Part 4
TRANIO. Niet zoo goed gekleed, Als ik wel wenschte.
PETRUCCIO. Al ware ik fijn gekleed, Toch stoof ik met dezelfde vaart hier in. Maar waar is Kaatje? waar mijn lieve bruid?-- Hoe vaart mijn vader?--Vrienden, zijt gij boos? Wat gapen mij deze eed'le gasten aan, Als ware hier iets wondervreemds verschenen, Als zagen zij een monster, een komeet?
BATTISTA. Wel, heer, gij weet, dit is uw huwelijksdag; Eerst waren wij bedroefd, dat gij niet kwaamt; En thans nog meer bedroefd, dat gij zoo komt. Foei, weg die kleeding! zij onteert uw stand, En is een doorn in 't oog bij zulk een feest!
TRANIO. En zeg ons, welk een oorzaak van gewicht Zoo lang u van uw bruid verwijderd hield En zoo onkenbaar u hierhenen dreef?
PETRUCCIO. 't Verhalen maakte uw oor, mijn tong vermoeid; Genoeg, ik kwam hier aan en hield mijn woord, Doch kon niet alles doen wat ik beloofde. Maar dit zal ik te zijner tijd wel zoo Rechtvaardigen, dat gij tevreden zijt. Maar waar is Kaatje? 'k Moest lang bij haar zijn; De zon staat hoog; 't is tijd ter kerk te gaan.
TRANIO. Ga toch niet zoo gekleed naar uwe bruid, Kom met mij mee, trek kleed'ren aan van mij.
PETRUCCIO. Neen, waarlijk niet; neen, zoo bezoek ik haar.
BATTISTA. Maar zoo, verwacht ik, gaat gij niet ter trouw.
PETRUCCIO. Waarachtig, zoo; daarom, geen woorden meer! Zij trouwt met mij, en niet met mijn gewaad; Vernieuwde ik, wat zij mij verslijten zal Zoo snel, als ik dit poover kleed vervang, 't Waar' goed voor Kaatje en beter voor mijzelf. Maar dwaas, dat ik met u hier babb'len blijf, En niet mijn bruid een blijden morgen wensch, Dien naam bezeeg'lend met een teed'ren kus!
(Petruccio, Grumio en Biondello af.)
TRANIO. Hij heeft een doel met deze dolle kleeding; Maar laat ons, is het moog'lijk, hem bepraten, Dat hij zich voor den kerkgang beter kleedt.
BATTISTA. Ik volg hem om te zien, waar dit op uitloopt.
(Battista, Gremio en Bedienden af.)
TRANIO (tot Lucentio). Heer, bij haar liefde hebben wij volstrekt Haars vaders jawoord noodig, en hiertoe Zie ik, zooals ik u reeds heb gezegd, Naar iemand uit;--het doet er niet veel toe Wie 't is; wij zullen hem zijn rol wel leeren,-- Die voor Vincentio van Pisa speelt; Die waarborg' schrift'lijk hier in Padua U grooter sommen zelfs dan ik beloofde. Dan ziet gij spoedig uwe hoop vervuld, En huwt uw bruidje met haars vaders wil.
LUCENTIO. Als maar mijn kameraad, die and're leeraar, Bianca's schreden niet zoo scherp in 't oog hield, Dan waar' een heim'lijke echt het best. Is die Gesloten, zegge ook heel de wereld "neen", Ik trots geheel de wereld, zij blijft mijn.
TRANIO. Wij willen dit van stap tot stap bepraten, En uitzien, wat ons voordeel brengen kan; Licht foppen wij dan grauwbaard Gremio, Den schuwen loeroog, vader Minola, Den smachtenden muziekgek, Licio, En alles voor mijn heer, Lucentio.--
(Gremio komt terug.)
Reeds uit de kerk terug, signore Gremio?
GREMIO. Zoo vlug als ik maar ooit de school ontvlood.
TRANIO. En komt de jonge man en vrouw reeds aan?
GREMIO. De jonge man? zeg eer, de wildeman, Een kregelkop, dit zal zij ondervinden.
TRANIO. Wat, kreeg'ler nog dan zij? Dit kan toch niet.
GREMIO. Een duivel is hij, duivel, satan zelf.
TRANIO. Zij is een duivelin, des duivels moêr.
GREMIO. Zij is een kind, een duifje, een lam bij hem. 'k Zal u vertellen; op des priesters vraag: "Wenscht gij deez' Katharina tot uw vrouw?" Riep hij: "Verduiveld graag", en vloekte zoo, Dat van den schrik de priester 't boek liet vallen; En toen hij, om het op te rapen, bukte, Gaf hem de dolle bruîgom zulk een duw, Dat paap en boek daar lag, en boek en paap; Toen riep hij: "Raap hen op! wie lust heeft, raap!"
TRANIO. Wat zei de sukkel, toen hij weder stond?
GREMIO. Die rilde en beefde; hij toch stampte en zwoer, Dat hem de kapelaan voor 't lapje hield. Maar nauw'lijks was de plechtigheid volbracht, Of hij schreeuwt luid om wijn en roept: "Daar ga je",-- Als was hij op zijn schip, en met zijn volk Na storm aan 't drinken,--giet den wijn naar binnen, En wierp, wat van den huwlijkskoek in 't glas Nog over was, den koster in 't gezicht; En uit geen and'ren grond, Dan dat zijn baard zoo schraal en hong'rig was, Dat die bij 't drinken om een sopje vroeg; Toen greep hij woest zijn bruidje om den hals, En gaf haar zulk een smakkend luiden kus, Dat, toen hij losliet, heel de kerk weerklonk. Toen ik dat zag, liep ik van schaamte weg, En zeker volgt de trein mij op den voet. Zoo dwaas een huw'lijk werd nog nooit gesloten;-- Ja, luister! 'k hoor de muzikanten al!
(Muziek.)
(Petruccio, Katharina, Bianca, Battista, Hortensio, Gremio en Anderen komen op.)
PETRUCCIO. Mijnheeren, vrienden, 'k dank u voor uw moeite; Ik weet, gij dacht hier met mij aan te zitten En hebt een kost'lijk bruiloftsmaal gereed; Maar tot mijn spijt drijft groote haast mij heen, Waarom ik hier nu afscheid nemen wil.
BATTISTA. Is 't moog'lijk, wilt gij nog deze' avond weg?
PETRUCCIO. Ik moet bij dag nog heen, eer de avond valt;-- Weest niet verbaasd; waar' de oorzaak u bekend, Eer drongt gij, dat ik ging, dan dat ik bleef. Vereerd gezelschap, dank u allen, die Getuigen waart, hoe ik mijn leven aan Deez' zachte, lieve en eerb're gâ verbond; Spijst met mijn vader, wijdt een dronk aan ons, Want ik moet heen;--en nu, vaart allen wel.
TRANIO. Laat u verbidden, blijf tot na het maal.
PETRUCCIO. Het kan niet zijn.
GREMIO. Laat mij u dan verbidden.
PETRUCCIO. Het kan niet zijn.
KATHARINA. Laat mij u dan verbidden.
PETRUCCIO. Nu is het goed.
KATHARINA. Is 't u nu goed, te blijven?
PETRUCCIO. Het is mij goed, dat gij me om blijven bidt; Maar blijven kan ik niet, hoe gij me ook bidt.
KATHARINA. Zoo gij mij liefhebt, blijf.
PETRUCCIO. Grumio, mijn paarden!
GRUMIO. De paarden staan klaar, heer, de haver heeft ze al opgevreten.
KATHARINA. Nu dan, Doe wat gij wilt, van daag reis ik niet af; Ook morgen niet, niet eer dan ik 't verkies. De deur is open, heer, daar ligt uw weg; Hots gij maar weg, als gij op spelden staat; Ik ga niet heen, niet eer dan ik 't verkies;-- Dat moet toch wel een echte brombeer zijn, Die zoo op de' eersten dag zijn klauw al toont!
PETRUCCIO. Kom, Kaatje, kalm; ik bid u, word niet boos.
KATHARINA. Ik wil nu boos zijn; waarom blijft gij niet? Neen, vader, stil; hij blijft zoolang ik wil.
GREMIO. O heer, daar hebt ge 't lieve leven al.
KATHARINA. Komt, heeren, voorwaarts nu naar 't bruiloftsmaal! Ik zie het al, de vrouw wierd een malloot, Had zij de kracht, den moed niet tot verzet.
PETRUCCIO. Zij zullen doen wat gij gezegd hebt, Kaatje;-- Gehoorzaamt allen; 't is de bruid, die 't wil; Viert feest en jubelt; voert de vreugd in top; Wijdt aan haar vleklooze onschuld meen'gen dronk; Weest uitgelaten dol,--of hangt u op; Maar hier mijn beste Kaat, zij gaat met mij. Neen, blikt niet boos, stampt, raast en tiert maar niet; 'k Wil meester zijn van wat mijn eigen is; Zij is mijn have en goed; zij is mijn huis, Mijn huisgerief, mijn veld, mijn korenschuur, Mijn paard, mijn os, mijn ezel, ja mijn al; Hier staat ze; wie het hart heeft, raak' haar aan; Ik daag ter rekenschap wien ook, die stout Den weg me in Padua verspert.--Trek, Grumio, Trek, trek uw zwaard; zie, ons omsing'len roovers; Bevrijd uw meesteres: toon u een man;-- Vrees niets, mijn schat; zij doen u niets, mijn Kaatje; Ik ben uw schutse, al waren ze een miljoen!
(Petruccio, Katharina en Grumio af.)
BATTISTA. Nu, laat hen gaan, een paar zoo zacht als lamm'ren.
GREMIO. Waar' 't niet zoo snel gegaan, 'k waar' dood van 't lachen.
TRANIO. Zoo dol een echt werd nergens ooit vertoond!
LUCENTIO. Wat zegt ge, jonkvrouw, thans wel van uw zuster?
BIANCA. Ze is een zottin, en heeft een zot tot maat.
GREMIO. Ik sta hem borg, zijn Kaatje blijkt een Kaat.
BATTISTA. Komt, buren, vrienden! Bruid en bruidegom Ontbreken, ja, aan onze tafel, maar Daarom ontbreken lekkernijen niet;-- Neem gij de plaats des bruigoms in, Lucentio; En gij, Bianca, eens de plaats der bruid.
TRANIO. Zal dus Bianca leeren bruid te spelen?
BATTISTA. Dat zal ze, ja, Lucentio.--Vrienden, komt!
(Allen af.)
VIERDE BEDRIJF.
EERSTE TOONEEL.
Een zaal in Petruccio's landhuis.
Grumio komt op.
GRUMIO. Naar den drommel met alle lamme knollen, met alle dolle meesters, met alle smerige wegen! Werd ooit een mensch zoo geklopt? werd ooit een mensch zoo beklodderd? werd ooit een mensch zoo afgebeuld? Ik ben vooruitgestuurd om vuur aan te maken, en zij komen achterop om zich te warmen. Ja, was ik niet zoo'n kleine pot, die gauw heet wordt, dan zouden waarachtig mijn lippen aan de tanden vastvriezen, mijn tong aan mijn gehemelte, mijn hart in mijn lijf, eer ik vuur genoeg had om mij te ontdooien;--maar ik zal mijzelf warm maken door het vuur aan te blazen; want, van dit weer gesproken, een langer kerel dan ik zou koû vatten. Heila, ho, Curtis!
(Curtis komt op.)
CURTIS. Wie roept daar met zoo'n bevroren stem?
GRUMIO. Een stuk ijs; en als je het niet gelooven wilt, glijd dan maar van mijn schouder tot mijn hiel, zonder meer aanloop dan van mijn hoofd tot aan mijn nek. Vuur, vuur, beste Curtis!
CURTIS. Is onze heer op de komst met zijn vrouw, Grumio?
GRUMIO. Ja, ja, Curtis, ja; en daarom vuur, vuur en gooi er geen water, geen water op!
CURTIS. Is zij wezenlijk zoo'n heetgebakerde feeks, als men vertelt? 22
GRUMIO. Ja zeker, beste Curtis, maar vóór deze vorst; want, zooals je weet, de winter maakt alles mak: man, vrouw en beest; want hij heeft mak gemaakt mijn ouden meester, mijn jonge meesteres en mij ook, broeder Curtis.
CURTIS. Loop rond, jij zotskap van drie duim! ik ben geen beest.
GRUMIO. Ben ik maar drie duim? Nu, je hoorn is wel een voet lang; en zoo lang ben ik op zijn minst. Maar wil je nu het vuur eens aanmaken, of zal ik over je klagen bij onze meesteres? dan zult je haar hand,--en ze is nu ophanden,--gauw voelen, tot je kouden troost, omdat je zoo lauw bent in je warmen dienst.
CURTIS. Komaan, Grumio, vertel me, wat gaat er zoo al in de wereld om?
GRUMIO. De wereld is koud, Curtis, alleen jouw dienst is een warm baantje, en daarom vuur. Doe wat je doen moet, en je krijgt wat je hebben moet; want mijn meester en mijn meesteres zijn bijna doodgevroren.
CURTIS. Het vuur is al aan, en dus, beste Grumio, voor den dag met wat nieuws!
GRUMIO. Nu, hoor dan: "Er waren zeven kikkertjes" (Hij zingt.) en zooveel nieuwtjes, als er maar willen ontdooien.
CURTIS. Loop rond met je snorrepijperijen; wat meen je? ik vat je niet.
GRUMIO. Daar heb je gelijk in, want dan had je ook de koû, die ik gevat heb; daarom vuur! Waar is de kok? is het avondeten klaar, het huis netjes in orde, zijn de biezen gestrooid, de hoekjes geraagd, de lui in hun nieuw bombazijn, hun witte kousen en alle bedienden in hun bruîgomspakken?
Zijn de kannen kant en de bekers klaar, Niets aangebrand en alles goed gaar, En de vloer wel gezand voor het jonge paar? Is alles in orde?
CURTIS. Alles klaar; en daarom, ik bid je, wat nieuws!
GRUMIO. Dan moet je weten, vooreerst, dat mijn paard doodmoe is; en dan, dat mijn meester en mijn meesteres wat ongemakkelijk zijn uitgevallen.
CURTIS. Zoo?
GRUMIO. Ja, uit het zaâl in de modder; en daar is een heele geschiedenis aan vast.
CURTIS. Zoo, laat hooren, beste Grumio!
GRUMIO. Stil, aan 't oor.
CURTIS. Hier.
GRUMIO. Daar (Hij geeft Curtis een oorveeg.)!
CURTIS. Dat is het verhaal voelen, in plaats van het te hooren.
GRUMIO. En daarom mag het een gevoelvol verhaal heeten; maar 't was alleen om bij je oor aan te kloppen en gehoor te vragen. Nu begin ik: primo, we kwamen daar een morsigen heuvel af en mijn meester reed achter mijn meesteres.
CURTIS. Samen op één paard?
GRUMIO. Wat vertel je?
CURTIS. Samen op een paard?
GRUMIO. Vertel jij dan de geschiedenis;--maar, als je me niet in de rede was gevallen, zou je gehoord hebben, hoe haar paard viel en zij onder haar paard; dan zou je gehoord hebben, hoe modderig het daar was; hoe zij beklodderd werd; hoe hij haar daar liet liggen met haar paard boven op haar; hoe hij mij sloeg, omdat hààr paard struikelde; hoe zij door de modder waadde, om hem van mij af te rukken; hoe hij vloekte; hoe zij smeekte,--zij die nooit te voren gesmeekt had; hoe ik schreeuwde; hoe de paarden wegliepen; hoe haar teugel doorscheurde; hoe ik mijn staartriem verloor;--en nog veel andere gedenkwaardige dingen, die nu in vergetelheid zullen vergaan, en jij zult in onwetendheid tot uw graf wederkeeren.
CURTIS. Op die manier is hij nog erger helleveeg dan zij.
GRUMIO. Ja, en dat zul jij en de verwaandsten van u allen ondervinden, als hij thuis komt. Maar wat blijf ik over dit alles leuteren?--roep toch Nathaniel, Jozef, Klaas, Flip, Walter, Suikersnoep en de rest; laten zij hun haar goed glad kammen, hun blauwe kamizolen goed borstelen en hun kousebanden gelijk strikken; laten ze een buiging maken met hun linkerbeenen; en het hart niet hebben om een haar aan te raken van mijn meesters paardestaart, voordat ze hun handen gekust hebben. Zijn ze allen klaar?
CURTIS. Ja zeker.
GRUMIO. Roep ze dan hier.
CURTIS. Heila, hoort dan toch! Hier, je moet mijn meester te gemoet gaan, om een goed figuur te maken voor mijn meesteres.
GRUMIO. Nu, ze heeft al wel een figuur van haar eigen.
CURTIS. Nu, wie weet dat niet?
GRUMIO. Jij niet, zoo het schijnt, daar je anderen oproept om voor haar een figuur te maken.
CURTIS. Ik riep hen, om haar eer te bewijzen.
GRUMIO. Je hoeft haar geen heer te wijzen; ze heeft er al een, en daar ze 't wel mee doen kan.
(Eenige Bedienden komen op.)
NATHANIEL. Welkom thuis, Grumio!
FLIP. Hoe gaat het, Grumio?
JOZEF. Kijk eens aan! Grumio!
KLAAS. Zoo, zoo, onze vriend Grumio!
NATHANIEL. Hoe staat het ermee, ouwe jongen?
GRUMIO. Welkom, jij; hoe gaat het? jij; kijk eens, jij; onze vriend, jij;--en zoo ben ik rond met groeten. En zegt me 'reis, mooie jongens, is alles klaar, is alles in de puntjes?
NATHANIEL. Alles is in orde; zal onze baas er al gauw wezen?
GRUMIO. Hij is vlak bij huis, zal dadelijk afstijgen; past daarom op,--Heere beware, stil, daar is hij al!
(Petruccio en Katharina komen op.)
PETRUCCIO. Waar is 't geboeft? Wat! niemand aan de deur, Die mij den beugel hield, het paard mij afnam! Waar is Nathaniel, Gregoor en Flip?
ALLEN. Hier, hier, heer! hier, heer!
PETRUCCIO. Hier, heer! hier, heer! hier, heer! hier, heer! Gij ezelskoppen! luie, lompe vlegels! Wat, geen ontvangst? geen ijver? geen respect?-- Zeg, dwaas, dien ik vooruitgezonden heb!
GRUMIO. Hier, heer; nog even dwaas als toen ik ging,
PETRUCCIO. Jij boerenlummel, schaapskop, ezelskind! Heb ik je niet gezegd, dat jij in 't park Met dit geboeft' mij tegenkomen zoudt?
GRUMIO. Nathaniels rok, heer, was zoo erg getarnd; En Gabriels schoenen sloften telkens uit; Er was geen zwartsel meer voor Peters hoed; De scheê van Walters dolk werd juist gelapt; In 't beste pak slechts Adam, Ralph en Flip, Al de and'ren haav'loos en gescheurd; maar toch, Zooals ze zijn, ze staan daar tot uw dienst.
PETRUCCIO. Vlug, schoeljes, vliegt; en brengt het avondmaal!--
(De Bedienden af.--Petruccio zingt.)
"Waar zijn mijn vroeg're dagen heen? "Waar zijn"--Ga zitten, Kaatje, welkom thuis! Oef, oef, oef, oef!
(Het eten wordt opgebracht.)
Komaan, wat vlug!--Wees vroolijk, liefste Kaatje! Mijn laarzen uit, schavuiten, vlegels, komt!
(Hij zingt.)
"Een kloosterling in grauwe pij, Die kwam een heilig huis voorbij;"-- Wat, schurk! je trekt mijn voet daar uit het lid; Pak aan! (Hij geeft hem een oorveeg.) en trek die and're beter uit.-- Wees vroolijk, Kaatje;--water hier! en vlug!-- Waar is mijn poedel Hector?--Knaap, ga zeggen, Dat Ferdinand, mijn neef, hier komt;--(Een Bediende af.) dìen moet Gij leeren kennen, Kaatje, kus hem welkom. Waar zijn mijn muilen?--Komt het water haast?
(Een Bediende biedt hem een waschkom en waterkan aan.)
Verfrisch u, Kaatje; wees hier hart'lijk welkom.
(De Bediende laat de kan vallen.)
Infame vlegel! laat je 't vallen? Hier!
(Hij slaat hem.)
KATHARINA. Verschoon het, man; het was bij ongeluk.
PETRUCCIO. Het is een schoelje, een langoor, een schavuit! Ga zitten, Kaatje, gij zult hong'rig zijn. Doet gij 't gebed, mijn lieve Kaatje, of ik?-- Wat is dat? Lamsbout?
EERSTE BEDIENDE. Ja.
PETRUCCIO. Wie bracht dat?
EERSTE BEDIENDE. Ik.
PETRUCCIO. 't Is aangebrand; en zoo is al het eten; Wat hondevolk!--Waar is die schelmsche kok? Hoe hebt gij, schurken, 't hart, op onze tafel Zulk goed te brengen, dat oneetbaar is? Dáár, houdt het zelf, hier, borden, schotels, alles;
(Hij werpt het eten enz. over den vloer.)
Gij stomme vlegels, lomperds, galgenaas; Wat! bromt ge? 'k Zal je leeren, hoe het hoort!
KATHARINA. Ik bid u, wees niet driftig, lieve man; Het eten was heel goed, als gij 't woudt proeven.
PETRUCCIO. Neen, Kaatje; 't was verdroogd en aangebrand; Zulk eten is uitdrukk'lijk mij verboden, Omdat het gal verwekt en ergernis; Veel beter is het, dat wij beiden vasten,-- Want beiden zijn we alreeds van aard cholerisch,-- Dan dat we ons prikk'len met verbraden vleesch. Geduld maar, morgen zal het beter zijn, En dezen avond vasten wij eens saam. Kom mee; ik breng u naar uw bruidsvertrek.
(Petruccio, Katharina en Curtis af.)
NATHANIEL. (vooruitkomend.) Zeg, Peter, heb jij ooit zoo iets gezien?
PETER. Hij maakt haar met haar eigen grillen klein.
(Curtis komt terug.)
GRUMIO. Waar is hij?
CURTIS. In haar kamer, En prijst met een sermoen haar 't vasten aan; En schimpt en vloekt en scheldt, dat de arme ziel Niet weet waarheen, niet opzien durft, niet spreken, En zit als een, die uit een droom ontwaakt. Kom, voort, kom mee! daar is hij weer terug.
(Allen af.)
(Petruccio komt weder op.)
PETRUCCIO. 'k Aanvaardde mijn regeering met beleid, En ben vol moed, dat alles goed zal gaan; Mijn valk, met leêge maag, ziet mij naar 't oog; En tot zij mak is, krijgt zij niet volop, Want anders komt ze niet op mijn geroep. 'k Weet nòg iets, dat mijn schuwen vogel temt En komen laat op 't roepen van den baas; Ik houd haar wakker evenals een valk, Die klept en slaat en ongehoorzaam is. Zij at van daag geen beet en mag 't ook niet, Sliep gist'ren niet en zal 't van nacht ook niet; Zooals van 't eten, zeg ik van het bed, En zonder grond, dat niets is zooals 't hoort, En werp het kussen hier, de peluw daar, En hier het dek en ginds de lakens heen;-- Ja, en bij al 't getier, geef ik toch voor, Dat ik zoo doe uit teed're zorg voor haar. Kortom, ik houd de gansche nacht haar wakker; En knikkebolt ze soms, dan scheld en raas ik, Dat haar het leven wel klaar wakker houdt; Zoo wordt ze klein gemaakt door teed're zorg, En buig ik wel haar dollen, kreeg'len kop. Weet voor een temkuur iemand beet'ren raad, Hij deele 't mee, zijn evenmensch ten baat.
(Petruccio af.)
TWEEDE TOONEEL.
Padua. Voor het huis van Battista.
Tranio en Hortensio komen op.
TRANIO. Vriend Licio, is 't moog'lijk, dat Bianca Een ander dan Lucentio bemint? Voorwaar, dan draait ze mij een rad voor 't oog.
HORTENSIO. Wilt gij bewijs, heer, dat ik waarheid sprak, Kom hier, en hoor, hoe hij haar onderricht.
(Zij gaan ter zijde.)
(Bianca en Lucentio komen op.)
LUCENTIO. Nu, jonkvrouw, trekt gij nut uit wat gij leest?
BIANCA. Zeg gij mij, meester, eerst, wat gij wel leest.
LUCENTIO. Slechts wat ik u verklaar, de Kunst van minnen.
BIANCA. O blijk weldra, heer, meester in die kunst!
LUCENTIO. Ja, dier'bre meesteresse, door uw gunst!
(Zij gaan voorbij.)
HORTENSIO. Ze zijn volleerd! Wat zegt gij nu? Gij dorst Een eed doen: uw meest'res Bianca minde Ter wereld niemand dan Lucentio.
TRANIO. O, bitterbooze liefde! O trouwloos vrouwvolk! Ik zeg u, Licio, dit is ongehoord.
HORTENSIO. Ik werp het masker af; ik ben niet Licio, Noch leeraar in muziek, zooals ik schijn; Maar een, wien 't nu verdriet vermomd te zijn Voor iemand, die een edelman versmaadt En zulk een schobbejak als God vereert; Mijn ware naam, heer, is Hortensio.
TRANIO. Vaak hoorde ik reeds, Signor Hortensio, Van uwen grooten hartstocht voor Bianca; Thans was mijn oog van haar lichtzinnigheid Getuige, en 'k zweer met u,--dunkt dit u goed,-- Voor eeuwig haar en hare min hier af.
HORTENSIO. Zie eens dat koozen, kussen!--Hier, Lucentio, Hier is mijn hand, en hier bezweer ik u:-- Ik wensch haar hand niet meer; ik zweer haar af, Omdat zij nooit de teederheid verdiende, Waarmede ik dwaas'lijk haar bewierookt heb.
TRANIO. En hier doe ik oprecht denzelfden eed,-- Haar nooit te huwen, zelfs al vroeg ze 't mij; Foei, zie, hoe schand'lijk zij daar met hem koost!
HORTENSIO. Zwoer heel de wereld, buiten hem, haar af!-- Ikzelf,--zoo houd ik wis mijn eed,--ik neem, Eer 't jaar drie dagen ouder is, tot vrouw Een rijke weeuw, die al den tijd, dat mij Dit preutsche meisje boeide, heeft bemind. En nu vaarwel, Signor Lucentio. Geen mooi gezichtje, neen, voorkomendheid Verwerft mijn liefde; en zoo verlaat ik u, En staaf gewis den eed, dien ik daar zwoer.
(Hortensio af.)
(Lucentio en Bianca komen naar voren.)
TRANIO. Jonkvrouw Bianca, stroome u ied're zegen, Dien ooit de teerste liefde wenschte, tegen, Ja, ja, 'k heb u betrapt, mijn zoet, lief kind, En afgezworen, met Hortensio.
BIANCA. Tranio, gij schertst; zwoert gij mij beiden af?
TRANIO. Ja, jonkvrouw.
LUCENTIO. Goed; dan zijn wij Licio kwijt.
TRANIO. O ja, die neemt een willig vroolijk weeuwtje, Dat wel in één dag bruid en vrouw wil zijn.
BIANCA. Wel moog' het hem bekomen!
TRANIO. Ja, en hij maakt haar mak.
BIANCA. Dit zegt hij, Tranio.
TRANIO. Ja toch, hij gaat al op de makmaakschool.
BIANCA. De makmaakschool; wat! is er zulk een ding?
TRANIO. Ja toch; Petruccio geeft er les, en leert Er op zijn elf en dertigst, hoe een man Een booze vrouwetong bezweren kan.
(Biondello komt haastig aangeloopen.)
BIONDELLO. O meester, 'k stond zoo lang op wacht, dat ik Zoo moe ben als een hond; maar eind'lijk daalt Ginds van den berg een oude hemelzend'ling, Die juist ons past.
TRANIO. Wat man is 't, Biondello?
BIONDELLO. 't Moet een kantoor- of schoolvos wezen, heer, Wat, weet ik niet, maar naar zijn deftig kleed, Naar gang en houding op ende op een vader.
LUCENTIO. Wat wilt ge, Tranio?
TRANIO. Ik zorg, slaat hij geloof aan mijn verhaal, Dat hij wàt graag hier voor Vincentio speelt, En borg is bij Battista Minola, Als waar' hij onvervalscht Vincentio. Ga met uw liefste heen; laat mij begaan.
(Lucentio en Bianca af.)
(Een Pedant komt op.)
PEDANT. Gegroet, heer!
TRANIO. Insgelijks; wees welkom, heer! Reist gij nog door, of zijt ge reeds aan 't doel?
PEDANT. Ik ben aan 't doel, heer, voor een week of twee; Dan reis ik verder op, en wel naar Rome, En dan, als God wil, heel naar Tripoli.
TRANIO. Vergun, wat landsman, heer?
PEDANT. Van Mantua.
TRANIO. Van Mantua?--Verhoede 't God! En zijt gij Uw leven moe, dat gij naar Padua komt?
PEDANT. Mijn leven, heer? Hoe zoo toch? Welk een schrik!
TRANIO. Elk, die uit Mantua in Padua komt, Die is des doods. En weet gij niet waarom? Venetië legt beslag op uwe schepen; De doge ligt in twist met uwen hertog, En heeft het openlijk bekendgemaakt. 't Is vreemd, maar ja, gij komt daar zoo pas aan, De lezing ware u anders niet ontgaan.
PEDANT. Helaas, heer, dit is dubbel erg voor mij, Want ik heb wisselbrieven uit Florence, Die ik alhier te gelde maken moet.
TRANIO. Nu, heer, om u van dienst te zijn, wil ik Dit doen, en dezen raad u geven:--maar Zeg eerst, zijt gij in Pisa ooit geweest?
PEDANT. Ja heer, ik ben in Pisa vaak geweest, Pisa, beroemd door tal van wakk're burgers.
TRANIO. Kent gij daaronder zeek'ren heer Vincentio?
PEDANT. Niet van persoon, doch 'k heb van hem gehoord; Een koopman van onmetelijk fortuin.
TRANIO. Dat is mijn vader, heer; en, op mijn woord Hij heeft in zijn gelaat wel wat van u.
BIONDELLO (ter zijde). Zooals een appel van een oester, ja precies.