De getemde feeks

Part 7

Chapter 74,027 wordsPublic domain

BIONDELLO. Waar ik geweest heb, Heer? wel hey, dat lijkt wel scheren, Maar hoe! waar zijt gy Heer? heeft Tranio uw kleren Gestolen? of gy zijn? dus bey te gaar verkeert! Wat wil toch dit bediên? gy zijt bey moy besmeert.

LUCENTIO. Komt hier rabaut, 't is nu geen tijdt om dus te gekken, Dus stelt uw wezen naar den tijdt, ik moet vertrekken, En Tranio, om mijn lijf te bergen, heeft 't gestalt Van mijn genomen aan, dies doet 't geen mijn gevalt, En dient hem als mijn zelfs, ik heb van daag gekregen Een ongeluk, pas op, en laat mij niet verlegen. Gij vat mijn zin nu?

BIONDELLO. Ja, zo wel als niet met al.

LUCENTIO. En rept van Tranio niets, of 'k zweer het u, daar zal Een straf op staan, hy 's in Lucentio nu verandert.

BIONDELLO. Dat valt hem vry wat toe, hij is nu nieuw geklandert, 'k Wou 'k ook zo ruilen mocht.

TRANIO. 't Was mijn om 't even, maat", enz.

De geheele vertaling is in alexandrijnen als deze, ook daar, waar Shakespeare proza bezigt. Als voorbeeld hiervan diene Grumio's aankomst op Petruccio's landgoed, als hij de aankomst van het jonge paar heeft te melden (IV. 1. 1).

GRUMIO. Foey, foey, de koekoek haal al die bezukte krengen. Van paerden, dolle Heers, vuyle wegen, waar Was ooyt een mensch zoo zeer gequelt als ik ben? daar Ben ik voor uyt gestuurt goed vuur te laten maken; Mevrouw die beeft van kou, en ik begin te kraken; Zo 'k geen klein potje was, en in der haast bewarmt, Zo was het nodig dat zich yder mijns erbarmt, Ten aanzien van het weer: myn lippen mochten vriezen Aan mijne tanden, en mijn tong haar spraak verliezen, En 't hart in mijnen buyk, zo 'k nu by 't vuur niet kon, Om my 't ontdoijen; och daar schijnt een flauwe Zon. 't Vuur op te blazen, ja, dat zal my wat verquikken. Een kloeker kaerel die verkoude wel als ikke, In zoo'n beslikten wegh. hou, holla Kurtus, hout, Waar benje Kurtus maat?

KURTUS. Wie roept daar zoo verkout?

GRUMIO. Een stuk ys. twijfelt gij? vraagt gij dat? hoe zal 't dyen? Gij zoudt wel op mijn rug op schaatzen kunnen ryen, Zo gladt ben ik van ys, vuur Kurtus, vuur bylo!

KURTUS. Waarom?

GRUMIO. Mijn Heer komt met zijn Bruydt.

KURTUS. Hoe, Grumio! Is 't waar?

GRUMIO. Vuur Kurtus, vuur.

KURTUS. Wat ben jy ook een snakert. Maar is zy, als men zeydt, zo heetjes dan gebakert?

GRUMIO. Zo heeft zy, Kurtus maat, voor deze vrost geweest; De winter, als gij weet, temt man, en vrouw, en beest, Zy heeft getemd mijn Heer, mijn nieuwe Vrouw, en mede Mijn makker Kurtus zelfs.

KURTUS. Wech, wech, gy lam van leden, Gy zotje van drie duym, ik ben geen beest gelijk.

GRUMIO. Hoe, ben ik maar drie duym? wel hey! ey lieve kijk! Jou hoorn is wel een voet, zo lang ben ik ten minste", enz.

Hier en daar is het een en ander weggelaten of gewijzigd; evenals het begin is het einde van het blijspel zeer bekort, de weddenschap en de vermaning van Katharina zijn vervangen door een kort tooneeltje van nog geen anderhalve bladzijde, dat een einde aan het stuk maakt. Maar het geheel is toch een vertaling van een stuk van Shakespeare, naar ik meen de oudste, die in ons land bekend is. Dr. Worp zegt hieromtrent het volgende:

"Een nauwkeurige vergelijking der beide blijspelen, vers voor vers, heeft mij tot de overtuiging gebracht, dat wij hier werkelijk met een vertaling van "The taming of the shrew" hebben te doen. Van een andere bron dan Shakespeare zelf kan moeilijk sprake zijn, noch van "The taming of a shrew", waarnaar de groote dichter zijn blijspel heeft bewerkt, noch van "Die wunderbare Heurath Petruccio mit der bösen Catharinen", dat in 1658 te Zittau werd opgevoerd, maar misschien reeds vóór dien tijd was geschreven (Vgl. Genée, "Geschichte der Shakesp. Dramen in Deutschland", blz. 174). Evenmin kan er sprake van zijn, dat het blijspel hier door Engelsche tooneelspelers zou zijn gebracht; de vertaling volgt het origineel te veel ook in allerlei kleinigheden, dan dat men aan een bedorven Engelsch libretto of aan het opschrijven na een voorstelling mag denken.

"Het bestaan van "De dolle bruyloft" bewijst dus, dat er in het midden der 17de eeuw exemplaren van sommige werken van Shakspere in ons land gevonden en gelezen werden."

Daar er geen oude afzonderlijke uitgaven van de "Taming of the Shrew" bestaan, moet een exemplaar van de folio van 1623 of van 1632 (de derde druk is van 1664), of een afschrift, voor de vertaling gediend hebben.

Voorspel. 1. 4. Richard den Veroveraar. Hij meent natuurlijk Willem den Veroveraar, met wien zoovelen van den oudsten adel in het land kwamen.--Het paucas pallabris is verdraaid uit het Spaansche pocas palabras, weinig woorden! evenals sessa uit het Spaansche cesa, houd op, stil! twee uitheemsche uitdrukkingen, toen, blijkens andere tooneelspelen van dien tijd, in zwang; ook Brummel gebruikt het woord palabras in "Veel leven om niets", III. 5. 18.

Vsp. 1. 9. Ga weg, Jeronimus. Deze woorden zijn genomen uit Kyd's Spaansche Tragedie, toen ter tijd aan ieder schouwburg-bezoeker bekend, zoodat zeker de aanhaling dadelijk opgemerkt werd. In de folio staat "S. Ieronimie"; de S wordt door de uitgevers der Cambridge- en Globe-edition voor een vraagteeken gehouden, dat voor uitroepingsteeken gebezigd werd, en zoo is hier vertaald. Doch misschien is het beter de S als een werkelijke S, dus als een verkorting van Saint, te beschouwen en te vertalen: "ga weg, Sint Jeronimus!" zoodat de dronkaard den held der Sp. Tragedie met den heiligen Hieronymus verwart.

Vsp. 1. 12. Ik ga den schout halen. In de folio staat: I must go fetch the Headborough. Headborough is een konstabel, een politieagent. Blijkbaar moet dit woord vervangen worden, zooals in alle uitgaven geschiedt, door thirdborough; dit blijkt uit Sly's antwoord Third or fourth, or fifth borough. Thirdborough was een onderkonstabel, of nagenoeg gelijk met headborough. In The Constable's Guide (1771) leest men: "There are in several counties of this realm other officers; that is, by other titles, but not much inferior to our constables; as, in Warwickshire, a thirdborough.--In de vertaling moest het antwoord van Sly gewijzigd worden; hij spreekt hier van den schout als van een soort duivel.--Hij richt verder in zijn dronkenschap het woord tot den knecht van het bierhuis.

Vsp. 1. 64. En zegt hij: "Wat, ik ben--", zeg, dat hij droomt. Het komt mij voor, dat het streepje achter "ik ben" voor iedereen duidelijk moet maken, dat de dronkaard bij het ontwaken zegt: "Wat! ik ben toch--", en zijn naam noemt of noemen wil; een gebaar kan bij het spelen dit "die of die" voor iedereen zichtbaar maken.--Maar in de folio ontbreekt het streepje, en er staat alleen: And when he sayes he is, say that he dreames,--en ziedaar! nu wil de eene uitgever aanvullen: he is lunatic, de andere wil lezen: he 's Sly, een derde vermoedt, dat er een heel vers verloren is gegaan!

Vsp. 1. 88. Soto. Het is onbekend, welk stuk hiermee bedoeld is. Er is geen ouder stuk bewaard gebleven of bekend, waarin een Soto voorkomt.

Vsp. 1. 122. Die deze zeven jaar enz. Later, Vsp. 2. 81, wordt van vijftien jaar gesproken. Is het daarom noodig, hier tweemaal zeven jaar te schrijven? In het geheel niet; men rekene liever de dichters zoo precies niet na. Shakespeare stoorde zich meermalen niet aan les petites chicanes de la probabilité, zooals Gustave Planche zulke narekeningen noemt; men vergelijke de aanteekening op "K. Richard III", III. 4. 80.

Vsp. Tweede Tooneel. Een slaapkamer in het huis van den Lord. Men ziet Sluw enz. In de folio staat: De Dronkaard komt op, boven, met Gevolg. Sluw verscheen dus op het smalle balkon, dat op den achtergrond van het toenmalig tooneel zich bevond, en zag van daar het schouwspel, dat hem voorgediend werd, aan.

Vsp. 2. 1. Een potteken scharrebier. Dunnebier, sterk schuimend, werd als middel tegen katterigheid aangewend; het moest ongeveer als sodawater dienen.

Vsp. 2. 19. Burtonheide. Hier zal Burton of Barton-on-the-heath, een vlek op de grens van Warwickshire en Oxfordshire bedoeld zijn.

Vsp. 2. 23. Wincot. Verkorte uitspraak van Wilmecote, een dorp in de buurt van Stratford aan de Avon. Shakespeare's grootvader, Robert Arden, woonde er.

Vsp. 2. 51. Houdt gij van schilderijen? Ongetwijfeld worden hier bekende, meermalen voorkomende schilderijen aangehaald. Mythologische voorstellingen vielen toen in den smaak. De vermelding van Adonis en Cytherea doet denken aan het sonnet, dat als zesde gedicht in den Verliefden Pelgrim voorkomt, die van Io aan Correggio's beroemd schilderstuk, waarvan men echter niet weet, of het toen reeds in Engeland bekend was.

Vsp. 2. 112. Els Madame. De ketellapper houdt het woord Madame blijkbaar voor een familienaam.

I. 1. 2. Padua, der kunsten wieg. De universiteit van Padua, in 1228 gesticht, was in Sh.'s tijd de beroemdste en meest bezochte van Italië. Petrarca, Columbus en Galilei hadden er gestudeerd.

I. 1. 25. Mi perdonate. Shakespeare's tijdgenooten, Ben Jonson, Webster en vooral Marston strooiden gaarne vreemde gezegden hier en daar in hun tooneelwerken, hijzelf doet het nagenoeg alleen in dit stuk; de schoolpedant Holofernes doet het in "Veel gemin, geen gewin", om zijn geleerdheid te luchten.

I. 1. 47. Bij het hier volgende optreden der personen staat in de folio-uitgave: Gremio, a Pantelowne. De Pantalon was een telkens terugkeerende Italiaansche theaterfiguur; men zie de beschrijving in "Elk wat wils" (As you like it), II. 7. 158.

I. 1. 55. Het hof? Ik ducht haar slof; ze is mij te grof. De Engelsche woordspeling met to court, het hof maken en to cart, op een kar rondvoeren, zooals men booze vrouwen deed, was natuurlijk niet juist over te brengen.

I. 1. 108. Zoo groot is de liefde tusschen Katharina en haar vader niet. Er staat eigenlijk alleen: "Hun liefde is zoo groot niet"; doch dit moet beteekenen, wat in de vertaling is uitgedrukt: de liefde tusschen hen beiden is zoo groot niet, dat zij op den duur een echtverbintenis van Bianca tegenhoudt, al moeten de twee medevrijers nu rustig wachten, daar zij op 't oogenblik teleurgesteld zijn. Dit laatste wordt uitgedrukt door 't ongaar zijn van den koek.

I. 1. 136. Alle dagen op de markt zou gegeeseld worden. Er staat in het Engelsch: at the high-cross, "aan het hooge kruis", d. i. een steenen kruis op de markt, aan welks voet de openbare lijfstraffen voltrokken werden.

I. 1. 159. Als Anna met haar zuster Dido was. Duidelijkheidshalve is uitgedrukt, dat Anna de zuster was van Dido; zij was de vertrouweling, aan wie Dido haar liefde voor Æneas beleed. In 't Engelsch staat: "Als Anna aan Carthago's koningin". Aan Sh.'s publiek was Anna bekend uit Marlowe's stuk: "Dido, koningin van Carthago".

I. 1. 168. Redime te, captum, quam queas minimo. "Zijt gij gevangen, koop u dan voor zoo weinig mogelijk vrij." Een aanhaling uit Terentius, Eunuchus I. 1. 29, maar niet geheel woordelijk, en in dezen vorm, die beter bij de Engelsche versmaat past, ongetwijfeld aan Lilly's Grammatica ontleend.

I. 1. 173. Agenors dochter--de schoone Europa.

I. 1. 213. Mijn vederhoed. Er staat eigenlijk: mijn kleurigen (of bonten) hoed; een hoed is bedoeld, zooals alleen voorname lieden dragen.

I. 2. 28. Het doet er niet toe, wat hij daar in het Latijn vertelt. Het moge vreemd schijnen, dat Grumio, de Italiaan, zijn eigen moedertaal voor Latijn houdt, maar hij spreekt door Shakespeare Engelsch; het Italiaansch is hem, al speelt het stuk in Italië, een onbekende taal en kan hem dus Latijn toeschijnen of iedere andere vreemde taal; alleen voor Italiaansch moet hij het niet houden.

I. 2. 33. En niet meer meespeelt. In 't Engelsch staat: being, perhaps, two-and-thirty,--a pip out. Een pip is een oog, een punt op een speelkaart, a spot on cards. De zegswijze is ontleend aan het kaartspel: Bone-acre or One and thirty; wie meer had dan één-en-dertig, viel uit, speelde niet meer mee. Was Petruccio twee-en-dertig, dan was zijn tijd van spelen voorbij.--Halliwell merkt verder nog op; "to be two-and-thirty, a pip out, was an old cant phrase applied to a person who was intoxicated."

I. 2. 69. Waar' ze ook zoo leelijk als Florentius' bruid enz. Gower verhaalt in het eerste deel van zijn Confessio Amantis [1] de geschiedenis van een zekeren ridder Florens of Florentius, die, om een raadsel op te lossen en hierdoor zijn leven te redden, een afschuwelijk leelijk wijf trouwde,--

"Which was the lothiest wighte, That ever man cast on his eye".--

Dezelfde historie, doch zonder naam, vertelt ook Chaucer in The Wife of Bath's Tale. Voltaire heeft er zijn vertelling Ce qui plaît aux dames, die door Bilderdijk in Ridder Sox vrij is nagevolgd, naar gedicht.--Voor het fel en vinnig van den volgenden regel heeft het Engelsch curst and shrewd. Aangaande dit laatste woord, dat in dit stuk meermalen voorkomt, moge hier de volgende verklaring van Grant-White een plaats vinden: "Shrewd now is only used in the sense of keen, as applied to the mind. But this sense is merely figurative. The radical idea of the word shrew is irritation, sharp annoyance".

I. 2. 244. Leda's schoone dochter. Helena, de vrouw van Menelaos, geschaakt door Paris. De Trojaansche oorlog was aan Shakespeare's publiek zeer wel bekend. Mythologische toespelingen werden over het algemeen wel begrepen; dat Hercules ook Alcides heette b.v., en dat hij twaalf groote werken volbracht had (zie I. 2. 258) wisten waarschijnlijk velen van de toeschouwers.

I. 2. 282. U wacht, Petruccio, straks mijn welkomstgroet. Hij zal hem dus straks verwelkomen, bij de afgesproken samenkomst, of wel, volgens afspraak, verkleed zijn opwachting komen maken en hij hoopt dan welkom te zijn, of hij zal Petruccio welkom zijn, omdat hij hem aan een rijke vrouw helpt. Woordelijk luidt het oorspronkelijke:

"Een aardig plan voorwaar, en zij het zoo! Petruccio, 'k ben uw ben vénuto".

Ben venuto is de Italiaansche groet: welkom! De klemtoon is hier, als bij Sh., verkeerd gelegd, om een schertsrijm te krijgen.

Op het eerste bedrijf volgt in het stuk van 1594 een kort gesprek tusschen den ketellapper en den als bediende verkleeden Lord. Bij de woorden van Sluw: "Bravo, hier komen twee mooie dames" treden Katharina en Bianca op.

II. 1. 33. Barvoets dansen en apen brengen naar de hel. D. i. "als oude jonge juffer sterven". Zie "Veel leven om niets", II. 1. 43. De uitdrukking was spreekwoordelijk. Hoe de zegswijze ontstaan is, schijnt onbekend; het apen brengen naar de hel is misschien als straf gedacht voor oude juffers, die niet van kinderen hielden en ze afscheepten of onaardig behandelden.

II. 1. 101. Dit stapeltje Latijnsche en Grieksche boeken. Men behoeft hier geenszins uit af te leiden, dat de dochters van Battista geleerder waren dan andere jonge dames van haar tijd; Latijn, Grieksch, wiskunde en wijsbegeerte werden toen dikwijls door vrouwen beoefend, ongeveer als thans muziek. Men denke slechts aan koningin Elizabeth, Lady Jane Grey, de dochters van Sir Thomas More; en ook in ons vaderland waren, zooals bekend is, zulke studiën zoo zeldzaam niet. Vooral in een academiestad als Padua kon men wachten, dat de vrouwen van de hoogere klassen er zich mee bezighielden. In de nieuwere talen waren slechts weinige onderhoudende en schoone boeken geschreven, zooals Macauley in zijn stuk over Lord Bacon terecht opmerkt.

II. 1. 103. Lucentio is uw naam? De naam Lucentio is nog niet genoemd, hoe komt Battista dien te weten? Het is licht mogelijk, dat Tranio eindigde met zijn naam op te geven, en dat deze met Lucentio beginnende regel bij den druk is weggevallen; het kan ook zijn, dat de dichter zich vergist heeft. Wil men het verzuim herstellen, dan kan men Tranio laten zeggen: "Lucentio is mijn naam"; en Battista alleen laten vragen: "Van waar afkomstig?"

II. 1. 116. Ik kan niet elken dag hier aanzoek doen. Dit zeggen van Petruccio: And every day I cannot come to woo, wekte ongetwijfeld zeer veel vroolijkheid bij de toeschouwers op, want het is woordelijk, met een kleine omzetting, het refrein van een oude ballade, The ingenious Bragadoccio betiteld. Ook in een tusschenspel, interlude, van Puttenham komt de regel voor: I cannot come a wooing every day.

II. 1. 199. Zooals een vouwstoel, ja. Men vergelijke "Koning Lear" III. 6. 54. Cry you mercy, I took you for a joint-stool: Verschoon mij, ik hield u voor een vouwstoel. Het was een gewoon zeggen, als men iemand opzettelijk over het hoofd had gezien en zich op lompe, ja beleedigende wijze daarover verontschuldigde.--Het geheele volgende gesprek vloeit over van woordspelingen, die slechts ten deele met eenige getrouwheid zijn weer te geven; in reg. 207 wordt uit be, zijn, bee, bij, verstaan en daarom van buzz, gonzen, gesproken, waarop weer de vermelding van een buzzard, buizerd of muizerd, volgt; reg. 215 wordt tail opgevat als staart, en als tale, vertelling; reg. 216 coxcomb als narrenkap of nar, en als hanekam. Reg. 225 zegt Petruccio tot Katharina: Put me in thy books, wat hier doelt op het boek, waarin de herauten de wapens moeten aanteekenen, maar wat ook beteekent: "sla acht op mij", "denk aan mij", "wees mij gunstig".

II. 1. 268. Nu, houd dien geest maar warm. Yes, keep you warm. Een spreekwoordelijk zeggen, vollediger uitgedrukt in "Veel leven om niets", I. 1. 68: If he have wit enough to keep himself warm, "als hij geest genoeg heeft, om zich warm te houden".

II. 1. 297. Griseldis streeft zij in geduld ter zij. Er staat eigenlijk: "In geduld zal zij een tweede Griseldis blijken". De geschiedenis van Griseldis, de zachte vrouw, die al de beproevingen, die haar man haar oplegde, met de grootste lijdzaamheid droeg, was in Engeland reeds lang bekend. Petrarca had in 1373, het jaar vóór zijn dood, het verhaal van Boccacio betreffende Griseldis (Decamer. X. 10) in het Latijn overgebracht: De obedientia et fide uxoria Mythologia; en deze Latijnsche vertaling werd door Chaucer getrouw gevolgd in zijn Canterbury tales, waarin de geschiedenis van Griseldis The Clerk's Tale uitmaakt. Chaucer was in 1372-'73 in Italië en kan er toen reeds de geschiedenis hebben leeren kennen.

II. 1. 300. Aanstaanden Zondag zal de trouwdag zijn. Collier zegt, dat dit het refrein is van een oud lied, waarvan hij een strophe naar mondelinge overlevering mededeelt:

"To church away! We will have rings And fine array, With other things Against the day, For I'm to be married on Sunday".

Zoo Collier niet een strophe mededeelt, die naar aanleiding van bovenstaanden regel van Sh. en den voorafgaanden gemaakt is, moet Shakespeare dit lied gekend hebben.

II. 1. 348. Gij kent, vooreerst, mijn huis hier in de stad. Indien Shakespeare niet zelf Italië bezocht heeft, en geen kijkje heeft genomen in de huizen van aanzienlijken aldaar, vooral in Venetië en nabijgelegen steden, moet men erkennen, dat hij wonderwel was ingelicht, want hij heeft de kostbaarheden van zulk een woning zeer juist beschreven en de ivoren koffers, troonhemels, Turksche kussens met paarlen zijn terecht als kenschetsend aangehaald, evenzoo de Venetiaansche kunst, want de gouden kunstwerken van Venetië waren beroemd.

III. 1. 28. Hic ibat Simois etc. Dit distichon is uit de Heldinnebrieven van Ovidius, I. v. 33. Penelope schrijft aan Ulysses, hoe bij menige andere vrouw, die zoo gelukkig is, dat haar man is teruggekeerd, na den maaltijd de strijd om Troje met een luttel geplengden wijn op een tafel wordt duidelijk gemaakt; de verhaler zegt dan: "Hier liep de Simois, daar is het Sigeïsche veld; ginds stond het hooge hof van den grijzen Priamus".

III. 1. 37. Den ouden verliefden gek. In 't oorspronkelijke: "den ouden Pantalon". Zie boven, bij I. 1. 47.

III. 1. 50. Pedascule. Blijkbaar een uit Pedant en het Grieksche Didascalos (Leermeester) gesmeed woord, met den uitgang van den Latijnschen vocativus.

III. 1. 73. Ut ben ik, gamma, enz.--Gamut I am, the ground of all accord etc. Het woord gamut beteekent in dit versje niet de toonladder, maar de noot Gamma, zoodat het woord in het Engelsch eigenlijk gammut moest geschreven zijn.

Gamm'-ut is, in den zin, waarin het woord hier genomen wordt, de laagste noot der toonladder van Guido Aretino, een Benedictijner monnik, uit de elfde eeuw, van Arezzo in Toscane. Aan dezen toon, de G op de onderste lijn van de bas, gaf hij den naam van de derde letter in het Grieksch Alphabet, G, Gamma, liet den slotklinker weg en stelde er de lettergreep ut voor in plaats. Dezen, en de overige namen, re, mi, fa enz., die Guido aan de noten der diatonische toonladder gaf, ontleende hij aan de volgende verzen, die de eerste strophe uitmaken van een kerkgezang, van Paulus Diaconus, aan den Heiligen Johannes Baptista, een bede bevattende der zangers, dat zij niet van heeschheid mochten te lijden hebben:

"Ut queant laxis resonare fibris Mira gestorum famuli tuorum, Solve polluti labii reatum, Sancte Joannes!"

De wijze, waarop deze hymne oudtijds in de Katholieke kerk gezongen werd, klimt met de diatonische intervallen G, A, B, C, D en E, bij de lettergrepen, die hier cursief gedrukt zijn.

Door Guido werden de twintig tonen der Gregoriaansche toonladder, met de G, dat is de G op de onderste lijn (gamma) van de bas, beginnende, in zeven toonreeksen, zoogenaamde hexachorden, ieder van zes tonen, ingedeeld. In elk dezer Hexachorden, bij welke van C, F of G als grondtoon werd uitgegaan, werd deze grondtoon steeds ut genoemd; de volgende tonen werden re, mi, fa, sol, la geheeten. De tonen werden dus in de hexachorden vernoemd, zonder dat op de hun toekomende Gregoriaansche letters gelet werd, zoodat de namen ut, re, mi, fa, sol, la, niet aan bepaalde tonen eigen waren, maar ut op F, G en C, re op G, A en D, enz. kon vallen. Tusschen mi en fa lag steeds een halve toon; de B was in het eerste, vierde en zevende hexachord de ware B, of B quadratum (bij de Duitschers H), in het derde en zesde hexachord B mol, of B rotundum (bij de Duitschers B).

Het eerste hexachord omvatte de tonen G, A, B, C, D, E; het tweede C, D, E, F, G, a (zoo men door de lettersoort, zooals A, a, a, de tonen van verschillende hoogte wil uitdrukken). De toon C heette dus in het eerste hexachord fa, in het tweede ut, D in het eerste sol, in het tweede re, E in het eerste la, in het tweede mi.

Zoover reikt het onderwijs, door Hortensio aan Bianca gegeven, dat alzoo volgens de methode van Guido van Arezzo plaats heeft. Ware hij verder gegaan, dan hadden zijn volgende versregels moeten beginnen met: F fa ut, G sol re ut, a la mi re, b fa mi, c sol fa ut, d la sol re, e la mi, f fa ut, g sol re ut, a la mi re, b fa mi, c sol fa, d la sol, e la.

Om het overgaan van het eene hexachord in het andere gemakkelijker te maken, verbond Guido de namen der tonen aan de gewrichten en vingertoppen der linkerhand, waarop de zanger het oog moest vestigen. Men moge hierover een geschiedenis der muziek raadplegen.

Dat Shakespeare een groot vriend was van muziek en deze kunst hoog in eere hield, blijkt uit vele plaatsen zijner geschriften. Bovendien strooit hij hier en daar in zijn stukken liederen, voor welke populaire wijzen bestaan. Wie hier meer van weten wil, raadplege het groote werk van W. Chappell, The Ballad literature and popular music of the olden Time: History of the ancient songs, ballads, and of the Dance tunes of England etc. London (1855).

III. 2. 51. De opgenoemde paardekwalen zijn niet alle dezelfde als in het oorspronkelijke; een getrouwe overzetting zou voor velen onverstaanbaar geweest zijn of omschrijvingen vereischt hebben, kortom, een geheel verkeerden indruk gemaakt hebben, door letterknechterij.

III. 2. 70. "De veertig lustige liefdeliedjes". In 't Engelsch: "the humour of forty fancies". Volgens Warburton's hoogst waarschijnlijke gissing een toen ter tijd zeer bekende verzameling van minneliedjes (fancies).

III. 2. 84. Neen, bij Sint Japik enz. Het Engelsch Nay, by Sint Jamy, etc. ziet er wel naar uit, dat het aan een volksballade ontleend is.