Part 21
Een reuzengevecht was ontstaan. Met een vuistslag tegen de borst had de heer Leblanc den oude in het midden der kamer doen rollen, daarop met twee slagen twee andere aanvallers nedergeworpen, die hij ieder onder een knie hield; de ellendigen kermden onder deze drukking als onder een molensteen; maar de vier anderen hadden den vreeselijken grijsaard bij de armen en den nek gegrepen, terwijl hij de twee nedergeworpen "stokers" steeds onder zijne knieën hield. Alzoo meester van de eenen en door de anderen overweldigd, de onder hem liggenden verpletterend, en stikkende onder de bovensten, vruchteloos al het geweld trachtende af te schudden, dat hem aanviel, werd de heer Leblanc onzichtbaar onder den afschuwelijken groep bandieten, evenals een wild zwijn onder een troep huilende doggen en jachthonden.
't Gelukte hun hem achterover op het naaste bed bij het venster te krijgen en er hem in bedwang te houden. Vrouw Thénardier had zijn haar niet losgelaten.
"Bemoei gij er u niet meê," riep Thénardier. "Ge zult uw kleeren beschadigen."
Vrouw Thénardier gehoorzaamde grommend, zooals de wolvin een wolf gehoorzaamt.
"Onderzoekt hem nu," beval Thénardier aan de overigen.
De heer Leblanc scheen van wederstand te hebben afgezien. Men doorzocht hem. Hij had niets bij zich dan een lederen geldbeurs, waarin zes francs, en zijn zakdoek.
Thénardier stak den zakdoek bij zich.
"Hoe, geen portefeuille?" vroeg hij.
"Noch horloge," antwoordde een der "stokers."
"Om 't even," zei, met een stem als van een buikspreker, de gemaskerde man met den grooten sleutel, "de oude is sterk."
Thénardier ging naar den hoek bij de deur en nam den hoop touw, dien hij hun toewierp.
"Bindt hem aan den voet van de krib," zeide hij en, den oude ziende, die, door den vuistslag van den heer Leblanc op den grond geworpen, was blijven liggen en zich niet bewoog, vroeg hij:
"Is Boulatruelle dood?"
"Neen," antwoordde Bigrenaille, "hij is dronken."
"Veeg hem in een hoek," zei Thénardier.
Twee "stokers" stieten den dronkaard met den voet naar den hoop oud ijzer.
"Babet, waarom hebt ge er zooveel meêgebracht?" zei Thénardier zacht tot den man met den knuppel, "dit was niet noodig."
"Wat zal ik zeggen?" antwoordde de man met den knuppel; "zij wilden er allen bij zijn. 't Is een slechte tijd; er valt zoo weinig te doen."
De krib, waarop de heer Leblanc was geworpen, geleek als die uit een hospitaal en stond op vier dikke, ruwe vierkante pooten. De heer Leblanc hield zich lijdelijk. De bandieten bonden hem stevig, terwijl hij stond, met de voeten aan 't hoofdeneind der krib, die het verst van het venster en het dichtst bij den schoorsteen was.
Toen de laatste knoop gelegd was, nam Thénardier een stoel en zette zich schier recht tegenover den heer Leblanc. Thénardier scheen niet meer dezelfde; in een oogenblik was zijn gezicht van dolle woede tot bedaarde, zachte en sluwe kalmte overgegaan. Marius kon nauwelijks in dien vriendelijken glimlach van den onderdanigen mensch, den dierlijken, even te voren schuimbekkenden man herkennen; met verbazing aanschouwde hij deze phantastische en verontrustende herschepping, en hij had het gevoel van iemand die een tijger in een solliciteur zag veranderen.
"Mijnheer..." zei Thénardier.
En met een handwenk de bandieten verwijderende, die den heer Leblanc nog vasthielden:
"Gaat een weinig ter zijde en laat mij met dezen heer spreken."
Allen traden naar de deur terug. Hij hernam:
"Mijnheer, gij hadt ongelijk, uit het raam te willen springen. Gij hadt een been kunnen breken. Zoo ge het vergunt, willen wij nu eens bedaard spreken. Ik moet u vooreerst een opmerking mededeelen, die ik maakte, namelijk, dat ge nog niet den minsten kreet geslaakt hebt."
Thénardier had gelijk, dit was werkelijk het geval, schoon het aan Marius in zijn verwarring ontgaan was. De heer Leblanc had nauwelijks eenige woorden gesproken, zonder zijn stem te verheffen, en zelfs in zijn worsteling tegen de zes bandieten bij het venster, had hij het diepste, zonderlingste zwijgen in acht genomen. Thénardier hernam:
"Mijn hemel! ik zou het volstrekt niet vreemd hebben gevonden, zoo ge om hulp hadt geroepen! Men roept in sommige omstandigheden soms moord en brand! en ik zou u dit volstrekt niet kwalijk hebben genomen. 't Is heel natuurlijk dat men een weinig lawaai maakt, wanneer men met lieden is, wie men niet volkomen vertrouwt. Men zou 't u niet belet hebben; zelfs zou men u den mond niet hebben gestopt. Ik zal u zeggen waarom. 't Is omdat niets uit deze kamer kan gehoord worden. Dit is haar eenige goede eigenschap; 't is er echter een! Ze is als een kelder. Men zou hier een kanon kunnen afschieten, zonder dat dit aan de naaste wachtpost meer gerucht veroorzaakte, dan het snorken van een dronkaard. Hier verdooft evenzeer het kanon als de donder. 't Is een zeer gemakkelijke woning. Kortom, ge hebt niet geschreeuwd, dat is zeer goed; ik maak u mijn compliment en zal u zeggen wat ik hieruit afleid: Wanneer men schreeuwt komt de politie, en na de politie, de justitie. Welnu, gij hebt niet geschreeuwd, en bijgevolg hebt ge even weinig lust als wij om met de politie en justitie in aanraking te komen. En wel--zooals ik reeds sinds lang vermoedde--omdat gij er belang bij hebt iets te verbergen. Wij, van onzen kant hebben hetzelfde belang. Wij begrijpen elkander dus."
Terwijl hij dus sprak scheen het alsof Thénardier, zijn blik op den heer Leblanc gericht, de dolken, die uit zijn oogen schoten, tot in het binnenste des harten van zijn gevangene wilde boren. Overigens was zijn taal, waarin een gematigde en wrokkende onbeschaamdheid lag, zuiver en schier gekuischt, en men ontdekte in dezen ellendeling, die zoo aanstonds slechts een bandiet was, nu den man die voor priester had gestudeerd. De stilte, die de gevangene had in acht genomen, deze voorzorg, die zelfs zoover ging, dat hij er zijn leven voor in de waagschaal stelde, die weerstand, aan de eerste opwelling der natuur geboden, die tot het slaken van een kreet aandreef, dit alles had, wij moeten 't bekennen, sedert hierop aanmerking gemaakt was, voor Marius iets onaangenaams en het verwonderde hem smartelijk.
De zoo gegronde aanmerking van Thénardier hulde voor Marius in nog dieper duisternis dezen ernstigen, zonderlingen man, wien Courfeyrac den naam van mijnheer Leblanc had gegeven. Wie hij evenwel ook zijn mocht, deze man, met touwen gekneveld, omgeven door beulen, om zoo te zeggen half in een kuil geworpen, die ieder oogenblik dieper onder hem werd, hij bleef zoowel tegenover de woede als de zachtheid van Thénardier rustig en kalm. Marius kon niet nalaten op dit oogenblik zijn verheven treurig gezicht te bewonderen.
't Was blijkbaar iemand, wiens ziel geen verschrikking kende en die niet wist wat vertwijfeling was. 't Was een derzulken, die zelfs de verbazing in wanhopige omstandigheden weten te beheerschen. Hoe groot het gevaar was, hoe onvermijdelijk een noodlottigen afloop scheen, hij had niets van den doodsangst des drenkelings, die onder water zijn verschrikte oogen opent.
Zonder gemaaktheid stond Thénardier op, naderde den schoorsteen, nam het scherm weg, dat hij tegen het naaste bed zette, en vertoonde alzoo het komfoor met gloeiende kolen, waarin de gevangene duidelijk den wit gegloeiden beitel kon zien, die met kleine roode vuursterretjes gespikkeld was.
Toen zette hij zich weder voor den heer Leblanc.
"Ik herhaal," zeide hij, "wij kunnen elkander verstaan. Laten wij onze zaak in der minne schikken. Ik had ongelijk mij aanstonds driftig te maken, ik weet niet wat mij in het hoofd kwam; ik ben te ver gegaan; ik heb dwaasheden gezegd. Bij voorbeeld, omdat gij millionair zijt, zeide ik, dat ik geld, veel geld, ontzaggelijk veel geld wilde hebben. Dit was onverstandig. Mijn hemel, gij moogt zoo rijk zijn als ge wilt; ge hebt ook uw nooden; wie heeft ze niet? ik wil u niet ruïneeren, ik ben in allen geval geen uitzuiger, ik behoor niet tot de lieden die, omdat zij de omstandigheden in hun macht hebben, daarvan tot het uiterste gebruik maken. Hoor, ik zal iets toegeven en van mijn kant een opoffering doen. Ik wil niet meer dan tweemaal honderd duizend francs."
De heer Leblanc sprak geen woord. Thénardier ging voort:
"Ge ziet dat ik terdeeg water in mijn wijn doe. Ik ken den staat van uw fortuin niet; maar ik weet, dat ge niet aan 't geld gehecht zijt, en een weldadig mensch als gij, kan wel tweemaal honderd duizend francs aan een huisvader geven, die niet gelukkig is.--Gij zijt zeker ook een verstandig mensch, en kunt u niet verbeeld hebben, dat ik mij heden al die moeite gegeven en de zaak voor dezen avond in orde gebracht zou hebben, dat een zeer moeielijk werk is geweest, zooals deze heeren kunnen getuigen, enkel om u eene kleinigheid te vragen, voor een glas wijn en een geringen maaltijd. Tweemaal honderd duizend francs komt er mij voor toe. Hebt ge deze eenmaal afgeschoven, dan verzeker ik u, dat alles is afgedaan en gij 't minst niet meer te vreezen hebt. Ge zult zeggen: Ik heb geen tweemaal honderd duizend francs bij mij. O, dat verlang ik ook niet; ik ben niet ongemakkelijk. Ik vraag u slechts de goedheid te hebben te schrijven wat ik u zal voorzeggen."
Thénardier zweeg, vervolgens zeide hij, met meerder nadruk en een glimlachenden schuinschen blik op het komfoor slaande:
"Ik waarschuw u vooraf, dat ik het voorwendsel, dat ge niet zoudt kunnen schrijven, niet aanneem."
Een groot-inquisiteur zou hem dien glimlach benijd hebben. Thénardier schoof de tafel dicht bij den heer Leblanc, nam den inktpot, een pen en een vel papier uit de lade, welke hij half open liet, en waarin het lange mes glinsterde.
Toen legde hij het vel papier voor mijnheer Leblanc.
"Schrijf!" zeide hij.
Eindelijk sprak de gevangene:
"Hoe wilt ge dat ik schrijve? ik ben gebonden."
"'t Is waar, vergeving! ge hebt gelijk," zei Thénardier; en zich tot Bigrenaille wendende:
"Maak den rechterarm van Mijnheer los."
Panchaud, genaamd Bigrenaille of Printanier, volbracht Thénardiers bevel. Toen de rechterhand van den gevangene los was, stak Thénardier de pen in den inkt en reikte ze hem.
"Denk er wel aan, mijnheer, dat ge in onze macht zijt, geheel aan ons overgeleverd; dat geen menschelijke macht u hieruit kan redden en 't ons inderdaad zeer spijten zou, zoo wij gedwongen waren tot onaangename uitersten over te gaan. Ik ken noch uw naam, noch uw woonplaats, maar verwittig u, dat ge hier zoo lang gebonden zult blijven tot de persoon, welke uw brief zal bezorgen, teruggekeerd is. Wees nu zoo goed te schrijven."
"Wat?" vroeg de gevangene.
"Ik zal 't u voorzeggen."
De heer Leblanc nam de pen.
Thénardier begon te dicteeren.
"Lieve dochter..."
De gevangene ontroerde en zag op naar Thénardier.
"Schrijf: "lieve dochter," hernam Thénardier. De heer Leblanc gehoorzaamde. Thénardier ging voort:
"Kom terstond. Ik moet u noodzakelijk spreken. De persoon, die u dit briefje zal ter hand stellen, heeft in last u tot mij te brengen. Ik wacht u. Kom onbevreesd."
De heer Leblanc had geschreven. Thénardier hernam:
"Wacht! schrap "kom onbevreesd" uit; 't zou kunnen doen vermoeden dat er iets achter schuilt, en wantrouwen inboezemen."
De heer Leblanc schrapte de beide woorden uit.
"Zet nu uw naam," zeide Thénardier; "hoe heet ge?"
De gevangene legde de pen neder en vroeg:
"Voor wie is deze brief?"
"Ge weet het immers," antwoordde Thénardier, "voor het meisje. Ik heb 't u straks gezegd."
Het was duidelijk dat Thénardier vermeed het meisje te noemen, van 't welk spraak was. Hij zeide "de leeuwerik"--"het meisje", maar noemde geen naam. Een behendige voorzorg om tegenover zijn medeplichtigen het geheim te bewaren. Door den naam te noemen, zou hij hun de geheele "zaak" overgeleverd en meer gezegd hebben dan zij behoefden te weten.
Hij hernam:
"Teeken. Hoe heet ge?"
"Urbain Fabre," zei de gevangene.
Thénardier stak, met de beweging eener kat, zijn hand in zijn zak en haalde er den zakdoek van den heer Leblanc uit. Hij zocht er het merk op en trad dicht bij de kaars. "U. F. Juist. Urbain Fabre. Welnu, teeken U. F."
De gevangene onderteekende.
"Geef den brief; wijl men twee handen behoeft om hem dicht te vouwen, zal ik hem dichtvouwen."
Na dit gedaan te hebben, hernam Thénardier:
"Schrijf het adres. "Mejuffrouw Fabre" te uwen huize. Ik weet dat ge niet ver van hier woont, dicht bij de kerk St. Jacques du Haut-Pas, wijl ge er alle dagen ter mis gaat; maar ik weet niet in welke straat. Ik zie, dat ge uw toestand begrijpt. Wijl ge omtrent uw naam niet gelogen hebt, zult ge dit ook niet ten opzichte uwer woonplaats doen. Schrijf dus."
De gevangene dacht een oogenblik na, toen nam hij de pen en schreef:
"Mejuffrouw Fabre, ten huize van den heer Urbain Fabre, in de straat St. Dominique d'Enfer No. 17."
Thénardier greep den brief met koortsachtige stuiptrekking.
"Vrouw!" riep hij.
Vrouw Thénardier kwam toeloopen.
"Hier is de brief. Gij weet, wat ge te doen hebt. Een huurkoets wacht. Vertrek terstond en kom ten spoedigste terug."
"Gij," voegde hij er bij, tot den man met de bijl gewend, "daar gij uw cache-nez hebt afgedaan, vergezel mijn vrouw; ga achter op het rijtuig staan. Ge weet waar ge het rijtuig gelaten hebt?"
"Ja," zei de man; en zijn bijl in een hoek zettende, volgde hij vrouw Thénardier.
Terwijl zij zich verwijderden stak Thénardier het hoofd door de half geopende deur en riep in de gang:
"Verlies vooral den brief niet! Denk er aan, dat ge tweemaal honderd duizend francs bij u hebt."
Vrouw Thénardier antwoordde met hare schorre stem:
"Wees gerust; ik heb hem goed geborgen."
Nauwelijks was een minuut verloopen, of men hoorde het klappen eener zweep, dat echter snel verflauwde en wegstierf.
"Goed," mompelde Thénardier. "Zij rijden hard. Op die wijze zal mijn vrouw binnen drie kwartiers terug kunnen zijn."
Toen schoof hij een stoel naar den schoorsteen, zette er zich op neer, met de armen over de borst geslagen, en stak zijn beslijkte voeten uit naar het komfoor.
"Ik heb koude voeten," zeide hij.
Nu waren in de kamer met Thénardier en den gevangene slechts nog vijf bandieten. Deze geleken, met hunne zwarte maskers of zwart gemaakte gezichten, kolenbranders, negers of duivels, overigens hielden zij zich onverschillig en stil; men gevoelde dat zij een misdaad pleegden, evenals zij iedere andere bezigheid zouden verrichten, bedaard, zonder toorn en zonder medelijden, zelfs met een zweem van verveling. Zij waren in een hoek als dieren samengedrongen en zwegen. Thénardier warmde zijn voeten. De gevangene was weder geheel zwijgend. Een akelige stilte was op het woest gerucht gevolgd, dat eenige oogenblikken te voren in het vertrek heerschte.
De kaars, wier pit niet gesnoten was, verlichtte nauwelijks de holle ruimte, het vuur in het fornuis was verdoofd, en al deze gedrochtelijke hoofden vormden wanstaltige schaduwen op de muren en de zoldering.
Men hoorde niets dan de geruste ademhaling van den dronken ouden man, die sliep.
Marius wachtte, in een angst die door alle omstandigheden toenam. Het raadsel was onoplosbaarder dan ooit. Wie was dit "meisje" dat Thénardier ook de "leeuwerik" had genoemd? Was het "zijn Ursula?" Den gevangene scheen dat woord "de leeuwerik" niet getroffen te hebben en hij had op de eenvoudigste wijze der wereld geantwoord: "Ik weet niet wat ge meent." Van den anderen kant waren de twee letters U. F. verklaard, zij beteekenden Urbain Fabre, en Ursula heette niet meer Ursula. Dit was Marius van alles het duidelijkst. Een soort van betoovering hield hem op zijn plaats gekluisterd, van waar hij dit geheele tooneel aanschouwde en beheerschte. Hij was nauwelijks in staat te denken en zich te bewegen, en als vernietigd door de afschuwelijke omstandigheden, welke hij van zoo dicht bij zag. Hij wachtte, en hoopte op iets onverwachts, om 't even wat, want hij kon tot geen kalm overleg komen en wist niet wat te doen.
"In allen geval," zeide hij bij zich zelven, "zoo zij de Leeuwerik is zal ik haar zien, want vrouw Thénardier zal haar hier brengen. Dan zal ik er mij meê bemoeien; ik zal, zoo 't zijn moet, mijn bloed en leven geven, maar ik zal haar bevrijden! Niets zal mij tegenhouden."
Bijna een half uur verliep op deze wijze. Thénardier scheen in sombere gedachten verzonken te zijn; de gevangene verroerde zich niet. Evenwel meende Marius nu en dan, sinds eenige oogenblikken, een zacht gerucht van den kant des gevangenen op te merken.
Eensklaps richtte Thénardier het woord tot den gevangene:
"Luister, mijnheer Fabre, 't is even goed, dat ik 't u dadelijk zegge."
Deze weinige woorden schenen het begin eener opheldering te zijn. Marius spitste de ooren. Thénardier vervolgde:
"Word niet ongeduldig, mijn vrouw zal spoedig terugkomen. Ik geloof, dat de Leeuwerik werkelijk uw dochter is, en ik vind het heel natuurlijk, dat ge zorg voor haar draagt. Maar luister mijn vrouw brengt haar uw brief. Ik heb mijn vrouw gezegd, dat zij zich fatsoenlijk moest kleeden, zooals ge gezien hebt, opdat uw dochter haar zonder eenig bezwaar zou volgen. Beide zullen in de huurkoets plaats nemen en mijn kameraad achterop. Op zekere plaats buiten een der barrières staat een rijtuig met twee goede paarden. Daarheen voert men uwe dochter. Zij stapt uit de huurkoets. Mijn kameraad neemt met haar plaats in het rijtuig met twee paarden, en mijn vrouw komt hier terug, om te zeggen dat het geschied is. Uw dochter zal geen leed geschieden, het rijtuig voert haar naar een plaats, waar zij gerust en veilig is, en zoodra ge mij de tweemaal honderd duizend francs hebt gegeven, krijgt ge haar terug. Zoo ge mij laat in hechtenis nemen, weet mijn kameraad, wat hij met de Leeuwerik moet doen."
De gevangene sprak niet. Na een pauze hernam Thénardier:
"Ge ziet, 't is alles zeer eenvoudig. Er zal geen kwaad gebeuren, zoo ge 't zelf niet wilt. Ik verhaal u de zaak, en waarschuw u, opdat ge weet waaraan u te houden."
Hij hield op, de gevangene bleef steeds zwijgen. Thénardier hernam:
"Zoodra mijn vrouw terug is en gezegd heeft: De Leeuwerik is onderweg, zullen wij u loslaten en ge zijt vrij naar huis te gaan slapen. Ge ziet dat wij geen slechte bedoelingen hebben."
Afgrijselijke beelden verrezen in Marius' geest.
Men zou het meisje oplichten en niet hier brengen? een dier monsters zou haar in de duisternis wegvoeren! Waarheen?...
En zoo zij het ware! En 't was duidelijk dat zij het was! Marius voelde het bloed in zijn hart stilstaan. Wat te doen? het pistool lossen! al deze ellendigen in de handen der justitie overleveren? Maar de vreeselijke man met de bijl zou desniettemin met het meisje buiten alle bereik zijn, en Marius dacht aan Thénardiers woorden, waarvan hij de bloedige beteekenis begreep: "Zoo ge mij laat in hechtenis nemen, weet mijn kameraad wat hij met de Leeuwerik doen moet."
Nu was 't niet alleen het testament van den kolonel dat hem weerhield, maar tevens zijn liefde, het gevaar waarin zij, die hij beminde, verkeerde.
Deze schrikkelijke toestand, die reeds langer dan een uur duurde, veranderde elk oogenblik van aanzien. Marius gaf zich aan de pijnlijkste gissingen over, trachtte een hoop te vinden, maar vond ze niet. De onrust van zijn geest was in zonderlingen strijd met de noodlottige stilte van het roovershol.
Te midden der stilte hoorde men de voordeur openen en weder sluiten.
De gevangene bewoog zich in zijn banden.
"Daar is mijn vrouw terug," zei Thénardier.
Hij had dit nauwelijks gezegd, toen vrouw Thénardier inderdaad rood, blazend, hijgend, met vlammende oogen binnenstormde en, met haar beide lompe handen tegelijk op haar heupen slaande, riep:
"Een valsch adres!"
De bandiet, dien zij had medegenomen, verscheen achter haar en nam weder zijn bijl.
"Een valsch adres?" herhaalde Thénardier.
Zij hernam:
"Niemand! straat St. Dominique, nummer zeventien, geen mijnheer Urbain Fabre! Men kent er niemand van dien naam."
Buiten adem zweeg zij; vervolgens hernam ze:
"Thénardier, deze oude heeft u voor den gek gehouden; ge zijt al te goed, weet ge! ik zou hem, om te beginnen, anders hebben aangepakt, en, zoo hij niet goed wilde, hem levend gebraden hebben; ik zou hem wel gedwongen hebben te spreken en te zeggen waar het meisje, en waar het geld is! Zoo zou ik hebben gehandeld! Men heeft wel gelijk te zeggen dat de mannen dommer dan de vrouwen zijn. Niemand! nummer zeventien is een groote koetspoort! Geen mijnheer Fabre! In galop naar de straat St. Dominique rijden, drinkgeld voor den koetsier en alles voor niets! Ik heb den portier en de portierster gesproken, een schoone sterke vrouw; zij kenden den naam niet."
Marius ademde ruimer. Zij, Ursula of de Leeuwerik, hij wist niet meer hoe haar te noemen, was gered.
Terwijl de verwoede vrouw verwenschingen uitbraakte, had Thénardier zich op de tafel gezet; gedurende eenige oogenblikken sprak hij niet, schommelde met zijn rechterbeen en zag mijmerend, met woesten blik naar het komfoor.
Eindelijk zeide hij langzaam, en met onderdrukte woede tot den gevangene:
"Een valsch adres? wat hooptet ge dan toch?"
"Tijd te winnen!" riep de gevangene met heldere, forsche stem.
En tegelijkertijd schudde hij de touwen af; zij waren doorgesneden. De gevangene was nu nog slechts met een been aan de krib gebonden.
Vóór de zeven mannen den tijd hadden zich te herstellen en zich op hem te werpen, bukte hij zich naar den schoorsteen, stak de hand naar het komfoor, en toen hij zich weder oprichtte waren Thénardier, zijn vrouw en de bandieten verschrikt achteruit geweken en staarden hem met ontzetting aan, terwijl hij genoegzaam geheel los en in eene vreeselijke houding boven zijn hoofd den gloeienden beitel zwaaide, die een heilloozen gloed wierp.
Het gerechtelijk onderzoek, waartoe later deze aanslag in het huis Gorbeau aanleiding gaf, heeft aangetoond, dat in het vertrek een doorgesneden en op eigenaardige wijs bewerkt koperen soustuk werd gevonden, toen de politie er huiszoeking deed; dit soustuk was een staaltje van die wonderen der industrie, die het geduld in de bagno's weet voort te brengen, en welke kunststukken in de duisternis en ten dienste der duisternis vervaardigd, niets anders zijn dan werktuigen ter ontvluchting. Deze afschuwelijke en fijne voortbrengselen eener verwonderlijke kunst zijn in de bijouterie wat de beelden der dieventaal in de poëzie zijn. In het bagno zijn Benvenuto Cellina's, evenals er in de taal Villon's zijn. De rampzalige, die naar zijn vrijheid snakt, weet soms zonder werktuigen, met een oud mes, een koperen sou in tweeën te splijten, de twee plaatjes uit te hollen zonder de munt te beschadigen en een schroefdraad aan de randen te brengen, om beide stukken weder aaneen te sluiten. 't Is dan een doosje, dat men open en dicht kan schroeven, en waarin een horlogeveer wordt verborgen, met welke horlogeveer dikke ketens en ijzeren staven kunnen worden doorgesneden. Men gelooft, dat de arme tuchteling slechts een koperen sou bezit; neen, hij bezit de vrijheid. 't Was zulk een koperen sou, die, bij een later onderzoek der politie, open en in twee stukken onder het bed bij het venster werd gevonden. Men vond ook een klein zaagje van blauw staal, dat in den sou kon verborgen worden. 't Is waarschijnlijk dat, toen de bandieten den gevangene doorzochten, hij dat koperstuk, 't welk hij bij zich had, in zijn hand verborg en het vervolgens, toen zijn hand los was, openschroefde en zich van het zaagje bediende om de touwen door te snijden, waarmede hij gebonden was; 't geen het zacht gerucht en de schier onmerkbare bewegingen, welke Marius had opgemerkt, verklaart.
Wijl hij, uit vrees van zich te verraden, niet durfde bukken, had hij de koorden van zijn linkerbeen niet doorgesneden.
De bandieten hadden zich van hun eerste verbazing hersteld.
"Wees gerust," zei Bigrenaille tot Thénardier, "hij is nog aan een been gebonden en zal niet wegloopen. Ik sta er voor in. Ik heb dien poot gebonden."
Nu sprak de gevangene: