De Ellendigen (Deel 3 van 5)

Part 13

Chapter 134,030 wordsPublic domain

Aan het Luxemburg gekomen wandelde Marius om den vijver en beschouwde de zwanen; toen bleef hij lang nadenkend voor een beeld staan, welks gelaat zwart verweerd was en waaraan een heup ontbrak. Bij den vijver bevond zich een veertigjarig gezet man, die tot een vijfjarig knaapje, dat hij aan de hand hield, zeide: "Vermijd overdrijving. Houd u evenzeer van het despotisme als van de anarchie verwijderd, mijn zoon." Marius luisterde naar den man. Toen ging hij nogmaals om den vijver heên, en eindelijk naar "zijn laan," maar langzaam en als met weerzin. 't Was of hij tegelijk gedrongen en belemmerd werd daarheen te gaan. Hij wist het zich niet te verklaren en meende hetzelfde te doen, wat hij alle dagen deed.

Toen hij de laan intrad, zag hij aan het einde mijnheer Leblanc en de jonge dame "op hun bank." Hij knoopte zijn rok tot bovenaan dicht, streek de plooien langs zijn lijf glad, beschouwde met eenig welgevallen den glans van zijn broek en trok naar de bank. Er was iets aanvallends in zijn tred, en zekerlijk eenige veroveringszucht. Hij trok dus naar de bank, evenals Hannibal naar Rome trok.

Zijn bewegingen waren overigens werktuiglijk en geen oogenblik werden de gewone werkzaamheid en gedachten van zijn geest afgebroken. Hij dacht op dat oogenblik welk een zot boek die "Manuel du Baccalaureat" toch was, en dat het geschreven moest zijn door zonderlinge brekebeenen, wijl men er, als meesterstukken van den menschelijken geest, drie treurspelen van Racine en slechts één comedie van Molière in ontleedde. Het suisde hem in de ooren. De bank naderende streek hij weder de plooien van zijn rok glad en richtte zijn oogen op het meisje. 't Scheen hem, alsof zij het geheele einde der laan met een zacht blauw licht vulde.

Naarmate hij dichterbij trad, werden zijn schreden allengs langzamer. Toen hij op een zekeren afstand van de bank was, nog verre van 't einde der laan, hield hij stil, en zonder dat hij zelf wist waarom, keerde hij plotseling terug zonder tot aan het einde te gaan. De jonge dame kon hem nauwelijks op dien afstand bespeuren en zien hoe fraai hem zijn nieuwe kleeding stond. Evenwel liep hij zeer rechtop, om een goed figuur te maken in geval iemand hem van achteren nastaarde.

Hij bereikte het tegenovergestelde einde, keerde terug en kwam dezen keer een weinig dichter bij de bank. Zoo zelfs dat hij er nog slechts een tusschenruimte van drie boomen van verwijderd was, doch toen gevoelde hij iets dat hem belette verder te gaan en hij aarzelde. Hij meende gezien te hebben, dat het meisje haar blik op hem had gericht. Hij deed echter een krachtige poging, onderdrukte zijn aarzeling en ging voort. Eenige seconden later ging hij, recht en stijf, schoon tot over de ooren blozende, de bank voorbij, zonder rechts noch links een blik te durven slaan, en evenals een staatsman met de hand in zijn rok. Op het oogenblik dat hij voorbijging--als onder het geschut der vesting--voelde hij een geweldige hartklopping. De jonge dame droeg evenals den vorigen dag, haar damasten kleed en krippen hoed. Hij hoorde een bekoorlijke stem, die de "hare" moest zijn. Zij sprak bedaard. Zij was zeer lief, dat gevoelde hij, hoewel hij geen moeite deed haar te zien.

Zij zou zeker achting en belangstelling voor mij hebben, dacht hij bij zich zelven, zoo zij wist dat ik de schrijver der verhandeling over Marcos Obregon de la Ronda ben, welke de heer François de Neufchateau als de zijne aan het hoofd zijner éditie van Gil-Blas heeft geplaatst.

Hij liep de bank voorbij tot aan het einde der laan, waar hij dicht bij was, keerde op zijn schreden terug, en ging nogmaals langs de jonge dame. Dezen keer was hij zeer bleek. Ook had hij slechts een zeer onpleizierig gevoel. Hij verwijderde zich van de bank en het jonge meisje, en terwijl hij met den rug naar haar gekeerd was, verbeeldde hij zich, dat zij naar hem keek, 't geen hem deed struikelen.

Toen beproefde hij het niet weder om de bank te naderen, hij hield stil in het midden der laan, en ging zitten, 't geen hij anders nooit deed, terwijl hij steeds op zijde gluurde, en in 't diepst zijner ziel dacht, dat het toch zeer onwaarschijnlijk was, dat iemand, wier witten hoed en zwart kleedje hij bewonderde, geheel onverschillig zou zijn voor zijn glimmende broek en zijn nieuwen rok.

Na een kwartier stond hij op, als wilde hij de wandeling naar de bank hervatten, die voor hem door een stralenkrans omgeven was. Maar hij bleef besluiteloos staan. Voor het eerst sedert vijftien maanden zeide hij bij zich zelven, dat de heer, die ginds met zijn dochter dagelijks plaats nam, hem waarschijnlijk ook had opgemerkt en zijn gedrag wel wonderlijk moest vinden.

Ook gevoelde hij er voor het eerst iets onbetamelijks in, om dien man, zelfs in zijn gedachte, met den bijnaam van Leblanc te bestempelen.

Hij bleef dus eenige oogenblikken met gebogen hoofd staan en trok met zijn wandelstok figuren in het zand. Toen wendde hij zich plotseling in de tegenovergestelde richting der bank en ging huiswaarts.

Dien dag vergat hij den maaltijd te gebruiken. Dit merkte hij eerst op, toen het 's avonds acht uren was, en vermits het toen te laat was om naar de straat St. Jacques te gaan eten, at hij maar een stuk brood.

Hij ging niet eer te bed dan na zijn rok geschuierd en netjes opgevouwen te hebben.

VIJFDE HOOFDSTUK.

JUFFROUW BOUGON WORDT DOOR VERSCHEIDENE BLIKSEMSTRALEN GETROFFEN.

Den volgenden dag zag juffrouw Bougon--zoo noemde Courfeyrac de oude portierster en huishoudster van het huis Gorbeau, ofschoon zij werkelijk juffrouw Burgon heette--met de uiterste verbazing, dat mijnheer Marius weder in zijn nieuwen rok uitging.

Hij wandelde weder naar het Luxemburg, doch ging zijn bank in het midden der laan niet voorbij. Hij ging er zich, gelijk den vorigen dag, nederzetten en zag van daar in het verschiet duidelijk den witten hoed, het zwarte kleed en voornamelijk den blauwen glans. Hij bewoog zich niet en ging eerst naar huis, toen de poort van den tuin gesloten werd. Hij zag den heer Leblanc en zijn dochter niet heengaan, en vermoedde dat zij door het hek in de Oosterstraat waren vertrokken. Eenige weken later wist hij zich niet te herinneren, waar hij dien avond gegeten had.

Den volgenden dag, namelijk den derden, werd juffrouw Bougon weder als door den bliksem getroffen. Marius ging weder in zijn nieuwen rok uit!--Drie dagen achtereen! riep zij, de handen inéénslaande.

Zij wilde hem volgen, maar Marius maakte zulke vlugge, groote schreden, dat hij een nijlpaard geleek, 't welk op een gems jacht maakt. In een oogenblik had zij hem uit het gezicht verloren en kwam hijgende van kortademigheid, en schier van kwaadheid stikkende te huis.--Is dat verstandig, bromde zij, alle dagen zijn nieuwen rok aan te trekken en de menschen zóó te laten loopen!

Marius ging naar het Luxemburg.

De jonge dame was er met mijnheer Leblanc. Marius, veinzende een boek te lezen, naderde zoo dicht mogelijk; hij bleef echter op tamelijk verren afstand en zette zich weder op zijn bank, waar hij zich vier uren lang bezighield met naar de musschen te kijken, die in de laan huppelden en het voorkomen hadden hem voor den gek te houden.

Alzoo verstreken veertien dagen. Marius ging niet naar het Luxemburg om er te wandelen, maar om op dezelfde plaats te gaan zitten, zonder dat hij wist waarom. Eenmaal daar gezeten zijnde, bewoog hij zich niet meer. Iederen morgen borg hij zijn rok weg, maar trok hem iederen avond weder aan.

De jonge dame was ontegensprekelijk wonderschoon. De eenige aanmerking, die men als critiek kon maken, was deze, dat het verschil tusschen haar blik, die treurig, en haar glimlach, die vroolijk was, aan haar gezicht zoo iets verwards gaf, dat haar zacht gelaat, hoe bekoorlijk overigens, er een zonderlinge uitdrukking door kreeg.

ZESDE HOOFDSTUK.

GEVANGEN GEMAAKT.

In een der laatste dagen van de volgende week zat Marius als gewoonlijk op zijn bank met een open boek in de hand, waarvan hij sinds twee uren geen blad had omgeslagen. Eensklaps ontroerde hij. Er gebeurde iets aan het einde der laan. De heer Leblanc en zijn dochter hadden hun bank verlaten en beiden gingen langzaam naar het midden der laan, waar Marius zat. Marius sloeg zijn boek dicht, opende het weder en poogde te lezen. Hij beefde. De straalkrans kwam rechtstreeks op hem toe. Mijn hemel! dacht hij, ik weet niet welke houding ik aannemen moet. Intusschen naderden de man met het witte haar en de jonge dame steeds meer. Dit naderen scheen hem een eeuw, hoewel 't slechts een seconde duurde.--Wat willen zij hier? vroeg hij bij zich zelven. Ha! zij zal hier voorbijgaan! Haar voeten zullen dit zand betreden, in deze laan op twee schreden van mij. Hij was in de grootste ontroering, hij wenschte zeer schoon te zijn, een ridderorde te hebben. Hij hoorde het zacht afgemeten gerucht van hun naderenden tred. Hij verbeeldde zich, dat mijnheer Leblanc een vergramden blik op hem sloeg. Zou mijnheer mij willen spreken? dacht hij. Hij boog het hoofd; toen hij het ophief, waren zij zeer dicht bij hem. De jonge dame ging voorbij, hem strak en met een zachten, peinzenden blik aanziende, die hem van 't hoofd tot de voeten deed rillen. 't Was alsof zij hem verweet in zoolangen tijd niet bij haar te zijn geweest, en of zij tot hem zeide: Nu kom ik. Marius was verbijsterd door haar diepe, schitterende oogen.

Hij voelde zijn hoofd gloeien. Zij was tot hem gekomen; welk een vreugd. En met welk een blik had zij hem aanschouwd. Hij vond haar schooner dan ooit, schoon, tegelijk als een vrouw en als een engel, zoo volmaakt schoon dat Petrarcha haar bezongen, Dante voor haar geknield zou hebben. 't Was hem alsof hij in het azuur des hemels zweefde. Maar tegelijkertijd voelde hij zich vreeselijk ongelukkig, zijn laarzen waren bestoven.

Hij geloofde zeker, dat zij ook naar zijn laarzen had gezien.

Hij oogde haar na tot zij uit het gezicht verdwenen was. Toen liep hij als zinneloos door den tuin. Ongetwijfeld lachte hij tusschenbeide en sprak luide. Hij was zoo diep in gedachten, dat ieder kindermeisje, die hem zag, meende, dat hij op haar verliefd was.

Hij verliet het Luxemburg in de hoop haar op de straat te zullen vinden.

Onder de bogen van het Odéon ontmoette hij Courfeyrac en zeide tot hem: "Ga met mij dineeren." Zij gingen naar Rousseau en verteerden zes francs. Marius at als een wolf. Hij gaf zes sous aan den knecht. Bij het dessert zeide hij tot Courfeyrac: "Hebt ge de courant gelezen? Welk een fraaie redevoering heeft Audry de Puyraveau gehouden!"

Hij was smoorlijk verliefd.

Na den maaltijd zeide hij tot Courfeyrac: "Ga mede naar den schouwburg; ik zal betalen." Zij gingen naar de porte St. Martin om Frederick in de Auberge des Adrets te zien. Marius vermaakte zich ontzaggelijk.

Maar tegelijkertijd werd hij schuwer dan ooit. Toen hij den schouwburg verliet, durfde hij niet naar den kouseband eener modiste zien, die over een goot stapte, en hij vond Courfeyrac schier afschuwelijk toen deze zeide: "Ik zou dit meisje wel in mijn collectie willen opnemen."

Courfeyrac had hem genoodigd om den volgenden dag in het café Voltaire te ontbijten. Marius ging er heen en at nog meer dan den vorigen dag. Hij was peinzend en zeer vroolijk. Hij scheen alle gelegenheden aan te grijpen om luidkeels te lachen. Hij omhelsde teederlijk iederen vreemde, die hem werd voorgesteld. Een kring studenten had zich om hun tafel geschaard en men sprak over de zotternijen, door den staat betaald, welke in de Sorbonne van den katheder worden voorgedragen, vervolgens viel het gesprek op de gebreken en leemten der woordenboeken en taalkundige werken. Marius stoorde het gesprek door plotseling uit te roepen: "'t Is toch wel heel aangenaam een ridderorde te hebben!"

"'t Is waarlijk kluchtig!" fluisterde Courfeyrac Jean Prouvaire toe.

"Neen," antwoordde Jean Prouvaire, "'t is ernstig!"

't Was inderdaad ernstig. Marius was in dit eerste machtige, bekoorlijke uur gekomen, waarin de groote hartstochten beginnen.

Een blik had dat alles bewerkt.

Wanneer de mijn geladen, de brand smeulende is, geschiedt dit zeer eenvoudig. Een blik is een vonk.

't Was geschied. Marius beminde een vrouw. Zijn lot trad het onbekende in.

De blik der vrouw gelijkt aan schijnbaar zeer kalme, maar toch geduchte raderwerken. Men gaat ze dagelijks bedaard en ongedeerd voorbij, zonder iets te vreezen. Zelfs vergeet men soms, dat zij er zijn. Men gaat peinzend, schertsend, lachend heen en weder. Maar eensklaps voelt men zich gegrepen! 't Is gedaan! Het rad houdt u, de blik heeft u gevangen. Het heeft u gevangen, om 't even waar of hoe; 't zij dat uw gedachte niet op haar hoede was, of uw geest afdwaalde. Men is verloren, en raakt geheel in 't raderwerk beklemd. Een samenstel van geheime krachten beheerscht u. Vruchteloos biedt men weerstand. Menschelijke hulp is niet meer mogelijk. Men valt van het eene rad in het andere, van den eenen angst in den anderen, van de eene foltering in de andere, uw geest, uw fortuin, uw toekomst, uw ziel; en al naar gelang men in de macht van een slecht of een edel hart is, komt men uit dit schrikkelijk werktuig, óf door schande misvormd, óf door liefde veredeld.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

GISSINGEN NOPENS DE LETTER U.

De eenzaamheid, de volstrekte afzondering, de trots, de onafhankelijkheid, de liefde voor de natuur, gebrek aan dagelijkschen en stoffelijken arbeid, het inwendige leven, de geheime strijd der kuischheid, de verrukking over de geheele schepping hadden Marius tot de liefde voorbereid. De vereering van zijn vader was voor hem schier godsdienst geworden, en had zich gelijk alle godsdienst, tot diep in zijn ziel teruggetrokken. Er moest iets op den voorgrond zijn. De liefde kwam!

Gedurende een geheele maand ging Marius dagelijks naar het Luxemburg. Wanneer het uur kwam, kon niets hem terughouden.--Hij is in dienst, zei Courfeyrac. Marius leefde in verrukking. 't Was zeker dat de jonge dame hem aanschouwde.

Eindelijk werd hij stoutmoediger en naderde de bank. Verder ging hij echter niet, evenzeer aan het instinct der bedeesdheid als aan dat der voorzichtigheid van minnaars gehoorzamende. Hij oordeelde het raadzaam de opmerkzaamheid van den vader niet te trekken. Hij berekende met diepe schranderheid zijn standplaatsen achter de boomen en voetstukken der standbeelden, zoodanig, dat hij zoo veel mogelijk door de jonge dame en zoo min mogelijk door den ouden heer kon gezien worden. Soms bleef hij halve uren lang bewegingloos in de schaduw van een Leonidas of Spartacus staan, met een boek in de hand, over 't welk zijn oogen de schoone maagd zochten, terwijl deze van haar kant met een vluchtigen glimlach het bekoorlijk gelaat naar hem wendde.

Terwijl zij heel bedaard en op de natuurlijkste wijze met den ouden man sprak, rustte haar maagdelijke en hartstochtelijk droomende blik op Marius. 't Was het oude eeuwenheugende spel, dat Eva reeds op den eersten dag der schepping kende en iedere vrouw den eersten dag des levens kent. Haar mond antwoordde den een, haar blik den ander.

Mijnheer Leblanc scheen eindelijk toch iets opgemerkt te hebben, want dikwerf stond hij op en wandelde verder, wanneer Marius kwam. Hij had hun gewone plaats verlaten en aan het andere eind der laan de bank bij den "Worstelaar" ingenomen, om te zien of Marius hen zou volgen. Marius begreep hier niets van, en beging deze fout. "De vader" was sinds niet meer zoo stipt, en bracht "zijne dochter" niet dagelijks meer mede. Soms kwam hij alleen. Dan bleef Marius niet. Wederom een fout.

Marius sloeg geen acht op deze verschijnselen. Uit het tijdperk van verlegenheid, was hij, bij natuurlijken en noodlottigen voortgang, het tijdperk van verblinding ingetreden. Zijn liefde groeide aan; alle nachten droomde hij ervan. Bovendien had hij een onverwacht geluk gehad--olie in het vuur, grootere verduistering der oogen. Op een avond had hij in de schemering op de bank, die mijnheer "Leblanc en zijn dochter" zoo even verlaten hadden, een eenvoudigen zakdoek gevonden, zonder borduursel, maar wit en fijn, en die hem onbeschrijfelijke geuren scheen uit te wademen. Hij nam dien met verrukking tot zich. Deze zakdoek was gemerkt U. F. Marius kende niets van het schoone meisje, noch haar familie, noch haar naam, noch haar woning; deze twee letters waren het eerste wat hij van haar bezat, dierbare letters, waarop hij dadelijk een geheel gebouw begon op te trekken.

U was ontwijfelbaar de voornaam. "Ursula!" dacht hij, een bekoorlijke naam! Hij kuste den zakdoek, ademde zijn geur in, legde des daags hem aan zijn hart, en des nachts op zijn lippen, om in te slapen.

"Ik gevoel er haar geheele ziel in!" riep hij.

Maar de doek was van den ouden heer, die hem eenvoudig uit zijn zak had laten vallen.

Hij vertoonde zich sinds dien avond niet in den tuin van het Luxemburg, dan met den zakdoek, dien hij kuste en aan zijn hart drukte. De schoone jonge dame begreep er niets van en deed dit door onmiskenbare teekenen blijken.

"O! onschuld!" zei Marius.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

ZELFS INVALIDEN KUNNEN GELUKKIG ZIJN.

Vermits wij het woord "onschuld" hebben genoemd en niets willen verzwijgen, moeten wij zeggen dat "zijn Ursula" hem eens, in weerwil van zijn vervoering, ernstig leed veroorzaakte. 't Was op een dag, dat zij den heer Leblanc er toe overhaalde de bank te verlaten en in de laan te wandelen. Er woei een scherpe voorjaars-wind, die de twijgen der boomen deed ruischen. Arm in arm gingen vader en dochter voorbij de bank van Marius. Marius was achter hen opgestaan en oogde hen na, zooals in zulk een teederen zielstoestand gebruikelijk is.

Eensklaps kwam een windvlaag, die recht ondeugend en moedwillig om het meisje heen dwarlde, haar als een boschgod pakte, die eene nimf omarmt, en haar kleed, dit kleed heiliger dan dat van Isis, bijna tot aan den kouseband oplichtte. Een fraai gevormd been kwam te voorschijn. Marius zag het. Hij was woedend van toorn.

Het meisje had ijlings, met een hemelsch ontstelde beweging, haar kleed neergetrokken, maar desniettemin was hij verstoord.--Hij was wel is waar de eenige in de laan; maar er had iemand kunnen zijn. En zoo er iemand geweest ware! Kan men zich zoo iets voorstellen? 't Was ontzettend wat zij gedaan had.--Helaas, het arme meisje had niets gedaan; de eenige schuldige was de wind; maar Marius, in wien onbestemd de Bartholo sidderde, die in Cherubijn is, wilde met geweld gestoord zijn, en was jaloersch op zijn schaduw. 't Is inderdaad, dat zoo, zelfs zonder eenige reden, in het menschelijke hart de wrange, zonderlinge jaloezie des vleesches wordt opgewekt. Overigens, zelfs afgescheiden van deze jaloezie, had het gezicht van dat bekoorlijk been voor hem niets aangenaams; de witte kous van de eerste de beste vrouw zou hem meer pleizier hebben gedaan.

Toen "zijne Ursula" aan 't einde der laan, met mijnheer Leblanc, terugkeerde en de bank voorbijging, waarop Marius zich weder neergezet had, sloeg hij een norschen wrevelen blik op haar.

De jonge dame wendde het hoofd eenigszins af en sloeg haar oog op, als wilde zij zeggen: Welnu, wat wil hij?

Dit was "hun eerste twist."

Marius had haar nauwelijks dit standje met zijn oogen gemaakt, toen iemand door de laan ging. 't Was een gebogen, gerimpelde, grijze invalide in de uniform van Lodewijk XV, met het ovaal lapje rood laken, waarop twee gekruiste degens, het kruis van St. Louis van den soldaat, op de borst, en bovendien versierd met een roksmouw zonder arm er in, met een zilveren kin en een houten been. Marius meende op te merken, dat deze man er bijzonder tevreden uitzag. 't Scheen hem zelfs, dat deze oude synicus hem in 't voorbijhinken een broederlijken, vroolijken lonk had toegeworpen, alsof een toeval veroorzaakt had, dat zij in verstandhouding waren gekomen en samen een gemeenschappelijk fortuintje hadden gehad. Waarom was dit fragment van Mars zoo tevreden? Wat was tusschen het houtenbeen en den andere gebeurd? Marius kwam tot den hoogsten graad van ijverzucht.--Hij was er misschien, dacht hij, hij heeft misschien iets gezien!--Hij had den invalide willen vernielen.

Maar de tijd verdooft alles. Ook de gramschap van Marius tegen "Ursula," hoe billijk en rechtvaardig zij ook ware, trok over. Eindelijk schonk hij haar vergiffenis, maar 't kostte veel moeite; hij was drie dagen kwaad op haar.

Bij dit alles, en in weerwil van dat alles, groeide evenwel zijn liefde schier tot waanzin aan.

NEGENDE HOOFDSTUK.

ECLIPS.

Men heeft gezien hoe Marius had ontdekt of meende ontdekt te hebben, dat zij Ursula heette.

Zijn nieuwsgierigheid nam met zijn liefde toe; 't was veel, te weten dat zij Ursula heette; maar 't was eigenlijk ook weinig. Marius had zich drie of vier weken met dit geluk verheugd. Hij wilde thans een ander. Hij wilde weten, waar zij woonde.

Hij had een eersten misslag begaan, door naar de bank van den Gladiator te gaan; een tweeden, door niet in den tuin van het Luxemburg te blijven, wanneer mijnheer Leblanc er alleen was. Hij beging een derden misslag, een grooten: hij volgde "Ursula."

Zij woonde in de Westerstraat, in het minst bezochte gedeelte, in een nieuw huis, van bescheiden voorkomen en drie verdiepingen hoog.

Van dit oogenblik af voegde Marius bij het geluk van haar in het Luxemburg te zien, het geluk haar tot aan haar huis te volgen.

Zijn begeerte nam toe. Hij wist hoe zij heette, althans haar voornaam, den dierbaarsten, den eigenlijken naam der vrouw, hij wist waar zij woonde; nu wilde hij weten, wie zij was.

Zekeren avond, na hen tot hun woning gevolgd en hen in het huis te hebben zien verdwijnen, trad hij stout achter hen binnen en vroeg den portier:

"Is dit niet de heer der eerste verdieping, die zooeven te huis is gekomen?"

"Neen," antwoordde de portier: "'t is de heer der derde verdieping."

't Was weder een stap verder. Dit geluk maakte Marius stoutmoediger.

"Aan de straat?" vroeg hij.

"Er zijn geen andere vertrekken dan aan de straat," zei de portier.

"En wat doet deze heer?" hernam Marius.

"Hij is rentenier, mijnheer. Een zeer goed man, die veel goed aan ongelukkigen doet, hoewel hij niet rijk is."

"Hoe heet hij?" vroeg Marius.

De portier richtte het hoofd op en zeide:

"Is mijnheer een stille verklikker?"

Marius sloop beschaamd heen, maar was overigens verblijd, want hij was iets gevorderd.

"Goed," dacht hij. "Ik weet dat zij Ursula heet, dat zij de dochter van een rentenier is en hier in de Westerstraat op de derde verdieping woont."

Den volgenden dag bleven mijnheer Leblanc en zijn dochter slechts zeer kort in het Luxemburg en verwijderden zich, lang vóór de avond viel.

Marius volgde hen, als gewoonlijk, tot in de Westerstraat. Aan de deur van het huis gekomen liet mijnheer Leblanc zijn dochter binnengaan, bleef op den drempel staan, keerde zich om en zag Marius met strakken blik aan.

Den volgenden dag kwamen zij niet in het Luxemburg. Vruchteloos wachtte Marius den geheelen dag.

Toen het donker werd, ging hij naar de Westerstraat en zag licht aan de vensters der derde verdieping. Hij wandelde onder die vensters, tot het licht werd uitgedaan.

Den volgenden dag was weder niemand in het Luxemburg. Marius wachtte den geheelen dag, en ging des avonds zijn post onder de vensters betrekken. Dat bracht hem tot tien uren. Aan eten dacht hij niet. De koorts voedt den zieke en de liefde den verliefde.

Op deze wijze verliepen acht dagen. Mijnheer Leblanc en zijn dochter lieten zich niet meer in het Luxemburg zien. Marius maakte treurige gissingen; des daags durfde hij de deur van het huis niet bespieden. Hij stelde zich tevreden met des avonds het roode schijnsel van het licht door de glasruiten te begluren. Nu en dan zag hij er schimmen langs zweven, en dan klopte zijn hart.

Toen hij den achtsten dag onder de vensters kwam, zag hij geen licht.--Hé, zeide hij, de lamp is nog niet opgestoken. 't Is toch donker. Zouden zij uit zijn? Hij wachtte tot tien uren, tot middernacht; tot één ure 's ochtends. Geen licht scheen door de vensters der derde verdieping, en niemand kwam te huis.

Treurig verwijderde hij zich.