Dante's Louteringsberg in proza overgebracht
Part 3
22 „Door alle de cirkels van dat treurende rijk,” antwoordde hij hem: „ben ik van daar gekomen; eene kracht des Hemels deed mij gaan, en met haar kom ik.
25 Niet door te doen, maar door niet te doen heb ik [het recht] verloren om de hooge Zon te zien, naar welke gij wenscht, en die te laat door mij gekend werd.
28 Daar beneden is een plaats, niet droef door martelingen maar alleen van duisternissen, waar de klachten niet klinken als jammerkreten, maar zuchten zijn.
31 Daar vertoef ik met de kleine onnoozelen, die door de tanden des doods gebeten zijn, voordat zij van de menschelijke erfzonde bevrijd zijn.
34 Daar vertoef ik met degenen, wie de drie heilige deugden niet bekleeden, en die zonder ondeugd de andere kenden, en die alle betrachtten.
37 Maar zoo gij het weet en kunt, geef ons eenige aanwijzing, waardoor wij eerder kunnen komen daar, waar de plaats der Loutering den rechten ingang heeft.”
40 Hij antwoordde: „Eene vaste plaats is ons niet toegewezen; het is mij veroorloofd naar boven en in 't rond te gaan; zoover als ik gaan kan, blijf ik u ter zij als gids.
43 Maar zie reeds hoe de dag ten einde nijgt, en bij nacht kan men niet naar boven gaan; dies is het goed om aan een schoone plaats tot vertoeven te denken.
46 Zielen zijn er ginds ter rechter zijde vertogen; zoo gij het mij toestemt, zal ik u tot haar brengen, en niet zonder geneugt zullen zij u bekend worden.”
49 „Hoe is dat?” werd er geantwoord: „wie bij nacht zou willen stijgen, werd hij door een ander verhinderd? of zou het zóó zijn dat het niet kon?”
52 En de goede Sordello haalde zijn vinger over den grond, zeggende: „Zie, ook maar deze streep kondt gij niet òverkomen na 't scheiden der Zon:
55 niet dat iet anders verhindering gaf dan de nachtelijke duisternis, om òp te gaan; deze mèt het niet kunnen houdt den wil gebonden.
58 Wel konde men bij donker neerwaarts keeren, en dwalende rondom de helling her en derwaart gaan, zoolang als de horizont den dag weggesloten houdt.”
61 Toen mijn Heer, als het ware benieuwd: „Leid ons,” zeide hij: „daar waar gij zegt dat men vertoevende geneugt kan hebben.”
64 Maar weinig hadden wij ons van daar verwijderd, wanneer ik gewaar werd dat de berg gehalveerd was, gelijk hier valleien bergen halveeren.
67 „Daar,” zeide die schim; „zullen wij henengaan, daar waar de bergwand van zichzelven een schoot maakt, en daar zullen wij den nieuwen dag verwachten.
70 Tusschen steil en vlak was een kronkel-weg, die ons bracht in de zijde van de delling, daar waar meer dan voor de helft de rand sterft.
73 Goud en fijn zilver, en scharlaken en loodwit, indisch hout, licht en doorschijnend, frisch smaragd in den stonde dat het gebroken wordt,
76 dat alles gelegd naast het kruid en de bloemen binnen in die delling, zou door hun verw overwonnen zijn, gelijk het mindere door het meerdere overwonnen wordt.
79 Niet alleen had de natuur daar [kleuren] geschakeerd, maar zij maakte van de zoetheid van duizend geuren een ononderscheidelijke mengeling.
82 „Salve Regina” zag ik daar op het groen en de bloemen zielen zitten te zingen, die men van wege de delling niet van buiten kon zien.
85 „Voordat nog het weinige zonlicht in zijn nest gaat,” begon de Mantuaan die ons geleid had, „wilt niet dat ik u te midden van hen leide.
88 Van dezen rand zult gij beter de gebaren en gezichten van hen allen onderscheiden, dan beneden in de delling opgenomen.
91 Gene, die het hoogste zit, en schijnt veronachtzaamd te hebben dat wat hij doen moest en die den mond niet opent voor het gezang der anderen,
94 was keizer Rudolf, die de wonden kon helen, welke Italië gedood hebben, zóódat zij maar al te laat door anderen tot verademing komt.
97 De andere, die in het aangezicht hem troost, regeerde het land waaruit het water geboren wordt dat de Moldau in de Elbe, en de Elbe in zee brengt:
100 Ottocar heette hij, en in de windselen was hij vrij wat beter dan Wenzislaus zijn zoon, nu hij een baard heeft, wien weelde en luiheid mest.
103 En die Klein-neus, die in beraad schijnt met dengene die zoo goedwillig uitzicht heeft, stierf vluchtende en de lelie onteerend.
106 Ziet daar, hoe hij zich de borst slaat. Ziet den andere, die zich al zuchtende van de handpalm een kussen voor de wang heeft gemaakt.
109 Vader en Schoonvader zijn zij van het ongeluk van Frankrijk: zij weten van zijn snood en vuil leven, en vandaar komt die smart, die ze zoo zeer slaat.
112 Hij die zoo vleezig schijnt, en die zingende te zamen stemt met genen van den mannelijken neus, droeg van elke deugd het koord gegord.
115 En zoo na hem koning gebleven ware de jongeling, die achter hem zit, dan ging de deugdelijkheid schoon van vat tot vat;
118 hetgeen men niet kon zeggen van den anderen erfgenaam. Jacob en Frederik hebben de koninkrijken; geen heeft bezit van 's vaders betere nalatenschap.
121 Zelden gaat de menschelijke voortreffelijkheid door de takken naarboven: en dat wil Degene, Die haar geeft, opdat ze Zijn gave genoemd worde.
124 Ook tot dien van ~den grooten Neus~ gaan mijne woorden (niet minder dan tot den andere, Peter, die met hem zingt) om wien Apulië en Provence nu smart hebben.
127 Zooveel is de plant minder dan haar zaad, als, meer nog dan Beatrice en Margherita, Constantia op haar echtgenoot boogt.
130 Ziet den koning van het eenvoudige leven daar alleen zitten, Hendrik van Engeland: deze heeft in zijn spruiten beter voortzetting.
133 Gene, die verder naar beneden onder genen op aarde zit, naar boven kijkend, is markgraaf Willem, om wien èn Alessandria en diens oorlog
136 Monferrat en het Cannoveserland laat weenen.
[decoratieve illustratie]
ACHTSTE ZANG
In Sordello's gezelschap gaan de beide Dichters het dal binnen; terwijl twee Engelen, nedergedaald uit den Hemel, post vatten om de boetedoenden tegen de slang te beschutten, onderhoudt Dante zich met Nino en Currado Malaspina.
* * * * *
1 Het was reeds de ure die den zeevarenden de begeerte doet keeren en hun het hart verteêrt, den dag dat zij hunnen zoeten vrienden vaartwel hebben gezegd;
4 en die den nieuwen bee-vaarder met liefde steekt, wanneer hij van verre den beiaard hoort, welke schijnt den dag te beweenen die wegsterft:
7 wanneer ik het hooren begon te veronachtzamen, en te schouwen naar eene der zielen, die opgerezen was en die het luisteren vroeg met de hand.
10 Zij voegde saam en hief beide de handpalmen, de oogen naar het Oosten richtende, of zij tot God zeide: „Al het andere wat raakt het me?”
13 ~Te lucis ante~ kwam haar met zulk een wijding uit den mond, en met zóó zoete tonen, dat het mij mijn ziel buiten mij zelven deed treden.
16 En voorts volgden de anderen zoetelijk en met wijding haar na door het gansche gezang, de oogen houdende naar de bovenste sferen.
19 Spits hier wel, lezer, de oogen op de waarheid, daar het weefsel nu wel zoo dun is, voorzeker, dat het makkelijk is er door heen te vallen.
22 En ik zag de edelaardge heir-schare zwijgend voorts naar boven kijken, als wachtende, bleek en deemoedig:
25 en ik zag van den hoogen komen en naar beneden dalen twee Engelen met twee vlammende zwaarden, geknot en van hunne punten ontdaan.
28 Groen als maar even uitgebotte loovertjes waren hunne gewaden, die zij slepen lieten, door hunne groene vleugelen geslagen en bewaaierd.
31 De één kwam een weinig boven ons te staan, en de ander daalde neder op den tegenovergelegen rand, zoodat die lieden zich in het midden bevonden.
34 Goed onderscheidde ik in hen het blonde hoofd; maar in de aangezichten verdoolde zich het oog als een vermogen dat in te veel raakt verbijsterd.
37 „Beiden komen van den schoot van Maria,” zeide Sordello, „ter bewaking van het dal, tegen de slang, die zoo aanstonds zal komen.”
40 Waarom ik, die niet wist, langs welken weg, mij rondom keerde, en mij nauw aandrong, gansch bevrozen, tegen de vertrouwde schouderen.
43 En Sordello [sprak] nog weer: „Laten wij nu nederdalen tusschen de grootsche schimmen, en tot hen spreken; zeer welgevallig zal het hun zijn u te zien.”
46 Nog maar drie passen geloof ik dat ik was nedergedaald, en ik was beneden en ik zag er eenen die stadig mij beschouwde, of hij mij wilde herkennen.
49 Reeds was het de tijd dat de lucht zich verdonkerde, maar toch niet zóó dat tusschen zijne en mijne oogen niet geopenbaard werd dat wat hij eerst verborgen hield.
52 Tot mij maakte hij zich op en ik maakte mij op tot hem: „Edele rechter Nino, hoe zeer gevalt het mij, wanneer ik u niet tusschen de schuldigen zie!”
55 Geen enkele schoone begroetenis werd tusschen ons verzwegen: voorts vroeg hij: „Hoe lang is het sinds gij aan den voet van den berg over de verre wateren gekomen zijt?”
58 „O!” zeide ik hem: „door de droeve plaatsen kwam ik dezen morgen, en ik ben in het eerste leven, zij het ook dat ik, aldus gaande, het andere gewin.”
61 En wanneer mijn antwoord gehoord was, trokken Sordello en hij zich terug, als lieden plotseling verbijsterd.
64 De ééne wendde zich tot Virgilius en de andere tot éénen, die daar zat, roepende: „Op Currado, kom om te zien dat wat God door zijne genade wilde.”
67 Voorts tot mij gewend: „Bij dien bijzonderen dank, dien gij Hem schuldig zijt, Die zóózeer zijn eerste „waarom” verbergt, dat geen wadde daarheen voert,
70 wanneer gij zijn zult aan gene zijde der breede wateren, zeg dan aan mijne Johanna, dat zij om mij roepe daar waar de onschuldigen beantwoord worden.
73 Ik geloof niet dat hare moeder mij nog bemint, sinds zij de witte linten verwisselde, naar welke het zoo gevalt dat zij, ongelukkige, nog weder terug verlangt.
76 In haar kan men gemakkelijk zien, hoe lang in eene vrouw het vuur der liefde duurt, als het gezicht en de tast het niet vaak weder opstookt.
79 Zoo schoone begrafenis zal de slang, die de Milaneezer ten strijde voert haar niet geven als de haan van Gallura haar zou hebben gegeven.”
82 Zoo sprak hij, in zijn aangezicht met dat kenteeken van dien gerechten ijver gemerkt, die met mate in het hart brandt.
85 Mijne begeerige oogen gingen stadig ten hemel, stadig daarheen, waar de sterren het traagst gaan, zooals een rad het dichtst bij zijn as.
88 En de Gids mijn: „Zoon, waarnaar kijkt gij daar omhoog?” En ik tot hem: „Naar die drie fakkels, door welke gindsche pool ganschelijk in brand staat.”
91 En hij tot mij: „De vier heldere sterren, die gij daar van morgen zaagt, zijn nu ginds omlaag, en deze zijn omhoog gestegen waar die waren.”
94 Terwijl hij sprak, trok Sordello hem tot zich zeggende: „Zie daar onzen tegenstander;” en hij richtte den vinger, opdat hij daarheen zou zien.
97 Aan dien kant waar de kleine delling geene beschutting had, was een slang, wellicht, zoo één als aan Eva de bittere bete gaf.
100 Tusschen 't gras en de bloemen kwam de kwade schuifelaar, al en al maar den kop draaiende, en den rug zich lekkende als een beest, dat zich glad maakt.
103 Ik zag het niet en daarom kan ik het niet zeggen, hoe de hemelsche roofvogels opvlogen, maar ik zag heel goed zoowel den een als den ander opgevlogen.
106 Toen ze merkte dat de lucht door de groene vleugels gekliefd werd, vluchtte de slang, en de Engelen keerden weer omhoog naar hunne posten gelijkelijk terug vliegende.
109 De schim, die zich tot den rechter had teruggetrokken, wanneer hij hem riep, liet gedurende dezen ganschen aanval geen oogenblik af van naar mij te kijken.
112 „Zoo de lamp, die u ten hoogen voert, in uwen vrijen wil zoo groote pit vindt als noodig is om te komen aan de bergvlakte op den top,”
115 begon zij: „zoo gij ware tijding weet van Valdimagra, of van eenig naburig land, zeg haar aan mij, die daar eertijds machtig was.
118 Ik heette Currado Malaspina: niet de Oude ben ik, maar van hem stam ik af: tot de mijnen droeg ik die liefde, die hier wordt gelouterd!”
121 „O!” zeide ik tot hem: „in uwe landen ben ik nooit geweest; maar waar vertoeft iemand in gansch Europa, wien ze niet bekend zijn?
124 De roem, die uw huis eert, verbreidt de heeren, verbreidt het land, zoo dat ook hij, die er niet was, ze kent.
127 En ik zweer u, zoo waarlijk moge ik boven aankomen, dat uw geëerd geslacht niet aan het afnemen is in roem van beurs en zwaard.
130 Gewoonte en aanleg bevoorrechten het zoo dat, hoezeer het slechte Hoofd de Wereld doet dwalen, het alleen den rechten weg houdt en den slechten weg versmaadt.”
133 En hij: „Nu ga, daar de Zon zich geen zeven malen te ruste zal leggen in het leger dat de Ram met alle vier de pooten dekt en omvat,
136 of deze heusche meening is u midden op het voorhoofd gegrift met grooter nagelen dan woorden van andere menschen,
139 indien de loop der rechtvaardigheid niet tot stil-staan komt.”
[decoratieve illustratie]
[decoratieve illustratie]
NEGENDE ZANG
De Dichter, ingeslapen zijnde, heeft tegen den morgen eenen droom; als hij daaruit ontwaakt, bevindt hij zich met Virgilius vóór de Poort van de eigenlijke plaats der Loutering, welke hij door den haar bewakenden engel wordt binnengelaten.
* * * * *
1 De bijzit van den ouden Tithonus schemerde reeds aan de Ooster-kim, [opgerezen] uit de armen van haren zoete-lief:
4 haar voorhoofd was lichtend van edel-gesteenten, die gezet waren naar de teekening van dat kille dier, dat met den staart de volkeren slaat:
7 en de nacht had van de schreden, waarmede zij stijgt, er twee gedaan op de plaats, waar wij waren, en de derde neeg reeds de vleugelen naar beneden,
10 wanneer ik, die met mij had van dat van Adam, verwonnen van den slaap, mij op het gras neeg, daar waar wij reeds alle vijf gezeten waren.
13 Op de ure dat de zwaluw haar droeve zangen begint dicht bij den morgen, wellicht ter gedachtenis van hare eerste weeën,
16 en dat onze geest, meer vervreemd van het vleesch, en minder door gedachten ingenomen, in zijne gezichten bijna profetisch is;
19 was het mij in den droom of ik eenen adelaar zag, hangend in den hemel op gouden pennen, met de vlerken geopend, en bereid om zich neder te laten:
22 en het docht mij dat ik dáár was, waar de zijnen door Ganymedes verlaten werden, daar hij ter hoogste vergadering getogen werd.
25 Bij mij-zelven dacht ik: wellicht loert deze steeds hier uit gewoonte en wellicht gewaardigt deze zich niet van een andere plaats iets mede te nemen in zijne klauwen.
28 Voorts docht me dat hij, na eerst nog een weinig in den ronde gewield te hebben, verschrikkelijk als een bliksem nederdaalde en mij naar boven haalde tot aan het vuur.
31 Daar docht me dat hij en ik brandden, en zoo stak mij de verbeelde brand, dat het geviel dat de slaap verbroken werd.
34 Niet anders huiverde Achilles, de ontwaakte oogen in een kring rond-bewegende, en niet wetende waar hij was,
37 wanneer zijne moeder hem, slapende in hare armen, van Chiron wegvoerde naar Scyrus, daar van waar voorts de Grieken hem deden heengaan;
40 als ik huiverde, mèt dat de slaap mij van het aangezicht vluchtte, en ik werd bleek, gelijk de mensch wordt, die ontsteld ijst.
43 Alleen mijn trooster was mij ter zijde, en de zon was reeds hooger dan twee uren, en mijn gezicht was naar de zee toe gewend.
46 „Heb geen vrees,” zeide mijn Heer: „stel u gerust, daar wij op een goede plaats zijn, wil alle kracht niet benauwen maar verruimen.”
49 „Thans zijt gij aan het oord der Loutering gekomen. Zie daar den rand, die het van rondom sluit; zie daar den ingang waar die rand open schijnt.
52 Zoo-even in den dageraad, die den dag vóórgaat, wanneer uwe ziel binnen-in u sliep op de bloemen, waarmee de grond daar beneden is getooid,
55 kwam eene vrouw, en zeide: „Ik ben Lucia; laat mij hem opnemen, die daar slaapt, aldus zal ik hem bekwamen tot zijnen weg.”
58 Sordello bleef achter, en ook de andere edele gestalten; zij nam u op, en mèt dat het helder dag was, ging zij opwaarts, en ik in hare voetstappen.
61 Hier legde zij u neer: en eerst wezen hare schoone oogen mij dien open ingang; voorts gingen zij en uw slaap teffens weg.”
64 Op de wijze van een mensch, die in twijfel zich voelt gerust gesteld, en die zijn vrees in welgemoedheid verandert, wanneer de waarheid hem ontdekt is,
67 zoo verkeerde ik; en wanneer mijn Gids mij onbezorgd zag, bewoog hij zich voort over den rand, en ik achter hem naar de hoogte.
70 Lezer, gij ziet wel hoe ik mijne stoffe verhoog, dies verwonder u niet zoo ik haar met meer kunst versterk.
73 Wij naderden, en wij waren op eene plaats zóó dat ik daar, waar mij eerst docht een kloof te zijn, gelijk een spleet die een muur deelt,
76 eene poort zag, en drie treden daaronder om tot haar te komen, van kleur verscheiden, en eenen poortwachter, die tot nog toe geen woord zei.
79 En naar gelang ik meer en meer het oog er op opende, zag ik hem zitten boven op de bovenste trede, zoodanig in het aangezicht, dat ik het niet verdroeg:
82 en een ontbloot zwaard had hij in de hand, dat de zonnestralen zoozeer te ons-waart weerkaatste, dat ik vele malen den blik vergeefs op hem richtte.
85 „Zegt gij mij daar: wat wilt gij?” begon hij te zeggen: „waar is uw geleide? Ziet toe dat het boven-komen u niet schade.”
88 „Eene vrouw uit den Hemel, van deze dingen wel-onderricht,” aldus antwoordde hem mijn Meester, „zeide zooeven tot ons: „Gaat daarheen, daar is de poort.””
91 „En zij moge te goeder ure u uwe schreden voorwaarts doen richten,” herbegon de hoofsche portier: „nadert dus tot onze trappen.”
94 Daar kwamen wij; en de eerste trede was wit marmer, zóó glad-gewreven, dat ik er mij in spiegelde gelijk ik verschijn.
97 De tweede, donkerder dan donker paars, van een ruw en branderig steen over lang en over dwars gebarsten.
100 De derde, die het bovenst opgestapeld lag, docht mij van een zoo vlammend porphier, als bloed, dat uit een ader spuit.
103 Boven op deze hield de Engel Gods beide de voetzolen, zittende op den dorpel, die mij scheen van diamant.
106 Over de drie treden trok mijn Gids mij, die vol ijver was, en hij zeide: „Vraag nederig dat hij het slot ontgrendele.”
109 Deemoedig wierp ik mij aan de heilige voeten: erbarmen vroeg ik, en dat hij me opendeed; maar te voren gaf ik mij drie slagen op de borst.
112 Zeven P's schreef hij mij op het voorhoofd met de spits van het zwaard, en: „Maak dat gij, wanneer gij binnen zijt, u deze wonden afwascht,” zeide hij.
115 Asch of aarde, die droog opgegraven wordt, mocht wel van éénzelfde kleur zijn als zijn kleedij en van onder deze bracht hij twee sleutelen te voorschijn.
118 De ééne was van goud, en de andere was van zilver; eerst met de witte en voorts met de gele deed hij aldus aan de poort, dat ik tevreden was.
121 „Telkens wanneer één van deze sleutelen faalt, daar zij niet recht in het sleutelgat gestoken wordt,” zeide hij tot ons: „dan gaat de poort niet open.
124 Kostbaarder is de ééne; maar de andere wil meer kunst en vernuft voordat zij opent, daar zij het is, die den knoop ontknoedelt.
127 Van Petrus heb ik ze;” en hij zeide mij dat ik liever moest dwalen door haar te openen dan door haar dicht te houden, zoo maar de luiden zich voor mij ter aarde werpen.
130 Voorts stiet hij de heilige deur open, zeggende: „Treedt binnen; maar ik maak u opmerkzaam, dat hij naar buiten terugkeert, die terugziet.”
133 En toen in de scharnieren de spillen van die heilige deur waren omgedraaid, die van metaal zijn, dreunend en zwaar,
136 niet loeide de Tarpejische rots aldus noch toonde zij zich zóó toornig, wanneer haar de goede Metellus werd ontnomen, waardoor zij voortaan ledig bleef.
139 Ik richtte mij aandachtig naar den eersten donder, en „Te Deum laudamus” docht ik mij te hooren in zang-stem gemengd met de zoete muziek.
142 Juist zulk eene verbeelding gaf mij dat wat ik hoorde, als men gewoon is te krijgen, wanneer men staat te zingen met het orgel:
145 zoodat men dàn wel dàn niet de woorden verstaat.
[decoratieve illustratie]
[decoratieve illustratie]
TIENDE ZANG
~Eerste ommegang van den Louteringsberg~
Op den eersten ommegang gekomen, zien de beide Dichters de in marmer gehouden tafereelen der deemoedigheid (1–96), daarna de schimmen, die boete doen voor hoovaardigheid.
* * * * *
1 Toen wij waren binnen den dorpel van de poort, welken de kwade begeerte der zielen in onbruik brengt, daar zij den krommen weg recht doet schijnen,
4 hoorde ik haar dreunende gesloten worden: en zoo ik de oogen naar haar gericht hadde, welke waardige verontschuldiging ware er geweest voor de feil?
7 Wij stegen door een gespleten rots, die zich dan naar dezen dan naar dien kant bewoog, gelijk de golf, die vlucht en naderkomt.
10 „Hier voegt het een weinig kunst te gebruiken,” begon mijn Gids: „om dan hier dan ginds den wand te naderen, die wijkt.”
13 En dat maakte onze schreden zoo schaarsch, dat de donkere helft der maan aan hare legerstede kwam om zich ter ruste te begeven,
16 voordat wij buiten die kloof waren. Maar wanneer wij vrij en open waren, daar boven-op, waar de berg zich van achteren weer sluit,
19 toen stonden wij, ik vermoeid, en beiden onzeker over onzen weg, stil boven op een vlak, meer eenzaam dan wegen door woestijnen.
22 De ruimte van den rand, waar die het ledige begrenst, tot aan den voet van den hoogen rotswand, die staeg rijst, zou in drie malen het lichaam van een mensch hebben gemeten:
25 en zoover mijn oog de vleugelen kon spannen, ter linker en ter rechter zijde, docht mij die kornis aldus te zijn.
28 Nog hadden onze voeten zich niet daar boven op bewogen, wanneer ik gewaar werd dat die rots-rand in den ronde, die niet in rechte richting bestegen kan worden,
31 van wit marmer was, en dèr-wijze gesierd met er in uitgehouwen beeldwerk, dat niet maar Polycletus maar ook Natuur daarvoor had moeten onderdoen.
34 De Engel, die op aarde kwam met de Boodschap van den vele jaren met tranen afgebeden vrede, welke den Hemel opende na het lange verbod,
37 verscheen voor ons, waarachtig daar uitgehouwen, met zoo vredig gebaar, dat hij geen beeld scheen, dat zwijgt.
40 Men zou gezworen hebben dat hij zeide: „Wees gegroet!” omdat daar uitgebeeld was ~Degene~, die de sleutels omdraaide om de hooge ~Liefde~ te openen.
43 En in haar doen drukte zij zoo eigenlijk deze woorden uit: „Zie hier uwe Dienstmaagd,” als waren het letters, gestempeld in lak.
46 „Houd toch niet op ééne plaats de aandacht gericht,” zeide mijn zoete Meester, die mij had aan dien kant, aan welken de mensch het hart heeft:
49 waarom ik mij draaide met den blik, en ik zag achter Maria, naar dien kant, waaraan degene was die mij aanporde,
52 een andere historie in de rots gebeeld: waarom ik Virgilius voorbij-trad, en mij er dichter bij bracht opdat het me beter onder de oogen kwam.
55 Daar waren in het marmer uitgehouwen de wagen en de ossen, trekkende de heilige Ark, door welke men zich schroomt voor niet toevertrouwden dienst.
58 Daarvoor vertoonden zich lieden; en die allen, verdeeld in zeven koren, deden van twee van mijne zinnen den éénen zeggen: „zij zingen,” den anderen: „zij zingen niet.”
61 Evenzeer aangaande den rook der wierookvaten, die daar was afgebeeld, geraakten de oogen en de neus over het al of niet branden in tweedracht.
64 Daar ging, opgeschort dansende, de nederige Psalmist de gebenedijde Bondskist vóór, en was in dat geval tegelijk meer en minder dan Koning.
67 Tegenover hem, aan het venster van een groot paleis, keek Michal, gelijk een minachtende en verdrietige vrouw.
70 Ik verzette de voeten van de plaats waar ik stond, om van dichte-bij een andere historie te bezien, welke achter Michal in wit steen zich mij vertoonde.
73 Daar was getafereeld de hooge glorie des Romeinschen vorsten, wiens groote deugd Gregorius prikkelde tot zijn groote overwinning:
76 van Trajanus den Keizer, spreek ik: en een weeuwtjen was hem aan den toom, ontdaan door tranen en door smart.
79 Rondom haar scheen het stampvol van ruiteren, en de adelaren van goud bewogen zich boven hen zichtbaar op den wind.
82 Het rampzalig vrouwtje scheen te midden van deze allen te zeggen: „Heer, wreek mij mijnen zoon, die gedood is, dies ik treur.”