De getemde feeks

Part 3

Chapter 34,058 wordsPublic domain

BATTISTA. De helft van al mijn goed'ren bij mijn dood, En twintigduizend kronen zoo terstond.

PETRUCCIO. En ik, van mijnen kant, verzeker haar Een weduwgift,--als zij mij overleeft,-- Van al mijn have en goed, hoe ook genaamd; Nauwkeurig zij dit wett'lijk dus omschreven, Opdat aan weêrszij het verdrag ons bind'.

BATTISTA. Ja, als maar eens de hoofdzaak zeker is: Haar jawoord;--dit is nu het eerst en 't laatst.

PETRUCCIO. O, dat is niets; want ik verklaar u, vader, 'k Ben even kort van stof als zij hooghartig; En als één heftig vuur een ander vindt, Dan wordt, wat hunne woede voedt, verteerd; Een kleine wind blaast een klein vuur wel aan, Doch een orkaan blaast vuur en alles uit; Zoo ben ik haar, zoo geeft zij 't mij gewonnen, Want ik ben ruw en vrij niet als een melkmuil.

BATTISTA. Vrij hoe ge wilt; heb er maar zegen op; Doch wapen u op enk'le booze woorden.

PETRUCCIO. Ik ben verstaald, onwrikbaar als een rots, Die pal blijft staan, hoe fel de storm haar trots'.

(Hortensio komt op, met een wond aan 't hoofd.)

BATTISTA. Wat is er, vriend? waarom ziet gij zoo bleek?

HORTENSIO. Zie ik zoo bleek, dan is 't van schrik, geloof me.

BATTISTA. En heeft mijn dochter aanleg voor muziek?

HORTENSIO. Eer om soldaat te zijn; misschien houdt staal Het in haar handen uit; een luit kan 't niet.

BATTISTA. Dus denkt ge niet, dat zij de luit leert slaan?

HORTENSIO. Neen, want zij sloeg de luit al op mij stuk. Ik zeide alleen, haar vingergreep was valsch, En boog haar zacht de hand tot beet'ren greep; Daar werd zij ongeduldig, duivelsch; "noemt ge "Dat grepen?" riep ze, "grijpen kan ik wel!" En greep de luit en sloeg me er mee op 't hoofd, Zoodat mijn kop de luit geheel doorboorde; Ik was een wijl verbluft en stond te kijken, Als had ik 't halsblok aan en stond te pronk; En tevens riep ze: "Schelmsche vedelaar;" En "Brekebeen!" en twintig zulke naampjes, Als had ze voor mijn smaad die uitgezocht.

PETRUCCIO. Nu, bij mijn ziel, een aardig meisje! ik houd Al tienmaal meer van haar dan vroeger; 'k wou, Dat ik met haar al aan het babb'len was.

BATTISTA. Kom mee en wees niet zoo ontsteld; hervat Uw onderwijs maar met mijn jongste dochter, Die leerzaam en erkent'lijk zich betoont.-- Signor Petruccio, wilt gij met ons gaan? Of zend ik hier mijn Kaatje naar u toe?

PETRUCCIO. Ja, doe dat, wees zoo goed; ik wacht haar hier,

(Battista, Gremio, Tranio en Hortensio af.)

En maak haar kluchtig 't hof, zoodra zij komt. Valt ze uit, dan zeg ik haar eenvoudig weg, Dat zelfs de nachtegaal zoo mooi niet slaat; En kijkt ze zwart, ik roem haar blikken, helder Als morgenrozen, frisch met dauw gedrenkt; En is ze stom en spreekt ze zelfs geen woord, Dan roem ik luid de radheid van haar tong En zeg, dat zulk een taal de ziel beweegt; En roept ze: "Pak u weg!" dan dank ik haar, Als had ze mij een week bij zich genood; Verwerpt zij de' echt, dan vraag ik haar, wanneer Zij de geboden en het huw'lijk wil;-- Daar komt ze;--nu, Petruccio, doe uw woord!

(Katharina komt op.)

Goê morgen, Kaatje, want zoo heet ge, hoor ik.

KATHARINA. Gij hoordet wel, maar toch niet naar behooren; Wie van mij spreekt, die noemt mij Katharina.

PETRUCCIO. Onwaar, onwaar; men noemt u kortweg Kaatje, En mooie Kaat, en soms ook korz'le Kaat; Maar Kaatje, liefste Kaatje in 't christendom, Kaatje van Kaatjesstein, mijn poez'lig Kaatje,-- Wat Kaatje heet is poez'lig--daarom Kaatje, Verneem van mij nu, Kaatje, gij mijn troost, Ik hoorde alom uw lieve zachtheid prijzen, Uw deugden noemen, en uw schoonheid roemen,-- Schoon niet zoo luide als gij verdient,--en dit Heeft me aangezet om naar uw hand te staan.

KATHARINA. Zoo? aangezet? Die u heeft aangezet, Zette u weer weg! 'k Zag daad'lijk, dat gij plooibaar En wel verzetbaar waart.

PETRUCCIO. Plooi- en verzetbaar?

KATHARINA. Zooals een vouwstoel, ja.

PETRUCCIO. Goed, zet u hier.

KATHARINA. Juist, ezels moeten dragen, waarom gij niet?

PETRUCCIO. Juist, vrouwen moeten dragen, waarom gij niet?

KATHARINA. Dacht gij me een knol, dat ik u dragen zou?

PETRUCCIO. 'k Zal u geen last, misschien wel lastig zijn; Want Kaatje, ik weet, ge zijt zoo jong, zoo lucht,--

KATHARINA. Te lucht, dan dat een boer mij vangen zou; Toch niet te licht; ik wil geen last er bij.

PETRUCCIO. 'k Geloof het wel; de laster zwermt als bij Vaak om u heen; gij kent zijn steek te wel.

KATHARINA. Ik ducht dien niet; veeleer moog hij mij duchten.

PETRUCCIO. Dan zijt ge een wesp, en waarlijk al te fel.

KATHARINA. Ben ik zoo wespig, ducht mijn angel dan.

PETRUCCIO. Die doet mij niets; ik ruk hem daad'lijk uit.

KATHARINA. Ja, als een stumperd wist, waar die wel zit.

PETRUCCIO. Wie weet niet, waar een wesp haar angel draagt? Ik vang de wesp, en moog ze ook tegenspart'len, Ze raakt haar angel kwijt.

KATHARINA. Haar tong?

PETRUCCIO. Haar nagels eer, die knipt de man, die u, Wild Kaatje, vangt, wel af.

(Katharina wendt zich om tot heengaan. Petruccio houdt haar vast.)

Lief Kaatje, blijf; Ik ben een edelman.

KATHARINA. Dat wil ik zien.

(Zij slaat zijn handen weg.)

PETRUCCIO (grijpt haar handen vast). Bij God, ik klop u, waagt gij 't weer, te slaan.

KATHARINA. Dan raakt ge uw wapen kwijt. Want die een vrouw slaat, is geen edelman; Geen edelman, geen wapen.

PETRUCCIO. Wat, lief Kaatje! Gij wapenkoning? Zet mij in uw stamboek!

KATHARINA. Wat is 't blazoen? Een jonge haan, die koning Wil kraaien, maar 't niet kan? Of is 't een zotskap?

PETRUCCIO. Een haan, die kraait, als Kaat mijn hen wil zijn.

KATHARINA. Geen haan voor mij; gij kraait nog als een kuiken.

PETRUCCIO. Neen, Kaatje, kom, zet niet zoo'n zuur gezicht.

KATHARINA. Zoo doe ik steeds, bij 't zien van onrijp ooft.

PETRUCCIO. Hier is geen onrijp ooft; zie dus niet zuur.

KATHARINA. Het is er wel.

PETRUCCIO. Vertoon 't mij dan!

KATHARINA. Had ik Een spiegel, 'k deed het.

PETRUCCIO. Wat? Bedoelt gij mij?

KATHARINA. Wel knap bedacht voor een, die pas komt kijken.

PETRUCCIO. Ja, bij Sint Joris, 'k ben te jong voor u.

KATHARINA. En toch verwelkt!

PETRUCCIO. Van kwelling.

KATHARINA. 't Kwelt mij niet.

(Zij wil heengaan.)

PETRUCCIO. Neen, Kaatje, hoor mij; zoo ontsnapt gij niet.

KATHARINA. Mijn blijven zou u erg'ren; laat mij gaan.

PETRUCCIO. Volstrekt niet; 'k vind u allerliefst. Men had U mij geschetst als schuw en ruw en geem'lijk; En nu vind ik 't Gerucht een lastertong, Want gij zijt vroolijk, geestig, allerhoflijkst; Wat stil, maar lieflijk als een lentebloem; Gij fronst het voorhoofd niet, ge kijkt niet donker, Bijt niet, zooals een feeks doet, op de lip; Gij hebt geen lust in vinnig tegenspreken, Maar uw aanbidders boeit gij allerliefst Met vriend'lijk, zacht, vertrouwelijk gesprek. Hoe komt men aan 't verhaal, dat Kaatje hinkt? De wereld liegt, want Kaatje is slank en recht Gelijk een hazeltak, ze is bruin van haar, Gelijk een hazelnoot, en zoeter dan haar kern;-- O loop eens op;--neen, hinken doet ge niet.

KATHARINA. Loop, dwaas, en geef uw orders aan uw knechts.

PETRUCCIO. Verheerlijkte ooit Diana zoo het woud, Als Kaatje's vorstelijke gang deez' zaal? Wees gij Diaan, en laat haar Kaatje zijn; En dan zij Kaatje koud, Diana dartel.

KATHARINA. Waar hebt gij al dien schoonen praat geleerd?

PETRUCCIO. Het is voor 't vuistje, geest van moederswege.

KATHARINA. Een geestrijk moeder en zoo'n geestloos zoon!

PETRUCCIO. Heb ik geen geest?

KATHARINA. Nu, houd dien geest maar warm.

PETRUCCIO. Ja, lieve Katharina, in uw arm; En 'k zet daarom deez' praatjes aan een kant, En zeg u kort en goed: uw vader stond Mij 't aanzoek toe; de bruidsschat is bepaald; En, of gij 't wilt of niet, gij wordt mijn vrouw. Hoor, Kaatje, ik ben de rechte man voor u; En bij dit licht, dat op uw schoonheid straalt,-- Uw schoonheid, die voorwaar me in liefde ontgloeit,-- Verlang niet naar een and'ren man dan mij; Want, Kaatje, ik ben de man om u te temmen, En uit een wilde kat een lief tam Kaatje Te maken, als een lief en huis'lijk katje. Daar komt uw vader aan; neen, weiger niet; Ik moet en zal Kath'rina tot mijn vrouw.

(Battista, Gremio en Tranio komen weder op.)

BATTISTA. Hoe is 't, signor Petruccio, u vergaan Bij mijne dochter?

PETRUCCIO. Wel, zeer goed, zeer goed; Hoe kon het anders zijn? Dacht gij van neen?

BATTISTA. Hoe, dochter Katharina, nog steeds knorrig?

KATHARINA. Noemt gij mij dochter? Nu, 'k verzeker u, Gij hebt mij teed're vaderzorg getoond, Door aan een halfgek mensch mij toe te zeggen, Een dollen zotskap, een hansworst, die vloekt, En met zijn vloeken waant zijn zaak te winnen.

PETRUCCIO. Hoor, vader, hoe het staat:--gijzelf en ieder, Die van haar sprak, deedt steeds haar onrecht aan; 't Is politiek, als zij zich korzel toont; Zij is niet dwars, maar als een duif zoo zacht, Geen heethoofd, maar gelijk de morgen frisch; Griseldis streeft zij in geduld op zij, In kuischheid Rome's roem, Lucretia. Dus kort en goed,--wij kwamen overeen: Aanstaanden Zondag zal de trouwdag zijn.

KATHARINA. Eer wil ik op dien Zondag u zien hangen.

GREMIO. Petruccio, hoor, zij wil u eer zien hangen.

TRANIO. Verging 't u zoo?--Vaarwel dan onze kans!

PETRUCCIO. Stil, heeren, stil; ik koos haar voor mijzelf; 't Gaat u niet aan, als 't haar en mij zoo wel is. Wij kwamen met ons tweeën overeen, Dat zij voor 't oog der wereld boos zou blijven; Maar 'k zeg u, 't is onmoog'lijk te gelooven, Hoe veel zij van mij houdt, dat liefste Kaatje!-- Zij hing mij om den hals; met kus op kus, Met eed op eed heeft zij mij zoo getroefd, Dat ze in een oogwenk hart en al mij won. O, gij zijt nieuw'lingen! 't Is wonderbaar, Hoe mak, zijn man en vrouw te zaam alleen, Een lobbes zelfs de felste feeks kan maken; Uw hand, mijn Kaatje; ik moet nu naar Venetië, Om voor den trouwdag mij in 't pak te steken;-- Richt, vader, 't feest maar aan en vraag de gasten; 'k Voorspel, Kath'rina blijkt een schoone bruid.

BATTISTA. Ik sta verstomd, maar geeft mij beide' uw hand.

(Hij grijpt beider hand en legt de handen ineen; Katharina houdt het gelaat afgewend, maar verzet zich niet.)

Petruccio, alle heil! gij zijt een paar.

GREMIO EN TRANIO. Wij zijn getuigen en wij zeggen amen.

PETRUCCIO. Bruid, vader, vrienden, thans vaarwel; ik moet Nu naar Venetië; Zondag is nabij;-- Er moeten ringen, dingen, feestdos zijn; Kom, kus mij, Kaatje; Zondag is 't festijn.

(Petruccio en Katharina naar verschillende kanten af.)

GREMIO. Werd ooit een echt zoo plotseling beklonken?

BATTISTA. Voorwaar, 'k doe als een koopman, die soms slaagt, Als hij in eens dolzinnig alles waagt.

TRANIO. Hier zou de waar verliggen, nu zal ze u Nog voordeel geven, of op zee vergaan.

BATTISTA. Het voordeel, dat ik zoek, is rust en vreê.

GREMIO. Geen twijfel, of de rust valt hem niet meê.-- Maar nu, Battista, van uw jongste dochter; 't Is nu de dag, zoo lang door ons verbeid. Ik ben uw buur en vroeg het eerst haar hand.

TRANIO. Ik min Bianca meer, dan ooit de tong Kan spreken, of het brein bevroedt.

GREMIO. Jong mensch, Mij werd wis meer dan u het hart geboeid.

TRANIO. Grauwbaard, ùw min verkilt.

GREMIO. En de uwe schroeit. Weg, spring-in-'t-veld! alleen wat rijp is voedt.

TRANIO. Het oog der vrouw vindt enkel jonkheid goed.

BATTISTA. Stil heeren! 'k maak aan dezen strijd een eind. Dat daden spreken om den prijs te winnen; En hij, die van u tweeën aan mijn dochter Het grootste huw'lijksgoed verzeek'ren kan, Die voer' de bruid naar huis.-- Signore Gremio, wat kent gij haar toe?

GREMIO. Gij kent, vooreerst, mijn huis hier in de stad: 't Is rijk voorzien van goud- en zilverwerk, Waschbekken, kommen, voor haar fijne hand, De wand alom met Turksch tapijt gedekt, Mijn schat van kronen in ivoren koffers, Vloerkleeden, fraaie spreien, welbewaard In cederhouten kisten, bedbehangsels, Troonhemels, Turksche kussens, rijk bezet Met paarlen, dan gordijnen, geborduurd Met gouddraad, werk van Venetiaansche kunst, Fijn linnen, brons- en koperwerk en alles, Wat in een deftig huis benoodigd is; Dan heb ik op mijn hoeve een honderdtal Melkkoeien, en vette ossen tien dozijn; En al het oov'rige is zoo navenant. Ik ben al wat op leeftijd, dit is waar; Maar sterf ik morgen, al het mijne is 't hare, Als zij slechts mijn wil zijn, zoolang ik leef.

TRANIO. Nu, dit "slechts mijn" was kost'lijk;--hoor thans mij! 'k Ben een'ge zoon en erfgenaam mijns vaders; Schenkt gij uw dochter mij tot vrouw, dan zijn Voor haar in 't rijke Pisa drie, vier huizen, Zoo goed als hier in Padua de oude Gremio Er een maar toonen kan, dan nog tweeduizend Dukaten jaarlijksche opbrengst van de hoeven Met vruchtbaar land; dit wordt op haar gezet.-- Nu, signor Gremio, zit gij niet in 't nauw?

GREMIO. Tweeduizend stuks dukaten 's jaars van land! Zooveel brengt al mijn land mij saam niet op; Doch 't is voor haar; daarbij een koopvaardijschip, Dat bij Marseille nu ter reede ligt;-- Nu, sloeg ik u daar met dit handelsschip?

TRANIO. Mijn vader, Gremio, heeft,--men weet het,--drie Koopvaarders, dan nog twee galjoten en Nog twaalf galeiën; 't wordt haar toegekend; En wat ge ook biedt, ik bied haar tweemaal meer.

GREMIO. Neen, 'k bood reeds alles aan; ik heb niet meer; En meer dan 'k heb, kan ik haar toch niet bieden;-- Verkiest ge mij, dan is al 't mijne aan haar.

TRANIO. Dan is, naar uw belofte, 't meisje mijn, En buiten kijf; 'k heb Gremio getroefd.

BATTISTA. Ja, ik erken, dat gij het meeste biedt; En als uw vader zekerheid wil geven, Dan is zij u: zoo niet, verschoon mij dan; Stierft gij voor hem, waar bleef haar huwlijksgift?

TRANIO. Geen uitvlucht! hij is oud en ik ben jong.

GREMIO. De menschen sterven jong, zoowel als oud.

BATTISTA. Hoort, heeren, mijn besluit. Gij weet nu, dat mijn dochter Katharina Aanstaanden Zondag trouwen gaat; den Zondag Die volgt, vier' dan Bianca haar verloving, Zoo gij mij zekerheid verschaft, met ù; Zoo niet, met Signor Gremio; Vaart beiden wel thans, en aanvaardt mijn dank.

(Battista af.)

GREMIO. Dag, buurman!--Knaap, ik ben niet bang; uw vader Waar' stapelgek, als hij u alles gaf, En daardoor, oud en zwak, bij u de voeten Moest steken onder tafel. Dwaas gekal! Een oude rot loopt zoo niet in den val.

(Gremio af.)

TRANIO. Vervloekt uw listig, geel en rimp'lig bakhuis! Maar 'k nam uw harteboer toch met een tien.-- Nu komt het er op aan, mijn heer te helpen.-- Het eenigst is, dat Schijn-Lucentio zorgt Een vader Schijn-Vincentio te verkrijgen; Een vreemd geval; 't is meest de taak van vaders Zich kind'ren te verwekken; bij deze vrijerij Verwekt het kind een vader; o slimheid, sta mij bij!

(Tranio af.)

DERDE BEDRIJF.

EERSTE TOONEEL.

Een kamer in Battista's huis.

Lucentio, Hortensio en Bianca komen op.

LUCENTIO. Terug, gij veed'laar! Man, gij wordt te vrij! Ontging u reeds de groet, waarmede u pas Haar zuster Katharina heeft verfrischt?

HORTENSIO. Gij, twistziek schoolpedant! deez' jonkvrouw is De schutsgeest van de harmonie der heem'len; Laat mij alzoo den voorrang; hebben wij Een uurtje aan muziek besteed, dan worde Gelijke tijd aan 't lezen toegewijd.

LUCENTIO. Bekrompen weetniet, heeft het lezen u Zelfs niet geleerd, waartoe muziek wel dient? Is 't niet, om 's menschen geest wat te verfrisschen Na diep gepeins, na 't zwoegen van den dag? Erken dus 't voorgaan der philosophie, En kom in 't rustuur met uw harmonie.

HORTENSIO. Sinjeur, gij tart mij steeds! dit duld ik niet!

BIANCA. Maar heeren, beiden doet gij me onrecht aan, En twist, waar mijn keus toch alleen beslist; Ik ben geen schoolkind, dat de roede ducht; 'k Wil aan geen uur of tijd gebonden zijn, Maar neem mijn les zooals ikzelf verkies, En ik beslecht den twist: hier zetten we ons:-- Neem gij uw speeltuig, tokkel midd'lerwijl; Zijn les zal uit zijn, eer gij hebt gestemd.

HORTENSIO (tot Bianca). Gij houdt met lezen op, als ik gestemd heb?

(Hij gaat naar den achtergrond.)

LUCENTIO. Nooit, zou ik wenschen;--(Tot Hortensio.) stem dan 't instrument.

BIANCA. Waar zijn we laatst gebleven?

LUCENTIO. Hier, mejonkvrouw; Hic ibat Simois, hic est Sigeia tellus; Hic steterat Priami regia celsa senis.

BIANCA. Vertaal mij dit.

LUCENTIO. Hic ibat, zooals ik u reeds gezegd heb,--Simois, ik ben Lucentio,--hic est, zoon van Vincentio van Pisa,--Sigeia tellus, zoo verkleed om uw liefde te winnen;--hic steterat, en de Lucentio, die naar uw hand staat,--Priami, is mijn dienaar Tranio,--regia, die mijn rol speelt,--celsa senis, om den ouden verliefden gek om den tuin te leiden.

HORTENSIO (terugkeerend.) Mejonkvrouw, 't speeltuig is gestemd.

BIANCA. Laat hooren!

(Hortensio speelt.)

O foei, de discant is nog valsch.

LUCENTIO. Begin van nieuws af aan, man, stem nog eens.

(Hortensio gaat terug.)

BIANCA. Laat mij nu zien of ik 't vertalen kan.

Hic ibat Simois, ik ken u niet;--hic est Sigeia tellus, ik vertrouw u niet; hic steterat Priami, pas op, hij hoore ons niet;--regia, vlei u maar niet; celsa senis, doch wanhoop niet.

HORTENSIO. Jonkvrouw, 't is nu gestemd.

(Hij speelt eenige accoorden.)

LUCENTIO. De bas nog niet.

HORTENSIO. De bas is zuiver, bas gij maar zoo niet.-- Wat wordt die hond, die schoolvos, onbeschaamd! De kerel, bij mijn ziel, hij maakt haar 't hof! Pedascule, 'k houd u nog meer in 't oog!

BIANCA. 't Geloof kàn komen, maar ik twijfel nog.

LUCENTIO. O, twijfel niet;--(Hardop, daar Hortensio nadert.) geloof me, Æacides Is Ajax, naar zijn voorzaat zoo genoemd.

BIANCA. 'k Geloof 't, wijl gij mijn leeraar zijt; doch anders, 'k Verzeker u, ik hield mijn twijfel vol. Maar 't zij dan zoo.--Thans Licio, tot uw dienst;-- Gij, goede meesters, duidt het mij niet euvel, Dat ik zoo met u tweeën heb geschertst.

HORTENSIO (tot Lucentio). Ga gij maar wand'len; laat mijn les hier vrij, Want ik geef niet in trio's onderricht.

LUCENTIO. Zoo, eischt ge dat, heer?--Nu, 'k blijf in de buurt En houd een oog in 't zeil, want naar ik denk, Wordt onze fraaie musicus verliefd.

(Hij gaat ter zijde.)

HORTENSIO. Aleer gij, jonkvrouw, in de snaren grijpt En op mijn wijs de vingerzetting leert, Begin ik met het A B C der kunst; De gamma leer ik u in korter tijd En boeiender; ik ga meer recht naar 't doel, Dan vóór mij ooit een man van 't vak het deed; Hier hebt gij haar in keurig duid'lijk schrift.

BIANCA. Wel man, ik ben de gamma lang voorbij.

HORTENSIO. Leg toch die van Hortensio niet ter zij.

BIANCA (leest). Ut ben ik, Gamma--grond van elk accoord; A re--zegg', welk een pijl Hortensio griefde; B mi--Bianca, schenk me uw hart, uw woord; C fa ut--Ach, ik leef slechts door uw liefde; D sol re--Sleutel met een dubb'le noot; E la mi--Ja is leven, weig'ring dood. Is dit een gamma? die bevalt mij niet; Ik houd mij liefst aan de oude en goede leerwijs, En heb geen lust in dwaze nieuwigheid.

(Een Bediende komt op.)

BEDIENDE. Uw vader, jonkvrouw, vraagt, dat gij voor heden Uw boeken rust geeft, en uw zusters kamer Opsieren helpt voor 't bruiloftsfeest van morgen.

BIANCA. Vaartwel, mijn beste meesters, ik moet heen.

(Bianca en de Bediende af.)

LUCENTIO. Dan, jonkvrouw, heb ik ook geen grond tot blijven.

(Lucentio af.)

HORTENSIO. Maar ik heb grond, dien schoolvos na te speuren! Hij ziet er uit, als waar' hij ook verliefd;-- Maar werpt gij zoo u weg, Bianca, dat Ge uw dwalend oog op ieder lokaas slaat, Dan strijk' met u wie wil; zijt gij zoo grillig, 'k Zoek elders heil, en gij wordt me onverschillig.

(Hortensio af.)

TWEEDE TOONEEL.

Aldaar. Voor Battista's huis.

Battista, Gremio, Tranio, Katharina, Bianca, Lucentio en Bedienden komen op.

BATTISTA (tot Tranio). Dat is de dag, Lucentio, vastgesteld Voor Katharina's en Petruccio's huw'lijk, En nog hoor ik van onzen schoonzoon niets; Wat zal dat een gepraat, een spotten zijn, Dat er geen bruîgom is, terwijl de priester Gereed staat om het huwlijk in te zeeg'nen! Niet waar, Lucentio, welk een smaad op ons!

KATHARINA. 't Is smaad op mij! Ja, 'k werd genoopt, de hand Met tegenzin te reiken aan een dollen, Grilzieken wildeman, die vliegensvlug Verloofd wil zijn, maar trouwen, als 't hem lust. Ik zeide 't wel, 't was een bezeten zot; Die bitt're scherts verbergt in lompheids schijn, Die graag, om maar voor grappig door te gaan, Een duizend meisjes vraagt, het huw'lijk afspreekt, De gasten nooden, de geboden gaan, Maar 't bruidje op de bruiloft zitten laat. Nu wijst een elk op de arme Katharina, En lacht: "Ei ziet, daar gaat Petruccio's vrouw, Als die maar komen en haar hebben woû!"

TRANIO. Bedaar, Kath'rina, en ook gij, Battista; Ik zweer er op, Petruccio meent het goed, Wat hem ook stremme in 't houden van zijn woord. Zij hij wat ruw, verstandig is hij zeer; Drijv' hij den spot, hij is een man van eer.

KATHARINA. O, had hem Katharina nooit gezien!

(Katharina gaat weenend heen, gevolgd door Bianca en anderen.)

BATTISTA. Ga, kind, het spreekt van zelf, dat gij nu weent. Want zulk een hoon verdroeg geen heil'ge zelfs, Laat staan een driftkop van uw kreeg'len aard.

(Biondello komt op.)

BIONDELLO. O heer, heer! nieuws, oud nieuws en nieuws, zooals gij nog nooit gehoord hebt!

BATTISTA. Wat! nieuw en tevens oud? hoe kan dit zijn?

BIONDELLO. Wat! is het geen nieuws, te hooren, dat daar Petruccio komt?

BATTISTA. Is hij gekomen?

BIONDELLO. Wel neen, heer.

BATTISTA. Wat dan?

BIONDELLO. Hij is bezig te komen.

BATTISTA. Wanneer zal hij hier zijn?

BIONDELLO. Als hij staat, waar ik sta, en u daar ziet.

TRANIO. Komaan, voor den dag met uw oud nieuws!

BIONDELLO. Wel, Petruccio komt daar aan, met een nieuwen hoed en een oud wambuis; met een oude broek, die al driemaal gekeerd is; met een paar laarzen, die al voor kaarsenbakken gediend hebben, de een gegespt, de ander geregen, een ouden roestigen degen uit een stadsarsenaal, met een gebroken gevest en zonder haak; met twee gebroken broeknestels; zijn paard met ontwrichte heup, met een oud wormstekig zadel en tweeërlei stijgbeugels; bovendien, kuchende en niet vrij van ruggemergstering; lijdend aan speekselvloed, last hebbend van huidworm, vol gallen en met spatten, gestreept van de geelzucht, met ongeneeslijke halsgezwellen, sterk onderhevig aan duizelingen, opgevreten van de wormen, met een zadelrug en boegkreupel; zwak op de voorhand, en met een half verbogen stang en een hoofdstel van schapenleer, dat gedurig, als men het paard sterk ophield bij het struikelen, gebroken en dan weer aan elkander geknoopt is; een cingel, die al zesmaal gelapt is en een staartriem met fluweel van een dameszadel, waar nog mooi met koperen nagels twee letters van haar naam op staan, en die hier en daar met pakgaren gelapt is.

BATTISTA. En wie vergezelt hem?

BIONDELLO. Zijn lakei, heer, en die is waarachtig al evenzoo opgetuigd als het paard; hij heeft een garen hoos aan het eene been en een wollen sok aan het andere; den eenen knieband van rooden, den ander van blauwen zelfkant; een ouden hoed, en daarop "de veertig lustige liefdeliedjes" bij wijze van vederbos; een gedrocht, een waar gedrocht in zijn kleeding, in het geheel niet als een christenbediende of een edelmanslakei.

TRANIO. Een vreemde luim, die tot dit doen hem drijft; Maar toch, hij gaat wel meer wat min gekleed.

BATTISTA. 'k Ben blij toch, dat hij komt, hoe 't dan ook zij.

BIONDELLO. Wel, heer, hij komt niet.

BATTISTA. Hebt gij dan niet gezegd, dat hij daar kwam?

BIONDELLO. Wie? dat Petruccio kwam?

BATTISTA. Ja, dat Petruccio kwam.

BIONDELLO. Neen, heer, zijn paard, komt met hem er bovenop,

BATTISTA. Och kom, dat is hetzelfde.

BIONDELLO. Neen, bij Sint Japik, en een duit verwed ik er om: Een paard en een man is meer dan een, schoon lang geen ruiterdrom.

(Petruccio en Grumio komen op.)

PETRUCCIO. Waar is hier 't schoon gezelschap? wie is thuis?

BATTISTA. Goed, dat gij komt.

PETRUCCIO. En toch kom ik niet goed.

BATTISTA. Toch hinkt gij niet, heer.