De erfenis eener moeder

Part 7

Chapter 74,178 wordsPublic domain

Den volgenden namiddag kwam oom Walburg terug en bracht Rudolf mede, wien hij in Amsterdam een rouwpak had laten aanmeten, en een pleegzuster, die terstond reeds dien eersten nacht bij den zieke zou waken, die nu wel niet meer bewusteloos was, maar toch in ijlende koortsen lag. Dokter Manders zou den volgenden dag, Zondag, overkomen om een consult te houden; want dokter Van Esch vreesde dat het een langdurige ziekte zou worden.

Rudolf was diep getroffen over den dood zijner lieve moeder, van wie hij inderdaad veel gehouden had, en gedurende den tijd, dien hij thuis vertoefde, loste hij Helène geregeld aan ’t ziekbed van zijn vader af. En zoo kwam de dag der begrafenis aan. Niemand zou het lijk vergezellen, dan oom Walburg, dokter Van Esch en Rudolf. Helène had echter, met verlof van haar oom, zich een halfuur te voren naar het kerkhof begeven, om bij de begrafenis tegenwoordig te zijn en te weten, waar ze haar lieve moeder zouden leggen. Ze had den doodgraver eenig geld ter hand gesteld, om daarvoor een paar mooie rozenpotten te koopen, die op het graf te planten en ze te onderhouden. Daar stond ze snikkend en met een doodsbleek gelaat aan den kuil, waarin ’t liefst, wat ze op aarde had, nederzonk, en daar bleef ze nog staan, steeds op die lijkkist starende toen de anderen reeds vertrokken waren.

Eensklaps werd er een hand zacht op haar schouder gelegd en sprak een vriendelijke meewarige stem achter haar:

„Zalig zijn de dooden die in den Heer sterven: want ze rusten van hun arbeid en hun werken volgen hen!”

Helène keek op, in ’t volgende oogenblik lag ze in de armen van haar lieven vriend, den goeden dokter Faminga.

„Lieve Helène! Arm kind!” zeide hij meewarig. „Zoo jong nog, en al zoo onder ’t verdriet gebogen!”

„Ze was zoo goed, zoo engelachtig goed, dokter!” riep Helène snikkend uit. „O, u hebt haar maar korten tijd gekend!”

„Lang genoeg, om te weten, wat je in haar verloren hebt,” antwoordde de dokter. „Doch ga even met mij mee naar huis; dan zal ik je iets kalmeerends geven.”

Helène ging met hem mee.

„Ach, pa is ook zoo ziek!” zei Helène. „Wanneer ook hij ons maar niet ontvalt!”

„Ik weet alles,” antwoordde dokter Faminga; „want dokter Van Esch is mijn vriend en houdt mij op de hoogte van ’t geen er bij u aan huis voorvalt, hij zou mij gaarne in consult nemen, indien de onverklaarbare tegenzin, welke uw vader tegen mij koestert, dat niet onbepaald verhinderde.”

„O, dokter! Ik heb er zooveel verdriet van, dat pa zoo tegen u is, en ’t heeft ma ook heel wat leed veroorzaakt. Ze had vrij wat liever, dat u haar behandeld hadt dan dokter Van Esch, ofschoon ze hem volkomen vertrouwde en hij een allerliefst, hartelijk man is.”

En ze vertelde hem, hoe hij uit zichzelf haar broertje en zusje bij zich had genomen om haar te verlichten.

Zoo sprekende, waren ze aan de villa van den dokter gekomen, en verzocht deze Helène om plaats te nemen, waarop hij naar een klein kastje ging, waarin zich een apotheek bevond, iets in een kopje schonk en ’t Helène gaf.

„Hier lieve,” zei hij. „Drink dit leeg, dat zal u zeker kalmeeren; want je bent geducht overspannen, wat trouwens geen wonder is na al ’t geen je in de laatste dagen hebt ondervonden. Vertel me iets van de laatste levensdagen van je moeder!” Helène deed dit. „U vondt het toch niet verkeerd, dokter,” eindigde zij, „dat ik op het kerkhof was? Oom had het goedgevonden!”

„In ’t geheel niet, kindlief!” antwoordde de dokter. „Ik vond het integendeel zeer natuurlijk, en als uw lieve mama ’t wist, zou ’t haar zeker genoegen gedaan hebben, dat haar lieve Helène aan haar graf stond, om haar ’t laatst vaarwel te zeggen.”

„Ik heb den doodgraver last gegeven, om twee mooie rozenpotjes op haar graf te plaatsen en die te onderhouden.”

„Dat is lief van je. Hadt je er aan gedacht, dat ik hier zoo dicht bij woonde, dan hadt je de zorg wel aan mij kunnen overlaten. Ik hield zooveel van uw moeder. Ach, ze leek zoo sprekend op mijn brave gestorven vrouw, evenals jij op mijn dochtertje lijkt, dat op jou leeftijd door een hevig roodvonk uit mijn armen werd gerukt. Ach, toen mijn Helène—ze heette toevallig even als jij—stierf, kon mijn arme vrouw niet langer leven... Ze volgde haar kind maar al te spoedig in ’t graf en liet mij alleen op de wereld!”

De goede dokter wischte een traan af, die zijns ondanks in zijn oogen sprong. Daarop zei hij:

„Je moogt nu wel gauw naar huis gaan; anders zal je oom ongerust over je worden. Ik zal je zelf naar huis brengen.”

Toen ze aan ’t huis van meneer Nederhorst gekomen waren, gaf de dokter haar de hand:

„God schenke je kracht, om de zwaarte van ’t leed en van je taak te dragen, lieve!” zeide hij. „En mocht het je soms te bang worden en je kunt een oogenblik uitbreken—kom dan bij mij: je weet, waar ik woon.”

Dienzelfden namiddag vertrokken oom Walburg en Rudolf, en Helène bleef alleen.

Er was bepaald, dat Dora en Alfred eerst zouden terugkomen, wanneer hun vader wat beter was, en, ofschoon Helène er in moest toestemmen, daar ’t haar vrij wat meer tijd gaf, om zich over dag aan haar zieken vader te wijden, miste ze toch ’t gezellig bijzijn der twee lieve kinderen, die zoo aan haar gehecht waren. O, wat was ’t haar nu eenzaam in huis, sedert haar moeder haar verlaten had, aan wier borst ze al haar leed, al wat haar hinderde, kon uitstorten! Treurig zat ze aan ’t ziekbed haars vaders, die nog steeds in ijlende koortsen lag. En toen deze hem verlieten en zijn bewustzijn terugkeerde, was het, of haar tegenwoordigheid hem hinderde als was zij de schuld van den dood harer moeder. Misschien verbond zijn zwak denkvermogen dat overlijden wel met haar, die hem ’t eerst die treurmare mededeelde. Hoe ’t zij, wat ze ook deed en hoe ze ook voor hem zorgde, hoe ze hem zelfs de smakelijkste kostjes bracht, om zijn ontwakenden eetlust te prikkelen—geen enkel woord, geen enkele blik beloonde haar voor al haar bemoeiingen. ’t Werd haar tusschenbeiden bang op die ziekekamer, en ’t was haar daarom een weldaad, toen haar tante haar jongste broertje en zusje kwam terugbrengen, en ze bij dezen de hartelijke liefde vond, welke ze bij den zieke miste, toen ze door hen meer van de ziekekamer afwezig moest zijn, waar haar hart zoo zeer op de pijnbank werd gelegd. Daarbij kwamen de zorgen voor de huishouding; want het geld, dat haar oom haar had gegeven, was reeds lang op. Daar ze haar vader niet om huishoudgeld kon vragen, moest ze rekening maken bij de leveranciers, die dat niet gewoon waren en haar dus reeds verscheidene malen om betaling aangemaand hadden. Eindelijk trok ze de stoute schoenen aan en legde haar vader de verschillende rekeningen met het bedrag daarvan op een lijstje voor.

„Pa, zoudt u mij geen geld daarvoor kunnen geven?” vroeg zij. „De menschen worden ongeduldig.”

„Welke menschen?” vroeg haar vader.

„Onze leveranciers,” antwoordde Helène. „Daar ik u in uw ziekte niet om huishoudgeld heb kunnen vragen, heb ik alles maar laten opschrijven.”

Meneer Nederhorst keek de rekeningen in, zijn gelaat betrok.

„Dat is een heele som!” zei hij. „Je moet verschrikkelijk verkwistend zijn geweest! En dat bij al de andere uitgaven! En wat een rekening bij den poelier!”

„Maar pa!” riep Helène schreiende uit: „hoe zou ik u kippensoep en gebraden hoentjes hebben kunnen geven, als ik ze niet van den poelier gehad had. En dan, in hoeveel tijd heb ik geen cent voor huishoudgeld van u gehad!”

’t Scheen, dat meneer Nederhorst de juistheid van haar opmerking moest toestemmen, erkennen deed hij ’t echter niet. Zwijgend betaalde hij haar ’t bedrag der rekeningen, gaf haar daarenboven eenig huishoudgeld, en zeide alleen: „Ik verwacht, dat je voortaan wat spaarzamer zult zijn.”

Met een tot barstens toe vol gemoed nam Helène het geld op. O, als haar vader eens wist, met hoe weinig Trui en zij zich en al dien tijd vergenoegd hadden! Maar haar komst had nog een reden. Ze had de boeken harer moeder meegebracht, welke deze haar den avond voor haar sterven ter hand gesteld had. Ze vermande zich dus en zei zoo kalm mogelijk: „Den avond van uw vertrek beval ma mij, u, wanneer zij gestorven was, deze boeken ter hand te stellen. ’t Was de beste erfenis, die zij u kon nalaten, zeide ze. Tevens verdeelde zij haar weinige overgeblevene kostbaarheden onder haar kinderen. Ze pakte ze zelf in papier en beval mij, ze te verzegelen en er de namen op te schrijven, daar zij te veel beefde. Aan Leonie vermaakte zij haar juweelen oorringen, aan Dora haar juweelen ring, aan Rudolf haar juweelen speld, aan Alfred haar gouden ketting, haar horloge aan mij, en haar bijbeltje, dat ze dagelijks gebruikt had, met deze boeken aan u. Ze stelde alles onder mijn bewaring, opdat ik ’t hun ter hand zou stellen, wanneer ze zestien jaar zijn. Vindt u dat goed, of zal ik ze u in bewaring geven?”

„Bewaar ze maar,” zei meneer Nederhorst afgetrokken; terwijl hij ’t bijbeltje zijner vrouw in handen nam en in een zwijgende afgetrokkenheid verviel.

’t Bleef een treurige verhouding tusschen meneer Nederhorst en zijn dochter, en die verhouding deed haar des te meer haar moeder missen. Intusschen was ’t voor haar een groote verlichting, dat Dora en Alfred weer thuis kwamen, bij wie zij een hartelijke gehechtheid vond, ofschoon zij haar taak vrij wat bemoeilijkten. Van Leonie hoorde of zag zij niets, en Rudolf was ook geen ijverige briefschrijver. Toch hoopte ze, dat haar vader, wanneer zijn oudste zoon thuis kwam, wel wat opgewekter zou worden. Den eenigen troost zocht en vond ze bij haar vriend, den dokter, dien ze van tijd tot tijd des avonds, als de kinderen te bed waren, eens opzocht en bij wien ze haar hart uitstortte. Met hem kon ze zoo vol vuur over haar lieve moeder spreken en haar bezwaren mededeelen. Geen wonder dat, onder ’t spreken, ook haar financiëele moeilijkheden voor den dag kwamen.

„Ik wou maar, dat ik wat geld verdienen kon, om in de huishouding te gemoet te komen,” zei ze eens.

De dokter keek haar glimlachend aan.

„En wat zou mijn klein huishoudstertje dan wel willen doen?” vroeg hij. „Heeft ze ’t nog niet druk genoeg?”

„Ja, wat zou ik kunnen doen?” vroeg zij. „Er zijn dingen genoeg; b. v. les geven aan kinderen, naaien, borduren of fantasiewerkjes maken. Maar pa zou daar nooit zijn toestemming toe geven.”

„Ik geloof ook, dat die zaken je niet veel zouden opbrengen, en dat er je de tijd toe zou ontbreken. Daarenboven zou je zeker tegenwerking bij je vader vinden. Hij is te hooghartig, om het toe te staan.”

„Juist daar ben ik bang voor, dokter. En toch zou ’t zoo noodig zijn.”

„Luister eens, Helène, je schrijft zeker een goede, duidelijke hand?”

„Ik hoop van ja,” antwoordde ze bescheiden.

„Welnu, ik heb een vriend, die voor de pers werkt. Hij heeft het ongeluk van heel onduidelijk te schrijven en daardoor nog al last op de drukkerij. Hij zond mij deze week een zijner copieën, met verzoek, om iemand te vinden, die ze voor hem wil overschrijven. Als jij dat eens wilde doen. Ik weet zeker, dat hij er goed voor zal betalen; want het is hem veel waard, om alles juist en net overgeschreven te hebben. Naar ik merk, is ’t geen onaangename copie ook: ’t zijn verhaaltjes voor kinderen. Daarenboven hoef je er je niet mee te haasten en je dus niet te overwerken. Wacht, ik zal ’t manuscript eens halen, dan kun je zien, of je ’t ontcijferen kunt.”

’t Was inderdaad een raar handje, maar Helène begreep toch, dat ze er met een weinig studie gemakkelijk uit zou komen en dat slechts ’t begin wat moeilijk zou zijn. Zij nam dus ’t voorstel aan en de belooning was zoo, dat zij, als ze ’s morgens wat vroeger opstond en ’s avonds, als ze toch alleen was, haar tijd aan ’t overschrijven besteedde, er vrij wat mee verdienen kon, wat haar ’t besturen der huishouding zeer veel verlichten zou. Met opgeruimder gemoed dan ze gekomen was, verliet ze dokter Faminga, weinig vermoedende, dat deze zelf de schrijver was van die lieve verhaaltjes voor kinderen en dat zijn verontschuldiging ten aanzien van de drukkerij niets anders dan een voorwendsel was, om haar op een fatsoenlijke manier door eigen arbeid eenig geld te laten verdienen.

Wat een genoegen was ’t haar, toen ze de overgeschreven copie terugbracht en de dokter haar uit naam van den haar nog onbekenden schrijver het geld ter hand stelde. ’t Was een heele aardigheid, dat zelf verdiende geld in haar portemonnaie te doen en het denkbeeld te koesteren, nu wat beter rond te komen.

Jammer, dat de troost, dien haar de bezoeken bij den dokter schonken, slechts al spoedig moest ophouden. Op zekeren avond toch, dat hij haar na een bezoek thuisbracht, ontmoetten zij meneer Nederhorst, die een avondluchtje ging scheppen. De dokter, die meende dat haar vader wel bekend was met haar bezoeken, nam die gelegenheid waar, om hem geluk te wenschen met zijn herstel. Hij trad dus op hem toe, stak de hand uit en zeide:

„Het doet mij genoegen, meneer Nederhorst, u weer in zooverre hersteld te zien. Met veel belangstelling en deelneming heb ik uw onherstelbaar verlies en uw ziekte vernomen!”

„Dokter Faminga, naar ik meen,” antwoordde meneer Nederhorst. „De onbeschaamste indringer dien ik ken, en dat in gezelschap mijner dochter!”

„Die mij bezocht heeft en die ik naar huis breng,” zei dokter Faminga met onverstoorbare kalmte; terwijl hij zich ter wille van Helène bedwong.

„En die u niet meer bezoeken zal,” hernam meneer Nederhorst beleedigend. „Ik denk toch wel dat ik baas ben over mijn eigen kinderen en ’t aan mij zal staan om te veroorloven met wie ze al dan niet zullen omgaan?”

„Niemand betwist u die macht,” hernam de dokter schouderophalend. „Zij zal mij niet weer bezoeken, meneer! Ik wist wel, dat uw huis mij verboden was, doch kon daarin geen reden zien, waarom uw dochter niet bij mij zou mogen komen.”

Dit zeggende, keerde de dokter zich om, ten einde alle verdere wederspraak te vermijden, welke anders op een hevigen twist had kunnen uitloopen, die de kloof nog wijder zou gemaakt hebben dan ze nu al was. Bitter bedroefd ging Helène het huis in, en ze schreide lang, eer ze den slaap kon vatten.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

WAT EEN GOUD HORLOGE AL NIET UITRICHT.

Was ’t verbod om dokter Faminga’s woning niet meer te mogen bezoeken, voor Helène reeds een groot verdriet—spoedig ondervond zij, dat het ophouden van werk haar niet minder onaangenaam zou zijn. Want het geld, dat ze had meegebracht, raakte langzamerhand op, en hoe zou ze ’t voortaan zonder deze bron van inkomen stellen? Gelukkig echter werd er een week later een pakket aan haar adres bezorgd, en toen zij ’t openbrak, vond zij er een nieuwe copie in van de hand desgenen, die de eerste copie geschreven had en vergezeld van ’t volgende briefje:

„Mejuffrouw.

„Dokter Faminga heeft mij gezegd, dat het hem onmogelijk is, u langer eigenhandig mijn werk ter hand te stellen. Slechts onder couvert wil hij ’t u bezorgen en voor mij ontvangen. Zonder de reden te kunnen gissen, welke hem daartoe beweegt, moet ik zijn wil eerbiedigen. Ik hoop u geregeld mijn copiëerwerk toe te zenden en zal er telkens het bedongen honorarium bijvoegen. Wees dus zoo goed, de overgeschreven copie onder couvert bij dokter Faminga te doen bezorgen, dan stuurt hij ze mij terug.

„Hoogachtend heb ik de eer te zijn: „U dw. dienaar „A. D. Radinus.”

Tegen deze kiesche manier van handelen kon zij niets inbrengen. Onergdenkend als ze was, begreep ze niet, dat meneer Radinus niemand anders was dan de dokter zelf, die op deze manier voor haar de bron van inkomsten deed voortduren, zonder dat ze zich tot ongehoorzaamheid aan haar vader behoefde te laten verleiden.

Maar met al dat copiëeren van goede verhaaltjes kwam in haar het denkbeeld op, of ze niet zelf eens een verhaaltje zou kunnen samenstellen. Ze schreef daarover bij de terugzending aan haar onbekenden beschermer, meneer Radinus, en deze antwoordde haar, dat ze ’t maar eens moest beproeven, ’t geen juist thans des te beter zou gaan, daar hij op ’t oogenblik geen werk voor haar had en ’t waarschijnlijk wel een week of wat zou aanloopen, voordat het verhaal, waaraan hij nu bezig was, zou voltooid zijn en hij ’t haar zenden kon. Indien ze werkelijk een goed verhaaltje schreef, zou hij het in zijn tijdschrift voor de jeugd plaatsen en zou zij er een aardig honorarium voor ontvangen.

Helène ging aan ’t werk, om een plannetje voor een verhaaltje op touw te zetten, en zoo peinsde zij er over, dat ze midden in haar gepeins in slaap viel, en ’t reeds laat was toen ze wakker werd en zich snel uitkleedde, om naar bed te gaan. Ze was spoedig in slaap en droomde den ganschen nacht van haar plan. ’s Morgens wakker wordende, stond haar alles nog zoo juist voor den geest, dat ze zich nederzette, om, wat haar verbeelding er in een nacht bijgevoegd had, te veranderen of er bij te zetten, tot ze, doodelijk verschrikt, haar vader naar haar kamer hoorde komen. Snel raapte ze al haar papieren bij elkander, en had nog juist tijd genoeg, om ze achter de gordijnen van het ledikant te bergen, toen meneer Nederhorst met een geopenden brief in de hand de kamer binnentrad. Zijn gelaat toonde aan, dat hij geen blijde tijding ontvangen had.

„Ik krijg daar juist een brief van meneer Voornvisser, dat Rudolf ziek is. De dokter oordeelt hem nog vervoerbaar; ik ga hem dus halen. Zorg, dat mijn ontbijt terstond gereed is; ik wil met den eerstvolgenden trein vertrekken.”

„Ik zal er voor zorgen, pa,” antwoordde ze.

„Hoe komt het, dat je nog niet gekleed bent?” vroeg hij.

„’t Is nog vroeg, pa,” antwoordde ze.

Terstond zorgde ze, dat het ontbijt klaar was, haar vader gebruikte er wat van, stond toen op en zei:

„Maak dat alles klaar is voor de ontvangst van Rudolf. Goeden dag!”

„Dag pa! Ik hoop dat u hem beter zult vinden dan u denkt,” zeide Helène, wie haar vader niet eens met een afscheidskus verwaardigde.

„Alweer nieuwe drukte voor u, juffrouw Helène,” zei Trui toen Helène haar mededeelde, waarom haar vader onverwachts vertrokken was. „’t Is of ’t hier in huis nooit ophoudt met zieken.”

„Wat zal men er tegen doen, Trui!” zei Helène. „Een geluk dat ik jou heb, die mij zoo trouw bijstaat.”

„Ja, hoe u ’t anders ook doen zou, zou ik waarlijk niet weten,” zei Trui. „We zullen nu maar gauw ’t kamertje van den jongenheer in orde maken, dat is het beste.”

„Neen, Trui! dat kamertje deugt volstrekt niet voor een zieke. Weet je, wat ik gedacht had? Ik moest hem mijn kamertje afstaan, dan ga ik zoolang op ’t zijne logeeren.”

„Ofschoon ’t voor u niet pleizierig is, is dat toch het best,” zei Trui. „Laat ons dus maar gauw beginnen.”

Spoedig hadden ze met hun beiden alles gereed.

„Hoor eens, juffrouw Helène,” zei Trui. „Eén ding! Ge moet u niet overspannen. Als er soms (men kan het niet weten) gewaakt moet worden, dan mag je ’t niet doen. Ik zal ’t meneer wel zeggen, dat hij een waakster moet nemen.”

„We zullen zien,” antwoordde Helène. „Misschien zal ’t niet noodig zijn.”

Reeds tegen den middag kwam meneer Nederhorst met Rudolf terug. Terstond hielp Helène den zieke, die zich erg onplezierig gevoelde en daarenboven van de reis vermoeid was, naar bed. Trui was al naar den dokter geloopen, die weldra kwam.

„De arme jongen is hard ziek,” zei dokter Van Esch. „We zullen hopen, dat het nog met een sisser zal afloopen; ’t is echter maar goed, dat hij thuis is. Er is niets angstigers, dan wanneer een der onzen bij vreemden ziek ligt.”

Toen meneer Nederhorst den dokter uitliet, zei deze tot hem: „Als er soms gewaakt moet worden, mag uw dochter dat niet doen. Ze zou zich overspannen en dan had u twee zieken in plaats van een. Ze ziet er tamelijk slecht uit.”

„Vindt u dat dokter? Ja, ik heb het nog niet opgemerkt. ’t Zal waarschijnlijk de angst over haar broer zijn.”

De woorden van dokter Van Esch hadden meneer Nederhorst toch eenigermate tot nadenken gebracht, en, ofschoon hij in de verste verte niet begreep, wat Helène voor hem opofferde, oordeelde hij het toch noodig, haar krachten te sparen, en toen de dokter een paar dagen later zei dat er voorloopig bij den zieke, die in ijlende koortsen viel, gewaakt moest worden, verzocht hij dezen, voor een waakster te zorgen; over dag echter wijdde Helène al haar tijd aan Rudolf. Zoolang hij ziek bleef, was dit voor haar geen zware post; want zijn ijlen geleek niet in de verte op dat van haar vader: meestal was hij bezig met de jongens op de kostschool—vooral had hij nog al eens ruzie met een zekeren Gerrit, dien hij naar ’t scheen niet best kon uitstaan, of maakte hij plannen met zijn vriend Ernst. Dan weer leerde hij zijn lessen, werkte sommen uit, maakte vertalingen, zei brokstukken van verzen op—kortom, zijn ijlen was vermoeiender voor hem zelf, dan voor de omstanders. Doch toen hij aan de betere hand kwam, werd hij lastig van humeur: nooit was er iets goed, wat Helène deed. Ook dit droeg zij met geduld, overtuigd dat (zooals dokter zeide) knorrige zieken niet gevaarlijk zijn. Toen volgde er een tijdperk van zwakte, en dat was voor haar ’t genoegelijkste. Want nu was hij zoo volgzaam als een kind, en ’t was gedurende dien tijd, dat ze al de liefde leerde kennen, welke de knaap voor haar gevoelde.

Gelukkig, dat het grootste gedeelte van Rudolf’s ziekte in de zomer-vacantie viel; want daardoor verzuimde hij niet zooveel en mocht hij ook spoediger na zijn herstel in de lucht. ’t Was aardig, den nog zwakken en bleeken knaap te zien voortstrompelen aan den arm van dat in diepen rouw gekleede meisje met haar ernstig gezichtje, en wie op hen gelet hadden, zouden gemerkt hebben, dat ze hun wandelingen alle dagen iets verder uitstrekten. Toen Rudolf nu sterk genoeg was, wandelde Helène met hem naar ’t kerkhof, waar ’t graf hunner lieve moeder was, en dat door een vriendelijke hand (welke Helène heel goed raadde) geheel met bloeiende maandrozen bezet was; terwijl diezelfde hand er een houten bank bij had laten zetten, welke den herstellende een welkome rustplaats aanbood.

Daar sprak zij met hem over de lieve moeder, die onder de bloemen rustte en herinnerde haar broer zooveel van haar, die zulk een liefderijke moeder voor hen allen geweest was. En Rudolf luisterde gretig naar haar; want ook hij had veel van zijn moeder gehouden. ’t Was natuurlijk, dat dit niet bij die eene wandeling bleef; want niet alleen was de weg naar ’t kerkhof een allerliefste, maar de plaats zelf was zoo belommerd, dat die allergeschiktst was was voor een herstellende.

Eens toen ze weer op ’t kerkhof kwamen, zagen ze op de bank een deftig oud heer zitten, die echter, zoodra hij hen bemerkte, opstond en zonder een woord te spreken, hen met een vriendelijken groet voorbij ging.

„Wie is die vriendelijke heer?” vroeg Rudolf die zag, dat Helène toen ze hem groette, tot achter de ooren bloosde.

„Een kennis van ma,” antwoordde Helène eenigszins verward.

„Waarom krijg je zoo’n kleur, Helène!” vroeg hij. „En waarom spreek je hem dan niet aan?”

„Omdat.... omdat hij geen vriend van pa is, of liever.... omdat pa geen vriend van hem is.”

„Pa geen vriend van hem, en hij ziet er toch zoo goedig uit,” zei Rudolf. „Waarom is pa geen vriend van hem?”

„Ach, ik weet het niet,” antwoordde Helène. „Pa heeft daar geen reden voor gegeven en ik heb er hem ook niet naar gevraagd. Dit weet ik alleen dat pa niet verkiest, dat ik met dien heer spreek.”

„Wel, dat is wonderlijk!” riep Rudolf uit. „En hoe heet die heer?”

„Laat mij zijn naam verzwijgen, Rudolf,” antwoordde Helène, die niet kon jokken. „Je mocht hem eens in tegenwoordigheid van pa noemen, en dan zou je hem boos maken.”

Maar nu Rudolf’s nieuwsgierigheid eenmaal was opgewekt, hield hij niet op, haar te plagen, om hem den naam te zeggen; want het ging ook hier als altijd: meisjes zijn nieuwsgierig, maar jongens weten graag alles. Helène die nu begreep, dat hier „een leugentje om bestwil geen zonde was,” antwoordde zonder dat zij ’t wist, met een halve waarheid, en zei:

„Op je woord, dat je er geen syllabe tegen pa van zult spreken, zal ik je dan in vertrouwen zijn naam zeggen: hij heet meneer Radinus.”

„Hoe! Is dat meneer Radinus? A. D. Radinus?”