Part 5
TRANIO. Om 't leven u te redden in deez' nood, Wil ik om zijnentwil deez' dienst u doen; Gij, reken het voorwaar geen klein geluk, Dat ge op den heer Vincentio zoo gelijkt. Gij borgt van hem den naam nu en 't krediet, En neemt,--dit spreekt,--uw intrek in mijn huis;-- Maar zorgt dan ook, dat gij uw rol goed speelt; Begrepen, heer?--en blijf gerust, tot gij Uw zaken in de stad hebt afgedaan; Acht gij dit aanbod goed, heer, neem 't dan aan.
PEDANT. O gaarne, heer, en immer roem ik u Als redder van mijn leven en mijn vrijheid.
TRANIO. Kom mee dan, en terstond aan 't werk getogen! Voorloopig echter deel ik dit u mee: Mijn vader wordt hier elken dag verwacht, Om 't weduwgoed te reeg'len voor mijn bruid, De dochter van een zeek'ren heer Battista. Dit alles moet ge omstandig weten, heer; Maar volg mij nu, en kleed u naar uw stand.
(Allen af.)
DERDE TOONEEL.
Een kamer in Petruccio's huis.
Katharina en Grumio komen op.
GRUMIO. Neen, neen, voorwaar, ik durf niet 't gold mijn leven.
KATHARINA. Hoe meer ik lijd, te hooger klimt zijn hoon! Werd hij mijn man slechts om mij uit te hong'ren? Geen beed'laar smeekt er aan mijns vaders deur, Of oogenblikk'lijk krijgt hij ook een aalmoes, Of anders vindt hij elders wel erbarming; Doch ik,--die nimmer wist wat smeeken is, En die de nood tot smeeken nimmer dwong,-- Ik sterf van honger, suizebol van slaap; Men vloekt mij wakker, voedt mij met getier; En,--wat mij dieper krenkt dan al deez' nood,-- Hij kleurt dit met den schijn van teederheid, Als zei hij: "Slaap toch niet", en "Eet toch niet; "'t Maakte u doodziek, ja, plotsling waart ge een lijk."-- Ik bid u, breng mij iets om te eten! breng Wat het ook zij, als het maar eetbaar is.
GRUMIO. Wat dunkt u van een kalfspoot?
KATHARINA. O heerlijk! breng het maar! gauw, bid ik u.
GRUMIO. Ik vrees, dat eten is te phlegmatiek.-- Wat zegt gij wel van goed gebraden rolpens?
KATHARINA. O, dat is goed, ga; haal het, goede Grumio.
GRUMIO. Ik vrees, ik vrees, dat is te choleriek. Wat dunkt u,--een stuk ossevleesch met mosterd?
KATHARINA. 't Is, Grumio, wel het heerlijkst, dat ik ken.
GRUMIO. Ja, maar die mosterd is wat al te prikk'lend.
KATHARINA. Nu, dan het vleesch, en laat den mosterd weg.
GRUMIO. Neen, dat volstrekt niet, neen, gij krijgt geen mosterd, Of Grumio haalt voor u geen ossevleesch.
KATHARINA. Nu, 't een of 't ander, beide, of wat gij wilt.
GRUMIO. Nu, dan den mosterd zonder 't ossevleesch.
KATHARINA. Ga, scheer u weg, gij valsche treiter-vlegel,
(Zij slaat hem.)
Die mij met etensnamen spijzen wilt; Verwenscht zijt gij en heel uw boevenbent, Die u zoo vroolijk maakt om mijn ellend! Weg, zeg ik, scheer u weg!
(Petruccio komt op, met een schotel, vergezeld van Hortensio.)
PETRUCCIO. Hoe is 't, mijn Kaatje? Wat! mijn lief, verdrietig?
HORTENSIO. Hoe is 't, mevrouw?
KATHARINA. Nu, waarlijk slecht genoeg.
PETRUCCIO. Kom, opgewekt! en zie mij vriend'lijk aan. Zie, liefste, zie, hoe 'k alles voor u doe; Ik richt het maal zelf aan en breng 't u hier,
(Hij zet den schotel neer.)
En reken, lieve Kaatje, op uw dank. Wat, zelfs geen woord? Dan is 't niet naar uw smaak, En was mijn moeite en zorg alweer vergeefsch;-- Hier, neem den schotel weg.
KATHARINA. Ach, laat hem staan.
PETRUCCIO. De kleinste dienst wordt nog met dank vergolden, En vóór gij eten gaat, wacht ik uw dank.
KATHARINA. Ik dank u zeer.
HORTENSIO. Signor Petruccio, foei! gij zijt te gispen;-- Kom, eet, mevrouw; 'k zal u gezelschap houden.
PETRUCCIO (ter zijde). Hortensio, blijk mijn vriend, eet alles op.-- 't Bekome u wel, mijn lieve schat! Maar Kaatje, Eet spoedig af;--want hoor, mijn zoetelief, Wij gaan nu naar uws vaders huis en komen Er op het feest eens prachtig voor den dag, Met zijden kleedjes, hoedjes, gouden ringen, Met strikken, kwikken, duizend fraaie dingen, Met sjaals en waaiers, telkens nieuwen tooi, Met barnsteen, paarlen, duizenderlei mooi. Hebt gij gedaan? De snijder staat gereed En hult u in een ruischend zijden kleed.
(Een Snijder komt op.)
Kom, snijder, laat uw moois eens zien en sprei 't Gewaad nu uit.--
(Een Hoedenmaker komt op.)
En gij, wat nieuws brengt gij?
HOEDENMAKER. Den hoed, heer, dien uw edelheid bestelde.
PETRUCCIO. Kijk, dat lijkt op een soepbord wel gevormd! Een schotel van fluweel! Foei, miss'lijk, aak'lig! O foei, een oester of een notedop, Een prul, een nest, een niets, een poppenhoed! Kom, weg er mee, en laat me een groot'ren zien.
KATHARINA. Ik wil geen groot'ren; dit is juist de smaak; Zoo dragen het de dames van het hof.
PETRUCCIO. Wees gij dan hoofsch, dan krijgt ge zulk een hoed, Doch eerder niet.
HORTENSIO (ter zijde). Dat loopt nog wel wat aan.
KATHARINA. Ik mag toch ook nog zeggen, wat ik denk, En 'k wil het zeggen; 'k ben geen kind, geen zuig'ling; Ik heb, wat mij op 't hart lag, steeds gezegd, Aan beet'ren zelfs dan gij; verdraagt gij 't niet, Stop de ooren dan maar dicht. Ik wil mij uiten; Mijn hart bezweek van ergernis, zoo 'k zweeg; En eerder geef ik, wat ik denk en wil, Al zij het nog zoo fel, in woorden lucht.
PETRUCCIO. Gij hebt gelijk, afschuw'lijk is de hoed, Een taartendeksel, een pastei van taf; 't Is lief van u, dat gij hem ook niet wilt.
KATHARINA. Vindt gij het lief of niet, die hoed is lief: Dien wil ik hebben, of ik wil er geen.
(De Hoedenmaker vertrekt.)
PETRUCCIO. Ah ja, uw kleed!--Kom, snijder, laat eens zien.-- Gerechte hemel! goed voor vastelavond! Wat 's dit?--een mouw? 't lijkt wel een klein kanon, Gekorven op en neer, als appeltaart; 't Is snip snap, snij maar toe, en knip maar knap; 't Lijkt wel een vuurpot uit een scheerderswinkel;-- Hoe noemt ge, snijder, dit, in 's duivels naam?
HORTENSIO (ter zijde.) Ik merk het al, zij krijgt nòch hoed nòch kleed.
SNIJDER. De last was, om het net en, zooals 't hoort, Te maken naar den laatsten smaak en snit,
PETRUCCIO. Te maken naar den smaak, ja, maar, let wel, Ik sprak niet van versnijden naar den smaak. Ga, dros maar op, door dik en dun, naar huis, Dros op, maar zonder mijn klandisie, man; Ik dank je; zie maar, dat je 't elders slijt.
KATHARINA. Ik zag nog nooit een kleed van beter snit, Zoo net gewerkt, zoo sierlijk, zoo bevallig; Het schijnt, ge wilt, dat ik een speelpop word.
PETRUCCIO. Ja juist, hij wil, dat gij een speelpop wordt.
SNIJDER. Zij zegt, uwe edelheid wil, dat zij een speelpop wordt.
PETRUCCIO. Hoe onbeschaamd! Je liegt, jij garenklos, Jij vingerhoed! Jij el, drie kwart el, half el, kwart el, achtste! Jij mug, jij vloo, jij neet, jij schoorsteenkrekel, Jij endje draad, mij tarten in mijn huis! Voort, voort, jij lap, jij vod, jij lomp, jij snipper, Of ik neem met jouw el je zóó de maat, Dat heel je leven je deez' praatjes rouwen! Dat kleed, zeg ik nog eens, het is verknipt.
SNIJDER. Uw edelheid vergist zich; 't is gemaakt, Precies zooals 't mijn meester werd besteld, Hier, Grumio, gaf hem op, hoe 't wezen moest.
GRUMIO. Dat gaf ik hem niet op; ik gaf de stof.
SNIJDER. En wat hebt gij van 't maken dan gezegd?
GRUMIO. Dat moest met naald en draad; dat sprak van zelf.
SNIJDER. En niet gezegd, hoe of de snit moest zijn?
GRUMIO. Je hebt zeker al heel wat geboord?
SNIJDER. Nog al.
GRUMIO. Nu, kom mij dan toch niet aan boord met je praatjes; je hebt zeker al heel wat gekeerd; maar keer mijn woorden niet om; ik verkies nòch geboord nòch gekeerd te worden. Ik zeg je, dat ik je meester gezegd heb, het kleed te snijden; maar ik heb hem niet geheeten, het heelemaal stuk te snijden; ergo, je liegt.
SNIJDER. Nu, hier heb ik de bestellijst tot bewijs.
PETRUCCIO. Lees op.
GRUMIO. Die lijst liegt, dat ze zwart ziet, als ze zegt, dat ik het zoo besteld heb.
SNIJDER. "Imprimis, een kleed met een ruim lijf."
GRUMIO. Meester, als ik iets van een ruim of een los lijf gesproken heb, naai me dan in den schoot er van, en sla me dood met een kluwentje bruin garen; ik heb gezegd: een kleed.
PETRUCCIO. Ga voort.
SNIJDER. "Met een smallen, ronden kraag;"--
GRUMIO. Ik erken, ik heb gesproken van een kraag.
SNIJDER. "Met een pofmouw,"--
GRUMIO. Ik erken: twee mouwen.
SNIJDER. "De mouwen naar de mode uitgesneden."
PETRUCCIO. Ja, daar zit 'em de schelmerij.
GRUMIO. Dat is fout in de lijst, heer, fout in de lijst! Ik heb besteld, dat de mouwen uitgesneden zouden worden en weer toegenaaid; en dat wil ik tegen je volhouden, al is je pink ook met een vingerhoed gewapend.
SNIJDER. Het is waar, wat ik zeg; en had ik je ergens anders, dan zou ik 't je wel leeren.
GRUMIO. Ik ben dadelijk tot je dienst, man; neem jij je bestellijst en geef mij je meetstok; en spaar me niet.
HORTENSIO. Bewaar me, Grumio, je geeft niets voor.
PETRUCCIO. Nu, kort en goed, man; 't kleed is niet voor mij.
(Hij werpt het op den grond.)
GRUMIO. Gij hebt gelijk, 't is voor mijn meest'res.
PETRUCCIO (tot den Snijder). Neem 't op, man, 't is ten dienste van uw meester.
GRUMIO. Schurk, bij je leven niet! het kleed van mijn meesteres opnemen ten dienste van je meester!
PETRUCCIO. Wel, man, wat zoek je daarachter?
GRUMIO. O heer, daar steekt meer achter, dan gij denkt; Het kleed opnemen van mijn meesteres. Ten dienste van zijn meester! Foei! foei! foei!
PETRUCCIO (ter zijde). Hortensio, zeg, dat gij 't betalen zult. (Luid.) Ga, neem het mee; wat vlug; geen enkel woord meer.
HORTENSIO (tot den Snijder). Ik neem het kleed, vriend; morgen krijgt gij 't geld; En wees maar niet verstoord om zijne drift. Vlug, neem het mee, en zeg dit aan je meester.
(Snijder af.)
PETRUCCIO. Kom nu, mijn Kaatje, eens naar uw vader toe, In dit armoedig, doch welvoeg'lijk kleed; Met trotsche beurs, schoon need'rig van gewaad; De geest alleen geeft aan het lijf waardij; Gelijk de zon door zwarte wolken breekt, Zoo schittert de eer zelfs in het need'rigst kleed. Wie schat den meerkol hooger dan den leeuwrik, Omdat zijn veed'ren fraaier zijn van kleur? Wie acht een adder beter dan den aal, Omdat haar bonte huid het oog bekoort? Neen, Kaatjelief, gij zijt in 't minst er niet Te minder om, al is 't gewaad wat min. Zijt ge er beschaamd om, leg het mij ten last; Wees dus goedsmoeds; wij gaan nu daad'lijk naar Uws vaders huis om vroolijk feest te vieren.-- Ga, roep mijn volk; wij reizen daad'lijk af; Men breng' de paarden aan het eind der laan; Daar stijgen we op; wij wandelen er heen.-- Laat zien; het is nu zeven uur omtrent, Wij kunnen juist op etenstijd er zijn.
KATHARINA. Geloof me, waarlijk, 't is niet ver van twee; 't Is tijd voor 't avondmaal, eer gij er zijt.
PETRUCCIO. 't Zal zeven zijn, of ik stijg niet te paard; Zie, wat ik zegge of doe, of wensch te doen, Nooit is het goed.--Gij knapen, gaat maar heen; Ik wil vandaag niet gaan, en, eer ik 't doe, Zal het zoo laat zijn, als ik 't hebben wil.
HORTENSIO. Ei, ei! dit heer stelt aan de zon de wet.
(Allen af.)
VIERDE TOONEEL.
Padua. Voor het huis van Battista.
Tranio en de Pedant, de laatste als Vincentio gekleed, komen op.
TRANIO. Heer, dit is 't huis; verlangt gij, dat ik klop?
PEDANT. Wat anders? en als ik mij niet bedrieg, Zal ik signor Battista nog wel voorstaan; 't Mag twintig jaar zijn, sinds we saam in Genua Onze' intrek hadden in den Pegasus.
TRANIO. Goed; maar bewaar zoo, wat er ook gebeur', Uw deftigheid, zooals 't een vader past.
(Biondello komt op.)
PEDANT. Ik sta u borg;--maar, heer, daar komt uw dienaar; Breng hem toch op de hoogte; dit is zaak.
TRANIO. O, geen bezwaar. Hé, Biondello, luister! Pas nu goed op, en weet,--vergis u niet,-- Deez' heer is thans Vincentio in persoon.
BIONDELLO. O, wees gerust.
TRANIO. En bracht ge uw boodschap over aan Battista?
BIONDELLO. Uw vader, zeide ik, was reeds in Venetië, En wordt vandaag in Padua verwacht.
TRANIO. Ge zijt een kerel; hier, daar is wat drinkgeld.-- Daar komt Battista; heer, houd thans u goed.
(Battista en Lucentio komen op.)
Signor Battista, dat is wel getroffen.-- Dit, vader, is de heer, waar ik van sprak. Ik bid u, geef uw vaderhart het woord; Verzeker door mijn erfdeel mij Bianca.
PEDANT. Al zacht, mijn zoon!-- Vergun mij, heer: ik kwam naar Padua Om schulden te innen, en daar meldt mijn zoon Lucentio mij een zeer gewichtig nieuws, Van liefde tusschen hem en uwe dochter; En daar ik zooveel goeds van u vernam, En merk, dat hij uw dochter teer bemint En zij hem ook, zoo houd ik hem niet op, En keur, zooals een zorg'lijk vader doet, Goed, dat hij trouwt; en,--denkt gij zooals ik,-- Dan vindt ge mij bereid tot een verdrag, En stemmen wij te zaam in 't huw'lijk toe; 'k Wil geen bedenktijd nemen nu 't u geldt, Signor Battista; 'k hoor veel goeds van u.
BATTISTA. Vergun mij, heer, van mijn kant u te zeggen;-- Dat gij zoo kort en bondig spreekt, bevalt mij; Wáár is het, dat uw zoon Lucentio hier Mijn dochter mint en zij hem weer bemint, Tenzij zij beiden hun gevoelens veinzen; En daarom, als gij dit mij slechts verklaart, Dat gij als vader met hem hand'len zult, En haar een passend weduwgoed verzeek'ren, Dan zijn wij 't eens en is het huwlijk klaar En geef ik graag mijn dochter aan uw zoon.
TRANIO. Ik dank u, heer. En waar vindt gij het best, Dat de verloving plaats grijp' en 't contract, Dat wederzijds voldoet, geteekend word'?
BATTISTA. Niet hier, Lucentio; potten hebben ooren, Zooals ge weet, en 'k heb vrij wat bedienden; En de oude Gremio ligt er niet voor niets Steeds op de loer; licht werden wij gestoord.
TRANIO. Dan in mijn woning, heer, als gij zoo wilt. Mijn vader toeft er ook; wij kunnen daar Van avond stil de zaak in orde brengen; Ontbied uw dochter door uw dienaar hier; Mijn dienaar spoede zich naar den notaris. Het ergst is,--bij 't onvoorbereid bezoek Vindt gij waarschijnlijk slechts een schraal onthaal.
BATTISTA. Mij is het goed;--ga, Cambio, huiswaarts nu, En zeg Bianca met u mee te gaan, En, wilt ge, deel haar mede, hoe 't hier staat;-- Dat hier de vader van Lucentio is, En zij waarschijnlijk met Lucentio trouwt.
LUCENTIO. De goden geven 't! 't is mijn hartewensch!
TRANIO. Haal er de goden maar niet bij; doch ga! Signor Battista, mag ik u eens voorgaan? Welkom! maar 'k vrees, het maal telt één gerecht; Doch, heer, in Pisa maken we alles goed.
BATTISTA. Ik volg u.
(Tranio, de Pedant en Battista af.)
BIONDELLO. Cambio!
LUCENTIO. Wat wilt ge, Biondello?
BIONDELLO. Hebt gij wel gezien, hoe mijn meester u een oogje gaf en u toelachte?
LUCENTIO. Wat zou dat, Biondello?
BIONDELLO. Och niets; maar hij heeft mij hier achtergelaten, om u de beteekenis of toepassing van zijn teekens en wenken uit te leggen.
LUCENTIO. Kom aan dan, voor den dag met de toepassing!
BIONDELLO. Welnu, Battista is goed bezorgd en wordt aan den praat gehouden door den bedriegenden vader van een bedrogvollen zoon.
LUCENTIO. En wat verder met hem?
BIONDELLO. En zijn dochter moet onder uw geleide er komen avondmalen.
LUCENTIO. En verder?
BIONDELLO. De oude priester van de St.-Lucaskerk staat op alle uren van den dag tot uw beschikking.
LUCENTIO. En wat moet dit alles?
BIONDELLO. Meer weet ik er niet van, dan dat ze bezig zijn met een waardelooze verzekering; verzeker gij u inmiddels van haar, cum privilegio ad imprimendum solum; naar de kerk; neem den priester, den koster en ettelijke geldige eerbare getuigen:
Is dit niet wat ge zocht, dan verklaar ik mij niet, wat ik zag; Maar zeg Bianca dan vaarwel voor altoos en een dag.
(Hij wil heengaan.)
LUCENTIO. Hoor nog eens, Biondello!
BIONDELLO. Ik heb geen tijd meer, maar ik weet van een deerne, die trouwde op een achtermiddag, toen ze in den tuin ging, om peterselie te plukken voor het opvullen van een konijn; zoo kunt gij het ook wel, heer; en nu vaarwel, heer. Mijn meester heeft mij naar de St.-Lucaskerk gestuurd, om den pastoor te zeggen, dat hij klaar moet staan tegen dat gij er komt met uw appendix.
(Biondello af.)
LUCENTIO. Ik kan en wil, als zij er maar mee instemt; Wis stemt zij in; wel, dan geen aarz'ling meer! Het loop' hoe 't loop', ik ga 't haar ronduit voorslaan; En veel moet tegen zijn, als wij er ons niet doorslaan.
(Allen af.)
VIJFDE TOONEEL.
Een openbare weg.
Petruccio, Katharina en Hortensio komen op.
PETRUCCIO. Komaan dan, nu maar naar uws vaders huis! Heer God, hoe hel, hoe vriend'lijk schijnt de maan!
KATHARINA. De maan! de zon, 't is nu geen maneschijn.
PETRUCCIO. Ik zeg, het is de maan, die daar zoo schijnt.
KATHARINA. Ik zeg, het is de zon, die daar zoo schijnt.
PETRUCCIO. Nu, bij mijn moeders zoon, dus bij mijzelf, Maan zal het zijn of ster of wat ik wil, Eer ik op reis ga naar uws vaders huis;-- Hei daar! geleidt de paarden maar terug;-- Steeds tegenspraak, en niets dan tegenspraak!
HORTENSIO. Geef hem gelijk, of anders gaan wij nooit.
KATHARINA. O voorwaarts toch; wij zijn nu eens zoo ver; En zij het maan of zon of wat gij wilt; Al wildet gij het ook een nachtlicht noemen, Ik zweer, voortaan zal 't ook voor mij zoo zijn.
PETRUCCIO. Ik zeg, het is de maan.
KATHARINA. Ja, 'k weet, zoo is 't.
PETRUCCIO. Kijk, hoe onwaar! het is de lieve zon.
KATHARINA. Ja, dan is 't, lieve God, de lieve zon;-- Maar 't is de zon niet meer, zegt gij van neen; Zoo wisselt ook de maan naar uwen wil. Zooals gij 't noemen wilt, zoo is het ook; En zoo zal 't ook voor Katharina zijn.
HORTENSIO. Petruccio, nu vooruit; gij houdt het veld.
PETRUCCIO. Vooruit dan, voort; zoo rolt de bal wel goed En poedelt niet meer zijwaarts aan 't beschot.-- Maar kijk, wie komt ons daar gezelschap houden?
(Vincentio, in reisgewaad, komt op.)
(Tot Vincentio.) Goê morgen, schoone jonkvrouw, zoo op reis?-- Zeg, lieve Kaatje, zeg mij eens oprecht, Zaagt ge ooit een frisscher jonkvrouw, op wier wangen Het wit en rood zoo om den voorrang streden? En welke sterren sieren zoo den hemel, Als die twee oogen 't hemelsche gelaat?-- Schoon, lieflijk kind, nog eenmaal goeden dag!-- Omarm haar, Kaatjelief, zij is zoo schoon.
HORTENSIO. Hij maakt den man nog gek, dien hij tot vrouw maakt.
KATHARINA. Jong, maagd'lijk knopje, schoon en frisch en zoet; Waar gaat gij heen? en waar behoort gij thuis? Gelukkig de ouders van zoo schoon een kind; Driewerf gelukkig hij, wien 't gunstig lot U als beminn'lijk echtgenoot beschikt!
PETRUCCIO. Hoe heb ik 't, Kaatje, zijt gij niet bij zinnen? Dit is een man, oud, rimp'lig, bleek, verweerd; En niet een maagd, zooals gij hem daar noemt.
KATHARINA. Vergeef mij, oude heer, mijn oogen dwaalden; Zij waren door de felle zon verblind; En alles, wat ik zag, kwam groen mij voor. Nu merk ik eerst, gij zijt een waardig vader; Vergeef mij, bid ik u, deez' dolle dwaling.
PETRUCCIO. Ja, doe dat, waardig vader, en deel ook Ons meê, waarheen gij reist; gaan we éénen weg Dan zal ons uw gezelschap welkom zijn.
VINCENTIO. Mijn waarde heer,--en gij mijn vroolijk vrouwtje, Die met uw vreemden groet mij hebt verbaasd,-- Ik heet Vincentio en ik woon in Pisa, En wil naar Padua; daar ga ik mijn zoon Bezoeken, dien 'k in lang niet heb gezien.
PETRUCCIO. Hoe heet hij, heer?
VINCENTIO. Lucentio, waarde heer.
PETRUCCIO. Wees welkom, heer; en dubbel, om uw zoon. Nu mag ik u, niet om uw leeftijd slechts, Maar uit verwantschap, vader noemen; want De zuster van mijn vrouw, deez' dame, is juist Met uwen zoon getrouwd. Wees niet verschrikt; 't Zij u geen leed; zij is van elk geacht, Brengt heel wat mee, en is van eed'len stam; En ze is begaafd, beschaafd, zooals men voor De gade van een edelman kan wenschen. Dus, oude heer Vincentio, reik me uw hand; En gaan wij samen naar uw wakk'ren zoon, Wien wis uw aankomst recht verblijden zal.
VINCENTIO. Maar is dit waar, of is 't uw lust, uit scherts, Als reizigers wel meer doen, aan een vreemd'ling, Dien ge aantreft, zoowat op de mouw te spelden?
HORTENSIO. Neen, 't is zoo, vader, ik verzeker 't u.
PETRUCCIO. Ga mede en overtuig uzelf er van; Onze eerste grap doet u wantrouwend zijn.
(Petruccio, Katharina en Vincentio af.)
HORTENSIO. Petruccio, zie, dit steekt me een hart in 't lijf. Naar 't weeuwtje nu; en mocht ze ook eigenzinnig zijn, Niet vrucht'loos leerdet gij Hortensio goed vinnig zijn.
(Hortensio af.)
VIJFDE BEDRIJF.
EERSTE TOONEEL.
Padua. Voor Lucentio's huis.
Op den achtergrond komen op: Biondello, Lucentio en Bianca; Gremio wandelt aan de overzijde van het huis op en neer.
BIONDELLO. Stil en vlug, heer; want de priester staat gereed.
LUCENTIO. Ik vlieg, Biondello; maar ze mochten u thuis noodig hebben; ga gij dus weg.
BIONDELLO. Neen, zeker niet; ik moet eerst zien, dat gij de kerkdeur achter den rug hebt; en dan spoed ik mij, zoo vlug ik kan, naar mijn meester terug.
(Lucentio, Bianca en Biondello af.)
GREMIO. Ik sta verbaasd, dat Cambio nog niet komt.
(Petruccio, Katharina, Vincentio en Gevolg komen op.)
PETRUCCIO. Hier is het, heer; dit is Lucentio's huis; Mijn vader woont wat dichter naar de markt; Daar moet ik heen, heer, en verlaat u hier.
VINCENTIO. Toch niet, voordat we een roemer samen leegden; Ik heet u graag hier welkom met een dronk, En hoogstwaarschijnlijk wacht ons een feestmaal.
(Hij klopt aan de deur.)
GREMIO. Ze zijn daar binnen met iets bezig; gij moogt wel wat harder aankloppen.
(De Pedant kijkt uit het venster.)
PEDANT. Wie klopt daar zoo luid, alsof hij de deur wilde inslaan?
VINCENTIO. Is signore Lucentio thuis, heer?
PEDANT. Wel tehuis, heer; maar niet te spreken.
VINCENTIO. Maar als nu iemand hem een honderd pond of twee kwam brengen, om er goede sier mee te maken?
PEDANT. Houd uw honderd pond maar voor uzelf; hij zal ze niet behoeven, zoolang ik leef.
PETRUCCIO. Ziet ge, ik heb u wel verteld, dat uw zoon in Padua bemind is.--Hoor eens, heer,--om allen omhaal te vermijden,--ik bid u, zeg aan signore Lucentio, dat zijn vader van Pisa is aangekomen en hier aan de deur staat, om hem te spreken.
PEDANT. Dat is niet waar; zijn vader is al lang hier en kijkt op dit oogenblik uit het venster.
VINCENTIO. Zijt gij zijn vader?
PEDANT. Ja, heer, als ik zijn moeder gelooven mag; die heeft het mij altijd gezegd.
PETRUCCIO (tot Vincentio). Wel zoo, heerschap; dat is toch klinkklare schurkerij, eens anders naam aan te nemen.
PEDANT. Houd hem aan, den spitsboef! hij is zeker van plan, iemand hier in de stad op te lichten, onder mijn naam.
(Biondello komt weder op.)
BIONDELLO. Ik heb ze samen in de kerk gezien; de Hemel schenke hun een gelukkige vaart!--Maar wie is daar? mijn oude meester Vincentio? O wee, nu is het uit met ons, we zijn verloren!
VINCENTIO (Biondello bespeurende). Zoo, kom hier, galgebrok!
BIONDELLO. Ik hoop, heer, dat ik mag kiezen, wat ik wezen wil.
VINCENTIO. Kom hier, schurk! Wat, wilt ge mij niet kennen?
BIONDELLO. U kennen, heer? neen, heer; ik kan u niet kennen, want ik heb u van mijn leven nooit gezien.
VINCENTIO. Wat, gij doortrapte spitsboef, hebt gij den vader van uw meester, Vincentio, nooit gezien?
BIONDELLO. Wat! mijn ouden, eerwaardigen ouden meester? ja zeker, heer; zie, die kijkt daar uit het venster.
VINCENTIO. Hoe durf je dat zeggen?
(Hij slaat hem.)
BIONDELLO. Help, help, help! hier is een dolleman, die mij wil vermoorden!
(Hij loopt weg.)
PEDANT. Help, mijn zoon! help, signore Battista!
(Hij gaat van het venster weg.)
PETRUCCIO. Kom, Kaatje, laat ons wat ter zijde gaan, om te zien, hoe deze twist afloopt.
(Zij gaan ter zijde.)
(De Pedant komt beneden op; verder Battista, Tranio en Bedienden.)
TRANIO. Heer, wie zijt gij, die mijn dienaar een pak slaag toedient?
VINCENTIO. Wie ik ben, heer? Neen, wie zijt gij, heer? O hemelsche goedheid! O opgepinkte schelm! Een zijden kamizool! een fulpen broek! een scharlaken mantel en een punthoed!--O, ik ben geruïneerd! geruïneerd! Terwijl ik thuis mijn zaken bij elkander houd, lappen mijn zoon en mijn dienaar alles op de hoogeschool er door.
TRANIO. Komaan! wat beteekent dit alles?
BATTISTA. Wat, is de man niet wijs?
TRANIO. Heer, naar uw voorkomen schijnt gij een bedaard oud heer, maar naar uw praatjes is het dolhuis uw plaats. Wat gaat het u aan, heer, of ik goud en parels draag? Ik dank het mijn goeden vader, dat ik het doen kan.
VINCENTIO. Uw vader, schurk! dat is een zeilmaker uit Bergamo.