Part 8
Jean Prouvaire was van nog zachter aard dan Combeferre. Hij noemde zich Jehan uit een zekere vluchtige grilligheid, welke zich aan de machtige en diepe beweging paarde, waaruit de zoo noodige studie der Middeleeuwen is voortgekomen. Jean Prouvaire was verliefd, kweekte bloemen, speelde op de fluit, maakte verzen, had het volk lief, beklaagde de vrouw, beweende het kind, vermengde in hetzelfde vertrouwen God en de toekomst, en laakte de revolutie omdat zij een koninklijk hoofd, dat van André Chénier, had doen vallen. Zijn stem was gewoonlijk zacht, doch kon plotseling mannelijk worden. Hij was geletterd en geleerd, en bleek min of meer thuis in de oostersche talen. Bovenal was hij goedhartig, en gaf in zake van poëzie, de voorkeur aan het grootsche--iets dat zeer begrijpelijk is voor hem die weet, hoe na goedheid aan grootheid is verwant. Hij kende Italiaansch, Latijn, Grieksch en Hebreeuwsch, en dit diende hem om slechts vier dichters Dante, Juvenalis, Eschylus en Jesaja te lezen. In 't Fransch stelde hij Corneille boven Racine, en Agrippa d'Aubigné boven Corneille. Hij wandelde gaarne op roggevelden met korenbloempjes en hield zich schier evenveel met de wolken als met de gebeurtenissen bezig. Zijn geest helde naar twee zijden over, aan de eene zijde naar God, aan de andere naar den mensch; hij studeerde of aanschouwde. Den geheelen dag bepeinsde hij de maatschappelijke vraagstukken: het werkloon, het kapitaal, het crediet, het huwelijk, den godsdienst, de vrijheid van denken, de vrijheid van beminnen, de opvoeding, het strafrecht, de armoede, de vereeniging, den eigendom, de productie en de verdeeling, het raadsel hier beneden, dat de wemelende menschendrommen met zijn duisternis omhult; des avonds aanschouwde hij de sterren, deze ontzaggelijke wezens. Hij was, evenals Enjolras, rijk en een eenige zoon. Hij sprak zacht, boog het hoofd, sloeg de oogen neder, glimlachte verlegen, gedroeg zich links, bloosde om niets en was zeer bedeesd. Overigens was hij onverschrokken.
Feuilly was een ouderlooze waaiermakersgezel, die met moeite drie francs daags verdiende en slechts ééne gedachte had, de wereld te verlossen. Ook had hij nog een andere zorg, namelijk zich zelven te onderrichten, hetgeen hij ook verlossing noemde. Hij had uit zich zelven lezen en schrijven geleerd; alles wat hij kende had hij uit zich zelven. Feuilly had een edelmoedig hart, dat de geheele wereld omvatte. Deze wees had de volken als kinderen aangenomen. Bij gemis eener moeder had hij aan het vaderland gedacht. Hij wilde niet, dat iemand op de wereld zonder vaderland zou zijn. In hem gloeide, bij den diepen zienersblik van den man des volks, wat wij thans het nationaliteitsgevoel noemen. Hij had opzettelijk geschiedenis geleerd om zijn verontwaardiging met kennis van zaken te kunnen toonen. In dien jeugdigen kring van utopisten, welke zich vooral met Frankrijk bezig hielden, vertegenwoordigde hij het buitenland, en wel voornamelijk Griekenland, Polen, Hongarije en Italië. Gestadig sprak hij deze namen te pas of te onpas met de hardnekkigheid van het recht uit. De verkrachting van Griekenland en Thessalië door Turkije, van Warschau door Rusland, van Venetië door Oostenrijk vertoornde hem. Bovenal de groote moord van 1772, de verdeeling van Polen. Er is geen krachtiger welsprekendheid dan de ware verontwaardiging; en hierdoor was hij welsprekend. Zoo hij van dat schandelijke jaar 1772, van dat edele, dappere, door verraad onderdrukte volk sprak, van dat misdadige drietal, van die monsterachtige aanranding, dat toon- en voorbeeld van al die schrikkelijke landverbrokkelingen, welke sinds dien tijd zoovele edele natiën troffen en, om zoo te spreken, haar doopakte verscheurd hebben, was hij onuitputtelijk. Alle maatschappelijke aanrandingen van den tegenwoordigen tijd komen uit de verdeeling van Polen voort. De verdeeling van Polen is een theoretische daad, waarvan al de tegenwoordige politieke misdrijven gevolgen zijn. Er is geen despoot, geen verrader, sedert bijna een gansche eeuw, die Polens verdeeling niet beoogd, goedgekeurd, gecontrasigneerd en ne varietur, geparafeerd heeft. Zoo men de lias van het hedendaagsche verraad doorbladert, verschijnt zij het eerst. Het congres van Weenen heeft deze misdaad geraadpleegd vóór het de zijne volbracht. 1772 doet het jachtgeschal weerklinken, 1815 velt het wild. Dit was Feuilly's gewone tekst. De arme werkman had zich tot voogd der gerechtigheid verheven, en zij beloonde hem door hem groot te maken. Immers er is eeuwigheid in het recht. Warschau kan evenmin Tartaarsch als Venetië Duitsch zijn. De koningen geven vergeefs moeite en eer verloren. Vroeg of laat drijft het overstroomde vaderland boven en verschijnt weder. Griekenland wordt weder Griekenland, Italië weder Italië. Het protest van het recht tegen het feit blijft immer volharden. De roof van geheel een volk verjaart niet. Die hooge afzetterijen hebben geen toekomst. Men kan het merk eener natie niet uittornen zooals men 't een zakdoek doet!
Courfeyrac had een vader, dien men mijnheer de Courfeyrac noemde. 't Was een valsch begrip der burgerij tijdens de Restauratie in zake van aristocratie en adel, om aan het de nog waarde te hechten. Men weet dat het de volstrekt geen beteekenis heeft. Maar de burgerij uit den tijd van la Minerve waardeerde dat arme de zoo hoog, dat men zich verplicht achtte er afstand van te doen. De heer de Chauvelin liet zich Chauvelin, de Caumastin Caumastin, de Constant de Rebecque, Benjamin Constant, de Lafayette Lafayette, noemen. De Courfeyrac wilde niet achterblijven en noemde zich kortaf Courfeyrac.
Wij zouden ons ten aanzien van Courfeyrac hierbij schier kunnen bepalen en, wat het overige aangaat, zeggen: voor Courfeyrac, zie Tholomyes.
Courfeyrac had inderdaad dat jeugdig vuur, 't welk men de schoonheid der duivelsche geestigheid kan noemen. Later verdwijnt dat, evenals de liefheid van het jonge katje, en al die bevalligheid loopt bij den tweebeenige op den ploert en bij den vierpoot op den kater uit.
De geslachten welke de scholen doorloopen, die elkander opvolgen, de lichtingen der jongelingschap, dragen aan elkander deze soort van geestigheid over; zij gaat quasi cuisores van de eene in de andere hand en blijft bijna immer dezelfde, zoodat de eerste de beste die, gelijk wij gezegd hebben, in 1828 Courfeyrac gehoord had, gemeend zou hebben, dat hij naar Tholomyes in 1817 luisterde. Maar Courfeyrac was een braaf jongeling. Onder de schijnbare overeenkomst van oppervlakkig verstand, was het onderscheid tusschen Tholomyes en hem zeer groot. In beiden school de man, bij dezen echter geheel anders dan bij genen. In Tholomyes een pleitbezorger, in Courfeyrac een dolend ridder.
Enjolras was het hoofd, Combeferre de gids, Courfeyrac het centrum. Zoo de anderen meer licht gaven, hij gaf meer warmtestof, en had werkelijk alle hoedanigheden van een middelpunt: rondheid en straling.
Bahorel had in den bloedigen oploop in Juni 1822, bij gelegenheid der begrafenis van den jongen Lallemand een rol medegespeeld.
Bahorel was een vroolijk wezen, maar lastig in gezelschap, moedig, verkwistend, verspillend, soms edelmoedig, praatachtig en welsprekend, soms stoutmoedig en driest; de beste drommel ter wereld, met onbeschaamde vesten en roode denkbeelden; een rumoermaker in 't groot, die niets liever had dan twist of 't moest oproer, niets liever dan oproer of 't moest revolutie zijn, die immer gereed was de glazen in te slaan, de straatsteenen op te breken of een gouvernement om te werpen om er de gevolgen van te zien, en thans studeerde in zijn elfde academiejaar. Hij was student in de rechten, maar studeerde niet. Zijn leuze was: "nooit advocaat!" en zijn wapenschild een nachttafeltje met een rechtersbaret er in. Telkens wanneer hij voorbij de academie ging, 't geen zelden gebeurde, knoopte hij zijn jas dicht,--de paletot was toen nog niet uitgevonden,--en "ging voor zijn gezondheid zorgen." Het portaal der academie noemde hij "een mooien grijsaard!" en den deken Delvincourt: "een monument!" In een cursus zag hij een onderwerp voor een liedje en, in zijn professoren slechts caricaturen. Door aldus niets te doen, verteerde hij een aanzienlijk jaargeld, zoo iets als drie duizend francs. Zijn ouders waren landlieden, welke hij steeds eerbied voor hun zoon had weten in te boezemen.
Van hen sprekende zeide hij: 't Zijn boeren en geen burgers; daarom hebben zij verstand.
Bahorel, een grillig mensch, was in alle koffiehuizen te vinden; de anderen hadden gewoonten, hij niet. Hij flaneerde. Dwalen is menschelijk. Flaneeren is parijsch. In den grond was hij scherpzinniger en diepdenkender dan hij eigenlijk scheen.
Hij was de vereenigingsband tusschen de vrienden van het A. B. C. en andere nog ongevormde genootschappen, die later duidelijker te voorschijn zouden treden.
In dit conclave van jonge hoofden was een kaalkop. De markies d'Avaray, wien Lodewijk XVIII tot hertog benoemde, wijl hij hem, toen hij het land ontvluchtte, in een huurrijtuig geholpen had, vertelde dat in 1814 bij zijn terugkomst in Frankrijk, juist toen de koning te Calais ontscheept was, iemand hem een request aangeboden had.
"Wat verzoekt ge?" vroeg toen de koning.
"Een postkantoor, sire."
"Hoe heet ge?"
"L'Aigle."
De koning fronste de wenkbrauwen, beschouwde de onderteekening van het request en zag den naam Lesgle.
Deze volstrekt niet bonapartische naam trof den koning en hij glimlachte.--Sire, hernam de resquestrant, mijn grootvader was hondenjongen, en werd Lesgueules bijgenaamd. Deze bijnaam werd mijn naam. Ik heet Lesgueules, door samentrekking Lesgle en door verbastering l'Aigle.--De koning lachte en gaf opzettelijk of bij vergissing den man later het postkantoor te Meaux. [4]
Het kaalhoofdig lid van het genootschap was een zoon van dezen Lesgle, of Lègle, en teekende Lègle (de Meaux.) Bij verkorting noemden zijn vrienden hem Bossuet.
Hij was een vroolijk jongeling maar niet gelukkig, zijn eigenaardigheid toch was dat hij in niets slaagde. Daarentegen lachte hij om alles. Op zijn vijf-en-twintigste jaar was hij reeds kaal. 't Was zijn vader gelukt, eindelijk een eigen huis en akker te krijgen, terwijl hij, de zoon, niets haastiger had kunnen doen dan door een verkeerde speculatie dien akker en dat huis te verliezen. Niets was hem gebleven. Hij had verstand en wetenschap, maar 't baatte hem niet. Alles ontbrak, alles bedroog hem; wat hij bouwde, stortte in. Zoo hij hout hakte, hieuw hij zich in den vinger. Zoo hij een minnares had, ontdekte hij spoedig dat hij ook een vriend bezat. Elk oogenblik trof hem een ramp, maar van daar juist zijne vroolijkheid. Hij zeide: "Ik woon onder een dak, waar de pannen afvallen." Nooit verwonderd--want voor hem was een ramp iets dat hij verwachtte--onderwierp hij zich gelaten aan het ongeluk en glimlachte om de plagerijen van het noodlot, als iemand die een schertsend woord verneemt. Hij was arm, maar had een zak vol goede luim. Zijn beurs was al spoedig uitgeput, zijn vroolijkheid echter nooit. Zoo de nood zijn intrek bij hem nam, groette hij zijn ouden kennis beleefd; treurige voorvallen klopte hij vertrouwelijk op den schouder, en met het noodlot stond hij op zulk een gemeenzamen voet, dat hij 't zonder plichtplegingen "schalk!" noemde.
Deze vervolgingen van het lot hadden hem vindingrijk gemaakt. Hij had allerlei hulpmiddelen. Geld bezat hij niet, maar toch vond hij middelen om, wanneer hij er lust toe had, "dolle verteringen" te maken. Op zekeren nacht gaf hij honderd francs uit voor een soupé met een meisje, en sprak te midden der slemppartij deze gedenkwaardige woorden: "Meisje van vijf louisd'or; trek mijn laarzen uit."
Bossuet ging langzaam het advocaatschap te gemoet, want hij studeerde op dezelfde wijze als Bahorel. Bossuet had zelden een woning, soms in 't geheel niet. Nu logeerde hij bij dezen dan bij genen, meestal bij Joly. Joly studeerde in de geneeskunde en was twee jaren jonger dan Bossuet.
Joly was de jonge ingebeelde zieke. Dit had hij bij de geneeskunde gewonnen, dat hij meer patiënt dan wel geneesheer was. Op drieëntwintigjarigen leeftijd achtte hij zich verloren en bracht zijn leven door met zijn tong in een spiegel te bekijken. Hij beweerde, dat de mensch evenals de kompasnaald magnetisch wordt, en plaatste daarom zijn bed met het hoofdeinde naar de zuidzijde zijner kamer en met het voeteneinde naar het noorden, opdat de omloop van zijn bloed des nachts door den grooten magnetischen stroom des aardbols niet verhinderd zou worden. Wanneer het donderde, voelde hij zich den pols. Overigens was hij de vroolijkste van allen. Al die tegenstrijdigheden: jonkheid, inbeelding, zwakheid en vroolijkheid hielden samen zeer goed huis en vormden een zonderling, aangenaam wezen, dien zijn kameraden Jollllly noemden. Ge kunt met vier L (ailes, vleugels) vliegen, zei Jean Prouvaire tot hem.
Joly had de gewoonte den knop van zijn stok tegen zijn neus te houden, 't geen het kenteeken van een schranderen bol is.
Al deze zoo verschillende jongelieden, van welke men trouwens slechts ernstig spreken mag, hadden denzelfden godsdienst: Den Vooruitgang.
Alle waren de eigen zonen der Fransche Revolutie. De lichtzinnigsten werden plechtig bij het uitspreken van het jaar 89. Hun vaders naar den vleesche waren óf feuillanten óf koningsgezinden óf doctrinairen geweest. Om 't even; dit mengelmoes, dat hun, jongeren, vooraf was gegaan, zag hen niet; het zuiver bloed der beginselen vloeide in hun aderen. Zonder zich aan eenige kleur te hechten, hielden zij zich aan het onomkoopbaar recht, aan den absoluten plicht, vast.
Als broeders en gewijden, werkten zij heimelijk aan het ideaal.
Onder deze hartstochtelijke gemoederen en overtuigde zielen was een ongeloovige. Hoe was hij er onder gekomen? Door uitwendige aangroeiing. Deze ongeloovige heette Grantaire en teekende zich gewoonlijk R. (grand R.) Hij was iemand, die zich er wel voor wachtte aan iets te gelooven. Overigens was hij een der studenten, die gedurende hun academietijd te Parijs het meest geleerd hadden; hij wist dat het beste koffiehuis dat van Lemblin, het beste biljart in het Café Voltaire was; dat men goede wafels en goede meisjes in de Hermitage op den boulevard du Maine, gebraden hoenders bij moeder Saguet, uitmuntende waterzoodjes aan de barrière de la Cunette en een lekker wit wijntje aan de barrière du Combat vond. Kortom, hij kende alle goede plaatsen; bovendien verstond hij de scherm- en de danskunst en was een duchtig batonnist. Maar bovenal muntte hij uit in het drinken. Hij was ontzettend leelijk; de liefste laarzenstikster van dien tijd, Irma Boissy, had, over zijn leelijkheid gebelgd, dit vonnis gewezen: "Grantaire is onmogelijk!" Maar Grantaire's zelfbehagen werd toch niet geschokt. Teeder en strak aanschouwde hij alle vrouwen met een blik, die scheen te zeggen: "Zoo ik wilde!" en hij poogde zijn vrienden te doen gelooven, dat hij algemeen gezocht werd.
Al deze woorden: rechten des volks, rechten van den mensch, maatschappelijk verdrag, Fransche Revolutie, republiek, beschaving, democratie, menschelijkheid, godsdienst, vooruitgang, zij waren voor Grantaire bijna alle zonder eenige beteekenis. Hij glimlachte er om. De twijfelzucht, die beeneter van het verstand, had in zijn geest geen enkel volledig denkbeeld overgelaten. Hij leefde van spotternij. Zijn leenspreuk was: Dit alleen is zeker, dat mijn glas vol is. Hij stak den draak met den opofferingszin aller partijen, of het die van Robespierre den jonge, dan wel die van Loizerolles gold. Zij hebben het ver gebracht nu zij dood zijn! riep hij dan. Het kruis noemde hij: Een galg, die geluk heeft gehad. Als nachtlooper, speler, losbol en dronkaard zong hij voor deze jonge denkers tot hun verdriet gestadig: J'aimons les filles et j'aimons le bon vin; air: Vive Henri IV. (Leven de meisjes, leve de wijn!)
Toch was deze twijfelaar op één punt nog fanatiek. Dat fanatisme was geen idee, of geen dogma; geen kunst, of geen wetenschap; 't was een man: Enjolras. Dezen bewonderde, beminde en vereerde Grantaire. Bij wien sloot zich deze bandelooze twijfelaar, in dezen phalanx van absolutisten aan? Bij den meest absoluten van allen. Op welke wijze onderwierp Enjolras hem? Door zijne ideeën? Neen. Door zijn karakter. En dit verschijnsel is dikwerf waargenomen. De aansluiting van een twijfelaar bij een geloovige is even eenvoudig als de wet der tusschenkleuren. Wat wij missen, trekt ons aan. Niemand heeft het licht meer lief dan een blinde. De dwerg bewondert den tamboer-majoor. De padde richt immer de oogen ten hemel; waarom? Om den vogel te zien vliegen. Grantaire, in wien de twijfel rondkroop, zag in Enjolras gaarne het geloof opzweven. Hij had behoefte aan Enjolras. Zonder er zich een duidelijk begrip van te kunnen vormen, en zonder dat het hem in de gedachte kwam het te verklaren, bekoorde hem die kiesche, gezonde, standvastige, regelmatige, harde, eerlijke natuur. Instinctmatig beminde hij zijn tegenpartij. Zijn weeke, slingerende, ontwrichte, ziekelijke, wanstaltige ideeën hechtten zich aan Enjolras als aan een ruggestreng vast. Zijn zedelijke ruggemergziekte vond steun in deze vastheid. Bij Enjolras werd Grantaire iets. Van zich zelven was hij uit twee schijnbaar onvereenigbare elementen samengesteld. Hij was ironisch en hartelijk. Hij had een beminnelijke onverschilligheid. Zijn geest wist geloof te ontberen, en zijn hart kon de vriendschap niet missen. Groote tegenstrijdigheid voorzeker, want vriendschap is overtuiging. Zóó was zijn natuur. Er zijn menschen, die geschapen schijnen om steeds keer- en weerzijde te moeten zijn. Tot dezulken behooren Pollux, Patrocles, Nisus, Eudamidos, Ephestion en Pechmeja. Zij kunnen niet leven dan door tegen een ander te steunen; hun naam is een aanhangsel en wordt niet anders dan met het voegwoordje en geschreven; hun leven behoort hun niet; het is de andere zijde van een bestemming, die de hunne niet was. Grantaire was een dier menschen. Hij was de keerzijde van Enjolras.
Men zou schier kunnen zeggen dat reeds in de letters van het alphabet verwantschap is. O. en P. zijn in de volgreeks onafscheidbaar. Men kan naar verkiezing O. en P., of Orestes en Pylades zeggen.
Grantaire, een wezenlijke wachter van Enjolras, verkeerde in dien jongelingskring; hij leefde er in; alleen daar behaagde het hem; hij volgde hen overal. 't Was hem een lust, die schaduwen te midden der wijndampen heen en weder te zien gaan. En om zijn goede luim werd hij verdragen.
Als geloovige, verachtte Enjolras dezen ongeloovige; als sober en matig, verachtte hij dien dronkaard. Hij verwaardigde hem met een weinig trotsch medelijden. Grantaire was een miskend Pylades.
Immer door Enjolras ruw behandeld en teruggestooten, en toch terugkomende, kon hij nog van hem zeggen: "Wat fraai marmer!"
TWEEDE HOOFDSTUK.
LIJKREDE VAN BOSSUET OP BLONDEAU.
Op een namiddag, die, zooals men zien zal, eenigermate samenhangt met de hiervoor verhaalde gebeurtenissen, stond de "arend van Meaux," behagelijk tegen den deurpost van het café Musain geleund. Hij leek veel op een cariatide die vacantie had; want hij droeg niets dan zijn peinzerijen. Hij keek het plein St. Michel rond. Tegen iets leunen is een manier van staande te liggen, die den denkers niet onaangenaam is. De arend van Meaux dacht zonder treurigheid aan een klein ongeval, hem den voorlaatsten dag aan de academie overkomen, en dat zijn plannen voor de toekomst, die trouwens zeer onbepaald waren, veranderen moest.
Het in gedachten zijn belet niet dat een cabriolet voorbijrijden en zelfs dat men die zien kan. De arend van Meaux, wiens oogen onbestemd en verward ronddwaalden, zag in dien toestand van wakend droomen een voertuig met twee wielen, dat stapvoets en besluiteloos over het plein reed. Wat wilde deze cabriolet? Waarom reed ze stapvoets. De arend lette er op.
Naast den koetsier zat een jongeling, en voor dien jongeling lag een tamelijk groote reiszak. Op dezen reiszak konden de voorbijgangers een kaart gehecht zien, waarop met groote zwarte letters: Marius Pontmercy stond.
Die naam deed L'aigle van houding veranderen. Hij richtte zich op en riep den jongeling in de cabriolet toe:
"Mijnheer Marius Pontmercy!"
De aangeroepen cabriolet hield stil.
De jongeling, die ook diep in gedachten scheen, sloeg de oogen op.
"Nu?" zeide hij.
"Zijt ge mijnheer Marius Pontmercy?"
"Ja gewis."
"Ik zocht u," hernam L'aigle de Meaux.
"Waarom?" vroeg Marius; want hij was 't werkelijk, die het huis zijns grootvaders verlaten had en nu een gestalte voor zich zag, die hij nog nooit gezien had; "ik ken u niet."
"Ik u evenmin," antwoordde L'aigle.
Marius meende nu met een grappenmaker te doen te hebben, die hem op de publieke straat voor den gek wilde houden. Daar hij hiertoe op dit oogenblik niet best geluimd was, fronste hij de wenkbrauwen. L'aigle van Meaux hernam echter gelaten:
"Ge waart eergisteren niet bij de lessen?"
"'t Is mogelijk."
"'t Is zeker."
"Zijt gij dan student?" vroeg Marius.
"Ja, mijnheer, evenals gij. Toevallig was ik eergisteren op de academie. Ge weet, men heeft soms zulke gedachten. De professor was bezig aan het appèl. Gij weet niet, hoe bespottelijk hij er op zulk een oogenblik uitziet. Zoo men driemaal op het appèl ontbreekt, wordt men van de lijst geschrapt. Zestig francs naar de maan!"
Marius begon te luisteren. L'aigle ging voort:
"'t Was Blondeau, die de namen afriep. Ge kent Blondeau met zijn spitsen, sluwen neus, die altijd met vreugd nasnuffelt wie er afwezig is. Listig begon hij met de letter P. Ik luisterde niet, wijl deze letter mij niet aanging. Het appèl liep goed af. Geen uitschrapping; allen waren tegenwoordig. Dat verdroot Blondeau. Ik dacht: neen, lieve Blondeau, vandaag is er geen terechtstellinkje voor u te doen. Eensklaps roept Blondeau: "Marius Pontmercy." En hij neemt zijn pen op. Ik heb een goed hart, mijnheer. Ik dacht haastig bij mij zelven: zou men zoo'n goeden jongen laten schrappen? Opgelet! Een fiksche jongen kan niet altijd op zijn tijd passen. Hij is een blokker, die altijd studeert; geen pedante melkbaard, bedreven in de letteren, de theologie en de wijsbegeerte, en geen vervelende snaak, maar een beste luiaard, die veel aan wandelen doet, zich met een lieve grisette ontspant, schoone meisjes het hof maakt en misschien nu wel juist bij zijn liefje is. Hem moeten wij redden! De duivel hale Blondeau! Hij doopte juist zijn van 't doorschrappen reeds zwarte pen in den inktpot, liet zijn bespiedersoog over zijn gehoor gaan en herhaalde ten derde male: "Marius Pontmercy!" Toen antwoordde ik: Present! En gij zijt dus niet geschrapt."
"Mijnheer," zei Marius.
"Maar ik ben wèl geschrapt," voegde de arend van Meaux er bij.
"Ik begrijp u niet," zei Marius.
L'aigle hernam:
"Niets eenvoudiger dan dat. Ik maakte dat ik bij den catheder was om te antwoorden en bij de deur om heên te gaan. De professor zag mij eenigszins strak aan. Eensklaps springt Blondeau, die de sluwe neus moet zijn, waarvan Boileau spreekt, tot de letter L over. L nu is mijn letter. Ik heet Lesgle en ben van Meaux."
"L'aigle!" herhaalde Marius, "een fraaie naam."
"Nu, mijnheer Blondeau komt aan dien fraaien naam en roept: L'aigle! Ik antwoord, Present! Toen ziet Blondeau mij met de teederheid van een tijger aan, glimlacht en zegt: Als ge Pontmercy zijt, kunt ge L'aigle niet zijn,--woorden die voor u onaangenaam, voor mij echter treurig waren. En toen hij dit gezegd had, schrapte hij mij."
"Mijnheer!" riep Marius, "het doet mij waarlijk leed!"
"Vóór alles," hernam L'aigle, "zou ik Blondeau wel in eenige diep gevoelde lofredenen willen balsemen. Ik wil hem voor dood houden. Aan zijn magerheid, bleekheid, kilheid, stijfheid en geur zou niet veel veranderd behoeven te worden. En dan zeg ik: Erudimini qui judicatis terram. Hier ligt Blondeau, Blondeau nasica, de os der discipline, bos disciplinæ, de rekel der orde, de engel van 't appèl, die recht, vierkant, nauwkeurig, streng, eerlijk en leelijk was. God schrapte hem, zoo als hij mij geschrapt heeft."