De Ellendigen (Deel 3 van 5)

Part 22

Chapter 223,433 wordsPublic domain

"Ge zijt ellendigen, ofschoon mijn leven niet der moeite waard is het zoo te verdedigen. Zoo ge echter meent, dat ge mij zult doen spreken, doen schrijven, wat ik niet zeggen, wat ik niet schrijven wil..."

Hij stroopte de mouw van zijn linkerarm op en voegde er bij:

"Zietdaar!"

Toen strekte hij zijn arm uit en hield op het bloote vleesch den gloeienden beitel, welke hij bij den houten steel in de rechterhand hield.

Men hoorde het gesis van het brandende vleesch, en een brandlucht verspreidde zich in het vertrek. Marius waggelde van ontzetting, zelfs de bandieten ijsden; maar de grijsaard vertrok schier geen gezicht, en terwijl het gloeiend ijzer dieper in de rookende wond ging, richtte hij rustig en zonder toorn op Thénardier zijn edelen blik, waarin de smart zich in kalme majesteit oploste.

Bij groote en sterke karakters doet de strijd van het vleesch en der zinnen tegen stoffelijke pijn de ziel te voorschijn komen en zich op 't gelaat vertoonen; evenals bij onderlingen strijd der soldaten de kapitein genoodzaakt is te voorschijn te treden.

"Ellendigen," zeide hij, "hebt evenmin vrees voor mij, als ik vrees voor u heb!"

En den beitel van de wond nemende, wierp hij hem uit het open geblevene venster; het vreeselijk gloeiend werktuig verdween in den nacht, om op een afstand in de sneeuw uit te dooven.

De gevangene hernam:

"Doet met mij wat ge wilt."

Hij was weerloos.

"Vat hem!" zei Thénardier.

Twee bandieten grepen hem bij de schouders; en de gemaskerde man met de stem van een buikspreker, stond tegenover hem, gereed om hem bij de minste beweging met den sleutel de hersenpan te verbrijzelen.

Terzelfder tijd hoorde Marius beneden zich, maar te dicht bij den wand om de sprekers te kunnen zien, deze zacht gefluisterde samenspraak:

"Er blijft nog maar één ding te doen over."

"Hem koud te maken."

"Ja."

't Waren de man en de vrouw die raadpleegden.

Thénardier naderde langzaam de tafel, opende de lade en nam er het mes uit.

Marius omklemde den knop van het pistool. Hij was in de ontzettendste vertwijfeling. Gedurende twee uren spraken twee stemmen in zijn binnenste, de eene zeide hem, dat hij het testament zijns vaders moest eerbiedigen, de andere riep hem toe, dat hij den gevangene te hulp moest komen. Onverpoosd zetten deze twee stemmen haar strijd voort, die hem in doodsangst bracht. Tot hiertoe had hij onbepaald gehoopt een middel te zullen vinden om deze twee plichten in overeenstemming te brengen, maar er had zich niets hiertoe aangeboden. Het gevaar werd intusschen dreigend, de laatste grens van den aanslag was overschreden; op korten afstand van den gevangene stond Thénardier in gedachten, met het mes in de hand.

Marius liet zijn blik rondweiden, het laatste werktuiglijk middel der wanhoop.

Eensklaps ontroerde hij.

Onder zijn voeten op de tafel lag een papier, dat door de maan helder verlicht en hem als aangewezen werd. Op dat blad las hij dezen regel, dien zelfden ochtend door de oudste dochter van Thénardier met groote letters geschreven:

de dienders komen.

Een gedachte, een uitkomst verrees in Marius' geest; dit was het middel wat hij zocht, de oplossing van het vreeselijke raadsel, 't welk hem folterde; den moordenaar te sparen, het offer te redden. Hij boog zich op de commode, stak den arm uit, nam het papier, maakte zacht een stuk kalk van den wand los, wikkelde het in het papier, en wierp een en ander door de opening te midden van het dievenhol.

't Was tijd. Thénardier had zijn laatste bedenkingen, zijn laatsten schroom overwonnen, en naderde den gevangene.

"Er valt iets," riep vrouw Thénardier.

"Wat is 't?" zei de man.

De vrouw was toegesneld, en had het in 't papier gewikkelde stuk kalk opgeraapt. Zij gaf het haar man.

"Waar is dit vandaan gekomen?" vroeg Thénardier.

"Waar zou 't anders vandaan gekomen zijn, dan door het venster," zei de vrouw.

"Ik heb 't zien vallen," zei Bigrenaille.

Haastig opende Thénardier het papier en hield het bij het licht.

"'t Is Epopine's schrift. Duivels!"

Hij wenkte zijn vrouw, die schielijk naderde, en toonde haar den op het papier geschreven regel, met doffe stem zeggende:

"Haastig! de ladder! laat ons maken dat we weg komen! het spek moge in de val achterblijven."

"Zonder den kerel den hals af te snijden?" vroeg vrouw Thénardier.

"Wij hebben geen tijd."

"Waarheen?" vroeg Bigrenaille.

"Door het venster," antwoordde Thénardier. "Dewijl Ponine den steen door het venster heeft geworpen, is aan die zijde het huis niet omsingeld."

De gemaskerde, met de stem eens buiksprekers, legde den grooten sleutel op den vloer, hief beide armen omhoog en opende en sloot driemalen zijn handen, zonder iets te zeggen. Dit was het teeken tot den aftocht. De bandieten, die den gevangene vast hielden, lieten hem los; in een oogwenk was de touwladder uit het venster en stevig met de twee ijzeren haken aan 't kozijn gehecht.

De gevangene sloeg geen acht op 't geen gebeurde. Hij scheen te denken of te bidden.

Zoodra de touwladder was vastgemaakt, riep Thénardier:

"Kom, vrouw!"

En hij ijlde naar het raam.

Maar toen hij er uit wilde klimmen, greep Bigrenaille hem ruw bij den kraag.

"Neen, neen, oude snaak! na ons!"

"Na ons!" brulden de bandieten.

"Ge zijt kinderachtig," zei Thénardier, "wij verliezen tijd. De dienders zijn ons op de hielen."

"Nu," zei een der bandieten, "laat er ons om trekken, wie 't eerst zal gaan."

Maar Thénardier riep:

"Zijt ge dwaas! zijt ge zinneloos! Welk een hoop botteriken, tijd verspillen, niet waar? er om trekken, met strootjes, of de namen op papiertjes schrijven en ze in een pet schudden...."

"Wilt ge mijn hoed?" riep een stem op den drempel.

Allen zagen om. 't Was Javert!

Hij had zijn hoed in de hand en hield hem hun glimlachend toe.

EEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

MEN MOET ALTIJD EERST DE OFFERS VATTEN.

Javert had, zoodra het donker werd, agenten op de loer gesteld en zelf zich achter de boomen der straat de la Barrière der Gobelins tegenover het huis Gorbeau en den boulevard verscholen. Hij was begonnen met de twee meisjes te willen inpakken, die gelast waren de toegangen van het huis te bewaken. Doch hij had alleen Azelme gevat. Eponine was niet meer op haar post, maar verdwenen, en hij had haar niet kunnen vangen. Toen had Javert gewacht naar het afgesproken teeken. Het heen en weder rijden van het huurrijtuig had hem in niet geringe onrust gebracht. Eindelijk was hij ongeduldig geworden, en in de overtuiging dat hier een nest was, en zeker dat er een vangst was te doen, wijl hij verscheidene bandieten had herkend, die waren binnengegaan, besloot hij ten laatste ook binnen te gaan, zonder langer op het pistoolschot te wachten.

Men weet, dat hij den huissleutel van Marius had. Hij was te juister ure gekomen.

De verschrikte bandieten wierpen zich op de wapens, welke zij in alle hoeken hadden geworpen, toen zij wilden vluchten. In minder dan een seconde tijds groepeerden zich deze zeven afschuwelijke lieden in een verdedigende houding, de eene met zijn bijl, de andere met zijn sleutel, de derde met den knuppel, de anderen met staven, tangen en hamers; Thénardier met het mes in de hand. Vrouw Thénardier nam een grooten straatsteen, die in een hoek lag en haar dochters tot zitbankje diende.

Javert zette den hoed weder op, deed een paar schreden in de kamer, met de armen over elkander, den stok onder den arm, den degen in de scheede.

"Halt!" riep hij. "Gij zult niet door het venster, maar door de deur gaan; dit is niet zoo gevaarlijk. Gij zijt zeven man sterk, wij zijn met ons vijftienen. Laat ons dus niet als straatjongens vechten. Houdt uw fatsoen."

Bigrenaille nam een pistool, dat hij onder zijn kiel droeg, en gaf het Thénardier, dezen in 't oor fluisterend: "'t Is Javert. Ik durf op dien man niet te schieten. Durft gij?"

"Waarom niet?" antwoordde Thénardier.

"Schiet dan!"

Thénardier nam het pistool, en legde op Javert aan.

Javert, die drie schreden van hem stond, aanschouwde hem strak en zeide niets anders dan:

"Schiet niet; het pistool zal ketsen."

Thénardier drukte af. Het pistool weigerde.

"Heb ik 't niet gezegd!" riep Javert.

Bigrenaille wierp zijn knots Javert voor de voeten, en zeide:

"Gij zijt de keizer der duivels! ik geef mij over."

"En gij?" vroeg Javert de andere bandieten.

Zij antwoordden:

"Wij ook."

Javert hernam bedaard:

"Zoo is 't goed, ik heb u immers gezegd, dat ge uw fatsoen moest houden."

"Slechts één verzoek," hernam Bigrenaille; "dat men mij tabak geve, zoo lang ik opgesloten ben."

"Toegestaan," zei Javert.

En zich omkeerende, riep hij:

"Komt nu binnen!"

Verscheiden stadssergeanten, met den degen in de vuist, en politieagenten, met knuppels en stokken gewapend, stormden toe op Javerts geroep. Men knevelde de bandieten. Deze troep menschen, ternauwernood door een kaars beschenen, vervulden het hol met duisternis.

"Allen de duimschroeven aangelegd!" riep Javert.

"Nadert als ge durft," riep een stem, die geen mannenstem scheen, doch welke niemand voor een vrouwenstem zou erkend hebben. Vrouw Thénardier had zich in een hoek bij het venster verschanst en deze woorden uitgebraakt.

De stadssergeanten en politieagenten traden achteruit.

Zij had haar shawl afgeworpen, maar haar hoed opgehouden; haar man, achter haar gehurkt, was schier onzichtbaar onder den gevallen shawl, en zij dekte hem met haar lichaam, terwijl zij met beide handen den straatsteen boven haar hoofd hief, als een reuzin die een rotsklomp wil slingeren.

"Neemt u in acht!" riep zij.

Allen deinsden naar de gang. Een groote ruimte ontstond in 't midden van 't vertrek.

Vrouw Thénardier sloeg een blik op de bandieten, die zich hadden laten binden, en mompelde met schorre, barsche stem:

"Lafaards!"

Javert trad glimlachend in de ledige ruimte, die vrouw Thénardier met bliksemende oogen beheerschte.

"Nader niet, ga!" riep zij, "of ik verpletter u!"

"Een grenadier!" riep Javert; "ge hebt een baard als een man, wijfje, maar ik heb nagels als een vrouw."

Hij naderde haar dichter.

Vrouw Thénardier, die schrikkelijk was om te zien, met haar woest vliegend haar, zette de beenen van elkander, boog zich achterover en wierp uit alle macht de straatkei naar Javerts hoofd. Javert bukte, de steen vloog over hem, tegen den muur, waarvan brokken kalk vielen, en rolde achter de voeten van Javert.

Ter zelfder tijd naderde Javert het echtpaar Thénardier. Hij legde een zijner forsche vuisten op den schouder der vrouw, en de andere op het hoofd van den man.

"De duimschroeven!" riep hij.

De politieagenten kwamen toeschieten, en in weinige seconden was Javerts bevel volbracht.

Vrouw Thénardier was als verpletterd, zij zag haar handen en die van haar man gekneveld, zonk op den grond en riep weenend:

"Mijn dochters!"

"Zij zijn in zekerheid," zei Javert.

Ondertusschen hadden de politieagenten den slapenden dronkaard achter de deur gevonden en schudden hem. Hij werd wakker en stamelde:

"Is 't gedaan, Jondrette?"

"Ja," antwoordde Javert.

De zes bandieten stonden gekneveld; zij hadden overigens nog hun spookachtig voorkomen; drie met zwartgemaakte gezichten, drie gemaskerd.

"Houdt uw maskers," zei Javert.

Hij monsterde ze toen met een blik als dien van Frederik II op de parade van Potsdam, en zeide tot de drie "stokers":

"Goeden dag, Bigrenaille! Goeden dag, Brujon! Goeden dag, Deux-Milliards!"

En zich toen tot de drie gemaskerden wendende, zeide hij tot den man met de bijl:

"Goeden dag, Gueulemer!"

Tot den man met den knuppel:

"Goeden dag, Babet!"

En tot den buikspreker:

"Wees gegroet, Claquesous!"

In hetzelfde oogenblik ontdekte hij den gevangene der bandieten, die sedert de komst der politieagenten geen woord had gesproken en zijn hoofd gebogen hield.

"Maakt mijnheer los!" zei Javert, "en dat niemand de kamer verlate!"

Dit gezegd hebbende ging hij met waardigheid aan de tafel zitten, waarop nog de kaars en de inktpot stonden, nam een gezegeld papier uit zijn zak en begon zijn proces-verbaal.

Toen hij eenige regels geschreven had, behelzende de gewone formules, sloeg hij de oogen op, zeggende:

"Laat de heer naderen, dien deze heeren gebonden hadden."

De agenten zagen naar hem om.

"Nu," vroeg Javert, "waar is hij?"

De gevangene der bandieten, de heer Leblanc, de heer Urbain Fabre, de vader van Ursula of de Leeuwerik, was verdwenen.

De deur was bewaakt, maar het venster niet. Zoodra hij los was en terwijl Javert het proces-verbaal schreef, had hij van de verwarring, het gewoel, het gedrang, de duisternis en van een oogenblik dat men niet op hem lette, gebruik gemaakt om door het venster te ontvluchten.

Een agent ijlde naar het raam en zag er uit. Hij zag niemand.

De touwladder slingerde nog.

"Verduiveld!" zei Javert binnensmonds, "dit moest de beste van de vangst zijn!"

TWEE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

DE KLEINE DIE IN HET TWEEDE DEEL SCHREEUWDE.

Den dag, nadat deze gebeurtenissen in het huis op den boulevard de l'Hopital waren voorgevallen, ging een knaap, die van de brug van Austerlitz scheen te komen, langs het rechter voetpad naar de barrière van Fontainebleau. 't Was een donkere avond.

Deze knaap was bleek, mager, in lompen gekleed, met een linnen broek, hoewel 't Februari was, en zong luidkeels.

Om den hoek der straat Petit-Banquier stond een oude vrouw bij een hoop vuilnis gebogen, waarin zij bij het licht der straatlantaarn zocht. De knaap stiet haar in het voorbijgaan, trad toen achteruit en riep:

"Kijk, ik dacht dat 't een groote hond was!"

Hij herhaalde op spottenden en gerekten toon het woord, alsof men schrijven zou "groote hond."

De vrouw richtte zich verwoed op.

"Leelijke bengel!" bromde zij. "Zoo ik niet gebukt had gestaan, zou ik u een schop voor uw .... gegeven hebben."

De knaap was reeds op behoorlijken afstand.

"Ksch! ksch! Nu zie ik dat ik mij niet vergist heb!" tergde hij.

De oude vrouw, van woede stikkend, richtte zich geheel op, en het roode licht der lantaarn bescheen haar bleek, hoekig, gerimpeld gelaat. Men zag niets dan haar hoofd, daar 't overige van haar lichaam in de schaduw was gehuld. Zij geleek het beeld der afgeleefdheid, door een lichtstraal in den nacht beschenen. De knaap keek haar aan.

"Mevrouw bezit de soort van schoonheid niet die mij zou behagen!" schimpte hij.

Toen zette hij zijn weg voort, zingende:

Le roi Coupdesabot S'en allait à la chasse, A la chasse aux corbeaux...

Na deze drie regels zweeg hij. Hij bevond zich voor het huis No. 50-52, en de deur gesloten vindende begon hij er met zulk een geweld tegen te schoppen en te trappen, dat het gerucht veelmeer de mansschoenen die hij droeg dan de kindervoeten die hij had, deed uitkomen.

Intusschen was de oude vrouw, welke hij aan den hoek der straat Petit-Banquier had ontmoet, hem nageloopen en schreeuwde en dreigde hem.

"Wat is dat? wat is dat?" riep zij. "Heer, mijn God! men trapt de deur in; men vernielt het huis!"

De knaap ging voort met tegen de deur te trappen.

De oude vrouw riep buiten adem:

"Gaat men tegenwoordig zoo met de huizen om!"

Eensklaps hield zij stil. Zij had den straatjongen herkend.

"Hoe! is 't deze duivel?"

"Ha! 't is de oude!" zei de knaap. "Dag, moeder Burgon! Ik kom mijn oudelui bezoeken."

De oude vrouw antwoordde, met een gezicht dat haat, ouderdom en leelijkheid uitdrukte, 't geen helaas echter in de duisternis verloren ging:

"Er is niemand in huis, kwâjongen."

"Zoo!" hernam de knaap, "waar is dan mijn vader?"

"In de gevangenis."

"Zoo! en mijn moeder?"

"In de gevangenis."

"Zoo, en mijn zusters?"

"In de gevangenis."

De knaap krabde zich achter het oor, zag vrouw Burgon aan en zeide eenvoudig: "Zoo!"

Toen draaide hij zich op de hielen om, en een oogenblik later hoorde de oude vrouw, die hem aan de deur nazag, hem met heldere, jeugdige stem zingen, terwijl hij onder de donkere boomen, die in den nachtwind floten, verdween:

Le roi Coupdesabot S'en allait à la chasse, A la chasse aux corbeaux, Monté sur des échasses. Quand on passait dessous, On lui payait deux sous.

EINDE VAN HET DERDE DEEL.

INHOUD.

Boek I.

Parijs in zijn atomen bestudeerd.

Bladz. I. Parvulus 7 II. Eenige zijner bijzondere kenteekenen 8 III. Hij is behagelijk 9 IV. Hij kan nuttig zijn 10 V. Zijn grenzen 11 VI. Een weinig geschiedenis 12 VII. De straatjongen vindt zijn plaats in de klassificatie der Indiën 14 VIII. Een vriendelijk woord van den laatsten koning 16 IX. De oude geest van Gallië 17 X. Ecce Paris, ecce Homo 18 XI. Schertsen en heerschen 20 XII. De in het volk besloten toekomst 22 XIII. De kleine Gavroche 23

Boek II.

De groote burger.

I. Negentig jaren en twee-en-dertig tanden 29 II. Zoo de man, zoo de woning 30 III. Zijn doopnamen 32 IV. Een aspirant naar de honderd jaar 33 V. Basque en Nicolette 34 VI. Magnon met hare twee kinderen 35 VII. Regel: ontvang alleen des avonds bezoek 36 VIII. Twee maken geen paar 37

Boek III.

De grootvader en de kleinzoon.

I. Een voormalig salon 43 II. Een der roode spoken van dien tijd 46 III. Requiescant 52 IV. De bandiet sterft 59 V. Om revolutionair te worden, is 't zeer goed de mis bij te wonen 62 VI. Wat er van komt, als men een kerkmeester ontmoet 64 VII. Een vrouw in 't spel 70 VIII. Marmer tegen graniet 74

Boek IV.

De vrienden van het A. B. C.

I. Een groep, die bijna tot de historie had behoord 81 II. Lijkrede van Bossuet op Blondeau 93 III. Marius is verbaasd 96 IV. De achterkamer van het koffiehuis Musain 98 V. Uitbreiding van den gezichteinder 105 VI. Res Augusta 108

Boek V.

Het nut des ongeluks.

I. Marius behoeftig 115 II. Marius is arm 117 III. Marius groot geworden 120 IV. De heer Mabeuf 124 V. Armoede is een goede gebuur voor ellende 128 VI. De plaatsvervanger 130

Boek VI.

De conjunctie van twee sterren.

I. Hoe familienamen ontstaan 137 II. En 't werd licht 139 III. Werking der lente 141 IV. Begin eener zware ziekte 142 V. Juffrouw Bougon wordt door verscheidene bliksemstralen getroffen 145 VI. Gevangen gemaakt 146 VII. Gissingen nopens de letter U 148 VIII. Zelfs invaliden kunnen gelukkig zijn 150 IX. Eclips 151

Boek VII.

Patron-Minette.

I. De mijnen en de mijnwerkers 157 II. De diepte 159 III. Babet, Gueulemer, Claquesous en Montparnasse 161 IV. Samenstelling der bende 163

Boek VIII.

De slechte arme.

I. Marius zoekt een meisje met een hoed, en ontmoet een man met een pet 169 II. Een vond 170 III. Vier brieven 172 IV. Een roos in ellende 176 V. Het spiegat 182 VI. De wilde mensch in zijn hol 185 VII. Strategie en tactiek 188 VIII. Een lichtstraal in het hol 192 IX. Jondrette weent bijna 194 X. Tarief der huurrijtuigen: twee francs in 't uur 197 XI. Dienstaanbieding van de armoede aan de smart 200 XII. Besteding van het vijffrancsstuk van den heer Leblanc 203 XIII. Twee alleen bidden niet op een afgelegen plaats 207 XIV. Waarin een politieagent twee pistolen aan een advocaat geeft 209 XV. Jondrette doet inkoopen 213 XVI. Het liedje op een Engelsche wijs, in 1832 in de mode 215 XVII. Hoe het vijffrancsstuk van Marius besteed werd 218 XVIII. De twee stoelen van Marius staan tegenover elkander 222 XIX. Een donkere achtergrond 223 XX. De hinderlaag 227 XXI. Men moet altijd eerst de offers vatten 249 XXII. De kleine die in het tweede deel schreeuwde 252

AANTEEKENINGEN

[1] Steek den slip van uw hemd in uw broek, opdat men niet zegge, dat de patriotten de witte vlag hebben uitgehangen.

[2] Een onvertaalbare woordspeling op Desolles, Decases en Deserre. De beteekenis van dit tweeregelig vers is, dat, om den op zijn grond vesten geschokten troon te schragen, men van bodem, de sol, van broeikas, de serre, en van hut, de case, veranderen moet; alzoo Desolles, Deserre, Decases moesten vervangen worden.

[3] Een woordspeling. Door van suspendu (geschorst) de eerste lettergreep sus te nemen, krijgt men pendu (gehangen).

[4] L'Aigle de Meaux. Aldus werd Bossuet genoemd, die bisschop te Meaux was.

[5] Zoo Cesar mij roem en oorlog had gegeven en ik daarvoor de liefde mijner moeder missen moest, zou ik den grooten Cesar zeggen: neem uw schepter en uw zegekar terug, ik heb mijn moeder nog liever.

[6] La belle bouda et le dragon. Hierop slaat Bouddha en draak.

[7] Zij moge schijnen of stralen, De beer keert naar zijn hol terug.

[8] Onze liefde duurde een geheele week; maar hoe kort zijn de oogenblikken des geluks! 't Is niet der moeite waard acht dagen te beminnen! De tijd der liefde moest immer duren; immer, immer duren!

[9] Gij verlaat mij om roem te behalen; mijn treurig hart volgt alom uw schreden.

End of Project Gutenberg's De Ellendigen (Deel 3 van 5), by Victor Hugo