De erfenis eener moeder

Part 8

Chapter 84,229 wordsPublic domain

„Ik geloof, dat hij A. D. Radinus heet. Maar hoe ken je hem?”

„Wel, hij is redacteur van dat mooie „tijdschrift voor jongelieden,” waarvan we op school elke maand een aflevering krijgen en waarvan we zooveel houden, dat we er half om vechten, wie ’t eerst zal lezen.”

„Is hij een kinderschrijver?” riep Helène uit. „Dat wist ik niet.” Ze vond het nu wel wat dwaas, dat ze den naam van meneer Radinus aan dokter Faminga had gegeven, en om haar verlegenheid te verbergen, deed ze dien uitroep.

In alle gevallen was ze nu maar blij, dat er geen gevaar van was om er haar vader in te mengen, want dat Rudolf niet zwijgen zou, dat stond bij haar vast.

En ze had goed geoordeeld.

„Pa,” zei hij dien middag aan tafel. „Ik wist niet, dat de geliefde schrijver voor de jeugd, A. D. Radinus, hier in Weesp woonde.”

„Zoo,” antwoordde meneer Nederhorst. „Dat wist ik ook niet.”

„En u is kwade vrienden met hem,” vervolgde Rudolf.

„Ik kwade vrienden met meneer Radinus!” riep meneer Nederhorst uit. „Wie heeft je dat in ’t hoofd gebracht?”

„Helène,” antwoordde Rudolf. „Ik kende meneer Radinus alleen uit zijn geschriften en had hem nooit gezien. Toen we van morgen naar ’t kerkhof wandelden, om ’t graf van ma te bezoeken, zat hij daar op de bank, die u aan dat graf hebt laten maken en groette ons, vooral Helène, zeer vriendelijk, zonder ons echter aan te spreken.”

Gelukkig was meneer Nederhorst door ’t noemen van ’t graf zijner vrouw op eens in zulk een diep gepeins verzonken dat hij niet verder op Rudolf lette, en Helène nam die gelegenheid waar, om haar broeder te wenken, dat hij niet verder zou vragen, waardoor deze onweersbui stilletjes en zonder gevaar afdreef. Zoodra dan ook de maaltijd geëindigd was, ging meneer Nederhorst zwijgend naar boven.

„’t Staat je alles behalve mooi, Rudolf,” zei ze, „om toch tegen pa over meneer Radinus te spreken. Je hadt me nog al beloofd, te zullen zwijgen. Nu zie je, wat er ’t gevolg van is. Pa is geheel uit zijn humeur naar boven gegaan.”

„Zou dat over meneer Radinus wezen?” vroeg Rudolf die de ware oorzaak van pa’s somberheid niet begreep. „Ik had je raad moeten volgen, zusje. ’t Spijt me intusschen, dat ik niet wist wie hij was; anders had ik hem stellig eens aangesproken en hem mijn compliment gemaakt over de prachtige verhaaltjes, die hij schrijft. Jongens! dan zou ik er bij de vrienden op bluffen.”

Helène had moeite om zich goed te houden, ze geraakte echter wel wat in verlegenheid, toen haar broer vervolgde:

„Maar als we hem weer tegenkomen, spreek ik hem stellig aan. Al is pa kwade vrienden met hem, ik ben een zijner groote vrienden en bewonderaars, en pa heeft er niets mee te maken, dat ik eens een praatje met hem houd.”

„Nu, jij moet weten, wat je doet,” hernam Helène. „Maar als pa er achter komt, ben je voor altijd uit zijn gunst, hoor!”

Helène besloot niet meer den weg naar ’t kerkhof te gaan, uit vrees van dokter Faminga te ontmoeten en een mal figuur te maken. Ze begreep wel, dat dit alles ’t gevolg van haar noodleugentje was, en toch was ze blij, dat ze hem den waren naam des dokters niet genoemd had, want dan had er zeker een uitbarsting van toorn plaats gevonden.

Erger voor haar was een andere gril van Rudolf, een gril die haar vrij wat angst en tranen, vrij wat zelfopoffering en zelfoverwinning kostte. Rudolf was wel niet baatzuchtig, hij was een goede jongen, die veel voor een ander over had; maar op sommige punten had hij zoo zijn eigen wil en als hij zijn zinnen ergens op gezet had, wist hij de zaken door te drijven met een onverzettelijkheid, dikwerf een betere zaak waardig.

Gedurende zijn ziekte en toen hij herstellende was, had Helène om hem op zijn tijd zijn drankjes te kunnen ingeven ’t horloge, dat ze van haar mama gekregen had, van haar kamer gebracht en in de ziekekamer opgehangen. Zoolang hij bewusteloos was had hij er natuurlijk geen erg in gehad; doch toen hij langzamerhand beter werd, had het zijn oplettendheid getrokken; hij had er Helène al eens naar gevraagd, hoe ze aan dat lieve horlogetje kwam, en ze had hem geantwoord, dat ze het als een gedachtenis van ma had gekregen, zonder hem evenwel te zeggen, dat ze ook voor hem een souvenir bewaarde, daar haar moeder haar uitdrukkelijk bevolen had, hem die niet voor zijn zestienden jaar te geven, en hij zeker wanneer ze ’t hem verteld had, niet zou hebben opgehouden, vóor hij ’t in handen had.

Hij had toen op Helène’s antwoord geen verder acht geslagen. Doch toen hij nu daar van tijd tot tijd alleen op het kamertje zat en ’t horloge er natuurlijk niet meer hing, sloeg hij op zekeren dag, kort vóor hij weer naar de kostschool zou vertrekken, zijn oog naar de plek, waar ’t horloge gehangen had.

„’t Was toch een aardig horloge!” zei hij bij zichzelf, „en ’t zou net goed voor mij zijn. Pa heeft mij vroeger een gouden horloge beloofd, wanneer ik vijftien jaar zou zijn. Maar mijn verjaardag viel juist in dien ongelukkigen tijd, toen we alles verloren, en ’t horloge schoot er bij in. Al de jongens op de kostschool hebben horloges, behalve Ernst, wiens papa niet rijk genoeg is, om hem er een te koopen. Daar heb je zoo’n Gerrit Zalmvoort, de zoon van den rijk geworden komenijsman—die heeft een horloge om te stelen, en ik, die toch van vrij wat fatsoenlijker afkomst ben dan hij, heb er geen. Helène kan gemakkelijk zeggen, dat ma haar ’t horloge gegeven heeft; misschien heeft ze zich dat maar verbeeld. In alle gevallen had ma ’t zeker aan mij geschonken, wanneer ik destijds thuis geweest was; want een jongen heeft veel meer behoefte aan een horloge dan een meisje. Ik zal het eenvoudig aan Pa vragen; die heeft over de erfenis van ma te zeggen, en, als ik hem zijn vroegere belofte herinner, kan ’t niet anders, of hij geeft het mij. Als oudsten zoon komt het mij toe en niemand anders!”

Misschien vindt ge die redeneering en dat besluit van Rudolf allesbehalve broederlijk, vooral na al ’t geen hij aan Helène te danken had; we moeten ’t echter uit zijn oogpunt beschouwen, en daarbij niet vergeten, dat hem reeds beloofd was, dat hij op zijn vijftienden verjaardag een gouden horloge zou krijgen. Daar dit nu door de treurige omstandigheden, waarin zijn ouders toen en daarna verkeerden, geen plaats had kunnen hebben, was ’t immers natuurlijk, dat, nu er een horloge te vergeven was, hij begreep dat dit aan niemand anders dan aan hem toekwam. Ook kon hij natuurlijk niet bevroeden, dat Helène, die toch nooit uitging, er zooveel waarde aan zou hechten; daar ze er eigenlijk toch niets aan had.

„Helène,” zei hij toen ze, nadat hij die overdenkingen door zijn hoofd had laten gaan, weer bij hem in de kamer kwam. „Waarom hang je dat horloge van ma niet meer op?”

„Wel, eenvoudig omdat we ’t gelukkig niet meer noodig hebben; daar je geen medicijnen meer behoeft te slikken.”

„Dan zou ik er haast spijt over hebben, dat dit niet meer noodig is,” hernam hij. „Ik had er zooveel genoegen in, het te zien. Weet je, wat ik van plan ben? Ik zal pa vragen, of hij ’t mij wil geven.”

„Pa heeft er geen geven over, Rudolf,” antwoordde Helène. „Ma schonk ’t mij zelf kort vóór zij ’s nachts stierf.”

„Dat heb je je verbeeld, Helène,” hernam hij. „Ma wist heel goed, dat mij op mijn vijftienden verjaardag een horloge beloofd was, dat ik niet gekregen heb, omdat pa ’t geld niet kon missen; dus zou ze ’t immers natuurlijk aan mij gegeven hebben. Ik ben de oudste zoon en heb er meer recht op dan jij. Een ring of oorbellen—dat is wat anders; maar een horloge komt aan een jongen toe, die heeft er nog wat aan. Wat doet een meisje er mee? ’t Is voor haar maar sieraad—anders niet.”

„Maar wezenlijk, Rudolf! Ma heeft het mij gegeven,” zei Helène.

„Toevallig, omdat jij bij haar was,” zei Rudolf. „Als ik thuis geweest was, had ze ’t natuurlijk aan mij gegeven. Ik heb het terstond, toen je mij vertelde, dat het van ma was, als mijn eigendom beschouwd, en ik zou er niet eens zoo op staan, als ’t me niet verveelde, dat de jongens er telkens aanmerking op maken, dat ik geen horloge heb.”

„Ik vind dat zeker heel onaangenaam voor je,” hernam Helène. „Doch ik zie daarin nog geen reden, waarom ik afstand zou doen van mijn goed recht.”

„Onaangenaam?” herhaalde Rudolf. „’t Is hard, vreeselijk hard voor me, om te moeten denken, dat jij daar thuis op je slaapkamer een horloge hebt hangen, waar je niet het geringste nut van hebt; terwijl ik het kon gebruiken. En dat zou mij nog niet kunnen schelen, als ik ’t maar had, zoolang ik nog op school ben. Ma heeft het nu eenmaal aan jou gegeven, en daar is niets aan te doen. Maar doe me éen plezier, en leen ’t mij voor die maand of wat, dat ik nog op school ben.”

„Ach! Rudolf! Ik zou ’t niet graag aan iemand leenen! Ma stelde er zulk een prijs op. Zorg er voor als voor de erfenis van je moeder,” zei ze. „En nu zou ik ’t uit mijn handen geven.”

„Wanneer ’t aan een vreemde was, zou ik je volkomen gelijk geven,” hervatte Rudolf. „Maar als ma nog leefde, zou ze ’t zeker goedkeuren. Zij zou ’t mij zeker niet geweigerd hebben, als ik ’t haar voor eenige maanden terleen gevraagd had. Als je veel van me hield, zou je ’t me niet weigeren; vooral, daar je weet, dat pa als ik ’t hem vroeg, waartoe ik inderdaad veel lust zou hebben, ’t mij zeker zou toestaan.”

Met deze woorden ging hij de kamer uit en liet Helène aan haar gedachten over. De heele zaak was haar als een donderslag op ’t hart gevallen. ’t Was haar een verschrikkelijk denkbeeld, haar broer van haar te vervreemden, haar broer, die nog de eenige persoon was met wien ze vertrouwelijk kon spreken; want van dokter Faminga was ze voor altijd verwijderd. Daarbij kon ze het denkbeeld niet verdragen, dat Rudolf aan haar liefde voor hem zou twijfelen. Maar ’t ergste van alles was, als hij eens werkelijk hun vader in den arm nam. Dan kon ze er zeker van zijn, dat deze niet alleen er in zou toestemmen, dat Rudolf het horloge mee naar de kostschool nam; maar er was zelfs alle kans, dat hij het hem voor goed zou schenken, daar hij meester was om er over te beschikken en ze geen ander bewijs voor haar eigendomsrecht had dan haar woord—en dat behoefde hij immers niet te gelooven. Nu de zaken zóó stonden, begreep ze, dat de wijste partij was, hem maar zijn zin te geven en ’t kostbaar kleinood voor die weinige maanden in zijn bezit te laten, hoe hard het haar ook vallen mocht. Toen hij kort daarop weer binnenkwam, zei ze:

„Hoor eens, Rudolf. Beloof je me heilig, dat je de grootste zorg voor ’t horloge zult dragen!”

„Dat beloof ik je,” antwoordde hij.

„Welnu, dan mag je ’t mee naar school nemen. Maar pas er op en doe ’t af, als je speelt; want er mocht eens iets aan komen.”

Dit was dan zoo afgesproken, en, toen Rudolf eenige dagen daarna weer naar school zou vertrekken stelde ze hem ’t horloge ter hand.

„Nu, de zorg zij je aanbevolen, Rudolf,” zei ze. „Denk er aan, dat ik je ’t liefste meegeef, wat ik heb, en zorg er voor.”

„Daar kun je op rekenen, Helène, maar zou ’t niet goed zijn, dat ik pa om permissie vroeg om ’t mee te nemen?”

„Waartoe zou dat noodig zijn?” vroeg ze. „’t Is immers mijn wettig eigendom. Ma gaf ’t mij voor mijn eigen gebruik en pa weet het. Daarenboven bemoeit hij zich met niets wat mij aangaat, en zou hij zeggen, als je hem vertelde, dat ik je ’t horloge geleend heb: „Zoo, is ’t anders niet?” en daarmee was de zaak afgedaan.”

„Nu, ik voor mij ben er juist niet rouwig om, dat ik er hem niets van behoef te zeggen,” hernam Rudolf. „Ik vind het alles behalve plezierig, om hem over ’t een of ander te spreken; hij is altijd zoo knorrig.”

’t Viel Helène wat af, toen Rudolf weg was. Vooral den laatsten tijd had ze zooveel aan hem gehad: een metgezel op haar wandelingen, iemand met wien ze aan tafel praten kon, gezelschap in haar eenzame avonden.... thans zou weer alles zoo stil en saai worden als ’t voor zijn komst was. Met de oude Trui of met de kinderen kon ze toch slecht zoo vertrouwelijk praten als met hem.

„Ik zal blij zijn, als je voor goed thuis komt, Rudolf,” zei ze den laatsten morgen tegen hem.

„Nu, dat zal zoolang niet meer duren,” antwoordde hij. „De groote vraag is echter of pa mij hier zal houden, dan of hij mij misschien op ’t een of ander kantoor te Amsterdam zal zien te plaatsen. Is dat het geval, dan zullen we weinig aan elkander hebben.”

„Misschien kom je dan de zondagen wel thuis en dat zal een troost en afleiding voor mij zijn,” zei Helène, en ze dacht aan de lange vervelende zondagen, die voor haar aanstaande waren.

Met Dora en Alfred bracht ze hem naar den trein en keerde nog vroeg genoeg vandaar terug, dat de beide kinderen tijdig op school waren. En zoo ging zij treurig naar huis, naar het huis, dat haar nu zoo eenzaam en verlaten voorkwam. Dien avond haalde ze ’t plan van ’t verhaaltje, waaraan zij begonnen was, voor den dag en—toen dacht ze aan eenzaamheid noch verveling meer.

Rudolf zou dien dag bij zijn oom doorbrengen en eerst na den middag naar de kostschool vertrekken. Van ’t station wandelde hij dus deftig naar de Keizersgracht, waar hij de familie in welstand aantrof. Daar hem de zaak met het horloge toch niet erg in den haak scheen en hij dus niet gaarne zou gezien hebben, dat het opgemerkt werd, had hij ’t met ketting en al in den zak van zijn buis laten glijden; zoodat niemand er iets van bespeurde. Hoeveel vroolijker en prettiger Leonie ook was dan Helène—’t was toch of de stille, ingetrokkene zuster hem meer aantrok dan de levendige en vroolijke. Geen wonder: waar Helène geheel en al zelfopoffering was, en voor anderen leefde—kende Leonie geen ander genot dan dat, hetwelk zij zelf smaakte, geen ander genoegen dan dat, hetwelk haar werd aangedaan. Dat stond bij hem vast, dat Leonie met het horloge, als ’t van haar geweest was, niet zou hebben gehandeld, als Helène gedaan had. Na bij oom en tante gedineerd te hebben, brachten Leonie en Louise hem naar ’t station, waar hij in den trein stapte, en weldra aan de kostschool aankwam.

„Zoo, Rudolf. Ben je weer beter! Kom dat is goed! Dat is patent!” met deze verschillende uitroepen van blijdschap werd hij op de kostschool ontvangen; want hij was bij al de jongens bemind en ze hadden er allen veel van geweten, toen hij ziek de kostschool verlaten had; n.l. zooveel als een schooljongen er van weet als een van zijn kameraads ziek naar huis gaat. Dan zijn ze ’t eerste uur stil en akelig, beginnen vervolgens te praten, of hij nu al thuis zou zijn, zijn ze ’t er eindelijk over eens, dat hij thuis is, nu dan zijn ze gerust en gaat de pret zijn ouden gang. Alleen dan, als ze ’t een of ander spelen, waar hij een baas in was, hoort men nog wel eens de opmerking: „Hoe zou hij ’t wel maken!” „Zou hij gauw terugkomen?” En dat is zoo onnatuurlijk niet. Jongens op dien leeftijd houden zichzelf en hun kameraden voor onsterfelijk. ’t Komt dus bij hen niet op, dat hun makker aan die ziekte zou kunnen sterven, en ’t staat dus bij hen als een paal boven water, dat hij beter moet worden. Vandaar dan ook de algemeene verslagenheid, als een hunner door den dood wordt weggenomen; dat trekken ze zich aan, doch ook slechts kortstondig.

Maar de blijdschap, dat Rudolf weer beter was, had vooral haar oorsprong in de oprechte toegenegenheid, welke zij hem toedroegen. Rudolf toch was zoo’n ferme jongen op de speelplaats, Rudolf liet zich zijn kaas niet van zijn brood eten en kon als ’t noodig was, zijn knuisten laten voelen, maar hij was ook klaar om die knuisten voor anderen te gebruiken, wanneer grootere of sterkere hen wilden onderdrukken. Daarbij leerde hij goed en had er nooit iets tegen, den een of ander zijner makkers voort te helpen. Allen hielden veel van hem, behalve een stuk of twee, drie, die trouwens met geen der kostschooljongens overweg konden.

Al de jongens kwamen om hem heen staan, om hem op hun hartelijke, ronde, echte jongensmanier te bekijken, de hand te drukken en welkom te heeten. ’t Kon dus niet anders, of de gouden horlogeketting moest hun in ’t oog vallen.

„Sakkerloot, Rudolf!” riep een van hen uit. „Je snijdt de kaas met hompen!”

„Zeker een lotje uit de loterij getrokken!” zeide een tweede.

„Nu, je pa heeft in de bus geblazen!” riep een derde uit.

„Laat het ons eens zien! ’t Is vast een mooi horloge.”

„Toe laat het ons eens zien, Rudolf,” riepen drie of vier jongens te gelijk.

Nu, dat behoefde geen tweemaal gezegd te worden. Terstond had hij het horloge uit den zak, en deed het de ronde in verscheidene handen; ofschoon ’t met den haak der ketting aan zijn vestje bleef vastzitten.

„O, wat een prachtstuk!” riep er een.

„Zijn ’t echte diamanten?” vroeg een ander.

„Natuurlijk,” antwoordde Rudolf. „Wie zal valsche steenen op een goud horloge zetten!”

„Weet je wel, dat het een dames-horloge is?” vroeg een der jongens.

„Welzeker,” antwoordde Rudolf met zekeren trots. „’t Is ’t horloge van mijn overleden mama.”

De jongens zwegen; met een gestorven vader of moeder zal geen ferme knaap den spot drijven: hij vindt het natuurlijk, dat men met eerbied daarvan spreekt. En niemand zou ’t ook gewaagd hebben er een enkele aanmerking op te maken: want, al waren Rudolfs krachten nog niet geheel teruggekomen, in zulk een geval had zijn drift hem onoverwinnelijk gemaakt. Daarenboven iedereen zou ’t laag gevonden hebben, daar aanmerkingen op te maken.

„Dus van je mama!” zei Ernst van Hogenberghe.

„Dat kun je toch ook wel begrijpen, Ernst,” zei Gerrit Zalmvoort op verachtelijken toon. „Waar zou zijn vader ’t geld vandaan halen, om hem zoo’n horloge te koopen? Ik heb bij een oom in Amsterdam gelogeerd en daar gehoord, dat meneer Nederhorst bankroet heeft geslagen, en zijn huis, ja zelfs zijn meubels door zijn crediteuren heeft zien verkoopen. Dat heeft hij mooi verborgen gehouden! Jammer dat ik juist in Amsterdam moest logeeren, anders had hij hier nog langer den banjer uitgehangen!”

Rudolf stond als van den donder getroffen. Een donkere gloed van schaamte rees op zijn gelaat, zijn oogen flikkerden van inwendige woede. Zoo iets te moeten aanhooren en te weten dat men ’t geen liegen kan heeten—’t is verschrikkelijk!

De jongens stonden een oogenblik sprakeloos en keken elkander aan, in de blijkbare verwachting dat Rudolf zulk een beleedigende uitdaging zou tegenspreken. Maar dat gebeurde niet.

„Maak hem tot een leugenaar, Rudolf!” riep er een uit.—„Laat hem ’t bewijzen!” schreeuwde een ander.—„Ik liet me zooiets niet zeggen!” kreet een derde.

„Ik kan het bewijzen!” riep Gerrit. „Toen ik bij mijn oom zoowat opnoemde, wie er al hier op school waren, noemde ik Rudolf Nederhorst, een fermen jongen, wien ik van tijd tot tijd vrij wat geld geleend had. „Geld geleend!” riep mijn oom uit, „dat kun je gerust uitschrappen; want daar zie je nooit een rooie cent van terug.” En toen vertelde hij mij, dat meneer Nederhorst zulk een schandelijk bankroet geslagen heeft.”

„Dat is een fatale leugen!” riep Rudolf uit. „’t Is waar, dat pa ongelukkig is geweest, ’t is waar dat hij zelfs alles verkocht heeft; maar hij heeft zijn crediteuren tot den laatsten cent betaald en is dus geen bankroetier, evenmin als hij een rijk geworden komenijsman is, zooals jouw vader met wien hij, al heeft die ook nog zooveel geld, niet zou willen ruilen, omdat hij nooit met een schortje aan achter de toonbank zou hebben willen staan.”

Nu was het de beurt van Gerrit Zalmvoort om een kleur te krijgen. Wat hij altijd zoo zorgvuldig verborgen had gehouden, en de anderen slechts aan zijn minder beschaafde uitspraak en manieren hadden gemerkt, dat hij een jongen was, die volgens stand en opvoeding niet onder de jongens van meneer Voornvissers school thuis behoorde, werd hem daar op eens voor de voeten geworpen. Wat hielp ’t hem nu, of hij al de rijkste jongen op de kostschool geweest was, die met zijn geld gebluft had? Iedereen wist nu, dat zijn vader met een sloofje aan achter de toonbank gestaan en rookvleesch, ham, kaas en worst gesneden had.

’t Is wel ongelukkig, niet waar? dat men de menschen naar hunne betrekking in de maatschappij acht; terwijl eigenlijk alleen deugd en goed gedrag hun waarde moesten bepalen. Maar dat is nu eenmaal zoo, en in de maatschappij is ’t een conventioneele toestand, dat er standen zijn; ’t geen voor ’t behoud eener goede orde noodzakelijk is. Maar dat dit verschil van standen kinderen moeten scheiden, is onnatuurlijk en barbaarsch. Wat kon Rudolf het helpen, dat zijn vader ongelukkig gespeculeerd had, wat zelfs had hij ’t kunnen doen, al had meneer Nederhorst een frauduleus bankroet geslagen? En aan den anderen kant—wat kon Gerrit Zalmvoort er aan doen, dat zijn vader zijn geld eerlijk met ham en worst snijden verdiend had; wat had hij er zelfs tegen kunnen doen, al had zijn vader zijn geld met schelmerij verdiend? Inderdaad—er is niets dwazer, ongerijmder, lager en verachtelijker zelfs, dan kinderen strafbaar te stellen voor ’t geen hun ouders misdaan, ja, soms zelfs niet misdaan hebben!

De meeste jongens, die van goeden huize waren, voelden zich bitter gekrenkt, dat ze familjaar met den zoon van den komenijsman hadden omgegaan, en Gerrit wist dat. Daarom maakte ’t verwijt van Rudolf, dat ook hij niet kon tegenspreken, hem woedend.

„Betaal je schulden, bankroetierszoon!” riep hij.

„Dat zal ik doen, komenijsman!” antwoordde Rudolf. „Ik zal je alles betalen wat ik je schuldig ben, met nog een pak slaag op den koop toe.”

De jongens maakten ruimte in afwachting dat ze nu aan ’t plukharen zouden gaan; want zoo’n vechtpartijtje was alles voor hen.

Daar ging op eens een stem uit het midden van den troep op: ’t was die van Ernst van Hogenberghe.

„Jongens!” riep hij. „Als er gevochten moet worden, laat het dan tusschen twee posturen zijn. Gerrit is gezond en sterk als een leeuw; Rudolf nog verzwakt van de koorts. Dat zijn geen posturen!”

„Neen, dat zijn ze niet en we zullen ’t niet toelaten, dat er gevochten wordt!” riepen al de jongens uit.

Toen nam Ernst zijn vriend onder den arm en voerde hem, half met geweld, vandaar weg.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

EEN ONGELUKKIG REDMIDDEL.

„Is ’t waar, Rudolf, wat Gerrit daar zei?” vroeg Ernst van Hogenberghe hem, toen zij alleen waren.

„De zaak van mijn vader?” vroeg Rudolf.

„Neen, die meen ik niet. Ze is ongelukkig genoeg, maar kan je nooit tot schande strekken, en een laag karakter, die den zoon verwijt wat zijn ouders gedaan hebben.”

„En dan nog op zoo’n gemeene, lage manier,” zei Rudolf. „Alsof pa een bankroetier was!”

„’t Stond jou evenmin mooi, hem te verwijten, dat zijn vader een rijk geworden komenijsman is. Je hebt hem daardoor in de oogen van al de jongens vernederd.”

„’t Viel mij in mijn drift uit den mond,” zei Rudolf. „Als jij of een ander mij verweet, wat hij durfde doen, zou ik ’t misschien geduldig verdragen; maar uit den mond van zoo’n jongen....”

„Juist tegenover zoo’n jongen moest je gezwegen hebben, vooral omdat je verplichtingen jegens hem hebt, ten minste als het waarheid is, wat Gerrit daar zei: en dat was het, wat ik je zooeven vroeg. Heb jij, die wist in welke omstandigheden je vader zich bevond, geld geleend, en dat nog wel van zoo’n jongen!”

„Helaas! ja, Ernst,” antwoordde Rudolf.

„En is ’t veel?”

„Ik vrees van ja. Om je de waarheid te zeggen, heb ik er geen rekening van gehouden.”

„Nog dwazer—Gerrit kan je nu voorleggen wat hij wil en je kunt hem het tegendeel niet bewijzen. Ik wou, dat ik je helpen kon, dan verloste ik je terstond uit zijn klauwen. Maar je weet zelf, hoe schriel ik ’t moet aanleggen om rond te komen. Niet dat ik er mij over schaam—dat heb ik nooit gedaan; maar ik heb ook nooit een cent van iemand geleend, hoe hartelijk ’t mij ook door verscheidene is aangeboden.”

„Dat weet ik, en ik had evenzoo moeten doen,” hernam Rudolf. „Maar valsche schaamte weerhield me. Ik, die vroeger altijd zoo ruim van zakgeld voorzien was, bekennen, dat ik nu niet meer mee kon doen! Dan had ik tevens de treurige geldelijke omstandigheden van pa moeten meedeelen...”