Dante's Louteringsberg in proza overgebracht

Part 2

Chapter 24,209 wordsPublic domain

124 Indien de Herder van Cosenza, die door Clemens was uitgezonden op de jacht naar mij, toen in God's Woord wèl die Bladzijde gelezen had,

127 dan zouden de gebeenten van mijn lichaam nog zijn aan den opgang van de brug dicht bij Benevento, onder de bewaking van de zware zerk.

130 Nu besproeit ze de regen en beweegt ze de wind buiten 't Koninkrijk, nabij den Verde, waarheen hij mij had overgebracht met gedoofde lichten.

133 Door hunnen banvloek gaat men niet zóó verloren, dat de eeuwige Liefde niet kan wederkeeren, zóólang de hoop nog iets groens heeft.

136 Waarheid is dat al wie sterft in minachting van de Heilige Kerk, ook al berouwt hij zich ten laatste, hem voegt het buiten dezen rots-rand te vertoeven,

139 voor elken tijd, dat hij in zijn verstoktheid is geweest, dertig [tijden], indien zoodanig vonnis niet korter wordt door goede gebeden.

142 Zie dan nu of gij mij blijde kunt maken, onthullende aan mijne goede Constantia hoe gij mij gezien hebt, en ook dit verbod;

145 wijl men hier door die van ginds veel wint.”

[decoratieve illustratie]

[decoratieve illustratie]

VIERDE ZANG

De beide Dichters bestijgen den rots-wand en komen op een weg, loopende rondom den berg. Virgilius verklaart hoe de zon zich nu links vertoont, wanneer men oostwaarts ziet. Ontmoeting met de luien, die hunne bekeering tot aan het einde van het leven hebben uitgesteld.

* * * * *

1 Wanneer door geneugten of wel door smarten, welke eenig vermogen van ons opvat, de ziel zich wèl tot dat [vermogen] bepaalt,

4 blijkt het dat zij op geen ander vermogen meer acht slaat; en dit is tegen die dwaling, die gelooft dat de ééne ziel boven de andere in ons ontstoken wordt.

7 En daarom, wanneer men iets hoort of ziet, dat de ziel sterk op zich gericht houdt, [dan] gaat de tijd, en de mensch bemerkt het niet:

10 want een ander vermogen is dat, dat het hoort, en een ander is dat, hetwelk de gansche ziel heeft: dàt is als 't ware gebonden, en dit is vrij.

13 Hiervan had ik de ware ondervinding, daar ik naar dien geest hoorde en hem aanstaarde; want wel vijftig graden gestegen was

16 de Zon, en ik had het niet bemerkt, wanneer wij kwamen daar waar die zielen éénstemmig tot ons riepen: „Hier is uw verlang.”

19 Grooter opening stopt dikwijls met een vertakte doorntwijg de gaardenier dicht, wanneer de druif verdonkert,

22 dan het pad was, waarlangs mijn Gids en ik achter hem opklommen, wij alleen, zoodra de schare zich van ons afscheidde.

25 Naar Sanleo gaat men en naar Noli daalt men af, boven Bismantova klimt men naar den top met de voeten alleen; maar hier voegt het dat de mensch vliege:

28 ik bedoel met de vlugge vleugelen en met de vederen der groote begeerte, opgetogen achter hèm aan, die hoop aan mij gaf en licht voor mij maakte.

31 Wij klommen op tusschendoor de gebroken rots, en de kant ervan raakte ons aan beide zijden, en de bodem verlangde handen en voeten naar omlaag.

34 Wanneer wij op den bovensten rand waren van den hoogen rotswand, op de opene plaats:

„Mijn meester,” zeide ik: „welken weg zullen wij opgaan?”

37 En hij tot mij: „Geen van uwe schreden dale: stadig den berg bestegen achter mij aan, totdat eenig ervaren geleide voor ons opdage.”

40 De top was zóó hoog dat hij het gezicht te boven ging en de kant was vrij wat steiler dan de straal van den kwadrant, wanneer die halver wege op het middenpunt staat.

43 Ik was moede, wanneer ik begon: „O zoete vader, keer u om en zie hoe ik alleen achter blijf, zoo gij niet stil staat.”

46 „O zoon, trek u tot hiertoe op,” zeide hij, mij met den vinger een weinig lager een richel wijzende, die aan dien kant den ganschen berg omkringt.

49 Zoo prikkelden mij zijne woorden dat ik mij geweld aandeed, achter hem aan naar boven kruipend, totdat mij die richel onder de voeten was.

52 Daar zetten wij ons beiden neder om te zitten, gericht naar het Oosten, van waar wij waren opgestegen; welke aanblik den mensch pleegt te verheugen.

55 Eerst richtte ik de oogen naar de lage kusten; voorts hief ik ze op naar de zon, en ik verwonderde mij dat wij ter slinker door haar werden beschenen.

58 Wèl wierd de Dichter het gewaar dat ik geheel verstomd stond over de zonnekar, daar zij tusschen ons en het Noorden opging.

61 Waarom hij tot mij: „Zoo Castor en Pollux in gezelschap waren van dezen spiegel, die boven en beneden zijn licht rondleidt,

64 zoudt gij den rooden Dierenriem nog dichter tegen de Beren gedrongen zien kringen, zoo hij niet van den ouden weg is afgeweken.

67 Indien gij het u wilt denken hoe dit is, keer in u zelf en stel u voor dat Sion tegenover dezen berg op de aarde staat

70 derwijze, dat zij beiden éénen eenigen Horizont en verscheiden halfronden hebben; waarom gij zien zult hoe het sluit dat het pad, dat ter kwader ure Phaëton niet te berijden verstond,

73 aan de ééne zijde gaat van dezen [berg], terwijl hij aan de andere zijde van genen [berg] gaat, indien uw verstand helder ziet.”

76 „Zeker heb ik, Meester mijn,” zeide ik: „nooit zóó helder gezien, als ik nu, met dat deel van mijn verstand, dat kreupel scheen, inzie

79 dat de midden-cirkel der Hemelsche Beweging, die in zekere kunst Equator genoemd wordt, en die altijd tusschen de Zon en den Winter blijft,

82 om de reden, die gij zegt, van hier evenver noordwaarts af is, als de Hebreeuwen hem zuidwaarts van zich verwijderd zagen.

85 Maar zoo het u gevalt, gaarne zoude ik weten, hoever wij hebben te gaan, daar de helling hooger stijgt dan mijne oogen kunnen stijgen.”

88 En hij tot mij: „Deze berg is zoo, dat hij altijd van onder moeielijk is om te beginnen, en dat hoe hooger de mensch komt, hij hem te minder bezwaarlijk valt.

91 Daarom, wanneer hij u zoo geneugtelijk zal schijnen, dat het gaan u zóó licht is, als het te scheep stroomafwaarts gaan,

94 dan zult gij aan het einde van dit pad zijn; verwacht dus daar uit te rusten van de vermoeienis: meer antwoord ik niet, en dit weet ik voor waarheid.”

97 En, toen hij zijn woorden gezegd had, klonk eene stem van dicht bij: „Wellicht zult gij te voren nog noodig hebben te zitten.”

100 Bij den klank van haar draaide elk van ons zich om; en wij zagen ter linker een groot rotsblok, hetwelk noch ik, noch hij eerst hadden opgemerkt.

103 Daarheen togen wij; en daar waren personen die zich in de schaduw bevonden achter de rots, gelijk de mensch uit luiheid zich pleegt te bevinden.

106 En één van hen, die mij toescheen moede te zijn, zat en omarmde zich de knieën, het gezicht daartusschen naar omlaag houdende.

109 „O zoete Heer mijn,” zeide ik: „beöog dezen, die zich veel loomer betoont dan of de luiheid zijn zusterlijn ware.”

112 Daarop wendde hij zich tot ons, en werd oplettend, de blikken richtend over de heup en zeide: „Ga gij maar òp, gij die zoo krachtig zijt.”

115 Toen herkende ik wie hij was; en die amechtigheid, die mij toen nog een weinig den adem versnelde, verlette mij niet tot hem te gaan: en voorts

118 toen ik tot hem was gekomen, hief hij nauwelijks het hoofd op, zeggende: „Hebt gij wel gezien, hoe de zon aan den linkerkant den wagen leidt?”

121 Zijne luie gebaren en korte woorden bewogen mijne lippen een weinig tot een lach; voorts begon ik: „Belacqua, nu treur ik

124 niet meer over u; maar zeg mij: waarom zijt gij hier gezeten? Wacht gij geleide, of heeft weer de gewone hebbelijkheid u ingenomen?”

127 En hij: „Broeder, het opwaarts gaan wat baat het? daar mij niet tot de martelingen toe zou laten de Engel Gods, die boven de Poort zit.

130 Eerst moet het dat de Hemel zich zoovele malen om mij draait buiten het leven als hij zich in het leven om mij draaide, omdat ik de goede zuchten tot het einde verdaagde,

133 indien gebed mij eerder niet te hulpe komt, dat opgaat uit een hart, dat in genade leeft; want wat baat het andere, dat in den hemel niet wordt gehoord?”

136 En reeds steeg de Dichter voor mij op, en zeide: „Kom nu, zie dat de Middagcirkel reeds door de Zon wordt geraakt, en dat aan de grens [van de beide halfronden] de nacht met de voeten Marocco raakt.

[decoratieve illustratie]

VIJFDE ZANG

De beide Dichters, verder opstijgende, zien weder eene schare van boetedoenden, allen zondaars, die eerst, door een gewelddadigen dood overvallen, zich tot God begaven; drie van dezen maken zich kenbaar.

* * * * *

1 Reeds was ik van die schimmen verscheiden, en volgde ik de voetstappen mijns Gidsen, wanneer achter mij aan, richtende den vinger,

4 er ééne schreeuwde: „Zie, want niet schijnt het dat de straal licht geeft ter slinker van hem, die het benedenst gaat, en als een levende schijnt het dat hij zich gedraagt.”

7 De oogen wendde ik op den klank van dat woord, en ik zag ze kijken in verwondering alleen maar naar mij, alleen maar naar mij en naar het licht dat gebroken was.

10 „Waarom onthutst zich uwe ziel zoozeer,” zeide de Meester, „dat gij het gaan vertraagt? Wat deert het u wat zij-daar murmureeren?

13 Kom achter mij, en laat de luiden praten; sta vast als een toren, die den top nooit schudt voor het blazen der winden.

16 Daar altijd de mensch, in wien de gedachte na de gedachte opborrelt, het doelwit van zich verwijdert, daar de eene gedachte het vuur van de andere verdooft.”

19 Wat konde ik meer zeggen dan: „Ik kom?” Ik zeide het, een weinig van die verf betogen, die wèl eens den mensch vergiffenis waardig maakt.

22 En ondertusschen kwamen er dwars langs de helling, een weinig vóór ons, menschen, zingende „Miserere” vers-regel na regel.

25 Wanneer zij gewaar wierden dat ik, van wege mijn lichaam, geen plaats liet aan het doorgaan der stralen, veranderden zij het zingen in eene lange en rauwe O.

28 En twee van hen, in den schijn van boodschappers, liepen ons tegemoet, en vroegen ons: „Onderricht ons van uwen staat.”

31 En mijn Meester: „Gij kunt weer heen gaan en vertellen aan degenen, die u zonden, dat het lichaam van dezen werkelijk vleesch is.

34 Indien zij, gelijk ik oordeel, bleven staan om zijne schaduw te zien, is hun genoeg geantwoord: dat ze hem eer bewijzen, en hij kan zich hun dierbaar maken.”

37 Nooit zag ik zoo snel ontstoken wasems in den voornacht de heldere lucht doorklieven, noch, bij het dalen der zon, Augustus-nevelen,

40 of in nog minder tijd keerden genen naar boven: en daar gekomen keerden zij met de anderen te-ons-waarts, als ene schare, die toomeloos loopt.

43 „Dat volk, dat op ons aandringt, is talrijk, en zij komen tot u om te vragen,” zeide de Dichter; „daarom ga stadig door, en luister al gaande.”

46 „O ziel, die gaat om u te verblijden met dàt lichaam, waarmede gij geboren zijt,” (zoo krijtende kwamen zij) „vertraag een weinig uwen gang.

49 Zie of gij ooit iemand van ons gezien hebt, zoodat gij naar ginds berichten van hem medeneemt: ei lieve waarom gaat gij? ei lieve waarom staat gij niet stil?

52 Wij zijn voormaals allen gewelddadig gestorven, en waren zondaars tot onzen laatsten stonde: toen bracht een hemelsch licht ons tot bezinning,

55 zóódat wij, ons berouwende en vergevende, uit het leven gingen, met God in vrede, die ons nu pijnigt door de begeerte om Hem te zien.”

58 En ik: „Hoe zeer ik in uwe aangezichten spiede, ik herken er niet ééne; maar indien u gevalt eenig ding dat ik zou kunnen, wèl-geboren zielen,

61 zegt gij het, en ik zal het doen bij dien vrede, die, achter de voeten van dusdanig geleide, mij van wereld tot wereld hem doet zoeken.”

64 En één begon er: „Ieder vertrouwt op uw weldaad zonder dat gij ze bezweert, al neemt ook het willen het niet-kunnen niet weg.

67 Waarom ik, die alleen voor de anderen spreek, u vraag, zoo ge ooit dat land gezien hebt, dat ligt tusschen Romagna en dat van Karel,

70 dat gij mij in Fano zoozeer de hoofschheid betoont van uwe gebeden, [vragende] dat men er op de goede wijze voor mij bidde, opdat ik de zware feilen kunne boeten.

73 Daar was ik, maar de diepe wonden, waar het bloed uitging, waarin ik eenmaal huisde, werden mij gemaakt te midden der Antenoren,

76 daar waar ik veiliger meende te zijn; die van Este liet het doen, die op mij toornde vrij wat meer dan het recht het wel wilde.

79 Maar indien ik naar Mira ware gevlucht, wanneer ik besprongen werd bij Oriacum, zoude ik nóg dáár zijn, waar men ademt.

82 Ik liep naar den poel, en riet en slijk verstrikten mij zóó, dat ik viel, en daar zag ik op den grond zich uit mijne aderen een meer maken.”

85 Voorts zeide een ander: „Eilieve, zoo waarlijk worde die begeerte vervuld, die u trekt ten hoogen berge, ontferm u en help mijne begeerte.

88 Ik was van Montefeltro, ik ben Buonconte: Johanna en [mijne] andere [verwanten] gedenken mijner niet: waarom ik [nog] tusschen dezen ga met gebogen hoofde.”

91 En ik tot hem: „Welke dwang of welk toeval deed u zoo ver buiten Campaldino verdwalen, dat men nooit de plaats van uwe begrafenis wist?”

94 „O,” antwoordde gene: „langs den voet van het Casentijnsche gaat een water dat Archiano heet, en dat ontspringt boven het klooster op den Apennijn.

97 Daar waar zijn naam ijdel wordt, kwam ik aan, met de keel doorboord, vluchtende te voet en de vlakte met bloed bezoedelende.

100 Daar verloor ik het gezicht, en de spraak eindigde ik met den naam van Maria, en daar viel ik en bleef mijn vleesch alleen.

103 Ik zal de waarheid zeggen, en gij herzeg haar onder de levenden: de Engel van God greep mij, en die van de Hel kreet: „O Gij van den Hemel, waarom berooft gij mij?

106 Gij draagt van hem het eeuwige met u weg, wegens eenen kleinen traan die hem mij ontneemt; maar ik zal met het andere anders huis houden.”

109 Gij weet wel hoe in de lucht zich die vochte damp vergaart, die weer tot water overgaat, zoodra hij tot zóó hoog stijgt, waar het koude hem opneemt.

112 Dat kwaad bedoelen, dat stadig naar kwaad vraagt, verbond hij met zijn verstand, en hij bewoog den dam en den wind door dat vermogen dat zijn natuur hem gaf.

115 Voorts, toen de dag voorbij was, bedekte hij met nevel het dal van Pratomagno tot aan den grooten bergrug en maakte hij den hemel van boven betogen

118 zóó zeer, dat de gedrenkte lucht zich in water verkeerde: de regen viel en datgene er-van wat de aarde niet kon verduwen, kwam tot greppels.

121 En toen het zich verzameld had tot groote beken stortte het zoo snel naar den Konings-stroom, dat niets het weerhield.

124 Mijn verkild lichaam vond de gezwollen Archiano aan zijne uitmonding, en die drong het in den Arno, en ontbond op mijn borst het kruis

127 dat ik van mijne handen gemaakt had toen het berouw mij overwon: hij wentelde mij tegen de oevers en tegen den bodem; voorts bedekte hij mij en omgaf hij mij met zijn buit.”

130 „Eilieve, wanneer gij tot de wereld zult zijn teruggekeerd en zult zijn uitgerust van den langen weg,” zóó volgde de derde geest op den tweeden:

133 „herinner u mijner, ik die ben Pia: Siena gaf mij het leven, Maremma den dood: ~hij~ weet het die mij, de reeds eenmaal gehuwde,

136 met zijn edelsteen weder ten huwelijk nam.”

[decoratieve illustratie]

ZESDE ZANG

Nadat de beide Dichters zich met moeite hebben losgemaakt uit de schare van schimmen, ondervraagt Dante Virgilius en onderhoudt Virgilius Dante over den grond van hoop, waarmede dezen heil van de gebeden der levenden verwachten. Voorts zien zij Sordello, die, eerst zich afgezonderd houdend, bij het hooren van zijn landaard, Virgilius op het hartelijkst begroet, hetgeen Dante aanleiding geeft tot een uitweiding over de ellende en verdeeldheid van Italië.

* * * * *

1 Bij het scheiden van het dobbel-spel, dan blijft degene, die verliest, treurende achter, de kansen overrekenende, en hij bedilt ze ontstemd;

4 met den andere gaan al de luiden mede: de eene gaat hem voor, en de andere vat hem van achter, en gene vraagt hem van ter zijde zijner te gedenken:

7 hij echter blijft niet staan, en hoort dezen en genen aan; deze, wien hij de hand reikt, die dringt niet meer aan; en zóó verdedigt hij zich tegen het gedrang.

10 Zoo was ik in dien dichten drom, her- en der-waart hun het gelaat toekeerende, en al belovende maakte ik er mij van los.

13 Daar was de Aretijn, die van de wreede armen van Ghin di Tacco den dood kreeg; en de andere, die verdronk, daar hij vervolgende liep.

16 Daar smeekte met de handen uitgespreid Frederik Novello, en die van Pisa, die den goeden Marzucco zich dapper betoonen deed.

19 Ik zag Graaf Orso; en de ziel van het lichaam gescheiden door kwade trouw en nijd, zooals hij zeide, niet wegens zich berokkende schuld;

22 Pieter Dalla Broccia bedoel ik; en hier zie, zoolang zij aan deze zijde is, de Vrouwe van Brabant toe, dat zij daarom niet kome te behooren tot slechtere kudde.

25 Toen ik vrij was van alle deze schimmen, die stadig baden dat men voor hen bad, opdat zich hun heilig-worden verhaastte,

28 begon ik: „Het schijnt mij dat gij me, o Licht mijn, uitdrukkelijk ergens in uw geschrift ontkent, dat eenige bede een besluit des Hemels wijzigt;

31 en deze lieden bidden toch juist om dit. Zoude dan hunne hoop ijdel zijn? Of is uwe uitspraak mij niet genoegzaam duidelijk?”

34 En hij tot mij: „Mijne schriftuur is duidelijk, en hunne hoop faalt niet, indien men het goed beschouwt met het gezonde verstand;

37 daar top van gerechtigheid zich niet neer laat halen, omdat het vuur der liefde in eenen oogenblik vervult dat wat voldoening geven moet aan dengene, die hier verblijf houdt:

40 en daar waar ik dat punt bevestigde, daar werd door bidden geen misslag geboet, omdat het gebed van God gescheiden was.

43 Maar voorwaar berust niet bij zulk een diepe twijfeling, als gene het niet zegt, die tot een licht worde tusschen de waarheid en uw verstand.

46 Ik weet niet of gij mij begrijpt: ik spreek van Beatrice; omhoog zult gij haar zien, boven op den top van dezen berg, lachende en gelukkig.”

49 En ik: „Goede Gids, laten we gaan met grooteren spoed; daar ik reeds niet meer zoo moede word als te voren, en zie nu hoe de hoogte schaduw werpt.”

52 „Wij zullen bij dezen dag zooveel vooruitgaan,” antwoordde hij: „als wij op zijn meest zullen kunnen; maar de zaak is anders gesteld dan gij denkt.

55 Voordat gij daarboven zijt, zult gij zien wederkeeren dengene, die reeds schuilt achter de helling, zoodat gij zijne stralen zich niet doet breken.

58 Maar ziedaar eene schimme, die eenzaam den blik op ons heeft gevest: ~die~ zal ons den kortsten weg wijzen.”

61 Wij kwamen tot haar: o Lombardische ziel, hoe stondt gij hooghartig en trotsch, in het bewegen der oogen edel en traag!

64 Zij zeide niets tot ons; maar liet ons verder gaan, alleen kijkende op de wijze van een leeuw, wanneer hij gaat liggen.

67 Toch bewoog zich Virgilius tot hem, vragende dat hij ons den besten opgang wees; en gene antwoordde niet op zijn vraag;

70 maar naar ons land en ons leven vroeg hij ons. En de zoete Gids mijn begon: „Mantua...” en de schimme, die gansch eenzelvig was, verhief

73 zich tot hem van de plaats waar zij eerst stond, zeggende: „O Mantuaan, ik ben Sordello, van land.” En de één omarmde den ander.

76 Wee dienstbaar Italië, tehuis van smart, schip zonder schipper in grooten storm, niet heerinne van provinciën, maar bordeel!

79 Die edele schim was zóó vlug, alleen op den zoeten klank [van den naam] zijns lands, om zijnen medeburger daar onthaal te geven;

82 en nu bestaan in u niet zonder oorlog uwe levenden, en de een knaagt aan den andere onder degenen, welke één muur en ééne gracht omsluit.

85 Zoek, rampzalige, de kusten langs van uwe zeeën, en dan zie u in den boezem of eenig deel van u zich in vrede verheugt.

88 Wat baatte het, dat Justinianus u het gebit weer optoomde, zoo het zadel ledig is? Zonder hem zoude de schande minder zijn.

91 Wee volk, dat deemoedig moest zijn, en Caesar moest laten zitten op den zadel, zóó gij goed verstaat dat wat God u voorschrijft!

94 Zie, hoe deze trotsche woest is geworden, door niet geregeerd te worden met de sporen, sinds gij de hand sloegt aan den halster.

97 O duitsche Albert, gij die háár verlaat, die ongetemd en wild is geworden, gij die haar zadel schrijlings moest omvatten,

100 gerechte gerechtigheid valle van de sterren over uw bloed, en zij zij nieuw en openbaar, zoodat uw opvolger er vrees door gevoele,

103 omdat gij en uw vader geduld hebt, door begeerigheid aan gene zijde gehouden, dat de tuin des Rijks verlaten zij.

106 Kom om te zien [de geslachten der] Montecchi en Cappelletti, [der] Monaldi en Filippeschi, gij mensch zonder zorg, genen [beiden] reeds bedroefd, dezen [beiden] rampen verwachtend.

109 Kom, wreede, kom en zie de verdrukking van uwe edelen, en heel hun leed, en gij zult zien hoe veilig Santafiore is.

112 Kom om uw Rome te zien, dat weent, verweduwd en eenzaam, en dag en nacht u roept: „Mijn Caesar, waarom verzelschapt gij mij niet?”

115 Kom om te zien hoezeer [de menschen van] uw volk elkanderen beminnen; en zoo geen medelijden met ons u beweegt, kom om u te schamen over uwen naam.

118 En zoo het mij veroorloofd is, o hoogste God, die op aarde voor ons gekruisigd werdt, zijn uw gerechte oogen elders heen gekeerd?

121 Of is de voorbereiding, die gij in den afgrond uws raads maakt voor eenig Goed, in alles van ons besef afgesneden?

124 Daar de landen van Italië gansch vol zijn van tirannen, en elke hooveling, die als partijganger komt, een Marcellus wordt.

127 Florence mijn, wel kunt gij tevreden zijn over deze uitweiding, welke u niet raakt, dank zij uw volk dat zóó goed redeneert.

130 Velen hebben gerechtigheid in het hart, maar zij wordt eerst laag afgeschoten, uit vrees dat men onbezonnen den boog hanteere: maar uw volk heeft haar boven op de tong.

133 Velen weigeren den algemeenen last; maar uw volk antwoordt haastig, zonder dat men het roept, en schreeuwt: „Ik neem hem op mij.”

136 Nu verheug u, daar gij er wel reden toe hebt: gij rijke, gij vreedzame, gij verstandige: of ik de waarheid spreek, de uitwerking verheelt het niet.

139 Athene en Lacedaemon, die de antieke wetten maakten, en zóó burgerlijk waren, brachten het maar weinig ver in de goede levens-wijze,

142 vergeleken bij u, die zoo ragfijne maatregelen treft, dat niet tot midden-November komt, dat wat gij in October spint.

145 Hoevele malen bij den tijd, waarvan u heugt, hebt gij van wetten, munten, en ambten en costumen veranderd, en van ingezetenen verwisseld!

148 En als gij u goed herinnert en licht ziet, gij zult u zien gelijk aan die zieke, die geen rust kan vinden op de veeren,

151 maar door zich te wenden en te keeren zich tegen de pijnen beschut.

[decoratieve illustratie]

[decoratieve illustratie]

ZEVENDE ZANG

Sordello, aan wien Virgilius zich bekend heeft gemaakt, zegt op diens verzoek om hun den weg te wijzen naar den Ingang van den eigenlijken Louteringsberg, dat zij zich eerst, daar men 's nachts niet kan verder gaan, een nachtverblijf moeten opzoeken en wijst hun als zoodanig een dal in den berg uitgehold, waarin de trage vorsten zich bevinden.

* * * * *

1 Nadat de eervolle en blijde begroetingen drie en vier malen waren herhaald, trad Sordello [een weinig] terug en zeide: „Wie zijt gij?”

4 „Voor dat tot dezen berg de zielen gekomen waren, waardig om tot God te stijgen, werden mijne beenderen door Octavianus begraven.

7 Ik ben Virgilius; en door geene andere schuld verloor ik den hemel dan door geen geloof te hebben;” zoo antwoordde toen mijn Gids.

10 Gelijk degene is, die plotseling iets voor zich ziet, waarom hij zich verwondert, dat hij gelooft en niet gelooft, zeggende: het is zoo, het is zoo niet;

13 zoo scheen hij en voorts neeg hij de wenkbrauwen, en nederig keerde hij tot hem terug en omarmde hem daar, waar de mindere [zijnen meerdere] vastgrijpt.

16 „O roem der Latijnen,” zeide hij: „door wien onze taal toonde wat zij vermocht: o eeuwige prijs van de plaats, vanwaar ik was;

19 welke verdienste of welke genade vertoont u aan mij? zoo ik waardig ben uwe woorden te hooren, zeg mij of gij van de Hel komt en van welke afdeeling.”