wordt.
—Ook al goed!—zei de Luiwammes tamelijk onverschillig.—Het kan mij eigenlijk ook bitter weinig schelen of ik hier moet sterven of ergens anders, als ik er maar voor zorgen kan dat ik op eene glansrijke manier naar de andere wereld vertrek.
—Wees daarover gerust, vriendlief. Zoo wij hier ten onder moeten gaan dan zullen wij slechts in de hitte van een gevecht omkomen.
—Dan is alles zooals ’t hoort! En nu weg met al die droefgeestigheid! Zelfs een kat verkwijnt door smart of bezorgdheid, zeggen ze bij mij te lande. Nog eens, basta! ik wil niets meer weten.
—Dat is wel mogelijk, maar ik sta daarentegen er op, dat ge nu al mijne plannen te weten komt, dan kunt ge mij helpen om die ten uitvoer te brengen.
—Goed, als ge het zoo bedoelt, ga dan je gang maar. Ik luister.
—Doe dit met de meeste oplettendheid, want ik verzeker je, die zaak is het wel waard. Het zal nu zoo wat zes weken geleden zijn, dat ik op Tortue was en toen dáár een bericht ontving van het hoogste gewicht.
Luiwammes schudde eenige keeren het hoofd, en mompelde:
—Zoo! Alweer?
—Ja! Alweer, zooals altijd.
—Nu, zet maar door!—deed de flibustier hooren, op den toon van iemand die er aan wanhoopt een ander tot rede te brengen, en zich nu maar getroost om naar hem te luisteren daar het voor het oogenblik niet anders kan.
—Ik rustte dus de brigantijn uit met het uitsluitende doel om naar deze kust te komen. Mijn plan was om het schip hier of daar in eene kreek te verbergen en daarna met vijf of zes van onze fermste kameraden in een boot de golf binnen te roeien, hier te landen, en....
—Wel dan mankeert er zoo goed als niets meer aan. Het eenige verschil bestaat hierin dat wij in plaats van met ons achten, met ons drieën zijn,—viel Luiwammes in,—en dit is een bagatel, niet de moeite waard om er over te spreken. Gij hadt dit dadelijk moeten zeggen, maar ’t doet er niet toe, nu ik weet dat wij juist hier moesten komen, maak ik mij over niets meer ongerust.
—Ja, doch het is nu juist niet bepaald hier, waar wij moesten komen,—gaf Montbars te kennen, met een flauw lachje.
—Nu! Gaan wij nog verder?
—Ja, nog een eindje,—hernam de flibustier, half spottend.—Wij zijn op weg naar Maracaïbo.
—Wat!—riep Luiwammes uit, en sprong op van verrassing.—Naar Maracaïbo?
—Ja zeker.
—En ge weet dat dit een stad is met tien of twaalf duizend inwoners.
—Zeker, zeker! Maar wat kan mij dat schelen?
—En een garnizoen van zes duizend man sterk!
—Zeker! Maar daar geef ik niets om.
—Daarenboven kanonnen....
—Nog iets meer?
—Maar ge zult toch voor den drommel, er niet over denken om Maracaïbo te nemen?—viel de ander op eens uit ten hoogste verstomd en zelfs bijna verschrikt door de koelbloedigheid van den flibustier die thans waarlijk zoover gedreven werd, dat het, zooals Luiwammes in zich zelven zei, de spuigaten uitliep.
—Wie weet?—sprak Montbars, met dezelfde kalmte en denzelfden spot, die zijne woorden hadden gekenmerkt, sinds het begin van het gesprek.
—Wel, heb ik van mijn leven!—riep Luiwammes en sloeg uit verbazing de handen tegen elkaar.—Hoor eens, Montbars, ik heb je veel zien uitvoeren, menige expeditie, die alleen door jou stoutmoedigheid gelukte, heb ik met je meegemaakt, maar als dit je mocht gelukken, dan grenst dat aan het wonderbaarlijke! Dus,—voegde hij er bij, met een hartelijken lach,—gij, ik, Tributor en Monaco, wij trekken er op los om Maracaïbo te gaan belegeren. Ik kan er niet anders van zeggen, dan dat het een hoogst origineel idee is. Het is meer dan waarschijnlijk dat wij er niet in zullen slagen, maar dat doet er niet toe, het is al mooi genoeg als men zoo iets heeft durven beproeven. Waarlijk het is een idee waardig om door je te zijn bedacht, en wat er ook van moge komen, ik help er graag een handje aan meê!
—Als ge goed kunt vinden op te houden met spotten,—werd hem koeltjes door Montbars toegevoegd,—dan zal ik vervolgen.
—Spotten? Ik denk er niet aan, beste vriend! Maar dit weet je, neem mij die uitdrukking niet kwalijk, komt mij zoo potsierlijk voor dat...
—Ge gelooft dat ik gek ben of op het punt van het te worden, is het niet zoo?—viel Montbars haastig in.—Wees daarover niet bezorgd, ik heb al mijne zinnen goed bij elkaar, en was nooit kalmer dan op dit oogenblik. Ik heb volstrekt geen plan om zelfs met hulp van Monaco mij meester te maken van Maracaïbo, later zullen wij nader zien, maar voor het tegenwoordige is de hoofdzaak eenvoudig om in de stad te komen.
—Hm! Een zeer eenvoudige hoofdzaak, die mijns inziens, zeer moeielijk tot stand zal komen. Ik verklaar je ronduit, dat ik er geen kans op zou zien en als gij geen middel weet te bedenken.....
—Ik zal te zijner tijd wel een middel vinden.
—Maar eer wij er over behoeven te denken hoe in de stad te komen, is het toch vrij wat noodzakelijker dunkt mij, dat wij beginnen met er voor te zorgen dat wij in de buurt van de stad zijn en dit zal al even bezwarend wezen.
—Het is niet meer dan hoogstens een dozijn mijlen van hier.
—Het is mij in mijn leven meer dan eens voorgekomen, dat het de hoogste inspanning kostte om zelfs maar een kwartmijl af te leggen! Doch dat daargelaten, hoe denkt ge het aan te vangen?
—Vriendlief, om voor eene expeditie, zoo hachelijk als de onze waarbij alle kansen tegen ons zijn plannen te beramen, dat zou eene groote dwaasheid wezen. Het is vrij wat raadzamer om ons te laten leiden door het toeval, te meer daar zooals ge weet het toeval de groote beschermer is van de Broeders der Kust. En ook thans zal het wel niet in gebreke blijven.
—Nu, ik merk al uit welken hoek de wind gaat waaien, en als dit zoo volhoudt, dan zullen wij heel wat voor het mes krijgen.
—Heel wat, toegestemd! Hebt ge er spijt van, dat ge met mij zijt medegaan?
—Wis en waarachtig niet! Maar toch zou ik er een lief ding voor willen missen als Michel de Baskiër en de Olonner bij ons waren, die ontbreken nog aan het spel.
—Dat is zoo, beste vriend, maar wie kan daar iets aan doen? Wij zullen ons zonder hen moeten redden.
—Och, dat zal misschien wel lukken, maar ik wil er maar mee zeggen dat zij zwaar het land zullen hebben als zij hooren, wat wij zonder hen hebben uitgevoerd.
—Het is nu minder warm, de stralen van de zon vallen reeds in de schuinte, als ge dus genoeg zijt uitgerust, en ge vindt het goed, dan moesten wij onzen tocht hervatten.
—Moeten wij nog lang pagaaien als waren wij Caraïben?
—Neen, maar tot morgen.
—Dan maar weer verder op goed geluk! Maar dat doet er niet toe, ik blijf er bij dat wat wij gaan uitvoeren iets hoogst origineel is. Was dat door je ontvangen bericht nu werkelijk van zooveel gewicht?
—Ja!—werd dof ten antwoord gegeven.—Eindelijk heb ik eenige hoop iets op het spoor te zijn gekomen, en wee! over wie getracht mocht hebben mij te verschalken, en als slachtoffer in een hinderlaag te lokken. Maar bij den hemel! de Spanjaarden kennen mij nog niet, als zij mij voor zoo oliedom houden, dat ik mij op zulk eene wijze zou laten snappen! Hoe groot en sterk Maracaïbo mag zijn dan zou ik het te vuur en te zwaard verwoesten!
—Wel drommels, hij meent het!—zei Luiwammes in zich zelven.—En wat zal ik er verder van denken? Och wat doet het er toe? Het zou toch waarlijk meer dan zonderling wezen als hij haar hier nog terug vond na twintig jaar zoekens.
Juist toen zij de prauw te water brachten hoorden zij in de verte een geschreeuw, en dadelijk daarna een dubbele ontploffing.
—Ei, ei!—zei Luiwammes die zich oprichtte om eens rond te kijken.—Het schijnt dat men daar in den omtrek elkaar klop geeft.
—Wat gaat het ons aan,—gaf Montbars ten antwoord, en haalde de schouders op.—Laten we voortmaken.
Zij grepen de pagaaien en begonnen tegen den stroom op te werken, zich tegelijk een doortocht banend tusschen de zware planten en boomstammen, waardoor het lichte vaartuig telkens gevaar liep om bij den minsten schok te kantelen.
II.
DRIE MANNEN EN VIJFHONDERD KAAIMANNEN.
De oevers van het riviertje waarin de flibustiers met zooveel moeite slechts langzaam vooruit kwamen, waren hoogst schilderachtig en vol oneffenheden; ’s avonds tegen vijf uur kwamen zij op eens in de nabijheid van een meer van middelbare grootte, dat eigenlijk niet anders was dan een uitbreiding van de rivier. Aan den oostkant van dat meer bestonden uitgestrekte moerassen en aan den westkant groote wouden en boschjes van oranjeboomen. Daarna passeerden zij een baai die omringd werd door moerassen met cipresseboomen. Verder op naderden de beide oevers elkaar zoo dicht dat zij als het ware een soort van kanaal vormden ter breedte van ongeveer honderd vijftig vademen, waardoor zij naar eene andere rivier kwamen, de Rio Trinidad.
De avond naderde; het werd dus hoog tijd om uit te kijken naar een heuvel of steilte waar men het kampement voor den nacht zou kunnen opslaan, want in die tropische streken volgt de duisternis bijna onmiddellijk op het licht, zoodat dus de zon nauwelijks is ondergegaan of de nacht is reeds ingetreden.
De flibustiers, die, om het zoo eens uit te drukken, als verdwaald waren op een terrein dat hun totaal onbekend was, geraakten in geen geringe verlegenheid en wisten niet waar zij aan land zouden stappen, doch op eens bespeurden zij na een bocht in de rivier een kleine landtong die den stroom tot een breedte van bijna vijfenzeventig vademen vermeerderde; die landtong was zoo iets als een schiereiland, eene oppervlakte van ongeveer twee hectaren hoogland, geheel bedekt door boschjes oranjeboomen en enkele groene eiken, magnolia- en palmboomen.
—Dáár moeten wij heen!—gelastte Montbars.—Wij konden het niet beter treffen.
—Ja, daarheen!—beaamde Luiwammes.
Zij pagaaiden langs de uiterste punt en kwamen toen op de plek die zij hadden uitgekozen om er te landen, en die werkelijk zoo gunstig gelegen was als zij slechts konden verlangen.
Het was een kleine kringvormige haven, aan den voet van de kust, die te dezer plaatse eene hoogte van twaalf voet had. Achter dit heuveltje was een groot cipressebosch, dat zich naar beide kanten uitstrekte, en nog verder naar achter bespeurde men groene vlakten, bezaaid met heuveltjes, bedekt door verschillende boomen, waaronder magnolia’s en palmen; die heuveltjes, uitsluitend gevormd door massa’s schelpdieren, stonden langs de oevers der kleinere stroomen, gevoed door het water van de rivier, die in deze onmetelijke prairiën rondslingeren en in den winter alles overstroomen.