De afstamming van den mensch en de seksueele teeltkeus, deel 1 (van 2)
Part 49
Bij de verschillende tamme rassen van schapen, geiten en hoornvee verschillen de mannetjes van hun respectieve wijfjes in den vorm of de ontwikkeling van hun horens, voorhoofd, manen, kossem, staart en bult op de schouders; en deze bijzonderheden ontwikkelen zich overeenkomstig onzen regel eerst vrij laat in het leven. Bij honden verschillen de seksen niet, behalve dat bij sommige rassen, vooral bij den Schotschen hertenhond, het mannetje veel grooter en zwaarder dan het wijfje is; en, zooals wij in een volgend hoofdstuk zullen zien, begint het mannetje in een ongewoon laat tijdperk van het leven in grootte toe te nemen, hetgeen, overeenkomstig onzen regel, verklaart, waarom zijn meerdere grootte alleen op zijn mannelijke nakomelingschap wordt overgebracht. De driekleurigheid van het haar daarentegen, die tot de vrouwelijke katten is beperkt, is bij de geboorte volkomen te onderscheiden, en dit geval strijdt met onzen regel. Er is een duivenras waarbij alleen de mannetjes zwarte strepen vertoonen, en die strepen kan men zelfs al opmerken bij de pasgeboren jongen; maar zij worden bij elke opeenvolgende ruiing duidelijker, zoodat dit gedeeltelijk in tegenspraak en gedeeltelijk in overeenstemming met onzen regel is. Bij den Engelschen Carrier en Kropper heeft de volkomen ontwikkeling van de wrattige huid en den krop vrij laat in het leven plaats, en deze kenmerken worden, overeenkomstig onzen regel, in volkomen ontwikkelden toestand alleen op de mannetjes overgeplant. De volgende gevallen behooren wellicht tot de klasse, waarop vroeger is gezinspeeld, bij welke beide seksen op de zelfde wijze hebben gevarieerd in een vrij laat levenstijdperk, en bij gevolg hun nieuwe kenmerken op beide seksen op een overeenkomstig laat tijdperk hebben overgeplant; en wanneer dit zoo is, strijden dergelijke gevallen niet met onzen regel. Zoo zijn er onder-rassen van duiven door Neumeister beschreven [574], bij welke beide seksen van kleur veranderen na twee- of driemaal te hebben geruid, zooals eveneens de Almond-Tuimelaar doet; hoewel deze veranderingen vrij laat in het leven plaats hebben, zijn zij toch aan beide seksen gemeen. Ééne variëteit van den kanarievogel, namelijk de „London Prize”, levert een omtrent overeenkomstig geval op.
Bij de Hoenderrassen schijnt de overerving van verschillende kenmerken door ééne sekse of door beide seksen over het algemeen te worden bepaald door het tijdperk waarop die kenmerken zich ontwikkelden. Zoo verschilt het volwassen mannetje bij al de vele rassen waarbij hij sterk in kleur van het wijfje en van de volwassen mannelijke stamsoort afwijkt, ook van het jonge mannetje, zoodat de nieuw verkregen kenmerken op een vrij laat levenstijdperk moeten zijn verschenen. Bij de meeste rassen daarentegen bij welke de seksen op elkander gelijken, zijn de jongen op bijna de zelfde wijze gekleurd als hun ouders, en dit maakt het waarschijnlijk, dat hun kenmerken zich de eerste maal op jeugdigen leeftijd hebben vertoond. Wij hebben voorbeelden van dit feit bij alle zwarte en witte rassen, bij welke de jongen en ouden van beiderlei sekse op elkander gelijken; en men kan niet beweren, dat er in een zwart of wit gevederte iets bijzonders is, dat tot de overplanting daarvan op beide seksen aanleiding geeft; want van vele natuurlijke soorten zijn alleen de mannetjes zwart of wit, terwijl de wijfjes geheel anders zijn gekleurd. Bij de zoogenaamde koekoeksveêrige onder-rassen van het hoen, waarbij de vederen met overdwarse zwarte strepen geteekend zijn, zijn beide seksen en de kuikens op bijna de zelfde wijze gekleurd. Het gegaloneerde gevederte van het Bantam-hoen is het zelfde bij beide seksen, en bij de kuikens hebben de vederen zwarte punten, hetgeen een groote toenadering tot galoneering vormt. Hamburger Pellen maken echter een gedeeltelijke uitzondering; want de beide seksen, hoewel niet geheel gelijk, gelijken veel meer op elkander dan de seksen van de oorspronkelijke stamsoort; toch verkrijgen zij hun eigenaardig gevederte laat in het leven, want de kuikens hebben duidelijk overdwars gestreepte veêren. Laten wij thans tot andere kenmerken dan de kleur overgaan; alleen de mannetjes van de wilde stamsoort en van de meeste tamme rassen bezitten een redelijk wel ontwikkelden kam; maar bij de jongen van het Spaansche hoen ontwikkelt deze zich sterk op zeer jongen leeftijd, en klaarblijkelijk ten gevolge daarvan is hij bij de volwassen wijfjes buitengewoon groot. Bij de Vechthoenders ontwikkelt zich de strijdlustigheid op een verwonderlijk jongen leeftijd, waarvan merkwaardige bewijzen kunnen worden gegeven; en dit kenmerk wordt op beide seksen overgeplant, zoodat de hennen, wegens haar bijzonder groote strijdlustigheid, tegenwoordig algemeen in afgescheiden hokken ten toon worden gesteld. Bij de Kuifhoenders ontwikkelt zich het beenige uitsteeksel op den schedel, dat de kuif draagt, gedeeltelijk zelfs vóór de kuikens uit het ei zijn gekomen, en de kuif zelve begint spoedig te groeien, hoewel in het eerst langzaam [575]; en bij dit ras kenmerken een groote beenige knobbel op den schedel en een ontzaglijke kuif de volwassenen van beiderlei sekse.
Wij mogen uit al, wat wij nu hebben gezien van de betrekking, die bij vele natuurlijke soorten en tamme rassen bestaat tusschen het tijdperk van de ontwikkeling hunner kenmerken en de wijze van overplanting daarvan—bij voorbeeld het treffende feit van den vroegen groei der horens van het rendier, bij hetwelk beide seksen horens hebben, in vergelijking van hun veel later groei bij de andere soorten, bij welke alleen het mannetje horens draagt—ten eerste besluiten, dat ééne oorzaak, ofschoon niet de eenige, van het alleen door ééne sekse overgeërfd worden van kenmerken de ontwikkeling dier kenmerken op laten leeftijd is. En ten tweede, dat ééne, hoewel naar het schijnt minder werkzame oorzaak van het door beide seksen overgeërfd worden van kenmerken de ontwikkeling dier kenmerken op jongen leeftijd is, wanneer de seksen slechts weinig in gestel verschillen. Het schijnt echter, dat er zelfs eenig verschil tusschen de seksen moet bestaan gedurende een vroeg tijdperk van het embryonale leven; want kenmerken, die zich in dien tijd ontwikkelen, worden niet zelden tot ééne sekse beperkt.
Overzicht en Slotopmerkingen.—Uit de voorgaande bespreking van de verschillende wetten van de erfelijkheid zien wij, dat kenmerken dikwijls of zelfs algemeen een neiging hebben om zich te ontwikkelen bij de zelfde sekse, op den zelfden leeftijd en periodiek in het zelfde jaargetijde, waarbij, waarop of waarin zij zich het eerst bij de ouders hebben vertoond. Deze wetten zijn echter, wegens onbekende oorzaken, zeer onderhevig aan verandering. De opeenvolgende trappen in de wijziging van een soort zouden daarom gemakkelijk langs verschillende wegen kunnen worden overgeplant, doordat sommige dier trappen werden overgeplant op ééne sekse en andere op beide; sommige op de jongen op één leeftijd, en andere op alle leeftijden. Niet slechts de wetten der erfelijkheid zijn uiterst ingewikkeld, maar eveneens ook de oorzaken die de variabiliteit teweegbrengen en besturen. De aldus veroorzaakte variaties worden bewaard en opeengehoopt door seksueele teeltkeus, die op zich zelve al een uiterst ingewikkelde zaak is, daar zij afhangt van de vurigheid in de liefde, van den moed en de mededinging der mannetjes, en van de waarnemingsvermogens, den smaak en den wil van het wijfje. De seksueele teeltkeus zal ook door de natuurlijke teeltkeus worden beheerscht voor het algemeen welzijn van de soort. Het kan daarom niet missen, of de wijze waarop elk der beide seksen of beide worden aangedaan door de seksueele teeltkeus, moet in de hoogste mate ingewikkeld zijn.
Als variaties zich bij ééne sekse laat in het leven vertoonen en bij de zelfde sekse op den zelfden leeftijd worden overgeplant, blijven de andere sekse en de jongen noodzakelijkerwijze onveranderd. Als zij zich laat in het leven vertoonen, maar op beide seksen op den zelfden leeftijd worden overgeplant, blijven alleen de jongen onveranderd. Variaties kunnen zich echter op den eenen of anderen leeftijd bij ééne sekse of bij beide vertoonen en op beide seksen op alle leeftijden worden overgeplant, en dan zullen alle individu’s der soort op gelijksoortige wijze worden gewijzigd. In de volgende hoofdstukken zal men zien, dat al deze gevallen in de natuur veelvuldig voorkomen.
De seksueele teeltkeus kan nimmer op eenig dier werken, vóór het den leeftijd heeft bereikt, waarop het in staat is zich voort te planten. Wegens de groote vurigheid van het mannetje heeft zij over het algemeen op die sekse en niet op de wijfjes gewerkt. De mannetjes zijn op die wijze voorzien van wapenen om met hun medeminnaars te strijden, of met organen om het wijfje te ontdekken en stevig vast te houden, of om haar op te wekken en te bekoren. Als de seksen in deze opzichten verschillen, is het ook, gelijk wij hebben gezien, een uiterst algemeene wet, dat het volwassen mannetje in meerdere of mindere mate van het jonge mannetje verschilt; en wij mogen uit dit feit besluiten, dat de opeenvolgende variaties waardoor het volwassen mannetje is gewijzigd, zich over het algemeen niet veel vroeger hebben vertoond dan op den leeftijd waarop hij zich voortplant. Telkens, wanneer sommige of vele der variaties zich op jeugdigen leeftijd hebben voorgedaan, zullen de jonge mannetjes in meerdere of mindere mate deelen in de kenmerken der volwassen mannetjes. Verschillen van deze soort tusschen de oude en de jonge mannetjes kunnen dikwijls worden waargenomen, bij voorbeeld bij vogels.
Het is waarschijnlijk, dat jonge mannelijke dieren dikwijls een neiging hebben bezeten om te varieeren op een wijze, die hun niet alleen op jongen leeftijd geen nut zou hebben aangebracht, maar werkelijk schadelijk voor hen zou zijn geweest,—zooals in het verkrijgen van levendige kleuren, die hen aan hun vijanden in het oog zouden hebben doen vallen, of van deelen, zooals groote horens, die bij hun ontwikkeling veel levenskracht zouden hebben verbruikt. Als variaties van deze soort zich bij de jonge mannetjes voordeden, zullen zij bijna zeker door de natuurlijke teeltkeus zijn geëlimineerd. Bij de volwassen en ondervinding opgedaan hebbende mannetjes daarentegen zal het voordeel, door de verkrijging van dergelijke kenmerken over hun medeminnaars verworven, dikwijls meer dan opgewogen hebben tegen het blootgesteld zijn aan een zekere mate van gevaar.
Daar variaties, overeenkomende met die welke aan het mannetje een meerderheid gaven over andere mannetjes in het gevecht, of in het vinden, vasthouden of bekoren van de andere sekse, als zij toevallig bij het wijfje ontstonden, haar van geen dienst zouden zijn, zullen zij bij deze sekse niet door seksueele teeltkeus bewaard zijn. Wij hebben voldoende zekerheid, dat bij tamme dieren variaties van allerlei aard spoedig door kruising en toevallige sterfgevallen verloren gaan, als zij niet zorgvuldig voor de voortplanting worden uitgezocht. Derhalve zouden variaties van de bovengemelde soort, als het gebeurde, dat zij eens bij het wijfje voorkwamen, uiterst veel kans hebben om verloren te gaan; en de wijfjes zouden, wat deze kenmerken aangaat, ongewijzigd worden gelaten, behalve in zoover zij van de mannetjes door overplanting werden verkregen. Indien de wijfjes varieerden en haar nieuw verkregen kenmerken op haar jongen van beiderlei sekse overbrachten, zouden ongetwijfeld de kenmerken die voor de mannetjes voordeelig waren, door de seksueele teeltkeus worden bewaard, hoewel zij den wijfjes zelf van geen nut waren. In dit geval zouden beide seksen op de zelfde wijze worden gewijzigd. Ik zal echter later op deze meer ingewikkelde mogelijke gevallen moeten terugkomen.
Variaties die zich laat in het leven vertoonden en slechts op ééne sekse werden overgeplant, hebben onophoudelijk voordeel getrokken uit, en zijn opeengehoopt door seksueele teeltkeus, in verband met de voortplanting der soort; het schijnt daarom op het eerste gezicht een onverklaarbaar feit, dat dergelijke variaties niet dikwijls zijn opeengehoopt door natuurlijke teeltkeus, in verband met de gewone levenswijze. Indien dit ware gebeurd, zouden de beide seksen dikwijls verschillend zijn gewijzigd, met het doel b.v. om de prooi te vangen of aan gevaar te ontsnappen. Wij hebben reeds gezien en zullen er hierna andere voorbeelden van ontmoeten, dat er soms verschillen van deze soort tusschen de beide seksen bestaan, voornamelijk bij de lagere dieren, maar bij de hoogere klassen zijn zij zeldzaam. Wij moeten echter steeds bedenken, dat bij de hoogere klassen de seksen over het algemeen de zelfde levenswijze volgen; en onderstellende, dat alleen de mannetjes varieerden op een wijze die hun vermogen om zich voedsel te verschaffen enz. vermeerderde en dergelijke variaties alleen op hun mannelijke nakomelingschap overplantten, zouden deze een organisatie verkrijgen, voortreffelijker dan die der wijfjes; het is echter waarschijnlijk, dat de wijfjes, daar zij het zelfde algemeen gestel hadden en aan de zelfde voorwaarden waren blootgesteld, vroeger of later op de zelfde wijze zouden varieeren; en zoodra dit gebeurde, zouden de afwijkingen door de natuurlijke teeltkeus bij beide seksen gelijkelijk bewaard blijven, zoodat zij aldus ten laatste aan elkander gelijk zouden worden. Het geval is zeer verschillend bij variaties die door de seksueele teeltkeus worden opeengehoopt; want de gewoonten der beide seksen met betrekking tot de voortplantingsfuncties zijn niet de zelfde, en seksueel overgeplante wijzigingen die voor de eene sekse nuttig waren, zouden bij deze worden bewaard, terwijl gelijksoortige wijzigingen volkomen nutteloos zouden zijn voor de andere sekse en bij deze laatste bijgevolg spoedig verloren zouden gaan.
In de volgende hoofdstukken zal ik handelen over de secundaire seksueele kenmerken bij dieren van alle klassen en zal ik in elk geval de in dit hoofdstuk uiteengezette beginselen trachten toe te passen. De laagste klassen zullen ons slechts zeer korten tijd bezig houden; maar de hoogere dieren, vooral de Vogels, moeten zeer uitvoerig worden behandeld. Men bedenke voortdurend, dat ik, wegens reeds vermelde redenen, mij slechts voorstel eenige weinige toelichtende voorbeelden te geven van de tallooze inrichtingen, met behulp waarvan het mannetje het wijfje vindt, of als hij haar heeft gevonden, vasthoudt. Daarentegen zullen alle inrichtingen en instinkten, waardoor het mannetje andere mannetjes overwint, of waardoor hij het wijfje lokt of opwekt, uitvoerig worden besproken, daar deze in vele opzichten de meest belangwekkende zijn.
BIJVOEGSEL OVER DE VERHOUDING TUSSCHEN HET AANTAL INDIVIDU’S VAN BEIDERLEI SEKSE BIJ TOT VERSCHILLENDE KLASSEN BEHOORENDE DIEREN.
Daar niemand, voor zoover ik kan nagaan, zijn aandacht heeft gewijd aan de verhouding tusschen het aantal individu’s van beiderlei sekse door het geheele dierenrijk heên, zal ik hier die bouwstoffen daartoe mededeelen, welke ik in staat was te verzamelen, hoewel zij uiterst onvolkomen zijn. Zij bestaan slechts in eenige weinige voorbeelden van werkelijke telling en de getallen zijn niet zeer groot. Daar de verhoudingen op groote schaal alleen in het geval van den mensch met zekerheid bekend zijn, wil ik die eerst geven, als maatstaf van vergelijking.
De Mensch.—In Engeland zijn gedurende tien jaren (van 1857 tot 1866) jaarlijks gemiddeld 707120 kinderen levend geboren, in de verhouding van 104.5 jongens tegen 100 meisjes. In 1857 stonden echter de mannelijke geboorten tot de vrouwelijke, over geheel Engeland gerekend, als 105.2 en in 1865 als 104.0 tot 100. Afzonderlijke districten beschouwende, was in Buckinghamshire (waar jaarlijks gemiddeld 5000 kinderen worden geboren), de gemiddelde verhouding van de mannelijke tot de vrouwelijke geboorten, gedurende het geheele tijdperk der bovengenoemde tien jaren, 102.8 tot 100, terwijl die in Noord-Wales (waar jaarlijks gemiddeld 12873 geboorten plaats grijpen) de hoogte van 106.2 tot 100 bereikte; een kleiner district nemende namelijk Rutlandshire (waar jaarlijks slechts gemiddeld 739 geboorten plaats grijpen) stonden daar de mannelijke geboorten tot de vrouwelijke als 114.6 en in 1862 als 97.0 tot 100; maar zelfs in dit kleine district was het gemiddelde van de 7385 geboorten gedurende de geheele tien jaren als 104.5 tot 100, d.i. in de zelfde verhouding als over geheel Engeland. [576] De verhoudingen worden soms door onbekende oorzaken eenigermate gewijzigd; zoo getuigt Prof. Faye, „dat er in sommige districten van Noorwegen gedurende een tijdperk van tien jaren een voortdurend tekort aan jongens was, terwijl zich in andere tijdperken het tegenovergestelde verschijnsel voordeed.” In Frankrijk stonden gedurende vier-en-veertig jaren de mannelijke geboorten tot de vrouwelijke als 106.2 tot 100; maar gedurende dit tijdvak is het in één departement vijfmaal, in een ander zesmaal gebeurd, dat de vrouwelijke geboorten de mannelijke in aantal overtroffen. In Rusland bereikt de gemiddelde verhouding de hoogte van 108.9 tot 100. [577] Te Philadelphia in de Vereenigde Staten is de verhouding 110.5 tot 100. [578] Het gemiddelde voor Europa, door Bickes afgeleid uit omstreeks zeventig millioen geboorten, is 106 jongens op 100 meisjes. Daarentegen is bij blanke kinderen, aan de Kaap de Goede Hoop geboren, het aantal jongens zoo gering, dat gedurende een reeks van jaren van 90 tot 99 jongens op 100 meisjes werden geboren. Het is een vreemd feit, dat bij de Joden de verhouding der mannelijke geboorten tot de vrouwelijke stellig hooger is dan bij de Christenen (4); zoo is in Pruisen de verhouding als 113, in Breslau als 114 en in Lijfland als 120 tot 100; terwijl de christelijke geboorten in deze landen de zelfde verhouding vertoonen als elders, in Lijfland b.v. als 104 tot 100 [579]. Het is een nog vreemder feit, dat bij verschillende natiën, onder verschillende omstandigheden en luchtstreken, in Napels, Pruisen, Westphalen, Frankrijk en Engeland, de overmaat van de mannelijke over de vrouwelijke geboorten minder is, wanneer zij onwettig, dan wanneer zij wettig zijn.
In verschillende deelen van Europa zou men, volgens Prof. Faye en andere schrijvers, „een nog grooter overmaat van jongens vinden, indien de dood beide seksen in gelijke verhouding trof in de baarmoeder en gedurende de geboorte. Het is echter een feit, dat in onderscheidene landen op 100 doodgeboren meisjes van 134,6 tot 144,9 doodgeboren jongens komen.” Daarenboven sterven gedurende de vier of vijf eerste levensjaren meer jongens dan meisjes; „in Engeland sterven bij voorbeeld gedurende het eerste levensjaar 126 jongens tegen 100 meisjes,—een verhouding die in Frankrijk nog ongunstiger is. [580] Dr. Stockton Hough verklaart deze feiten gedeeltelijk, doordat de jongens veelvuldiger gebrekkig ontwikkeld zijn dan de meisjes. Wij hebben reeds vroeger gezien, dat de mannelijke sekse meer variabel van maaksel is dan de vrouwelijke, en variaties in belangrijke organen zullen over het algemeen nadeelig zijn. Doch de grootte van het lichaam, en vooral van het hoofd, dat bij mannelijke kinderen grooter dan bij vrouwelijke is, is een andere oorzaak; want de jongens loopen daardoor meer kans om te worden beschadigd dan de meisjes. Bij gevolg zijn de doodgeborenen onder de jongens talrijker en hebben, gelijk een hoogst bevoegd beoordeelaar, Dr. Crichton Browne, aanneemt [581], jongens dikwijls nog eenige jaren na hun geboorte een minder goede gezondheid. Ten gevolge van deze grootere sterfte bij mannelijke kinderen, zoowel bij de geboorte als eenigen tijd daarna, en omdat volwassen mannen aan verschillende gevaren zijn blootgesteld en meer neiging tot landverhuizing hebben, zijn de vrouwen in alle van ouds bewoonde landen waar statistieke opteekeningen zijn gedaan [582], aanmerkelijk talrijker dan de mannen. (5)
Het schijnt op het eerste gezicht een geheimzinnig feit, dat in verschillende landen onder verschillende toestanden en klimaten, in Napels, Pruisen, Westfalen, Nederland, Frankrijk, Engeland en de Vereenigde Staten, de overmaat der mannelijke geboorten over de vrouwelijke kleiner is, wanneer zij onwettig, dan wanneer zij wettig zijn. [583] Dit is door verschillende schrijvers op vele verschillende wijzen verklaard, zooals omdat de moeders over het algemeen jong zijn, dat het grootendeels de eerste kinderen zijn die zij krijgen, enz. Doch wij hebben gezien, dat jongens wegens de grootere afmeting van hun hoofd bij de geboorte meer lijden dan meisjes; en daar de moeders van onwettige kinderen meer kans loopen een moeilijke baring te hebben dan andere vrouwen, om verschillende oorzaken, zooals pogingen om haar zwangerschap te verbergen door zich sterk te rijgen, harden arbeid, wanhoop enz., zullen haar mannelijke vruchten naar verhouding meer lijden. En dit is waarschijnlijk de krachtigste van alle oorzaken, waarom de verhouding van de jongens tot de meisjes bij levendgeboren kinderen kleiner is bij onwettige dan bij wettige geboorten. Bij de meeste dieren is de oorzaak dat het volwassen mannetje grooter dan het wijfje is, daarin gelegen, dat de sterkere mannetjes de zwakkere hebben overwonnen in hun gevechten om het bezit van het wijfje, en ongetwijfeld is het een gevolg van dit feit, dat de beide seksen, ten minste van eenige dieren, bij de geboorte in grootte verschillen. Zoo hebben wij hier het merkwaardige feit, dat wij de grootere sterfte onder mannelijke dan onder vrouwelijke kinderen, vooral onder de onwettige, ten minste gedeeltelijk aan seksueele teeltkeus mogen toeschrijven.
Men heeft dikwijls ondersteld, dat de betrekkelijke leeftijd der ouders de sekse der kinderen bepaalt, en Prof. Leuckart [584] heeft zijns inziens voldoende bewijzen geleverd ten opzichte van den mensch en zekere tamme dieren, om aan te toonen, dat dit een belangrijke factor daartoe is. Evenzoo dacht men ook wel, dat het tijdstip der bevruchting de daarbij werkzame oorzaak was; doch onlangs gedane waarnemingen strijden tegen deze meening. Men heeft ook wel ondersteld, dat bij den mensch de veelwijverij (polygamie) aanleiding gaf tot de geboorte van een naar verhouding grooter aantal meisjes; maar Dr. J. Campbell [585] gaf nauwkeurig acht op dit onderwerp in de harems van Siam, en hij komt tot het besluit, dat de verhouding tusschen mannelijke en vrouwelijke geboorten de zelfde is als bij eenwijvige (monogame) verbintenissen. (6) Nauwelijks eenig dier is in zoo hooge mate veelwijvig (polygaam) gemaakt als onze Engelsche renpaarden en wij zullen zoo dadelijk zien, dat hun mannelijk en vrouwelijk kroost in aantal bijna geheel gelijk is.