De getemde feeks

Part 6

Chapter 63,909 wordsPublic domain

BATTISTA. Gij bedriegt u, heer; gij bedriegt u, heer. Hoe denkt gij dan wel, dat hij heet?

VINCENTIO. Hoe hij heet? Alsof ik niet wist, hoe hij heet! Ik, die hem heb grootgebracht van zijn derde jaar af! zijn naam is Tranio.

PEDANT. Maak, dat gij weg komt, dolle ezel! Zijn naam is Lucentio; en hij is mijn eenige zoon, en erfgenaam van mijn geheel vermogen, van mij, signore Vincentio.

VINCENTIO. Lucentio! O, hij heeft zijn meester omgebracht!--Vat hem, ik beveel het, in naam des hertogs!--O mijn zoon! mijn zoon! Zeg mij, gij schurk, waar is mijn zoon Lucentio?

TRANIO. Roep toch een gerechtsdienaar (Een Dienaar af.), dat deze dolleman naar de gevangenis gebracht worde;--vader Battista, ik bid u, draag zorg, dat hij voor het gerecht komt.

VINCENTIO. Ik naar de gevangenis!

(De Dienaar komt terug met een Gerechtsdienaar.)

GREMIO. (Tot den Gerechtsdienaar.) Houd af, man; hij moet niet naar de gevangenis.

BATTISTA. Bemoei er u niet mee, signore Gremio; ik zeg, hij moet wel naar de gevangenis.

GREMIO. Pas op, signore Battista, dat gij u hierbij de vingers niet brandt; ik durf er op zweren, dat dit de echte Vincentio is.

PEDANT. Zweer, als gij durft.

GREMIO. Neen, zweren durf ik er niet op.

TRANIO. Dan waart gij ook wel in staat om te zeggen, dat ik niet Lucentio ben.

GREMIO. Ja, u ken ik als signore Lucentio.

BATTISTA. Weg met dien leuteraar; naar de gevangenis met hem!

VINCENTIO. Worden vreemdelingen hier zoo voortgesleurd en mishandeld?--O gij afschuwelijke booswicht!

(Biondello komt terug, met Lucentio en Bianca.)

BIONDELLO. O het loopt mis met ons, en.... daar staat hij! Verloochen hem, zweer hem af, of anders is het uit met ons.

LUCENTIO (knielt voor Vincentio). Vergeving, goede vader!

VINCENTIO. Beste zoon! gij leeft!

(Biondello, Tranio en de Pedant loopen weg.)

BIANCA. Vergeving, waarde vader!

(Zij knielt voor Battista.)

BATTISTA. Wáárvoor, kind? Waar is Lucentio?

LUCENTIO. Hier, hier is Lucentio, En de echte zoon van de' echten heer Vincentio; Door 't huw'lijk werd, terwijl een valsche schijn Uw oogen heeft misleid, uw dochter mijn.

GREMIO. 't Is een complot, ik zie 't, om allen te misleiden!

VINCENTIO. Waar is die duivelsche schavuit, die zoo Brutaal mij heeft beschimpt, die Tranio?

BATTISTA. Maar zeg mij, dit is toch mijn Cambio?

BIANCA. Uit Cambio werd nu Lucentio.

LUCENTIO. De liefde deed die wond'ren. Liefde voor Bianca deed mij Tranio's stand aanvaarden, Terwijl hij mijne rol speelde in de stad; In 't eind ben ik gelukkig in de haven Van mijn gewenschte zaligheid geraakt;-- Wat Tranio deed, deed hij op mijn bevel; Vergeef hem, vaderlief, om mijnentwil.

VINCENTIO. Ik splijt den schelm den neus, die mij ten kerker wou verwijzen.

BATTISTA (tot Lucentio). Maar gij, heer, hoor eens, hebt gij dus mijn dochter gehuwd, zonder naar mijn goedvinden te vragen?

VINCENTIO. Wees maar voor niets beducht, Battista; gij zult wel tevreden zijn, stel u gerust; maar ik ga naar binnen; ik wil wraak nemen over die schurkenstreken.

(Vincentio af.)

BATTISTA. En ik wil 't mijne hebben van die streken.

(Battista af.)

LUCENTIO. Gerust, mijn lief, uw vader zal niet toornen.

(Lucentio en Bianca af.)

GREMIO. Mijn koek ligt in de asch, maar ik ga mee naar binnen; Want buiten het maal heb ik niets meer te winnen.

(Gremio af.)

(Petruccio en Katharina komen naar voren.)

KATHARINA. Kom, mijn gemaal, en zien wij, hoe dit afloopt.

PETRUCCIO. Geef me eerst een kus, mijn Kaatje, dan is 't goed.

KATHARINA. Wat! midden op de straat?

PETRUCCIO. Wat! schaamt ge u over mij?

KATHARINA. God beware mij, neen;--maar ik schaam mij, te kussen.

PETRUCCIO. Kom, dan naar huis weer toe;--gij knaap, maak alles klaar.

KATHARINA. Neen, blijf toch, bid ik u; daar hebt ge uw kusje, man.

PETRUCCIO. Is 't nu niet goed?--Kom, lieve Kaat, Beter eens dan nimmer, 't is nimmer te laat.

(Beiden af.)

TWEEDE TOONEEL.

Een zaal in Lucentio's woning.--Een banket is aangerecht.

Battista, Vincentio, Gremio, de Pedant, Lucentio, Bianca, Petruccio, Katharina, Hortensio en de Weduwe komen op; Tranio, Biondello, Grumio en Anderen dienen ververschingen rond.

LUCENTIO. Ten laatste stemt, wat lang niet samenklonk; En is het woeden van den krijg voorbij, Dan lacht men graag om vroeg'ren schrik en angst.-- Bianca-lief, begroet gij mijnen vader, Den uwen groet ik even hartlijk hier;-- Broeder Petruccio,--zuster Katharina,-- En gij Hortensio, met uw lieflijk weeuwtje,-- Viert vroolijk feest, weest welkom in mijn huis; Dit klein onthaal is slechts een nagerecht Van 't groote feestmaal; 'k bid u, zet u neer; En nu bij 't eten 't praten niet vergeten!

(Zij zetten zich aan tafel.)

PETRUCCIO. 't Is altijd, zit en eet, en eet en zit!

BATTISTA. In Padua heerscht vriendlijkheid, Petruccio.

PETRUCCIO. Ja, Padua schenkt niets dan vriendlijkheid.

HORTENSIO. Ja, waar' dit zoo, het ware ons beiden goed.

PETRUCCIO. Zijn weeuwtje, zie ik, ducht Hortensio.

WEDUWE. Verstijv' mijn tong, indien ik iemand ducht.

PETRUCCIO. Gij zijt scherpzinnig, toch mist gij den zin; 'k meende, dat Hortensio u ducht.

WEDUWE. Die duiz'lig is, gelooft, dat alles draait.

PETRUCCIO. Gij draait er u goed uit.

KATHARINA (tot de Weduwe). Hoe meent gij dit?

WEDUWE. Ik geef terug, wat ik van hem ontving.

PETRUCCIO. Van mij ontving?--Hoe smaakt dit aan Hortensio?

HORTENSIO. Zij meent, zij geeft aan u uw steek terug.

PETRUCCIO. Gevat, man; weeuwtje, dit verdient een kus.

KATHARINA. "Die duiz'lig is, gelooft, dat alles draait;"-- Ik bid u, zeg toch eens, wat gij bedoelt.

WEDUWE. Uw man, die door een feeks geplaagd is, meet Het leed mijns mans naar zijne kwelling af; Ziedaar, wat ik bedoeld heb.

KATHARINA. Uw bedoeling Is boos, zeer boos.

WEDUWE. Juist, gij toch waart bedoeld.

KATHARINA. Ja, ik word boos, heb ik met u te doen.

PETRUCCIO. Kom, troef haar, Kaatje!

HORTENSIO. Troef haar, weeuwtje!

PETRUCCIO. Een honderd mark; mijn Kaatje krijgt haar onder.

HORTENSIO. Dat hoeft niet; ik neem 't aan.

PETRUCCIO. Gesproken als een man.--Vriend, houd u goed!

(Hij drinkt Hortensio toe.)

BATTISTA. Wel, Gremio, wat zegt ge van dit volk?

GREMIO. Ze stooten met de koppen aardig saam.

BIANCA. Als jonge bokken zou een spotter zeggen, Die nog geen wapen hebben voor hun stoot.

VINCENTIO. Zoo, bruidje, wordt ge wakker op dit punt?

BIANCA. Wel wakker, niet verschrikt; ik slaap weer in.

PETRUCCIO. Neen, neen; gij loopt niet vrij, gij zijt begonnen; Verwacht alzoo een scherpen pijl of twee.

BIANCA. Ben ik uw vogel? 'k Zoek een ander bosch; Vervolg mij met uw pijl dan, als gij kunt;-- Vaart allen wel!

(Bianca, Katharina en de Weduwe af.)

PETRUCCIO. Daar is zij mij ontsnapt.--Signore Tranio, Gij miktet op dat vogeltje en schoot mis! Een dronk op ieder nu, die schoot en miste.

TRANIO. O heer, 'k was voor Lucentio als een windhond, Die dapper loopt en voor zijn meester vangt.

PETRUCCIO. Een vlugge vergelijking, maar wat hondsch.

TRANIO. 't Is goed, heer, dat ge voor uzelven jaagdet; Men meent, uw hinde loopt wel bek-af.

BATTISTA. Oho, Petruccio! Tranio trof u daar.

PETRUCCIO. Ik dank u voor dat schampschot, goede Tranio!

HORTENSIO. Erken, erken! Heeft hij u niet geraakt?

PETRUCCIO. Hij heeft mij wat geschampt, ik wil 't erkennen; Maar, vloog de scherts ook raak'lings langs mij heen, Tien tegen één, zij trof u beide' in 't hart.

BATTISTA. Nu, 'k denk in goeden ernst, mijn zoon Petruccio, Gij hebt toch wel het lastigst wijf van allen.

PETRUCCIO. En ik zeg "neen";--maar neemt de proef er van; Laat elk van ons zijn vrouw eens hier ontbieden, En hij, wiens vrouw dan het gehoorzaamst is, En 't eerste komt, wanneer hij om haar zendt, Die wint den prijs, waar wij om zullen wedden.

HORTENSIO. 't Is goed; en wat is de inzet?

LUCENTIO. Twintig kronen.

PETRUCCIO. Twintig kronen! Dat waag en zet ik op mijn valk of hond. Maar twintigmaal zooveel wel op mijn vrouw.

LUCENTIO. Nu honderd dan!

HORTENSIO. 't Is goed.

PETRUCCIO. Goed, aangenomen!

HORTENSIO. Wie zal beginnen?

LUCENTIO. Dat wil ik doen.--Ga, Biondello, vraag dat uw meest'res hier kome.

BIONDELLO. Ik ga.

(Biondello af.)

BATTISTA. Mijn zoon, ik sta u half; Bianca komt.

LUCENTIO. Neen, niets daarvan; ik neem 't geheel op mij.

(Biondello komt terug.)

Nu, nu, hoe is 't?

BIONDELLO. Heer, mijn meest'res laat zeggen, Dat ze iets te doen heeft en niet komen kan!

PETRUCCIO. Zoo! iets te doen heeft en niet komen kan. Is dat een antwoord?

GREMIO. Ja, en vriend'lijk ook; Bid God, dat u uw vrouw geen erger zend'.

PETRUCCIO. Ik hoop, een beter.

HORTENSIO. Biondello, ga, verzoek mijn vrouw, dat zij Hier daad'lijk bij mij komt.

(Biondello af.)

PETRUCCIO. O zoo, verzoeken; Dan moet en zal ze komen.

HORTENSIO. Heer, ik vrees, Doe wat ge wilt, voor u helpt geen verzoek.

(Biondello komt terug.)

Waar blijft mijn vrouw?

BIONDELLO. Zij zegt, gij hebt gewis een grapje voor; Zij wil niet komen, vraagt, dat gij bij háár komt.

PETRUCCIO. Van kwaad tot erger! wil niet komen! Ha! 't Is onverdraaglijk, onuitstaanbaar, slecht! Nu, Grumio, ga tot uw meest'res, en zeg, Dat ik beveel, dat zij hier bij mij komt.

(Grumio af.)

HORTENSIO. Ik weet, wat volgt.

PETRUCCIO. Wat dan?

HORTENSIO. Dat zij niet wil.

PETRUCCIO. De schâ moet ik dan dragen, dat is al.

(Katharina komt.)

BATTISTA. Bij onze lieve vrouw! Zie, Katharina!

KATHARINA. Wat is uw wensch, heer, dat gij om mij zondt?

PETRUCCIO. Waar zijn uw zuster en Hortensio's vrouw?

KATHARINA. Zij zitten bij den haard ginds wat te keuv'len.

PETRUCCIO. Ga, haal ze hier; en weig'ren zij te komen, Zweep haar dan flinkweg naar haar mannen toe; Ga, zeg ik, breng die twee onmidd'lijk hier.

(Katharina af.)

LUCENTIO. Spreekt gij van wond'ren, hier is dan een wonder.

HORTENSIO. Dat is 't; 't zal mij verwond'ren, waar 't op uitloopt.

PETRUCCIO. Wel op een rustig leven, liefde en vreê, Erkenning van gezag, een goed bestuur, Kortom, op wat geluk en vreugde brengt.

BATTISTA. Nu, heil zij u, mijn zoon Petruccio! Gij wint uw weddingschap; en aan die winst Voeg ik nog twintigduizend kronen toe, Als nieuwe bruidsgift aan een and're dochter, Want ze is een and're dan ze vroeger was.

PETRUCCIO. Neen, beter nog win ik mijn weddenschap, En toon u beter nog haar volgzaamheid, Haar nieuw verworven deugd van volgzaamheid.

(Katharina komt terug, met Bianca en de Weduwe.)

Daar komt ze; ziet, uw dwarse vrouwen zijn Gevang'nen van haar vrouw'lijke overreding. Dat mutsje, Katharina, staat u slecht; Doe weg dat vod; vertrap het met den voet.

(Katharina neemt haar muts af en werpt die neer.)

WEDUWE. God geev' mij nimmer reden tot een zucht, Aleer ik zulk een slaafsche dwaasheid doe!

BIANCA. Foei, wat een dwaze volgzaamheid van u!

LUCENTIO. Ware uwe volgzaamheid maar even dwaas! De wijsheid van uw volgzaamheid, Bianca, Boort juist me een honderd kronen door den neus.

BIANCA. Wat domheid, op mijn volgzaamheid te wedden!

PETRUCCIO. Kath'rina, leer deez' stuggen vrouwen eens, Wat zij haar heer en gade schuldig zijn.

WEDUWE. Kom, kom, gij schertst; wij danken voor zoo'n preek.

PETRUCCIO. Begin maar, zeg ik, en met haar het eerst.

WEDUWE. Ze zal het niet.

PETRUCCIO. Ja toch, ze zal;--begin met haar het eerst.

KATHARINA. O foei, strijk glad dat dreigend, toornig voorhoofd; En schiet geen booze blikken uit die oogen Op uwen heer, uw koning, uw gebieder. 't Verbleekt uw schoon, zooals de vorst een grasveld, 't Verderft uw roem, als storm, die bloesems schudt, En is in 't minst niet prijzenswaard of lief. Een toornig wijf is als een troeb'le bron, Dik, ondoorschijnend, zwart, van schoon beroofd, Waar niemand, hoe verhit of dorstig ook, Aan nippen wil of zelfs een drup van proeft. Uw eegâ is uw heer, uw schutse, uw leven, Uw opperhoofd, uw vorst; hij zorgt voor u En voor uw onderhoud; hij geeft zijn lijf Aan duizend nooden prijs, te land, ter zee; Bij nacht houdt storm, bij dag hem koude wakker, Terwijl gij warm en veilig rust in huis; Geen and're schatting vraagt hij van uw hand Dan liefde, een blij gelaat en volgzaamheid,-- Te kleinen losprijs voor zoo groot een schuld. Wat de onderdaan zijn vorst verschuldigd is, Dat heeft de vrouw haar gade te voldoen; En is zij grillig, geem'lijk, nukkig, norsch, Geeft ze aan zijn reed'lijke eischen geen gehoor, Wat is zij, dan een boos, ondankbaar muit'ling, Die snood de liefde van haar heer miskent?-- O, 'k schaam mij, als een vrouw in dwazen waan Wil strijden, waar ze om vrede knielen moest, Of macht begeert, gezag en overwicht, Waar zij tot liefde, en dienen is verplicht. Waarom zijn wij zoo teer en zwak en broos, Voor moeitevollen arbeid ongeschikt, Zoo niet, opdat aan onzen fijnen bouw Een zacht gemoed zich passend paren zou? Ziet, drieste, zwakke, licht vertreden wormen! 'k Was eens zoo stug van geest als een van u, Zoo trotsch van hart; en 'k had, naar 'k denk, meer grond, Om woord met woord en drift met drift te keeren; Maar 'k zie nu, onze lansen zijn maar stroo; Zwak onze kracht, niet zelden enkel schijn;-- Vaak schijnen wij, wat wij volstrekt niet zijn. Buigt dus uw trots en legt, als onderpand, Onder den voet uws echtgenoots uw hand; Verlangt hij dit als blijk van volgzaamheid, Als hij 't beveelt, hij vindt mijn hand bereid.

PETRUCCIO. Dàt is me een vrouw!--Kom, Kaatje, kus mij thans!

HORTENSIO. Nu, oude knaap, gij wint uw zaak met glans.

VINCENTIO. 't Is lieflijk te hooren, als kind'ren zoo willig zijn.

LUCENTIO. Doch schrikk'lijk te hooren, als vrouwen zoo grillig zijn.

PETRUCCIO. Kom, Kaatje, ter rust;--en ik weet nu, hoe 't is, Drie zijn getrouwd, maar met twee is het mis. (Tot Lucentio.) Al troft gij het wit ook, ik ben het, die lacht; De weddenschap won ik, en wensch u goê nacht!

(Petruccio en Katharina af.)

HORTENSIO. Geluk dan, de temming der feeks is geschied.

LUCENTIO. Wonder is het boven wonder, dat ze zoo zich temmen liet.

(Allen af.)

AANTEEKENINGEN.

Dit stuk, dat in het Engelsch den titel draagt van The Taming of the Shrew, verscheen voor het eerst in de folio-uitgave der gezamenlijke werken, van 1623, in druk. Een ander stuk zag in 1594 het licht, onder den titel: A pleasant conceited Historie called the Taming of a Shrew. As it was sundry times acted by the Right honourable the Earle of Pembrooke his servants. Printed at London by Peter Short, and are to be sold by Cuthbert Burbie, at his shop at the Royal Exchange, 1594. Het werd herdrukt in 1596 en in 1606.

Laatstgenoemd blijspel, waarvan de schrijver onbekend is gebleven, begint met een Inductie, Inleiding of Voorspel, waarin optreden: een Lord, Sluw, een Tapper (bij Sh. een Waardin), een Page, Tooneelspelers en Jagers. De voorvallen zijn dezelfde als in de Inductie van Shakespeare's stuk, hoe groot het verschil in de wijze van uitwerking en in de woorden ook zijn moge.--Het stuk zelf speelt in Athene, dat van Shakespeare in Padua; beide zetels van geleerdheid. Alfonso, een koopman van Athene,--de Baptista van Shakespeare,--heeft drie dochters: Kate, Emelia en Phylema. Aurelius, zoon van den hertog van Cestus (Sestos) is verliefd op de eene der jongere zusters, Polidor op de andere, en Ferando,--de Petruccio van Shakespeare,--op Kate, de snibbe. De koopman heeft gezworen, dat zijn oudste dochter eerst moet uitgehuwlijkt zijn, eer iemand aan een zijner jongere dochters het hof mag maken. Het aanzoek van Ferando om Kate heeft op dezelfde wijze plaats als dat van Petruccio, evenzoo het huwelijk; evenzoo het schraal onthaal der jonge vrouw op Ferando's landgoed, waar ook de kleermaker en de hoedenkoopman optreden; evenzoo de gedweeë gehoorzaamheid der getemde kijfster. Het les geven door verkleede minnaars heeft geen plaats; in dit opzicht is er verschil. Ten slotte zijn allen gelukkig: er zijn drie jonge paren, en het stuk eindigt, als bij Shakespeare, met een weddenschap over de gehoorzaamheid der jonggehuwde vrouwen. Men ziet, hoeveel verschil er in de uitwerking, hoeveel ruwer het in 1594 uitgegeven stuk moge wezen, er is zoo groote overeenkomst, dat men wel een verklaring hiervan mag beproeven. Dat het eerst uitgegeven stuk een werk is geweest van den jongen, nog onervaren Shakespeare en dat hij het later zou verbeterd hebben, is, zooals bij het onderzoek van het stuk blijkt, een ongerijmde meening; evenmin mag men onderstellen, dat na de vertooning van Shakespeare's stuk een ander, er zijn bouwstoffen aan ontleenende, een dergelijk, maar veel ruwer stuk voor een ander tooneelgezelschap zou vervaardigd hebben. Men moet aannemen, dat Shakespeare het andere stuk, dat in den smaak van het publiek viel en misschien veel ouder was, omgewerkt, verfijnd en veredeld heeft, of wel, dat èn Shakespeare èn de onbekende schrijver van het andere stuk,--dat men wel eens aan Greene of aan Marlowe of aan beiden heeft toegekend,--uit een ouder stuk geput hebben. Welke van deze twee laatstgenoemde onderstellingen met de waarheid overeenkomt, is moeilijk uit te maken, zelfs niet al wist men zeker, dat Shakespeare's stuk van vóór 1594 dagteekent, want hij kan "The Taming of a Shrew" zeer wel van vertooningen gekend hebben; het zou kunnen zijn, dat de bijval, dien Sh.'s stuk vond, aanleiding is geweest tot de uitgave van het oudere stuk. Hoe dit zij, dat Shakespeare's stuk inderdaad van tamelijk vroege dagteekening is, misschien omstreeks denzelfden tijd als "De Klucht der Vergissingen" en "Veel Gemin, geen Gewin" (Love's Labour's Lost) geschreven is, mag waarschijnlijk gerekend worden en wordt bevestigd door vele bijzonderheden, zooals tal van aanhalingen uit de oudheid, de knuppelverzen, die er in voorkomen enz. Dat er vele gedeelten in voorkomen, die den lateren Shakespeare niet onwaardig zijn, pleit er volstrekt niet tegen, want ook de zoo even genoemde stukken, alsmede de Venus en Adonis en de Lucretia, die in 1593 en 1594 het licht zagen, bewijzen ten volle, welk een meesterschap de dichter toen reeds verworven had. Dat Meres in 1598 dit stuk in zijn Palladis Tamia (zie boven blz. 47 en 120) niet vermeldt, bewijst geenszins, dat het toen niet bekend was; Meres kan eenvoudig vermeden hebben het te noemen, omdat ieder wist, dat het niet oorspronkelijk was, maar een omwerking van een ouder blijspel. De onderstelling, dat het inderdaad vroegtijdig door den dichter geschreven werd, mag te eerder aangenomen worden, daar er niets onwaarschijnlijks in is, dat Shakespeare in het begin zijner loopbaan een vroeger stuk ten behoeve van zijn tooneelgezelschap aldus heeft omgewerkt, met behoud van den geheelen gang der handeling en van talrijke bijzonderheden, die het publiek van vroeger kende en in de nieuwe bewerking niet zou willen missen; in lateren tijd zou hij misschien anders te werk zijn gegaan; getuige de wijze, waarop hij bij het schrijven van zijn "Koning Jan", welk stuk omstreeks 1596 tot stand kwam, zijn taak volbracht heeft. Doch hetzij het stuk zeer vroeg, 't zij het iets later geschreven is (zie blz. 55), men moet erkennen, dat alles bij Shakespeare veel fijner en edeler is, dan in het ruwe plompe stuk van 1594; wie zich hiervan wil overtuigen, raadplege de uittreksels, door Delius in zijn uitgave van Sh. er van gegeven. Bovendien ontbreekt in het oude stuk de geschiedenis van Bianca en Lucentio.

Wij kunnen in het stuk van Shakespeare drieërlei bestanddeelen onderscheiden.

Het eerste is de geschiedenis van den Lord en den Ketellapper, die wij reeds in anderen vorm in de Duizend-en-één-Nacht van den Kalif Haroen en den herder Aboe-Hassan verhaald vinden; aan Philips den Goeden, Hertog van Bourgondië, wordt door Heuterus, aan keizer Karel IV door een Engelsen schrijver, Richard Barkley, een gelijke inval toegeschreven. Ook Calderon maakt van zulk een verhaal gebruik in zijn tooneelspel: "Het leven een droom".

Het tweede is de geschiedenis van de temming der snibbe.

Ten derde ontleende Shakespeare de vermommingen van Lucentio, Hortensio en Tranio, de figuur van den ouden Gremio en ook van den pedant, die, op straat aangetroffen, door de voorspiegelingen van dreigend gevaar, overreed wordt voor Vincentio op te treden, aan de Suppositi, een blijspel van Ariosto. De namen Lucio en Petruccio komen beide in dit stuk, dat reeds in 1566 door Gascoigne in het Engelsch vertaald werd, voor. Shakespeare heeft echter uit dit blijspel slechts eenige bijzonderheden geput en het niet in die mate gevolgd, dat het noodig kan gerekend worden, in een uitvoerige vergelijking van beide stukken te treden.

Men moge nu minder ingenomen zijn met de wijze, waarop Kaatje door Petruccio getemd wordt, het is zeer de vraag, of een zachtzinniger man dan Petruccio een kregelkop als Catharina had klein gekregen. Bovendien Shakespeare leefde in een tijd, dat harde middelen, zooals de roede voor kinderen, in hooge achting stonden. Mochten er leden zijn van het schoone geslacht, die Shakespeare zijn behandeling der vrouw euvel duiden, dat zij dan, in plaats van zich te ergeren, zich verlustigen aan de breede vrouwenrij, die Shakespeare ten tooneele heeft gevoerd; zij vinden een Julia, Desdemona, Portia, een tweede Portia, de edele vrouw van Brutus, Rosalinde, Isabella, Perdita, Miranda, Volumnia, Virginia, Imogeen en anderen, een schare van vrouwen, uitmuntende door geest en bevalligheid, door goedheid, door onschuld, door edel karakter, door liefde en zelfopoffering, zooals geen ander dichter ooit in het leven heeft geroepen,--en dan mogen zij overwegen, hoevele vrouwen hij, die één snibbige kijfster door barre middelen laat temmen, op zachte wijze, door de leering van de edelste voorbeelden, van alle kijfzucht kon afkeerig maken, en misschien afkeerig heeft gemaakt!

Dat het blijspel in den smaak van het publiek viel, is ontegenzeglijk; trouwens nog ten huidigen dage wordt het in Duitschland,--en vaak in zeer verknoeiden vorm,--telkens vertoond, en ook in ons land is het voor eenige jaren en ook nog zeer onlangs met veel bijval gegeven; het behoort tot die stukken, die weldra ook buiten Engeland vertoond en toegejuicht werden. Wat Duitschland betreft, er is reeds uit het jaar 1658 een stuk bekend: "Die wunderbare Heurath Petruccio's mit der bösen Catharine"; en in het jaar 1672 verscheen een Duitsche bewerking van The Taming of the Shrew: "Kunst über alle Künste, ein bös Weib gut zu machen", die zich vrij nauwkeurig aan het oorspronkelijke houdt. Reeds vroeger, namelijk in 1654, werd in Amsterdam een Hollandsche vertaling uitgegeven, onder den titel: "De dolle bruiloft Bly-eyndend-spel. Gerijmt door A. Sybant. t' Amsterdam, Gedrukt bij Tymon Houthaak, Voor Dirk Cornelisz. Houthaak, Boekverkooper, op de hoek aan de Nieuwe-zijdtskolk" 1654. Het werd den 9den November van dat jaar voor het eerst opgevoerd. Dr. J. A. Worp heeft in "De Nederlandsche Spectator" van 1880 op dit stuk opmerkzaam gemaakt en er eenige staaltjes uit medegedeeld. Uit zijn mededeelingen moge hier het een en ander volgen. De "korte inhout" luidt aldus:

"Katrina is hier los, en holt na haren zin; Maar na een knoop geleyt (al schijnt zy 't niet te willen) Zoo kan Petrutio haar overmoed wel stillen, Met een gelijk gebruyk; doch al in schijn van Min. Dees overwinning doet de quade monden zwijgen, Het quaat heeft een begin zal het een eynd verkrijgen."

Het voorspel is weggelaten. Het begin is gewijzigd. Bij Sh. zijn Lucentio en Tranio juist te Padua aangekomen en maken wij kennis met Baptista en zijn gezelschap, vernemen Baptista's besluit, en zien Lucentio verliefd worden; in "de dolle bruiloft" brengt ons een gesprek van een paar bladzijden tusschen Lucentio en zijn dienaar Tranio op de hoogte van den stand van zaken. Daarna begint de vertaling. Biondello verschijnt ten tooneele, en bespeurt, dat zijn meester en Tranio van kleederen gewisseld hebben; zijn meester zegt (vergelijk Sh. I. 1. 226):

"Daar komt ons Biondell' waar hebt gy schelm geweest?