De Ellendigen (Deel 3 van 5)

Part 12

Chapter 123,882 wordsPublic domain

"Twintig francs," antwoordde de oude vrouw.

"Ziedaar," sprak hij tot de oude vrouw, "hier hebt ge vijfentwintig francs. Betaal de huur voor die arme lieden en geef hun vijf francs, maar zeg niet dat het van mij komt."

ZESDE HOOFDSTUK.

DE PLAATSVERVANGER.

Het toeval wilde, dat het regiment, waarbij de luitenant Theodule behoorde, te Parijs in garnizoen kwam. Dit gaf tante Gillenormand gelegenheid, ten tweedenmale een plan te vormen. Den eersten keer had zij verzonnen, om Marius door Theodule te laten bespieden; nu besloot zij Theodule in Marius' plaats te stellen.

't Was in alle opzichten, en ingeval grootvader eenigszins behoefte had een jeugdig gezicht in huis te hebben--het ochtendrood doet de bouwvallen soms genoegelijk aan--'t was noodig, een anderen Marius te vinden. Welnu, dacht zij, wij kunnen 't als een drukfout beschouwen en, met verschillende boeken, zeggen: Theodule, lees Marius.

Een achterneef is genoegzaam kleinzoon; bij gebrek aan een advocaat neemt men een lansier.

Op zekeren ochtend was de heer Gillenormand juist bezig met het lezen van een blad, de Quotidienne, toen zijn dochter binnentrad en op den vleiendsten toon--want het gold haar gunsteling--zeide:

"Vader, Theodule komt u dezen morgen een bezoek brengen."

"Welke Theodule?"

"Uw achterneef."

"Zoo," zei de grootvader.

Toen hervatte hij zijn lectuur, zonder verder aan zijn achterneef te denken, en werd al spoedig gramstorig, zooals hem meestal gebeurde wanneer hij las. Het blad, dat hij las--natuurlijk koningsgezind--kondigde tegen den volgenden dag een dier kleine politieke gebeurtenissen aan, welke destijds te Parijs aan de orde van den dag waren: dat de studenten in de medicijnen en de rechtsgeleerdheid des middags op het plein van het Pantheon moesten bijeenkomen om te delibereeren. Het gold een kwestie van den dag: de artillerie der nationale garde, alsmede een conflict tusschen den minister van oorlog en de "burgerwacht," ter zake van de op de binnenplaats van het Louvre geplaatste kanonnen. Daarover moesten de studenten "raadplegen." Er was niet veel meer noodig om den heer Gillenormand op te winden.

Hij dacht aan Marius, die student was en, waarschijnlijk gelijk de anderen, des middags op het plein van het Pantheon zou gaan "delibereeren."

Terwijl hij zich met deze onaangename gedachten bezig hield, werd luitenant Theodule, in burgerkleeding, 't geen zeer slim overlegd was, door mejuffrouw Gillenormand binnengeleid. De lansier had geredeneerd als volgt: "De oude heeft niet alles op lijfrente geplaatst. Het is dus der moeite waard zich nu en dan eens als burger te kleeden."

Mejuffrouw Gillenormand zeide luid tot haar vader: "Theodule, uw neef."

En zacht tot den luitenant:

"Geef hem maar altijd gelijk."

Toen verwijderde zij zich.

De luitenant, weinig gewoon aan zulke deftige bezoeken, stamelde eenigszins verlegen: "Goeden morgen, oom," en groette werktuiglijk half als militair, half als burger.

"Ha, zijt gij 't, goed; ga zitten," sprak grootvader. En tegelijk vergat hij den officier weder geheel en al.

Theodule zette zich neêr en Gillenormand stond op. Met de handen in de zakken liep hij heên en weder, sprak luide met zich zelven en klemde de twee horloges, welke hij in zijn zakken had, vergramd in zijn oude vingers.

"Die kwâjongens! dat bescheidt elkander op het plein van het Pantheon! knapen, die nauwelijks de min ontloopen zijn! Zoo men hun in den neus kneep, zou er melk uit komen. En morgen middag delibereeren zij! Waar moet dat heen? waar moet dat heen? 't Is duidelijk, dat men naar den afgrond gaat. Daar hebben ons de descamisados toe gebracht. Burger-artillerie! Onder den blooten hemel over de burger-artillerie gaan wauwelen! En wie zullen zij er vinden! Zie nu eens waar het jacobinisme toe leidt! Ik wed, om alles wat men wil, dat er geen andere lieden zullen zijn dan vrijgelaten galeiboeven en verdachte fielten. Republikeinen en galeiboeven behooren bij elkaar als een neus en een zakdoek. Carnot zeide: "Waar zal ik heen gaan, verrader?" En Fouché antwoordde: "Waarheen ge wilt, dwaas!" Dat zijn nu republikeinen!"

"'t Is waar," zei Theodule.

De heer Gillenormand wendde het hoofd half om, zag Theodule en ging voort:

"Als ik er aan denk, dat die snaak fielterig genoeg was om carbonaro te worden! Waarom hebt ge mijn huis verlaten? Om republikein te worden. Pssst! Vooreerst wil het volk geen republiek, neen, het wil ze niet; het heeft gezond verstand; het weet wel, dat het altijd koningen heeft gehad en ze altijd hebben zal; het weet wel, dat het volk in allen geval niets dan het volk is; het walgt van de republiek, hoort ge. 't Is afschuwelijk! Op vader Duchene verliefd te worden, de guillotine toe te lonken, romances te zingen met accompagnement van de guitar, onder het balkon van 93! 't Is om te spuwen, zoo dom zijn die jongelieden! Zij zijn 't allen: geen uitgezonderd. Men behoeft de lucht op straat slechts in te ademen, om zinneloos te worden, naar 't schijnt. De negentiende eeuw is vergiftigd. De eerste straatjongen de beste laat zijn boksbaard groeien, meent al een kerel te zijn en loopt van zijn oude lui weg. 't Is republikeinsch, romantisch. Wat is romantisch? Wees zoo goed mij nu eens te zeggen, wat dat is! Alle mogelijke gekheid. Een jaar geleden ging men naar Hernani. Nu vraag ik u! naar Hernani! Welke tegenstrijdigheden en schandelijkheden, die zelfs niet in goed Fransch zijn geschreven! En dan zet men nog kanonnen op het plein van het Louvre. Zulk bandietenwerk ziet men in dezen tijd!"

"Ge hebt gelijk, oom," zei Theodule.

De heer Gillenormand hernam:

"Kanonnen op de plaats van het museum! Waarom? Wat doen die kanonnen daar? Wil men den Apollo van Belvedère stuk schieten? Wat hebben de blikken bussen met Venus van Medicis te maken? O! die jongelieden van dezen tijd, 't zijn allen schoften! Welk een beweging met hun Benjamin Constant. En wie geen schurken zijn, zijn pap-eters. Zij doen al 't mogelijke om leelijk te zijn; zij gaan slecht gekleed, zijn bang voor de vrouwen, en de deerns lachen hen uit om hun bedelaarsmanieren; op mijn woord van eer, 't is alsof zij, als 't op liefde aankomt, bedeelde armen zijn. Zij zijn wanstaltig en, wat meer is, dom; zij herhalen de woordspelingen van Tiercelin en Pothier, dragen jassen als zakken, palfreniersvesten, grove hemden, grove lakensche broeken, schoenen van dik leder, en hun gesnater is als hun vederen. Hun geraaskal is evenmin iets waard als hun sloffen. En dat dom rapalje wil politieke meeningen hebben! 't moest streng verboden worden, politieke meeningen te hebben. Zij fabrieken stelsels, keeren de maatschappij om, breken de monarchie af, smijten alle wetten neêr, gooien den zolder naar den kelder, en maken mijn portier nog koning; zij keeren Europa het onderstboven, verbouwen de wereld, en alleen in 't geniep durven zij naar de kuiten van hun waschvrouwen gluren! O, Marius! O, schoft! Op de openbare straat te gaan schreeuwen, bespreken en maatregelen nemen! gerechte goden! Dat noemen zij maatregelen! de wanorde kruipt in haar schulp en wordt kindsch. Ik heb een chaos gezien en nu zie ik een warboel. Dat schooljongens over de nationale garde delibereeren, men zou 't niet eens bij de Ogibberra's en de Cadodachen zien. De wilden, die naakt gaan en een kuif op 't hoofd hebben als de pluim van een raket en een knots in de pooten, zijn nog minder verdierlijkt dan deze zonen van Minerva. De wereld loopt ten einde! 't Is stellig het einde van dezen ellendigen ontwrichten aardbol. Er was een laatsten snik noodig, en Frankrijk zal dien geven. Delibereert maar, guiten! 't Zal zoo ver gaan, dat zij de dagbladen onder de bogen van 't Odéon zullen gaan lezen. 't Kost hun alles maar een stuiver, maar ook hun gezond verstand, en hart, en ziel, en geest. Daar komt het van dat men van zijn familie wegloopt. Dagbladen zijn de pest; alle, zelfs de Drapeau blanc! Martainville was in den grond ook maar een Jakobijn. O! hemel, wel kunt ge u beroemen uw grootvader tot wanhoop te hebben gebracht!"

"Dat is duidelijk," zei Theodule.

En van de gelegenheid gebruik makende, dat de heer Gillenormand zweeg, voegde de lansier er op hoogen toon bij:

"Er moest geen ander blad dan de Moniteur, en geen ander boek dan de militaire almanak zijn."

De heer Gillenormand voer voort:

"Zij zijn even als Sieyès! een koningsmoorder, die senator wordt; want daarop loopt het altijd uit. Men begint elkander burger te noemen, om eindelijk mijnheer de graaf te heeten. Een graaf niet dikker dan de arm der doodslagers van September. De wijsgeer Sieyès! Ik beroem mij, aan de wijsbegeerte van al die wijsgeeren nooit meer waarde te hebben gehecht, dan aan den bril van den grappenmaker in Tivoli. Eens heb ik de senatoren op de kade Malaquais in violetkleurige, met bijen bezaaide fluweelen mantels en Henri-quatre hoeden gezien. Zij waren afschuwelijk! Zij geleken apen aan het hof van den tijger. Ik verklaar u, burgers, dat uw vooruitgang dwaasheid, dat uw humaniteit een droom, dat uw revolutie een misdaad, dat uw republiek een monster, dat uw maagdelijk jonge Frankrijk een hoer is. En dit houd ik staande voor allen, wie ze zijn, al waart ge publicisten, economisten, of legisten, en met vrijheid, gelijkheid en broederschap veel beter bekend dan met de bijl der guillotine! Dit, goede lieden, zeg ik u!"

"Parbleu!" riep de luitenant, "dat is meesterlijk en waar!"

De heer Gillenormand, die juist een gebaar wilde maken, keerde zich om, zag den lansier Theodule strak in de oogen en zeide:

"Gij zijt een ezel!"

BOEK VI.

DE CONJUNCTIE VAN TWEE STERREN.

EERSTE HOOFDSTUK.

HOE FAMILIENAMEN ONTSTAAN.

Marius was omtrent dezen tijd een fraai jongeling van middelbare grootte, met weelderig zwart haar, een hoog schrander voorhoofd, hartstochtelijk gebogen neusvleugels en opene, rustige trekken, waarop een tevens trotsche, denkende en onschuldige uitdrukking lag. Zijn gelaat, schoon rond van lijnen, was niettemin krachtig en had die Duitsche zachtheid, welke uit den Elzas en Lotharingen in de Fransche physionomie is gekomen, bij dat volkomen gemis van hoeken, 't welk de Sicambren onder de Romeinen zoo kenbaar maakte, en het leeuwenras van het adelaarsgeslacht onderscheidt. Hij was in den leeftijd, wanneer de geest van den denkenden mensch bijna in gelijke mate uit diepzinnigheid en naïeveteit is samengesteld. In gewichtige aangelegenheden had hij alle gegevens om dom te zijn; maar zoo men den sleutel nog eens omdraaide, kon hij verheven worden. Zijn manieren waren terughoudend, koel, beleefd, weinig voorkomend. Daar zijn mond bekoorlijk was, zijn lippen rood en zijn tanden schitterend wit waren, temperde zijn glimlach het strenge van zijn gelaat. Op zekere oogenblikken was zijn kuisch voorhoofd in zonderling contrast met zijn weelderigen glimlach. Zijn oog was klein, zijn blik groot.

In den tijd zijner grootste armoede merkte hij op, dat de meisjes omzagen wanneer hij voorbij ging, en met den dood in het hart snelde hij dan voort of verborg zich. Hij dacht, dat zij hem om zijn oude kleederen nawezen en uitlachten; maar werkelijk oogden zij hem om zijn bevalligheid na en droomden soms wel van hem.

Dit zwijgende misverstand tusschen hem en de schoonen, die hem voorbijgingen, had hem schuw gemaakt. Hij zocht zich geen meisje, om de goede reden dat hij allen ontvluchtte. Zoo leefde hij dom, besluiteloos voort, zooals Courfeyrac zei.

Maar deze zeide hem ook: Streef er naar om eerwaardig te zijn. Wil ik u een goeden raad geven? Lees niet zooveel in de boeken, maar kijk meer naar de meisjes. Die schepseltjes zijn zoo kwaad niet, Marius. Zoo ge haar blijft ontvluchten en steeds voor haar bloost, zult ge een wild dier worden.

Een andermaal ontmoette Courfeyrac hem en zeide: goeden dag, mijnheer de abt!

Wanneer Courfeyrac hem derwijze had toegesproken, vermeed Marius acht dagen lang meer dan ooit zoowel de oude als jonge vrouwen, en Courfeyrac op den koop toe.

Toch waren er in de gansche groote schepping twee vrouwen, welke Marius niet ontvluchtte en voor welke hij niet op zijn hoede was. 't Is waar, dat hij zeer verwonderd zou geweest zijn, zoo men hem gezegd had, dat het vrouwen waren. De eene was de oude baardige, die zijne kamer schoon hield, en die Courfeyrac deed zeggen: Marius draagt geen baard, wijl hij ziet dat zijn dienstmaagd er een heeft. De andere was een jong meisje, dat hij dikwerf ontmoette, doch dat hij nooit aanzag.

Sinds langer dan een jaar zag Marius in een eenzame laan van het Luxemburg, de laan die langs de borstwering der kweekerij loopt, een man en een zeer jong meisje meestal naast elkander op een bank zitten, en wel aan het eenzaamste einde der laan, dicht bij de Westerstraat. Telkens wanneer het toeval, dat zich met de wandelingen bemoeit van hen die hun oogen naar binnen richten, Marius in deze laan bracht, 't geen schier dagelijks het geval was, vond hij er dit paar. De man kon zestig jaar oud zijn en scheen treurig en ernstig; zijn geheele persoon toonde het forsche maar vermoeide voorkomen van een gepensioneerd krijgsman. Zoo hij een ridderorde gehad had, zou Marius hem voor een voormalig officier hebben gehouden. Hij had een goed, maar niet zeer innemend gezicht en liet nooit zijn blik op dien van een ander rusten. Hij droeg een blauwe broek, een blauwe jas en een hoed met breeden rand, die altijd nieuw schenen, en daarbij een zwarte das en een kwakershemd, dat sneeuwwit, schoon van grof linnen was. Een grisette die hem eens voorbij ging, zei: Dat is een zeer net weduwnaar! Hij had zeer witte haren.

De eerste maal dat het meisje, 't welk hem vergezelde, met hem op de bank ging zitten, welke zij in pacht schenen te hebben, was zij een dertien- of veertienjarig kind, schier leelijk van magerheid, links en onbeduidend, maar wier oogen eens fraai beloofden te worden. Zij sloeg ze echter steeds met zekere onbevallige stoutmoedigheid op. Zij droeg de tevens oude en kinderachtige kleeding der kloosterscholieren, een leelijk gefatsoeneerde jurk van grove, zwarte merinos. 't Was of zij vader en dochter waren.

Twee of drie dagen lang sloeg Marius dezen ouden man, die nog geen grijsaard, en het meisje, dat nog geen zelfstandig wezen was, gade, toen lette hij er niet meer op. Zij van hun zijde schenen hem zelfs niet te zien. Zij spraken bedaard en onverschillig met elkander. Het meisje babbelde onophoudelijk en vroolijk. De oude man sprak weinig en sloeg van tijd tot tijd blikken vol vaderlijke liefde op haar.

Ziehier, hoe zich de zaak toedroeg:

Marius kwam meestal de laan in, aan den tegenovergestelden kant hunner bank; hij wandelde dan de geheele laan door, kwam hen voorbij, ging dan weder terug naar den kant van waar hij gekomen was, en begon dan weder opnieuw. Hij kwam hen op deze wijze op zijn wandeling vijf of zesmaal voorbij, en deed deze wandeling vijf of zesmaal in de week, zonder dat hij of deze menschen er nog toe gekomen waren een groet met elkander te wisselen. Deze man en dit meisje, ofschoon, en misschien wel omdat, het scheen dat zij alle opzien wilden vermijden, hadden de aandacht van vijf of zes studenten getrokken, die nu en dan langs de boomkweekerij naar hun lessen, of hun biljartpartij wandelden. Courfeyrac, onder anderen, die tot deze laatsten behoorde, had het paar eenigen tijd gadegeslagen, maar daar hij het meisje leelijk vond, had hij het zorgvuldig vermeden. Hij was als een Parth gevlucht na een bijnaam op haar te hebben afgeschoten. Alleen door het kleedje van het meisje en het witte haar van den ouden man getroffen, noemde hij het kind "juffer Lanoire" (de zwarte) en den vader "mijnheer Leblanc" (den witte). En deze bijnamen behielden beiden, omdat men hun ware namen niet kende. De studenten zeiden dus: Ha, daar zit mijnheer Leblanc weêr op zijn bank! en Marius vond het evenals de anderen, gemakkelijk den onbekende maar mijnheer Leblanc te noemen.

Wij zullen hetzelfde doen en gemakshalve ook mijnheer Leblanc zeggen.

Gedurende het eerste jaar zag Marius hen daar schier alle dagen op hetzelfde uur. De man behaagde hem, maar het meisje vond hij onbevallig.

TWEEDE HOOFDSTUK.

EN 'T WERD LICHT.

In het tweede jaar, juist op het punt, waar wij met onze geschiedenis gekomen zijn, liet Marius, zonder eigenlijk te weten waarom, zijn gewone wandeling in het Luxemburg varen, en had sinds bijna zes maanden geen voet meer in de laan gezet. Eindelijk ging hij er op een fraaien zomermorgen weêr heen. Marius verheugde zich in het fraaie weder. 't Was hem, alsof de vogels die hij hoorde in zijn harte zongen en het vol was van den blauwen hemel, dien hij door het loover heen zien kon.

Regelrecht ging hij naar "zijn laan," en zag, toen hij aan het einde ervan gekomen was, altijd op dezelfde bank, het hem bekende paar weder. Maar toen hij naderde was het wel dezelfde man, maar het meisje scheen anders te zijn geworden. Het meisje toch, dat hij thans vond, was een rijzig, schoon wezen met al die bekoorlijke vormen, welke de vrouw bezitten kan op het oogenblik, wanneer deze nog met de naïeve bevalligheden van het kind vereenigd zijn, het is dat vluchtige, reine oogenblik, dat slechts door deze twee woorden: vijftien jaar, kan uitgedrukt worden. Zij bezat wonderschoone, kastanjebruine lokken met gouden gloed, een als uit marmer gehouwen voorhoofd, wangen als een rozenblad, een lichten blos, een teedere blankheid, een schoonen mond, waaraan de glimlach als een schittering ontschiet, de woorden als muziek ontgloeien, een hoofd, dat Raphaël aan Maria zou hebben gegeven, en een hals dien Jean Goujon aan Venus zou hebben toebedeeld. Opdat niets aan deze bekoorlijke gestalte zou ontbreken, was de neus niet schoon, maar lief, niet recht, noch gebogen, niet Italiaansch, noch Grieksch; 't was de Parijsche neus, namelijk zoo geestig en fijn, onregelmatig en zuiver, dat hij de schilders wanhopig maakt en de dichters verrukt.

Toen Marius haar voorbijging, kon hij haar oogen niet zien, die steeds waren neergeslagen. Hij zag alleen haar lange kastanjekleurige wimpers vol schaduw en kuischheid.

Dit belette het lieve kind echter niet te glimlachen, terwijl zij naar den man met het witte haar luisterde, die haar toesprak; en niets was bekoorlijker dan die frissche glimlach bij zulke nedergeslagen oogen.

Aanvankelijk dacht Marius dat het een andere dochter van denzelfden man was, een zuster, waarschijnlijk, der eerste. Maar toen de gewone wijze zijner wandeling hem ten tweeden male bij de bank bracht en hij haar nauwkeuriger had beschouwd, herkende hij haar. In zes maanden was het meisje jongedochter geworden; dat was alles. Niets is meer gewoon dan dit verschijnsel. Er is een tijd, waarin de meisjes eensklaps ontluiken; plotseling kunnen zij rozen worden. Gisteren heeft men ze nog als kinderen verlaten, heden vindt men ze om uw rust te benemen.

Deze was niet alleen grooter maar ook schooner geworden. Gelijk sommige boomen slechts drie Aprildagen behoeven om zich met bloesem te bedekken, had zij slechts zes maanden noodig gehad om zich in schoonheid te kleeden. Ook haar April was gekomen.

Men ziet soms lieden, die, arm en nietswaardig, plotseling schijnen te ontwaken, plotseling van armoede tot weelde overgaan, allerlei verteringen maken en schitterend, verspillend en rijk worden. Dan is er een rente, een vervallen wissel ontvangen. Het meisje scheen insgelijks haar verschenen kwartaal gebeurd te hebben.

Ook was zij niet meer de kloosterscholier met haar pluchen hoed, merinossen kleedje, rijglaarsjes en roode handen; met hare schoonheid was de goede smaak gekomen; rijk, eenvoudig en elegant tevens was haar gewaad. Zij droeg een zwart damasten kleed, een mantille van dezelfde stof en een wit krippen hoed. Haar witte handschoenen toonden de fijnheid harer hand, die met den chineeschen ivoren steel van een parasol speelde; haar zijden laarsje verried de kleinheid van haar voet. Haar geheel toilet ademde een jeugdigen geur, die den voorbijganger als doordrong.

De man was dezelfde gebleven.

Toen Marius haar den tweeden keer voorbijging, sloeg de jonge dame de oogen op, en hij zag haar donkere hemelsblauwe oogen, maar in dat omsluierd blauw lag slechts de blik van een kind. Onverschillig staarde zij Marius aan, alsof zij de marmeren vaas had aanschouwd, die op de bank haar schaduw wierp; en Marius zette zijnerzijds zijn wandeling voort, en dacht aan iets anders.

Nog vier of vijf malen ging hij de bank voorbij, waarop het meisje zat, doch zonder zijn oogen naar haar te richten.

De volgende dagen wandelde hij als gewoonlijk naar het Luxemburg, waar hij "vader en dochter" als gewoonlijk vond; doch hij lette niet op hen. Hij dacht evenmin aan dit meisje nu zij schoon was, als hij er aan gedacht had, toen zij nog leelijk was. Evenals vroeger ging hij dicht voorbij de bank, wijl 't zoo zijn gewoonte was.

DERDE HOOFDSTUK.

WERKING DER LENTE.

Op zekeren zoelen dag was het Luxemburg met schaduw en zonneglans overstroomd; de hemel was zoo helder of de engelen hem des ochtends gereinigd hadden; de musschen tjilpten in de kastanjeboomen; Marius had zijn gansche ziel voor de natuur geopend; hij dacht aan niets; hij leefde slechts en ademde. Daar ging hij voorbij de bank; het jonge meisje sloeg haar oogen op hem, en beider blikken ontmoetten elkander.

Wat lag er thans in den blik der jonge maagd?

Marius zou 't niet hebben kunnen zeggen. Er lag niets, en er lag alles in. 't Was een wonderbaar weêrlicht.

Zij sloeg de oogen neder, en hij zette zijn wandeling voort.

Wat hij gezien had, was niet de onnoozele, onbevangen blik van een kind; het was een geheimzinnige diepte, die zich geopend en plotseling weder gesloten had.

Er komt een dag dat ieder meisje dien blik heeft, en wee hem, die haar dan nabij is.

Deze eerste blik eener ziel, die zich zelve nog niet kent, is als het morgenrood aan den hemel. 't Is het ontwaken van iets schitterends en onbekends. Niets kan de gevaarlijke bekoorlijkheid beschrijven van dien onverwachten glans, die eensklaps een aanbiddelijke duisternis verlicht en uit al de onnoozelheid van het heden en al de hartstochtelijkheid der toekomst bestaat. 't Is een zekere besluitelooze teederheid, die zich toevallig openbaart en wacht. 't Is een valstrik, welke de onschuld argeloos spreidt en waarin zij onwillekeurig en zonder het te weten de harten vangt. 't Is een maagd met den blik eener vrouw.

Zeldzaam is 't, dat, waar deze blik treft, hij niet diep doet droomen en peinzen. Al wat rein, al wat onschuldig is, smelt in dien hemelschen, gevaarlijken blik samen, welke, meer dan de listigste lonken der coquetten, de toovermacht heeft plotseling in een ziel die donkere, giftige en geurige bloem te doen ontluiken, welke de liefde wordt genoemd.

Toen Marius des avonds te huis kwam, sloeg hij een blik op zijn kleeding en zag voor het eerst dat hij zoo lomp, onbetamelijk en ontzaggelijk dom was geweest, om in zijn daagsche kleederen in den tuin van het Luxemburg te wandelen; en wel met een valen hoed, grove laarzen, een aan de knieën afgesleten zwarten pantalon en een rok, die aan de ellebogen glimmend en grijs was geworden.

VIERDE HOOFDSTUK.

BEGIN EENER ZWARE ZIEKTE.

Den volgenden dag nam Marius op het gewone uur zijn nieuwen rok, nieuwen pantalon en nieuwe laarzen uit de kast, kleedde zich, trok handschoenen aan--een ongekende weelde--en wandelde naar het Luxemburg.

Onderweg ontmoette hij Courfeyrac, maar veinsde hem niet te zien. Toen Courfeyrac echter bij zijn vrienden kwam, zei hij:

"Ik heb een nieuwen hoed en een nieuwen rok, met Marius er in, ontmoet. Hij ging waarschijnlijk een examen afleggen. Hij had een zeer dom voorkomen."