Part 2
TRANIO. Nu, dan is 't tijd hem uit zijn roes te wekken.-- Word wakker, heer! bemint gij 't meisje, spits Voor haar vernuft en geest dan. Hoor hoe 't staat: Haar oud're zuster is zoo boos en vinnig Dat, tot van haar de vader af is, heer, Zij, die gij mint, te huis moet koekeloeren; En daarom heeft hij thans haar opgekooid, Opdat zij niet van vrijers word' geplaagd.
LUCENTIO. O Tranio, welk een wreedheid van den vader! Maar hebt gij niet gehoord, hoe hij voor haar Geschikte leeraars zoekt om les te geven?
TRANIO. Ja, zeker hoorde ik 't; en mijn plan is rijp.
LUCENTIO. Tranio, ik heb mijn plan.
TRANIO. Nu, 'k wed, zoo waar, Uw plan en 't mijn gaan zeker hand aan hand.
LUCENTIO. Zeg me eerst het uwe.
TRANIO. Gij wilt leeraar zijn, En neemt het onderwijs der schoone op u; Dit is uw plan.
LUCENTIO. Zoo is 't; maar zou het gaan?
TRANIO. Onmoog'lijk; wie vervult in Padua De rol dan van Vincentio's zoon? Wie houdt Uw huis hier op, studeert, ontvangt de vrienden, Bezoekt uw landgenooten en onthaalt ze?
LUCENTIO. Basta, stel u gerust; mijn plan is klaar. Wij hebben nog geen één bezoek gebracht; En niemand leest het af op ons gezicht, Wie heer, wie dienaar is; wij doen dus zoo: Gij zijt de meester, Tranio, in mijn plaats, Houdt huis, voert staat, hebt dienaars, als ware ik het; En ik ben iemand anders uit Florence, Uit Napels, of een minder man uit Pisa. Klaar zijn we; en zoo gebeure 't. Tranio, vlug; Uw pak uit, neem mijn vederhoed en mantel; Komt Biondello, dan bedient hij u, Maar eerst leg ik zijn tong het zwijgen op.
(Zij verwisselen van kleeding.)
TRANIO. Dit zal hoog noodig zijn.-- In 't kort, heer, wijl gij 't zoo beveelt, en daar Ik tot gehoorzaamheid gebonden ben,-- Want zoo beval uw vader mij bij 't afscheid: "Wees steeds mijn zoon ten dienst," zoo sprak hij; maar Ik twijfel, of hij 't nu juist zoo bedoelde,-- Zoo wil ik spelen voor Lucentio, Omdat ik hart heb voor Lucentio.
LUCENTIO. Neen, Tranio, doe het om Lucentio's hart; Knecht wil ik zijn om haar te winnen, die Zoo snel mijn oog in knechtschap heeft gebracht.
(Biondello komt op.)
Daar komt de guit.--Knaap, waar hebt gij gezeten?
BIONDELLO. Waar ik gezeten heb?--Maar heer, waar zit gij zelf in? Stal Tranio uw gewaad, of gij het zijn', Of staalt gij beide'? Ik bid u, leg 't mij uit.
LUCENTIO. Knaap, hoor eens hier, 't is nu geen tijd tot schertsen, En schik dus uw manieren naar den tijd. Hier Tranio heeft, om 't leven mij te redden, Mijn houding aangenomen en gewaad, En ik, om mij te bergen, die van hem; Ik kreeg, hier nauw'lijks aangeland, een twist, Versloeg mijn man, en vrees, men is me op 't spoor. Nu is hij heer: gij, dien hem, zooals 't hoort, En ik red nu mijn leven door de vlucht. Verstaan?
BIONDELLO. Ja, heer, maar ik begrijp geen zier.
LUCENTIO. En rep voortaan geen zier van Tranio! Want Tranio is Lucentio geworden.
BIONDELLO. Daar boft hij mee; ik wilde 't ook wel zijn.
TRANIO. En wist ik, kerel, dat het vragen 't krijgen bracht teweeg, Dan vroeg ik, dat Lucentio Battista's tweede dochter kreeg; Maar hoor--en, vriend, niet ik, uw meester is 't die 't vraagt, Dat jij steeds in gezelschap behoorlijk je gedraagt, Ben ik alleen, welnu, dan ben ik Tranio, Maar elders ziet ge in mij uw heer, Lucentio.
LUCENTIO. Kom, Tranio, laat ons gaan.-- Één ding nog, hoor, draag ik u op te doen: Gij schaart u bij haar vrijers. Waartoe, vraagt gij wellicht;-- Genoeg, ik heb mijn reed'nen en die zijn van gewicht.
(Allen af.)
EERSTE BEDIENDE. Mylord, gij knikkebolt, verveelt u 't stuk?
SLUW. Neen, bij Sint Anna; neen, 't is mooi. Een goed stuk werk, waarachtig. Komt er nog meer van?
PAGE. Mylord, 't is een begin pas.
SLUW. 't Is een prachtig stuk werk, Madam gemalin; ik wou, dat het gedaan was.
TWEEDE TOONEEL.
Padua. Voor Hortensio's huis.
Petruccio en Grumio komen op.
PETRUCCIO. Verona, 'k heb u voor een wijl verlaten, En zoek in Padua mijn vrienden op; Vooral mijn waarden, welbeproefden vriend Hortensio; dit, meen ik, is zijn huis;-- Kom, klop eens, Grumio!--kloppen, zeg ik!
GRUMIO. Kloppen, heer? Wien moet ik kloppen? Is hier iemand, die uw edelheid vereffonteerd heeft?
PETRUCCIO. Gehoorzaam, vlegel; klop me hier en flink!
GRUMIO. U hier kloppen, heer? Wel, heer, wat denkt gij wel van mij, heer, dat ik u hier zou kloppen, heer?
PETRUCCIO. Schelm, klop me eens aan deez' deur, en dat het klinkt, Of ik klop u, dat morgen 't oor nog zingt.
GRUMIO. Mijn meester zoekt ruzie;--en als ik u klop, Dan breekt het, dit weet ik, mij later toch op.
PETRUCCIO. Kom, doet ge 't of niet? Want als ge niet klopt, dan trek ik aan deez' schel hier; Kom, zing mi fa sol, dan hooren ze 't wel hier.
(Hij trekt Grumio bij 't oor.)
GRUMIO. Helpt, vrienden, helpt, mijn heer is dol!
PETRUCCIO. Wel klop, als ik 't beveel, gij lompe vlegel!
(Hortensio komt op.)
HORTENSIO. Wat is hier aan de hand?--Wel zoo, mijn oude kennis Grumio! En gij, mijn waarde vriend Petruccio!--Hoe maakt gij allen het te Verona?
PETRUCCIO. Signor Hortensio, zijt gij het die dit stuit? Con tutto il cuore ben trovato, roep ik uit.
HORTENSIO. Alla nostra casa ben venuto; molt' onorato Signor mio Petruccio.
Sta, Grumio, op; ik leg den twist wel bij.
GRUMIO. Ach, heer, dat doet er niets toe, wat hij daar in 't Latijn vertelt. Als dit nu voor mij geen wettige reden is, om uit zijn dienst te gaan! Denk eens, heer, hij beveelt mij hem te kloppen en van klinkem te raken, heer; nu, komt dat te pas, dat een bediende zijn heer zoo zou behandelen, die al wel,--zoo veel ik weet--twee-en-dertig heeft, en niet meer meespeelt?
Maar had ik 't gedaan, toen hij zeide: "Klop, klop!" Dan had hìj het, en erger brak 't mij toch niet op.
PETRUCCIO. Aartsdomme schelm!--Verbeeld u, vriend Hortensio, Ik zeg den guit te kloppen aan uw deur; En wat ik zeide of niet, hij woû 't niet doen.
GRUMIO. O hemel! kloppen aan de deur! Wat! hebt gij niet gezegd: "Knaap, klop mij hier! Sla toe maar, klop me hier, klop dat het klinkt!" En komt ge nu met "kloppen aan de deur?"
PETRUCCIO. Knaap, pak je weg of zwijg, dat raad ik je.
HORTENSIO. Petruccio, stil! ik sta voor Grumio borg; Wat dolle ruzie tusschen u en hem, Uw ouwen, trouwen, snaakschen dienaar Grumio!-- Zeg liever, beste vriend, wat goede wind Van 't oud Verona u naar Padua blies.
PETRUCCIO. De wind, die 't jonge volk alom verspreidt, En verder af dan thuis hun heil doet zoeken. Ginds blijft men groen als gras. Maar hoor in 't kort, Mijn vriend Hortensio, hoe het met mij staat. Antonio, mijn vader, overleed, En ik dwaal nu deez' doolhof in en zoek Er mijn fortuin,--God weet, misschien een vrouw; 'k Heb in mijn buidel goud, veel goed'ren thuis, En trek de wereld rond; ik wil die zien.
HORTENSIO. Petruccio, mag ik zonder omhaal u Eens werven voor een fel en leelijk wijf? Doch neen, voor zulk een raad kreeg ik geen dank; En toch, 'k beloof u, dat zij rijk zou zijn, Echt rijk;--maar neen, ge zijt te zeer mijn vriend, Zoo'n koopje mag ik u niet leev'ren.
PETRUCCIO. Hortensio, tusschen vrienden zooals wij Zijn weinig woorden noodig. Kent ge er eene, Die rijk genoeg is voor Petruccio's vrouw,-- Rijk is 't refrein voor mijnen huwlijksdans,-- Waar ze ook zoo leelijk als Florentius' bruid, Oud als Sibylle, en even fel en vinnig Als Socrates' Xanthippe, erger nog, 't Verschrikt mij niet, ik meen, het schrikt bij mij Den lust niet weg tot de' echt; waar' ze ook zoo wild Als de opgezweepte zee van Adria,-- Ik zoek een rijken trouw in Padua: Trouw 'k rijk, dan trouw ik goed in Padua.
GRUMIO. Kijk eens, heer, hij vertelt zoo maar platweg, hoe hij er over denkt; geef hem maar gouds genoeg, en ge kunt hem laten trouwen met een pop, of met het beeldje van een doekspeld, of met een oude slons, die geen enk'len tand meer in haar mond heeft, zelfs al had zij ook al de ziekten van twee-en-vijftig paarden; o niets komt hem te onpas, als er maar geld bij is.
HORTENSIO. Petruccio, 't ging al verder dan ik dacht; Nu zet ik voort, wat ik in scherts begon. Ik kan, Petruccio, stellig aan een vrouw U helpen, rijk genoeg en jong en schoon, Wel opgevoed, zooals haar stand dit eischt. Haar een'ge feil,--en dit is feils genoeg,-- Is, dat zij onverdraag'lijk korzel is En bits, onhandelbaar, in zulk een mate, Dat ik, al ware ik ook in bitt'ren nood, Haar voor een goudmijn zelfs niet trouwen zou.
PETRUCCIO. O zwijg, gij kent de kracht niet van het goud;-- Zeg mij haars vaders naam, dit is genoeg; Ik enter haar, al keef ze ook even luid Als in den herfst de zwartste donderwolk.
HORTENSIO. Haar vader heet Battista Minola, Een hoff'lijk en recht vriend'lijk edelman; Hààr naam is Katharina Minola, Befaamd in Padua door haar schamp're tong.
PETRUCCIO. Haar vader ken ik, schoon ik haar niet ken, En met mijn vader was hij ook bevriend. Ik slaap niet, vriend, eer ik haar heb gezien; Vergeef mij dus, dat ik na de' eersten groet U daad'lijk weer verlaat, tenzij ge mij Verzellen wilt op mijnen tocht naar ginds.
GRUMIO. Ik bid u, heer, laat hem gaan, nu hij er lust in heeft. Op mijn woord, als zij hem zoo goed kende als ik, zou zij begrijpen, dat kijven bij hem bijzonder weinig uitricht. Zij zal hem misschien tien keeren achter elkander schelm noemen, het doet hem niets; als hij eens begint, raast hij er op los met zijn galgescheldwoorden. Ik zal u eens wat zeggen; heer,--als zij hem durft staan, al is het ook nog zoo weinig, dan zal hij haar figuren op haar gezicht teekenen, dat haar gezicht geen gezicht meer is en zij haar oogen zoo dicht moet knijpen als een kat. Gij kent hem niet, heer.
HORTENSIO. Wacht nog, Petruccio, ik moet met u gaan; Mijn schat is bij Battista in bewaring, Hij houdt mijns levens kleinood achter slot, Zijn jongste dochter, schoonheids puik, Bianca; Hij sluit van haar mij af en and'ren meer, Die met me, om strijd, aanhouden om haar hand, Daar hij zich wel niet anders denken kan, Om al het moois, dat ik u heb verteld, Dan dat hij met Kath'rina zitten blijft; Zoo nam Battista dan 't besluit, dat hij Aan niemand zijn Bianca gunt, als niet De helleveeg Katrijn eerst aan den man is.
GRUMIO. "De helleveeg Katrijn!" Geen bijnaam van een maagd kan erger zijn.
HORTENSIO. Nu doe mijn vriend Petruccio mij den dienst, En stell' mij, stemmigjes gekleed, aan de' ouden Battista voor als deeg'lijk onderwijzer, Om in muziek Bianca les te geven; Door die vermomming krijg ik op zijn minst Gelegenheid om met haar saam te zijn En onverdacht mijn liefde te verklaren.
GRUMIO. Neen maar, dat is me daar een guitenstuk! Kijk eens, hoe de jongelui, om de oudelui te bedotten, de koppen bij elkander steken!
(Gremio komt op met Lucentio, die verkleed is en boeken onder den arm draagt.)
Meester, meester, kijk eens om! Wie komt daar? Ha!
HORTENSIO. Stil, Grumio, stil, het is mijn medevrijer; Petruccio, kom nu hier, op zij!
GRUMIO. Een knap jong mensch, juist om verliefd te zijn!
(Zij gaan ter zijde.)
GREMIO. In orde; ik heb de lijst goed nagezien; Maar vriend, laat alles fraai gebonden zijn En louter liefdeboeken, dit vooral; En zorg, dat gij niets anders met haar leest. Verstaan?--Hoor nog: wat u signor Battista In mildheid schenkt, zal ik door ruime gift, U nog vermeerd'ren.--Maar al wat gij schrijft, Schrijf dat toch op geparfumeerd papier, Want lief'lijker dan 't geurigst reukwerk is Zij, die 't ontvangt.--Wat leest gij 't eerst met haar?
LUCENTIO. Wat het ook zij, ik werk alleen voor u, Als mijn patroon; vertrouw hierop gerust, Zoo vast, als waart gijzelf er altijd bij; Licht vindt zelfs mìjn woord beter ingang, heer, Dan 't uwe, of gij moest een geleerde zijn.
GREMIO. O die geleerdheid, welk een schoone zaak!
GRUMIO. O die onnooz'le, welk een rare snaak!
PETRUCCIO. Stil, vrindje!
HORTENSIO. Stil, Grumio! (Hij treedt voor den dag.) Wees gegroet, signore Gremio!
GREMIO. Wees welkom, vriend Hortensio! Raadt gij niet, Waar ik naar toe ga?--Naar Battista Minola. 'k Had hem beloofd, dat ik zou rondzien naar Een onderwijzer voor de schoone Bianca; En 'k heb 't geluk gehad, deez' jongen man Te ontmoeten, die door kennis en manieren Juist voor haar past, in poëzie belezen En and're boeken,--goede boeken, ja.
HORTENSIO. Zeer goed; en ik heb juist een heer ontmoet, Die heeft beloofd, me een fijnen musicus Te zullen zenden voor onze uitverkoor'ne; Zoo blijf ik dus niets achter in den dienst Der schoone Bianca, die ik zoo bemin.
GREMIO. Die ik bemin; mijn doen zal dit bewijzen.
GRUMIO. Zijn geldzak zal 't bewijzen.
HORTENSIO. 't Is nu geen tijd voor hart-uitstorting, Gremio. Maar luister: wilt gij vriend'lijk zijn, dan meld Ik u iets nieuws, ons beiden even welkom. Deez' heer, dien ik toevallig heb ontmoet, Wil, daar zijn wensch met ons verlangen strookt, Gaan vrijen naar de kreeg'le Katharina, Ja, krijgt ze goed wat mee, haar trouwen ook.
GREMIO. Gezegd, gedaan, is mooi.--Hortensio, spreek, Hebt gij hem haar gebreken opgesomd?
PETRUCCIO. Ik weet, zij is een twistziek, kijvend wijf; Is 't anders niet, mijn heeren, dat 's geen kwaad.
GREMIO. Geen kwaad, mijn vriend? Nu!--Waar zijt gij vandaan?
PETRUCCIO. 'k Ben van Verona, en Antonio's zoon; Die is me ontvallen; maar zijn geldkist bleef, En 'k hoop, dat die mij goede dagen geev'.
GREMIO. Heer, goede dagen en zoo'n wijf, zijn twee; Maar hebt gij lust, ga dan uw gang gerust; Ik zal in alles u behulpzaam zijn. Maar wilt gij zulk een boschkat?
PETRUCCIO. Wil ik leven?
GRUMIO. Hij wil haar? Nu, hij doe het, of ik hang haar!
PETRUCCIO. Waarvoor kwam ik dan hier, dan met dit doel? Denkt gij mijn oor vervaard voor wat geruchts? Hoorde ik dan nooit het brullen van den leeuw? Hoorde ik de zee, door storm gezweept, niet woeden, Gelijk een toornige ever, wit beschuimd? Hoorde ik kanongebulder niet, in 't veld, Noch 's hemels zwaar geschut daar in de lucht? Hoorde ik nooit, in een slag van groote legers, Gehinnik, krijgsgeschreeuw, trompetgeschal? En reutelt gij me van een vrouwetong, Die half zoo luid niet klapt als een kastanje In 't haardvuur van een pachter? Maak een kind Met bietebauwen bang!
GRUMIO. Neen, hij ducht niets.
GREMIO. Hortensio, hoor. Deez' heer komt wel ter rechter tijd; ik heb Een voorgevoel, 't is ons geluk en 't zijne.
HORTENSIO. 'k Heb hem gezegd, wij staan hem gaarne bij, En houden bij dit vrijen graag hem vrij.
GREMIO. Volgaarne ja, neemt zij hem als gemaal aan.
GRUMIO. O, bood men even wis me een goed onthaal aan.
(Tranio komt op, deftig uitgedost, met Biondello.)
TRANIO. God zegen' u, mijn heeren! 'k Ben zoo vrij Te vragen, wat de naaste weg wel is Naar 't huis van heer Battista Minola.
GREMIO. Waar die twee mooie dochters zijn, bedoelt gij dien?
TRANIO. Denzelfden.--Biondello!
GREMIO. 't Is u toch om de dochter niet te doen?
TRANIO. Om hem en haar misschien; dit is mìjn zaak.
PETRUCCIO. In geen geval om haar, die kijft, niet waar?
TRANIO. Een kijfster? dank u, heer!--Kom, Biondello!
LUCENTIO (ter zijde). Goed, Tranio, goed!
HORTENSIO. Heer, eer gij gaat, een woord! Zeg ja of neen; heeft de and're u soms bekoord?
TRANIO. Waar' 't zoo, beleedigde ik dan u daarmede?
GREMIO. Neen, heer, maar ik verbied u elke verd're schrede.
TRANIO. De straat, heer, is, zoo 'k denk, wel even vrij Voor mij en u.
GREMIO. De straat, heer, wel, niet zij.
TRANIO. Waarom dan, mag ik vragen?
GREMIO. Vraagt ge zoo? Welnu, ze is de uitverkoor'ne van signore Gremio.
HORTENSIO. Verneem, dat haar verkoor signor Hortensio.
TRANIO. Al zacht, mijn heeren; gunt als edellieden Ook mij mijn recht, en hoort mij rustig aan. Battista is een waardig edelman, En met mijn vader is hij goed bekend; En waar' zijn dochter schooner nog dan ze is, Meer vrijers mocht zij hebben, mij er bij. Een duizendtal had Leda's schoone dochter, De schoone Bianca hebbe één meer dan nu; Lucentio zij die een, is mijn besluit, Al dong ook Paris zelf mee naar de bruid.
GREMIO. Let op, deze een praat allen van de baan.
LUCENTIO. Laat hem maar gaan; de klepper blijkt een knol.
PETRUCCIO. Hortensio, zeg, waartoe al dit gepraat?
HORTENSIO. Vergun mij deze vraag nog, heer. Hebt gij De dochters van Battista ooit gezien?
TRANIO. Neen, heer, maar van zijn tweetal wel gehoord; De eene om haar kijfsche tong niet min befaamd, Dan de and're door haar zedigheid en schoon.
PETRUCCIO. Laat af van de eerste, heer, die is van mij.
GREMIO. Ja, laat aan Hercules dat werk maar over; Het twaalftal van Alcides tell' niet meer.
PETRUCCIO. Verneem van mij nu, heer, hoe 't voor u staat: De jongste dochter, zij, die gij verlangt, Blijft, wie ook vrijen wil, nog achter slot; Aan niemand wil haar vader haar verloven, Aleer haar oud're zuster is getrouwd, Dan wordt de jong're vrij, maar eerder niet.
TRANIO. Heer, staat het zoo, en zijt gij dus de man, Die zoo ons allen voorthelpt, mij er bij, Breekt gij het ijs, volbrengt gij 't heldenstuk, Neemt gij die oudste, en wordt de jong're vrij Voor onzen wedstrijd,--zeker, die haar krijgt, Wie 't zij, zal, zooals 't past, zich dankbaar toonen.
HORTENSIO. Zeer juist gesproken, heer, en met verstand; En daar gij medevrijer u verklaart, Zult gij, als wij, dien heer erkent'lijk zijn; Wij allen saam zijn veel aan hem verplicht.
TRANIO. Ik blijf niet achter, heer, en tot bewijs Vraag ik: brengt den namiddag met mij door, En drinken we op het welzijn onzer liefsten, En doen we als advocaten, die, hoe fel Ze elkaar bestrijden, vrienden zijn aan tafel.
GRUMIO EN BIONDELLO. Een prachtig voorstel! jongens, gaan wij mee!
HORTENSIO. Dat voorstel is aanneemlijk, ja, 't is goed; U wacht, Petruccio, straks mijn welkomstgroet.
(Allen af.)
TWEEDE BEDRIJF.
EERSTE TOONEEL.
Aldaar. Een hamer in Battista's huis.
Bianca en Katharina komen op.
BIANCA. Gij krenkt mij, lieve zuster, krenkt uzelf, Zoo ge als een dienstmeid en slavin mij sleurt; Dit duld ik niet. Kunt gij deez' tooi niet lijden, Laat dan mijn handen los, dan doe ikzelf Heel mijn gewaad, tot op mijn onderkleed, Ja, uit en weg; en wat ge me ook beveelt, Dat wil ik doen; zoo goed is mij bewust, Wat ik mijn oud're zuster schuldig ben.
KATHARINA. Beken hier daad'lijk, wie van al uw vrijers U 't best bevalt; maar geen gehuichel, hoor!
BIANCA. Geloof mij, zuster, welken man 'k ook zag, Nooit zag ik nog een aangezicht, dat meer Mij aantrok dan van eenig ander man.
KATHARINA. Fleemtong, gij liegt. Is 't niet Hortensio?
BIANCA. Is hij uw keuze, zuster? 'k zweer, dan wil ik Zelf voor u pleiten, totdat hij u neemt.
KATHARINA. O! dan is rijkdom uw begeerte, en kiest Gij Gremio, om een fraaien staat te voeren.
BIANCA. Is hij het, die uw nijd zoo wekt? O dan Zijt gij aan 't schertsen, en bespeur ik klaar, Dat gij daar al den tijd aan 't schertsen waart. Ik bid u, Kaatje, laat mijn handen los.
KATHARINA. Was alles scherts, houd dan ook dit er voor.
(Zij slaat haar.)
(Battista komt op.)
BATTISTA. Wat is dat hier? Mamsel, wat schand'lijk doen!-- Bianca, ga ter zijde!--arm kind! zij schreit!-- Bemoei u niet met haar; ga aan uw naaiwerk.-- Foei, helleveeg, zoo duivelsch van gemoed, Wat krenkt gij haar, die u nooit heeft gekrenkt? Heeft ze ooit een woord u in den weg gelegd?
KATHARINA. Haar zwijgen jouwt mij uit; ik wil mij wreken.
(Zij vliegt naar Bianca toe.)
BATTISTA. Wat, voor mijn oogen?--Ga maar heen, mijn kind!
(Bianca af.)
KATHARINA. Gij duldt het niet van mij? Ja 't is te zien, Zij is uw schat, aan haar bezorgt ge een man; En ik moet op haar bruiloft barvoets dansen, Om haar wis apen brengen naar de hel. Zeg mij niets meer, ik wil gaan zitten weenen, Totdat ik kans om mij te wreken zie.
(Katharina af.)
BATTISTA. Had ooit een vader zooveel uit te staan Als ik?--maar wie komt daar?
(Gremio komt op met Lucentio, eenvoudig gekleed; Petruccio met Hortensio als muziekonderwijzer, en Tranio, gevolgd door Biondello, die een luit en boeken draagt.)
GREMIO. Goeden morgen, buurman Battista.
BATTISTA. Goeden morgen, buurman Gremio; gegroet, mijne heeren!
PETRUCCIO. Gegroet, heer! 'k Bid u, hebt gij niet een dochter Met name Katharina, schoon en zedig?
BATTISTA. Ik heb een dochter, heer, met name Katharina.
GREMIO. Bedaard toch; val niet met de deur in 't huis.
PETRUCCIO. Gij krenkt mij, Signor Gremio; laat mij maar.-- 'k Ben uit Verona, heer, een edelman; De roep van hare schoonheid, haar verstand, Haar minzaamheid, beschroomde zedigheid, Haar wond're gaven en haar zachten aard, Heeft mij, schoon ongenood, verlokt, als gast Ten uwent te verschijnen, om mijn oog Te doen aanschouwen, wat mijn oor vernam. En om de' ontvangst, die 'k hoop, mij te verwerven, Sta ik u hier een van mijn dienaars af,
(Hij stelt Hortensio aan Battista voor.)
Die, met muziek en wiskunst wel vertrouwd, Haar in die vakken deeg'lijk les kan geven, Waarin zij, naar ik weet, geen vreemd'ling is; Versmaad hem niet, want anders krenkt gij mij; Zijn naam is Licio, van Mantua.
BATTISTA. Wees welkom, heer, en hij om uwentwil; Maar 'k weet toch, dat mijn dochter Katharina Niet van uw gading is, zeer tot mijn spijt.
PETRUCCIO. Gij wilt, naar 'k zie, van haar geen afstand doen; Of moog'lijk staat u mijn persoon niet aan?
BATTISTA. Versta mij wèl; ik zeg slechts wat ik meen. Maar zeg mij, heer, wat is uw naam en stam?
PETRUCCIO. Ik ben Petruccio, en Antonio's zoon, Een man, door heel Itaalje wel bekend.
BATTISTA. Ik ken hem wel, wees zijnentwege welkom.
GREMIO. Vergeef de stoornis, maar, Petruccio, gun Ons, armen smeekelingen, ook het woord! Houd in! gij draaft door dik en dun maar voort.
PETRUCCIO. Vergeef mij, Signor Gremio, maar 'k wensch gauw klaar te komen.
GREMIO. 'k Geloof 't, maar vrees, dat gauw, heer, de pret u wordt benomen.--
Buurman Battista, deze aanbieding is u ongetwijfeld bijzonder aangenaam. Om u van mijn zijde dezelfde beleefdheid te bewijzen,--en ik acht mij tot meer beleefdheid verplicht jegens u dan jegens iemand anders,--veroorloof ik mij, u dezen jeugdigen geleerde aan te bieden (Hij stelt hem Lucentio voor.), die lang in Reims gestudeerd heeft en even zoo bedreven is in het Latijn, Grieksch en voor andere talen, als die ander in muziek en wiskunde; zijn naam is Cambio; ik bid u, neem zijn diensten aan.
BATTISTA. Duizendmaal dank; Signore Gremio;--wees van harte welkom, Cambio.--Maar gij (Tot Tranio.), geachte heer, gij schijnt een vreemdeling: mag ik zoo vrij zijn te vragen, waaraan ik uw bezoek verschuldigd ben.
TRANIO. Vergeef, heer, mijn vrijmoedigheid is groot, Dat ik, schoon vreemd'ling in deez' stad, het waag Te dingen naar de hand uwe dochter, Bianca, rijk in schoonheid en in deugden. Ook is mij welbekend, dat gij besloot Het eerst uw oud're dochter uit te huwen; Wat ik u vraag, is daarom slechts de gunst, Dat ik, als ge eens mijn afkomst weet, met de and'ren, Die naar haar hand staan, toegang hebben moog', Mijn wenschen moge ontvouwen, als ik die and'ren. Voor 't onderwijs van uwe dochters kan ik Slechts kleinigheden bieden: deze luit, Dit stapeltje Latijnsche en Grieksche boeken; Aanvaardt gij die, dan schenkt gij hun waardij.
BATTISTA. Lucentio is uw naam? Van waar afkomstig?
TRANIO. Van Pisa, heer; Vincentio is mijn vader.
BATTISTA. Een man van aanzien ginds, mij welbekend. Van hooren zeggen: hartelijk welkom, heer.-- Neem gij (Tot Hortensio.) de luit, en gij (Tot Lucentio.) dien stapel boeken; Zoo daad'lijk zult ge uw kweekelingen zien. Heidaar! (Een Bediende komt.)--Hier, knaap, geleid deez' heeren naar Mijn dochters heen; zij zijn haar onderwijzers; Verzoek voor hen alzoo een heusche ontvangst.
(De Bediende vertrekt, met Hortensio en Lucentio; Biondello volgt.)
Komt, gaan wij thans den tuin eens rond, en dan Aan tafel; allen zijt gij hartlijk welkom; Houdt u, dit bid ik, hiervan overtuigd.
PETRUCCIO. Signor Battista, hoor, mijn zaak eischt spoed; Ik kan niet elken dag hier aanzoek doen. Daar gij mijn vader kendet, kent ge mij, Die al zijn land en goed'ren heb geërfd, En sedert eer vermeêrd heb dan verminderd; Zeg dus,--als ik het jawoord van haar krijg,-- Wat mij uw dochter wel ten huw'lijk brengt.