Part 8
III. 2. 168. Wat zeî de sukkel enz. De tekst heeft: What said the wench when he rose again? Het woord wench zou met deerne, aan welk woord men geen ongunstige beteekenis te hechten heeft, juist vertaald zijn: Wat zeî de deerne, toen de man weer stond? Maar 't is zeer de vraag, of de lezing wench wel de ware is. Het ligt veel meer voor de hand, dat Tranio vraagt, wat de priester zeide, toen hij weer op zijn beenen stond; de jonge vrouw behoefde niet te wachten, met iets te zeggen, tot de priester was opgestaan. Bovendien is het vers mank, zooals het in de folio- en de globe-editie staat; behoudt men wench, dan moet men rose zeker in arose veranderen. Veel beter leest men: "What said the wretched, when he rose again?" of wel: "What said the wretch, when he arose again?" zooals Rich. Gosche heeft voorgeslagen.
III. 2. 175. En wierp, wat van den huwlijkskoek in 't glas nog over was, enz. Het was toen ter tijd gewoonte, na de inzegening van het huwelijk, in de kerk wijn en koek [2], welke laatste in den wijn gedoopt of gesopt werd, aan te bieden. Dit had bij alle huwelijken plaats, tot welken stand het jonge paar ook behoorde. Zoo wordt, bij gelegenheid van het huwelijk van Philips en koningin Maria, in 1554, dat in de kathedraal van Winchester gesloten werd, dit gedeelte der plechtigheid aldus beschreven: "The trumpets sounded, and there remained until mass was done; at which time wine and sops were delivered to them both".
IV. 1. 20. Vuur, vuur, en gooi er geen water, geen water op. Ongetwijfeld toespeling op een oud liedje. Blackstone vermeldt een canon van dezen inhoud:
"Scotland burneth, Scotland burneth; Fire, fire; fire, fire; Cast on some more water".
IV. 1. 51. Zijn de kannen kant enz. Hier moest met eenige vrijheid vertaald worden, om eenigszins denzelfden indruk te geven als het oorspronkelijke, dat aldus luidt: Be the jacks fair within, the jils fair without, the carpets laid, and every thing in order? Hierbij valt op te merken, dat Jack een zwartlederen drinknap of kan is, en ook een gewonen boeren- of knechtsnaam, zooals Hans, Jill een aarden vat of een maat van een kwart pint inhoud, en ook een gewone meidennaam, zooals Griet; men vergelijke "Een Midzomernachtdroom", III. 2. 461, en "Veel gemin, geen gewin", V. 2. 885. Carpets zijn tafelkleeden.
IV. 1. 143. Waar zijn mijn vroegre dagen heen? Een regel uit een liedje van dien tijd; ook Pistool haalt dien aan in "2 Koning Hendrik IV", V. 3. 147.--Een oogenblik later volgt iets dergelijks.
IV. 1. 193. Mijn valk, met leêge maag, enz. Petruccio bezigt inderdaad dezelfde middelen als voor het temmen van valken gebruikt worden: vasten en slapeloosheid.
IV. 2. 61. Een oude hemelzend'ling. In 't Engelsch: an ancient angel, een engel, wijl hij hulp brengt. Wij behoeven hier dus niet te lezen an engle, dat men als a gull, iemand, die zich foppen laat, verklaren wil.
IV. 2. 63. 't Moet een kantoor- of schoolvos wezen. Het oorspronkelijke bezigt hier twee vreemde woorden: Master, a mercatant, or a pedant, waarbij pedant den klemtoon heeft op de laatste syllabe. Mercatant werd in de tooneelwerken van dien tijd meermalen voor "koopman" gebezigd en is hier wel op zijn plaats, daar het stuk in Italië speelt.
IV. 3. 91. 't Lijkt wel een vuurpot in een scheerderswinkel. In de scheerwinkels, waar dikwijls veel menschen bijeen waren, werd reukwerk gebrand. Daartoe dienden metalen vuurpotten, censers, met opengewerkt deksel.
IV. 4. 93. Cum privilegio enz. De Latijnsche formule van het privilege, dat een drukker het uitsluitend recht tot drukken van een werk verzekerde.
IV. 5. 39. Gelukkig de ouders enz. Hier schijnt een herinnering uit Ovidius' Gedaanteverwisselingen den dichter voor den geest te zweven.
V. 1. 155. 't Is nimmer te laat. In het stuk, dat in 1594 werd uitgegeven, volgt nu, boven op den achtergrond van het tooneel, het volgende gesprek tusschen den Lord en zijn bedienden. Sluw, de ketellapper, is in slaap gevallen.
LORD. Heidaar! is daar iemand? (Eenige Bedienden komen op.) Daar slaapt hij weer. Neemt hem voorzichtig op en steekt hem weer in zijn eigen kleêren. Maar past op, dat gij hem niet wakker maakt!
EEN BEDIENDE. Dat zal gebeuren, heer. (Tot de Anderen.) Komt, helpt hem wegdragen. (Zij nemen Sluw op en dragen hem weg.)
V. Tweede Tooneel. Een banket is aangericht. Een banket is wat wij nagerecht, dessert, noemen; het werd in Sh.'s tijd steeds in een andere kamer opgezet.
V. 2. 56. Men meent, uw hinde loopt u wel bek-af. In het Engelsch: 'Tis thought your deer does hold you at a bay. Een woordspeling met deer, hinde, en dear, dierbare, liefje.
V. 2. 118. Haar nieuw-verworven deugd van volgzaamheid. Vreemd is het, dat in het oorspronkelijke twee regels achtereen met obedience eindigen. Men leze ter verbetering met Capell in den tweeden regel virtue of obedience, dus of in plaats van and, dan hindert de herhaling niet meer, en dit is bij de vertaling gevolgd; of men moet voor het tweede obedience iets anders in de plaats stellen, b.v. her submission of her patience. Mocht men dit verkiezen, dan vervange men in de vertaling het woord volgzaamheid van den eersten regel door onderwerping.
V. 2. 181. Nu oude knaap, gij wint uw zaak met glans. Dit gezegde wordt in de folio en door alle uitgevers aan Lucentio toegeschreven, maar wordt beter aan een ouden bekende, Hortensio, toegekend. Lucentio spreekt een oogenblik later.
V. 2. 186. Al troft gij het wit ook. Wellicht een toespeling op den naam Bianca.
V. 2. 189. Zich temmen liet. In het stuk, zooals het in de folio staat afgedrukt, blijft het voorspel zonder slot; het laatste, dat men er van merkt, zijn de weinige regels achter het eerste bedrijf van het eerste tooneel. Het kan zijn, dat Shakespeare, een ouder stuk omwerkende, het vervolg van het voorspel niet schreef, omdat de tooneelspelers reeds wisten, wat zij te doen hadden en het met de woorden toch niet nauw behoefden te nemen; het kan ook zijn, dat het vervolg verloren is gegaan.--Het stuk van 1594 heeft het slot als volgt:
Twee Bedienden komen op, beneden, en leggen Sluw in zijn eigen kleeding neder, waar zij hem gevonden hebben; dan gaan zij heen. Daarop komt de Tapper.
TAPPER. Nu is de donk're nacht voorbij, en straalt De daag'raad aan 't kristallen luchtgewelf, En ik moet uit. Doch stil! wie is dat daar? O wonder, Sluw lag hier de gansche nacht! Ik wek hem. Wis, hij zou bezweken zijn, Had hij zijn pens niet zoo met bier gevuld. Hé, Sluw! word wakker! kom, 't is schande; ontwaak!
SLUW. Simon, geef nog wat wijn!--Wat! zijn al de spelers weg? ben ik geen Lord?
TAPPER. Een Lord? loop rond! wat! altijddoor nog dronken?
SLUW. Wie is daar? Tapper, o Lord! Heere, ik heb Van nacht den schoonsten droom gehad! zoo iets Hebt ge al uw levensdagen nooit gehoord.
TAPPER. Nu goed; maar was toch liever thuis gaan slapen! Uw wijf zal kijven, dat ge 's nachts hier droomt.
SLUW. Zal kijven? 'k weet een kijfster nu te temmen, 'k Heb daarvan heel de nacht gedroomd tot nu. Gij riept mij wakker uit den besten droom, Dien 'k van mijn leven heb gehad. Maar kom, Ik ga nu naar mijn wijf en tem haar ook, Als zij het waagt mij boos te maken, ja!
TAPPER. Neen, wacht nog, Sluw; 'k ga met u meê naar huis; 'k Wil hooren, wat voor droom gij hebt gehad.
(Beiden af.)
AANTEEKENINGEN
[1] Gower was een tijdgenoot van Chaucer, werd geboren omstreeks 1325 en stierf in 1408. Onder zijne voornaamste werken behoort een Engelsch gedicht, Confessio Amantis geheeten, een samenspraak tusschen een minnaar en zijn biechtvader, waarin over het wezen en de plichten der liefde gehandeld wordt, een en ander met geschiedenissen toegelicht.
[2] Men denke ook aan onzen hijlikmaker.