De Ellendigen (Deel 3 van 5)

Part 11

Chapter 113,906 wordsPublic domain

Wij moeten echter zeggen, dat Marius het hart zijns grootvaders miskende. Hij verbeeldde zich dat Gillenormand hem nooit bemind had, en dat deze goede man, zoo kort van stof en zoo hardvochtig, die lachte, vloekte, schreeuwde, bulderde en den stok opgeheven had, voor hem hoogstens de tevens flauwe en strenge liefde van een comedievader gevoelde. Marius bedroog zich. Er zijn vaders, die hun kinderen niet beminnen; maar er bestaat geen grootvader, die zijn kleinzoon niet liefheeft. Wij hebben het gezegd; de heer Gillenormand had Marius in den grond hartelijk lief, maar op zijn wijze, met norschheid en zelfs met oorvegen. Doch toen de jongeling verdwenen was, gevoelde hij een donkere leegte in zijn hart; hij eischte, dat men niet meer van hem sprak, en treurde in stilte, omdat men hem zoo stipt gehoorzaamde. In den beginne hoopte hij, dat die buonapartist, die jakobijn, die terrorist, die septemberman weder komen zou. Maar weken gingen voorbij, maanden, jaren verstreken; en tot groote wanhoop van den heer Gillenormand kwam de bloeddrinker niet weder te voorschijn.--Ik kon toch niet anders doen dan hem wegjagen, zei de grootvader bij zich zelven, terwijl hij zich afvroeg: als zoo iets weer gebeurde, zou ik het dan nog eens doen? Zijn hoogmoed antwoordde dadelijk: ja! maar zijn oude hoofd, dat hij zwijgend schudde, antwoordde treurig: neen. Hij had oogenblikken van neerslachtigheid. Marius ontbrak hem. Grijsaards hebben evengoed genegenheid als zon of warmte noodig. Hoe sterk hij ook van aard was, had Marius' afzijn toch iets in hem veranderd. Voor alles ter wereld zou hij dien "kleinen snaak" geen schrede genaderd zijn, maar toch leed hij. Nooit vernam hij naar hem, maar toch dacht hij altijd aan hem. Meer en meer leefde hij afgezonderd in het Marais. Hij was wel evenals vroeger vroolijk en driftig, maar zijn vroolijkheid had een stuipachtige hardheid, als bevatte zij smart en toorn, en zijn drift ging steeds tot een soort van zachte, sombere neerslachtigheid over. Hij zeide soms:--"O wat zou ik hem een flinken oorveeg geven zoo hij terugkwam!"

Tante dacht te weinig om veel lief te hebben; voor haar was Marius niets meer dan een donkere onduidelijke silhouet, en eindelijk was zij zoover gekomen, dat zij zich nog minder met hem bezig hield dan met de kat of de papegaai, welke zij waarschijnlijk wel had.

Wat het geheime leed van vader Gillenormand nog vermeerderde was, dat hij het geheel in zich opsloot en er niets van liet blijken. Zijn verdriet geleek die nieuw uitgevonden haarden, welke hun eigen rook verbranden. Soms geviel het, dat lastige gedienstige geesten hem van Marius spraken en vroegen: "Wat doet, of wat wordt mijnheer uw kleinzoon?" Dan antwoordde de oude burger zuchtend, zoo hij al te treurig was, of op zijn manchetten tikkende, zoo hij vroolijk wilde schijnen: "Mijnheer de baron Pontmercy pleit hier of daar."

Terwijl de grijsaard Marius betreurde, wenschte Marius zich zelven geluk. Het ongeluk had hem, zooals allen goeden harten, de bitterheid ontnomen. Aan den heer Gillenormand dacht hij slechts met zachtheid, maar toch volhardde hij er in, niets meer van den man te ontvangen die slecht jegens zijn vader was geweest.--'t Was nu de verzachte vertaling van zijn eerste misnoegen. Bovendien achtte hij zich gelukkig, geleden te hebben en nog te lijden. Dat was voor zijn vader. Zijn sober leven bevredigde en behaagde hem. Met een zeker gevoel van vreugd dacht hij er aan, dat dit het minste--dat dit een boetedoening was; dat hij anders wegens zijn goddelooze onverschilligheid voor zijn vader, en wel voor zulk een vader, later zeker gestraft zou geworden zijn;--dat het niet rechtvaardig was, zoo zijn vader alles en hij niets had geleden;--wat waren overigens zijn werkzaamheden en ontberingen bij het heldenleven van den kolonel vergeleken?--en eindelijk dat de eenige manier om zijn vader meer nabij te komen en te gelijken was, moedig tegen de behoefte te zijn, evenals zijn vader moedig tegen den vijand was geweest, en dat de kolonel zoo iets ongetwijfeld bedoeld had met de woorden: "hij zal dit waardig zijn." Woorden, die Marius voortdurend, niet op de borst--want het geschrift van den kolonel was verloren gegaan--maar in zijn hart droeg.

Den dag toen zijn grootvader hem wegjoeg, was hij nog slechts een knaap nu echter was hij man geworden. Hij gevoelde dit. De armoede,--wij drukken hierop--was goed voor hem geweest. Armoede in de jeugd heeft dit nut, dat zij wil en ziel tot krachtsinspanning aanspoort. Armoede legt het stoffelijke leven al dadelijk bloot, en vertoont de daden in al hare leelijkheid; vandaar dat onbeschrijfelijk verlangen naar het ideale leven. De jonge rijkaard vindt honderden schitterende en zinnelijke vermaken, wedrennen, jachtpartijen, honden, tabak, spel, goede maaltijden en wat er meer is, alle bezigheden voor het lagere in de ziel, ten koste van het hoogere en meer kiesche. De arme jongeling doet alle moeite om zijn brood te winnen; hij eet, en als hij gegeten heeft blijven hem niets dan zijn droomen over. Hij gaat om niet naar het schouwtooneel dat God hem toont; hij aanziet den hemel, het uitspansel, de starren, de bloemen, de kinderen, de menschheid waarin hij lijdt, de schepping, waarin hij straalt. Hij beschouwt de menschheid zoolang tot hij haar ziel ziet, de schepping zoolang tot hij er God in herkent. Hij denkt na en gevoelt zich groot; hij denkt nog dieper na en voelt zich verteederd. Van het egoïsme des lijdenden gaat hij tot het medelijden des bespiegelenden menschen over. Een bewonderenswaardig gevoel ontwaakt in hem; vergetelheid voor zich zelven en medelijden voor allen. Als hij aan de ontelbare geneugten denkt, welke de natuur de geopende zielen biedt, biedt tot overstelpens toe, maar de geslotene zielen onthoudt, beklaagt hij, rijk door verstand, den rijke in geld. Alle haat verdwijnt uit zijn hart naarmate het licht zijn geest binnendringt. Is hij voor 't overige ongelukkig? Neen. De armoede van een jongmensch is nooit ongelukkig. De eerste de beste jongeling, hoe arm hij zij, zal, met zijn gezondheid, zijn kracht, levendigen tred, schitterende oogen, warm stroomend bloed, zwarte haren, frissche wangen, roode lippen, witte tanden en zuiveren adem nog altijd een ouden keizer afgunstig kunnen maken. Bovendien begint hij iederen ochtend weder zijn brood te verdienen; en terwijl zijn handen dit winnen, wint zijn houding aan fierheid, zijn verstand aan denkbeelden. Na zijn arbeid doolt zijn geest in onuitsprekelijke genoegens, in aanschouwingen, en vreugde rond. Zijn voet treedt door tegenspoeden en hindernissen de straat over, langs doornen, wel soms in het slijk, maar toch met het hoofd in het licht. Hij is vastberaden, kalm, zacht, vreedzaam, oplettend, met weinig tevreden, goedwillig--en hij dankt God, dat die hem die rijkdommen gaf, welke zoovele aanzienlijken moeten ontberen: de arbeid, die hem vrij maakt, en de gedachte, die hem veredelt.

Dat was in Marius gebeurd. Hij helde zelfs, om de waarheid te zeggen, wel wat te veel tot bespiegeling over. Sinds het hem gelukt was zijn brood bijna zeker te kunnen verdienen, had hij zich daarbij bepaald, het goedkeurende dat hij arm was en den tijd aan den arbeid ontwoekerend om dien aan overpeinzing te wijden. Een ziener gelijk, die zich in de stille weelde der verrukking en eener inwendige lichtwereld dompelt en daardoor verzwolgen wordt, bracht hij geheele dagen met overpeinzingen door.

Aldus had hij zich het raadsel des levens voorgesteld. Zoo min mogelijk stoffelijk werk bij zooveel onstoffelijken arbeid als maar mogelijk was, of met andere woorden, eenige uren aan het werkelijke leven, de overige aan het oneindige te schenken. Meenende dat hem niets ontbrak, bespeurde hij niet, dat de bespiegeling een van de vormen der luiheid wordt; dat hij zich slechts tevredenstelde met in de eerste behoeften des levens te voorzien en veel te vroeg rust nam.

't Was duidelijk, dat dit voor zulk een krachtige en edele natuur slechts een overgangspunt was, en Marius bij den eersten schok tegen de onvermijdelijke verwikkelingen van het noodlot ontwaken zou.

Intusschen, schoon hij advocaat was en vader Gillenormand het dacht, pleitte hij niet. Overpeinzing had hem het pleiten tegen gemaakt. Het verveelde hem met procureurs om te gaan, het gerechtshof te bezoeken en zaken op te loopen. Waartoe zou 't hem dienen? Hij vond geen enkele reden om van kostwinning te veranderen. In het werken voor den boekhandel vond hij een zekeren en weinig vermoeienden arbeid, waaraan hij, zooals wij zeiden, genoeg had.

Een der boekhandelaars, voor wien hij werkte,--ik geloof de Heer Magimel--had hem voorgesteld bij hem in huis te komen, waar hij hem bij behoorlijke huisvesting, geregelden arbeid en vijftienhonderd francs 's jaars zou geven. Een goede huisvesting en vijftienhonderd francs! Zeer verlokkend! Maar van zijn vrijheid af te staan! een loontrekkend, een soort van letterkundig bediende te zijn! Naar Marius' gedachte zou, zoo hij 't voorstel aannam, zijn toestand èn beter èn slechter worden; wat hij aan welstand won, zou hij aan eigenwaarde verliezen; het was een volmaakt, mooi ongeluk, dat in een leelijken, belachelijken dwang veranderde; 't was iets als een blinde, die éénoogig worden kon. Hij weigerde dus.

Marius leefde eenzaam. Door zijn neiging voor afzondering, had hij er bepaald van afgezien, in het genootschap over te gaan, waar Enjolras presideerde. Overigens waren zij kameraads gebleven en bereid elkander bij gelegenheid op allerlei wijzen te helpen; meer echter niet.

Marius had twee vrienden, een jongen, Courfeyrac, en een ouderen, Mabeuf. Hij helde het meest tot den laatsten over. Vooreerst had hij dezen de in hem ontstane verandering te danken, en tevens had deze hem zijn vader leeren kennen en beminnen. "Hij heeft mij van de staar gelicht," zeide hij.

Voorwaar, deze kerkmeester had het pleit beslist.

De heer Mabeuf was evenwel bij die gelegenheid niets dan het rustige, lijdelijke werktuig der Voorzienigheid geweest. Hij had Marius toevallig en zonder het te weten licht geschonken, evenals de kaars doet, die door iemand binnen gebracht wordt; hij was de kaars en niet de persoon geweest.

De heer Mabeuf was volkomen onbekwaam om de inwendige politieke verandering van Marius te begrijpen, te willen of te besturen.

Wijl men later den heer Mabeuf zal wedervinden, zijn eenige woorden nopens hem niet onnoodig.

VIERDE HOOFDSTUK.

DE HEER MABEUF.

Denzelfden dag, toen de heer Mabeuf tot Marius zeide: "zekerlijk, ik keur politieke meeningen goed," drukte hij den wezenlijken toestand van zijn geest uit. Alle politieke meeningen waren hem onverschillig, en hij keurde ze alle zonder onderscheid goed, mits zij hem met rust lieten, op dezelfde wijze als de Grieken de furiën, de schoonen, de goeden en bekoorlijken de Eumeniden noemden. De politieke meening van den heer Mabeuf was een hartstochtelijke liefde voor planten en bovenal voor boeken. Hij had, zooals iedereen, de lettergreep ist tot uitgang, zonder welke niemand in dien tijd kon leven, maar hij was royalist, bonapartist, chartist, orleanist, noch anarchist; hij was bouquinist (boekenliefhebber). Hij begreep niet, waarom de menschen wegens zulke nietigheden als de charte, de democratie, de legitimiteit, de monarchie, de republiek enz. elkander konden haten, terwijl er in de wereld zoo velerlei soorten van mos, kruiden en heesters waren die zij beschouwen, en stapels folianten die zij doorbladeren konden. Hij wilde niet nutteloos zijn; dat hij boeken had en botanicus was, belette hem niet te lezen en te tuinieren. Toen hij Pontmercy had leeren kennen, ontstond tusschen den kolonel en hem sympathie, wijl deze bloemen en de ander vruchten kweekte. De heer Mabeuf was er in geslaagd even uitmuntende peren als die van St. Germain te telen.

Hij ging veeleer ter mis uit gewoonte dan uit godsvrucht, en ook wijl hij, gaarne menschen ziende maar hun gewoel hatend, hen slechts in de kerk stil bijeen vond. Hij had, beseffende dat hij in den staat iets moest zijn, de loopbaan van kerkmeester gekozen. Overigens was 't hem nooit gelukt zoo verliefd op een vrouw te worden als op een tulpbol, en was geen man hem zoo lief als een Elzevier. Hij was reeds lang over de zestig jaar toen iemand hem vroeg: "Zijt ge nooit gehuwd geweest?"--"Ik heb 't vergeten," antwoordde hij. Zoo 't hem nu en dan gebeurde--en wien gebeurt dit niet?--te zeggen: "O, zoo ik rijk ware!"--was 't niet terwijl hij een meisje begluurde, gelijk vader Gillenormand, maar alleen bij de beschouwing van een oud boek.

Hij leefde alleen met een oude huishoudster--en was min of meer jichtig; in den slaap kromden zich zijn oude door het rheumatisme verstijfde vingers over het beddelaken. Hij had een Flora over de omstreken van Cauteretz geschreven met gekleurde platen, een tamelijk goed werk, waarvan hij de koperplaten bezat, en dat hij zelf verkocht. Twee of driemaal daags kwam men daarom bij hem in de straat Mezières aanschellen. Dit bracht hem elk jaar een paar duizend francs op, en was ongeveer zijn geheele fortuin.

Hoewel hij arm was, had hij toch talent genoeg gehad, om door geduld, ontbering en tijd een kostbare verzameling van zeldzame, veelsoortige exemplaren bijeen te brengen. Nooit ging hij uit dan met een boek onder den arm en kwam er dikwerf met twee weder te huis. De eenige versieringen der vier benedenkamers, die met een kleinen tuin zijn woning vormden, waren herbariums en platen van oude meesters. Het gezicht van een sabel of geweer deed hem verstijven. In zijn gansche leven was hij geen kanon genaderd, zelfs niet in het Hôtel der Invaliden. Hij had een goede maag; een broeder, die pastoor was, met witte haren; geen tanden in den mond noch in den geest; een beving in al zijn leden; een picardischen tongval; een kinderlijken lach en een gezicht als een oud schaap.

Bij dat alles onder de levenden slechts één vriend, een ouden boekhandelaar, Royol, en één wensch: dat de indigo-bouw in Frankrijk ingevoerd mocht worden. Ook zijn dienstmeid was een rariteit van onschuld. De goede vrouw was nog vrijster. Sultan, haar kater, die het miserere van Allegri in de Sixtijnsche kapel had kunnen mauwen, vervulde haar hart en bevredigde de hoeveelheid hartstocht die in haar was. Geen harer wenschen had zich ooit tot een man verheven. De kater was haar alles. Zij had knevels gelijk hij. Zij stelde roem in een heldere muts. Zij vermaakte zich des zondags na de mis met haar lijnwaad in de kast te tellen en de lappen katoen op haar bed uit te spreiden, welke zij voor haar kleederen kocht, doch nooit liet maken. Zij kon lezen. Mijnheer Mabeuf had haar den bijnaam van "moeder Plutarchus" gegeven.

Mabeuf had genegenheid voor Marius gekregen, wijl Marius, jong en zacht van aard, zijn ouderdom verwarmde, zonder zijn bedeesdheid te verschrikken. Jeugd en zachtheid doen op grijsaards de uitwerking van een zonneschijn zonder wind. Toen Marius verzadigd was van militairen roem, buskruit, marschen en contra-marschen en van al de schoone veldslagen, waarin zijn vader sabelhouwen gegeven en ontvangen had, bezocht hij Mabeuf, en deze sprak hem van den held naar aanleiding zijner bloemen.

Omstreeks 1830 was zijn broeder de pastoor overleden, en schier eensklaps was, evenals wanneer de nacht daalt, voor den heer Mabeuf de geheele horizont verduisterd. Door een bankroet--van een notaris--verloor hij een som van tien duizend francs, hetgeen alles was wat hij en zijn broeder bezaten. De Juli-revolutie veroorzaakte een crisis in den boekhandel. In tijden van algemeenen nood worden zelden Floras verkocht. De Flora over de omstreken van Cauteretz ging volstrekt niet meer. Weken vervlogen zonder dat er een kooper kwam. Soms ontroerde de heer Mabeuf, wanneer hij de schel hoorde.--"Neen, mijnheer," zeide moeder Plutarchus dan treurig, "'t is de waterdrager."--Kortom, op zekeren dag verliet Mabeuf de straat Mezières, deed afstand van zijn kerkmeesterschap, verkocht een gedeelte, niet van zijn boeken, maar van zijn prenten--waaraan hij 't minst gehecht was,--en betrok een huisje op den boulevard Mont-Parnasse, dat hij echter slechts twee maanden bewoonde, en wel om twee redenen: eerstens wijl het beneden-huis en de tuin driehonderd francs kostte, en hij niet meer dan tweehonderd francs huur kon betalen, en ten tweede wijl erin de buurt een schijfschieterij was en hij pistoolschoten hoorde, die hem ondragelijk waren.

Hij nam zijn Flora, zijn koperen platen, zijn herbariums, portefeuilles en boeken mede, en zette zich metterwoon neder bij la Salpétrière, in een soort hut van het dorp Austerlitz, waar hij voor honderdvijftig francs 's jaars drie kamers en een omheinden tuin met een put had. Hij maakte van die verhuizing gebruik om bijna al zijn huisraad te verkoopen. Op den dag zijner komst in de nieuwe woning was hij zeer vroolijk; hij sloeg zelf de spijkers in den muur, om er zijn prenten en herbariums aan te hangen; en toen hij moeder Plutarchus des avonds treurig zag, klopte hij haar op den schouder, terwijl hij glimlachend zeide:

"Wij hebben de indigo!"

Slechts twee bezoekers, de boekhandelaar en Marius, werden er toegelaten in zijn hut te Austerlitz, welke oorlogzuchtige naam hem vrij onaangenaam was.

Hersenen,--zooals wij hebben aangewezen--die met wijsheid of dwaasheid zijn gevuld, of, 't geen vaak gebeurt, door beide tegelijk, zijn overigens tamelijk ongevoelig voor de werkelijke dingen des levens. Haar bestemming is ook anders. Hieruit echter ontstaat een lijdelijkheid, die, ware zij beredeneerd, op wijsbegeerte kon gelijken. Zulke lieden dalen, zinken, storten zelfs neêr, zonder er bijna iets van te bespeuren. Dit eindigt wel is waar met een ontwaking, maar dan is het te laat. Ondertusschen houden zij zich in het spel om hun geluk of ongeluk eenigermate onzijdig. Zij zijn wel de inzet, doch zien bij het spel onverschillig toe!

Alzoo had de heer Mabeuf, die allengs al zijn verwachtingen verdwijnen zag, bij al die donkerheid welke deze doofde, zijn vroolijkheid toch behouden, die, al was ze ook eenigszins kinderachtig, toch diep gevoeld was. De gewoonten van zijn geest slingerden gestadig van de eene naar de andere zijde, als de slinger van een klok. En die slingering, door een hersenschim veroorzaakt, hield lang aan, zelfs wanneer de schim reeds lang verdwenen was. Een horloge staat niet dadelijk stil op 't oogenblik, dat men den sleutel er van verliest.

De genoegens van Mabeuf waren zeer onschuldig, goedkoop en onverwacht; het geringste toeval gaf ze hem. Op zekeren dag las moeder Plutarchus in een hoek der kamer een roman. Zij las luid, meenende het dan beter te zullen begrijpen. Het overluid lezen is eenigerwijs de bevestiging van 't geen men leest. Er zijn zelfs lieden die zeer luid lezen, alsof zij hun woord van eer willen geven, dàt zij lezen.

Met die kracht las moeder Plutarchus den roman, dien zij in de hand hield. Mabeuf hoorde zonder te luisteren.

Lezende kwam moeder Plutarchus aan deze zinsnede. Er was sprake van een dragonderofficier en een schoone.

" ... De schoone pruilde, en de dragonder..." [6]

Hier zweeg zij om haar bril schoon te maken.

"Bouddha en de draak," zei Mabeuf halfluid. "Ja, 't is waar, er was een draak die in zijn hol vlammen spuwde uit den muil en den hemel verbrandde. Verscheidene sterren waren reeds door dat monster verbrand, dat bovendien tijger-klauwen had. Bouddha ging zijn hol binnen en 't gelukte hem den draak te bekeeren. 't Is een goed boek, dat ge daar leest, moeder Plutarchus. Er is geen fraaier legende."

En Mabeuf verdiepte zich weder in zijn aangename overpeinzingen.

VIJFDE HOOFDSTUK.

ARMOEDE IS EEN GOED GEBUUR VOOR ELLENDE.

Marius had genegenheid opgevat voor den goeden grijsaard, die langzamerhand tot behoeftigheid verviel en zich allengs verwonderde, zonder zich echter erg te bedroeven. Marius ontmoette Courfeyrac en zocht Mabeuf op. Zeer zelden evenwel; hoogstens een paar keeren in de maand.

Marius deed in zijn eenzaamheid gaarne groote wandelingen langs de buitenboulevards, op het Champ de Mars of in de minst bezochte lanen van het Luxemburg. Soms besteedde hij een halven dag met de beschouwing van een moestuin, van saladebedden, van kippen op een mesthoop en van een paard dat in den molen liep. De voorbijgangers zagen hem met verbaasden blik aan; sommigen vonden iets verdachts en gevaarlijks aan hem, hoewel hij niets dan een arm jongeling was, die zich aan zijn gedachten overgaf.

Op een dier wandelingen het huis Gorbeau ontdekkende, hadden de eenzaamheid en de geringe huurprijs hem verlokt, en huurde hij er een kamer. Men kende hem er alleen onder den naam van Marius.

Eenige oude generaals en krijgsmakkers van zijn vader hadden hem uitgenoodigd, toen zij hem leerden kennen, en Marius had niet geweigerd, want dit was hem een gelegenheid om over zijn vader te spreken. Nu en dan legde hij dus bij graaf Pajol, bij generaal Bellavesne, bij generaal Tririon en in het Hôtel der Invaliden bezoeken af. Men maakte er muziek en danste er. Voor deze bezoeken droeg Marius zijn beste kleêren. Maar nooit ging hij naar deze soirées of bals, dan wanneer het steendik vroor; want hij kon geen huurrijtuig betalen en wilde er niet verschijnen dan met laarzen, die als spiegels blonken.

Vaak zeide hij, doch zonder wrevel:

"Zoo zijn de menschen! men mag in gezelschap komen zoo beslijkt men wil, mits de schoenen zuiver zijn. Men vergt er alleen: onberispelijkheid--van geweten?--neen, van laarzen."

Alle driften, behalve die van 't hart, vervliegen bij den denker. Ook de politieke koorts van Marius was vervlogen. Daartoe had de revolutie van 1830, door hem te bevredigen en te bedaren, vooral medegewerkt. Op zijn toorn na was hij nog schier dezelfde. Hij had nog altijd dezelfde meeningen; maar zij waren eenigszins gewijzigd; eigenlijk gezegd, had hij geen meeningen meer, maar sympathieën. Tot welke partij behoorde hij? tot de partij der humaniteit. Deze koos Frankrijk tot haar doel; in de natie koos hij het volk, in het volk de vrouw. Met haar vooral had hij medelijden. Nu gaf hij de voorkeur aan een denkbeeld boven een feit, aan een dichter boven een held, en bewonderde meer een boek als dat van Job dan een gebeurtenis als die van Marengo. En dan weer, wanneer hij na een dag van bespiegeling des avonds langs den boulevard huiswaarts keerde, en door de takken van het geboomte het peilloos uitspansel, het onbeschrijfelijk licht, de diepte, de schaduw, de verborgenheid, aanschouwde, kwam al het menschelijke hem klein en nietig voor.

Hij geloofde zoo zeker, het ware in 't leven en de wijsbegeerte gevonden te hebben, en had het misschien ook gevonden, dat hij eindelijk schier niets dan den hemel aanschouwde, het eenige wat men in den put der waarheid zien kan.

Dit belette hem echter niet allerlei plannen, ontwerpen en luchtkasteelen voor de toekomst te bouwen. Zoo men de droomerijen van Marius had kunnen doorzien, zou men door de reinheid zijner ziel als verblind zijn geweest. Immers, zoo onze lichamelijke oogen in het hart van anderen vermochten te staren, zou men een mensch zeker meer naar 't geen hij droomt dan naar 't geen hij denkt beoordeelen. In de gedachte ligt het willen, niet in den droom. De vrijwillige droom neemt, zelfs in het reusachtige en ideale, den vorm van onzen geest aan en behoudt dien. Niets vloeit meer rechtstreeks en oprecht uit onze ziel, dan ons onbedacht en buitensporig streven naar den glans van het lot. In dit streven, veel meer dan in samengestelde, beredeneerde en geregelde denkbeelden, kan men het wezenlijke karakter van ieder mensch wedervinden. Wat ons het meest gelijkt, zijn onze droomen. Ieder droomt naar zijn aard van het onbekende en onmogelijke.

In het midden van het jaar 1831 verhaalde de oude vrouw, Marius' dienstbode, hem, dat men zijn buren, het arme huisgezin Jondrette, buiten de deur zou zetten. Marius, die bijna den geheelen dag uit was, wist nauwelijks dat hij buren had.

"Waarom?" vroeg hij.

"Wijl zij de huur niet betalen; zij zijn reeds twee termijnen schuldig."

"Hoeveel bedraagt de som?"