Part 4
[Voetnoot 24: _Der weezen lot_ ... „De dag, die ’t kind tot een wees maakt, berooft hem van al zijne speelgenooten; overal slaat hij de oogen neder; tranen biggelen langs zijne wangen. In zijne behoefte gaat het kind naar zijns vaders vrienden, en trekt hen bij het kleed; van diegene onder hen, die medelijden met hem hebben, reikt hem iemand een’ kleinen beker; en zoo bevochtigt hij wel zijne lippen, maar niet zijn gehemelte. De knaap, wiens beide ouders nog in leven zijn, jaagt hem van het gastmaal, en slaat hem, en graauwt hem toe: „„ga zoo heen! uw vader eet immers niet met ons!”” (Homerus.)]
[Voetnoot 25: _Voor ’t gerigt--zijt opgekomen_ ... Forster, bij Buttmann aangehaald, zegt, dat hier misschien bedoeld wordt eene wet bij Lysias vermeld: „dat het den beklaagde, die zijne zaak wantrouwde, vrijstond, zich door de vlugt aan de gevolgen van derzelver behandeling te onttrekken.” Of men moet het op Anytos toepassen, die, volgens Libanius, in zijne Verdediging van Socrates, na de door hem ingestelde beschuldiging, met den beklaagde zich wilde verzoenen. Maar dit is zeer twijfelachtig; waar is het, dat, wanneer partijen, vóór de beslissing van het pleit, zich met elkander verzoenden, in verschillende gevallen de zaak werd bijgelegd. De aanklager had dan duizend drachmen boete te betalen. (Wachsmuth, II, 1, 285.)
In het volgende wordt de loop van het regtsgeding vergeleken met de drie hoofddeelen van een drama: het verschijnen voor ’t gerigt met de inleiding en de opgave van ’t onderwerp;--het voeren van ’t geding met de handeling en hare verwikkelingen;--en de uitspraak van het vonnis met de ontknooping. Wat Crito laakt, is het verschijnen van Socrates voor den regter; wat hem grieft, is de uitslag van het treurspel, dien hij aan gebrek aan inzigt bij hem zelven en zijne vrienden toeschrijft.]
[Voetnoot 26: _Even min als gij u zelven_ ... Dit bijvoegsel verwacht men hier niet bij Crito’s klagen over de achteloosheid en lafheid van de vrienden van Socrates, en niet van Socrates zelven. Maar als onwillekeurig ontsnapt hem daarbij eene ligte berisping tegen den leermeester zelven; dat komt voort uit eene edele verontwaardiging, dat Socrates niet is gered, en zich nu niet wil laten redden.]
[Voetnoot 27: _Des te bezwaarlijker_ ... Volgens Leo is de meening van Socrates: „des te minder kan ik uwe zorg goedkeuren en er gebruik van maken,” in tegenstelling met: „uw ijveren is mij _veel waard_, dewijl het als lofwaardig zeer aannemelijk is.”--Ons schijnt Socrates toe te willen zeggen: „de aandrang, met welken gij mij tot de vlugt aanspoort, ontroert mij als een blijk uwer warme liefde; en uit onwillekeurigen afkeer van den dood, die in ieder schepsel leeft, zou ik uwe voorslagen gehoor geven, indien slechts mijn pligt het toelaat: maar zoo niet, dan kost het mij én om uwe liefde, én om dien afkeer, slechts te meer moeite, uwen aandrang te weerstaan en standvastig te blijven sterven.”]
[Voetnoot 28: _Aan niets anders gehoor geef, dan aan het inzigt_ ... „Want,” zegt Socrates elders bij Plato, „de man, voor wien al wat tot geluk voert, alleen van hem zelven afhangt, voor wien het niet, verknocht aan voor- of tegenspoed, van anderen noodwendig afhankelijk wordt en geheel onzeker; die man heeft zich den besten levensweg bereid: die is de zelfstandige, de dappere, de wijze; dien zal men, bij ’t verwerven of verliezen van kinderen, of van geld en goed, zich noch te zeer zien verblijden noch bedroeven, dewijl hij al zijne hoop stelt op zich zelven.”--„En die zelfstandige man,” zegt Epictetus, „was Socrates, die van al wat hem voorkwam, op niets anders lette dan op de rede, d. i. op zijne heilige, innige overtuiging van pligt.”]
[Voetnoot 29: _Dezelfde inzigten_ ... Namelijk over burgerpligt en verachting van den dood.]
[Voetnoot 30: _Schrikbeelden_ ... De oorspronkelijke uitdrukking beteekent: „een kind met zekere gebaren en onder het uitspreken van het woord _Mormo_ bang maken; dan: iemand bang maken door schrikbeelden, en in ’t algemeen: iemand (een’ meest ongegronden) schrik aanjagen.”]
[Voetnoot 31: _Hoe kunnen wij_ ... Buttmann, Leo en de meeste andere uitleggers leggen Crito deze vraag in den mond. Wij volgden Stallbaum: de rede wordt er te vuriger door.]
[Voetnoot 32: _Of de bewering altijd geldig is, of niet_ ... Namelijk of _niet geldig_. Drievoudig is de vraag: 1º. of de bewering gegrond is; 2º. of ze ongegrond is; 3º. of ze vroeger gegrond was, maar nu niet meer. (Buttmann.)]
[Voetnoot 33: _Zich ernstig op ligchaamsoefeningen toelegt_ ... Bekend is ’t, hoe veel werk de Grieken van deze oefeningen maakten, hoe hunne nationale feesten voor een gewigtig deel in dezelve bestonden, en haar zoo een bijzonder gewigt bijzetten in de oogen des volks. Levendig begrepen zij, hoe veel de gezondheid en de volledige ontwikkeling van de kracht des ligchaams toebrengt tot die der ziel. Verg. aant. 53.]
[Voetnoot 34: _Die des Eenen_ ... „’t Is duidelijk,” zegt Nüsslin ter dezer plaatse, „dat Socrates hier _God_ meent.” Eenige plaatsen bij Plato, die hij ten bewijze aanvoert, laten wij hier volgen:
„Een is wijzer dan alle; die alleen is de maatstaf.--God zij onze regel in alles, meer dan eenig mensch.--Niemand is wijs, dan (de) God; de menschelijke wijsheid is weinig waard; en onder de menschen is hij de wijsste, die dit met Socrates heeft ingezien.--Men moet Gode zoo veel mogelijk gelijkvormig worden; die gelijkvormigheid bestaat in verstandig, braaf en vroom te zijn.--Twee voorbeelden hebben wij: het goddelijke, dat van het hoogste geluk; het niet-goddelijke, dat der rampzaligheid.”]
[Voetnoot 35: _Heeft--het leven--iets bekoorlijks?_ ... Men wane niet--zoo als bij eenzijdige gevolgtrekking welligt het geval zou kunnen zijn,--dat Socrates hier zijlings den zelfmoord verdedigt. In tegendeel: volgens hem staat ieder mensch hier op eenen post, hem door God aangewezen, en dien hij zonder het hoogst bevel niet mag verlaten.]
[Voetnoot 36: _(Wij houden) dus (de ziel) voor kostelijker._ „Onder alles, wat wij hebben,” zegt Socrates elders, „is naast God onze ziel het goddelijkste.” En: „hoe veel geringer een ongeluk is het met een ziekelijk ligchaam te leven, dan met eene bedorvene, onheilige ziel!” Meer gelijkluidende plaatsen heeft Nüsslin bijeengebragt.]
[Voetnoot 37: _De vorige_ ... „De redenering, welke wij hebben doorgeloopen,” namelijk over ’t oordeel van den grooten hoop, „schijnt nog dezelfde,” verschilt niets van die, welke wij vroeger hebben uiteengezet, toen ik nog niet was aangeklaagd. Hierop schijnen de woorden _de vorige_ te doelen. Anderen vatten de plaats anders op.]
[Voetnoot 38: _Niet tegen mijnen zin_ ... De edele vriendschap, met welke gij mij herhaaldelijk aanraadt te vlugten, acht ik alleszins hoog; maar, daar ik mij door geen’ invloed van buiten laat leiden, _moet gij toch mijn inzigt behoorlijk laten gelden_.]
[Voetnoot 39: _Wie onregt lijdt, het weerom doen_ ... Nüsslin trekt uit deze plaats, waarbij hij ettelijke anderen voegt, het gevolg, dat men te overijld den Ouden _alle begrip_ van liefde jegens vijanden heeft ontzegd; en dat in de meeste plaatsen hunner schriften, waar haat jegens vijanden wordt gebillijkt, de vijand in den oorlog wordt bedoeld.--_Alle begrip_ ... dit is te veel gezegd; maar alleen Socrates en de zijnen stonden met enkele edelen hooger dan de groote hoop; en Socrates zelf is in zijne Verdediging zoo schamper, zijne taal zoo vernederend voor regters en tegenpartij, dat daarbij het denken aan _wraak_ natuurlijk bij u opkomt. Buitendien moet men niet vergeten, hoe weinig algemeenen invloed bij de Ouden de wijsgeerige school had op de praktiek des levens. (Verg. onze inleiding.) Deze spreekt veeleer bij de dramatische dichters: het tooneel en het leven der Ouden stond in veel naauwer verband dan bij ons. En uit deze blijkt, dat wraak bij de Ouden niet alleen geoorloofd was, maar zelfs eene zaak van eer. „Eene groote zaak versta ik,” zegt Archilochus, „hem, die mij kwaad gedaan heeft, met vreesselijk kwaad te vergelden.” Dat bij ’t volk _wraak_ de leuze was, blijkt eveneens uit vele plaatsen bij de treurspeldichters; in ’t algemeen eischten de Grieken van den _man_ in staat te zijn om zijn vaderland nuttig, zijn’ vijand geducht te zijn. Zij kennen den _man_, den _burger_; aan het goddelijke Christendom was en blijft het voorbehouden den _mensch_ te leeren zegenen, wie hem vloekt.]
[Voetnoot 40: _Beloofd, omdat het regtvaardig was_ ... Het niet nakomen van eene vrijwillige belofte berokkende--bij de Romeinen althans--in zekere mate _eerloosheid_.]
[Voetnoot 41: _En de wetten -- -- vroegen_ ... Dit welsprekend leenen van ziel en spraak aan iets onbezields is meermalen nagevolgd. Bij Buttmann vindt men eene dergelijke plaats aangehaald uit de: „Oeuvres de Frédéric II, publiées du vivant de l’auteur.”]
[Voetnoot 42: _Tot het verdrag tusschen ons en u_ ... Leo gelooft, dat Socrates hier ook bedoelt: den eed, dien de atheensche burgers moesten afleggen, van dezen inhoud: „aan de wetten, die vastgesteld worden, zal ik gehoorzamen, en aan alle andere, welke het volk met gemeen overleg zal vaststellen;--en indien iemand de wetten vernietigt, of ze niet gehoorzaamt, dat zal ik niet toelaten, maar tegengaan, zoo wel alleen, als met allen.”]
[Voetnoot 43: _Muzijk en gymnastiek_ ... Volledige ontwikkeling naar ziel en ligchaam. Gelijk namelijk bij ons de gymnastiek in ruimen zin de beoefening bevat van al wat het ligchaam kracht, vlugheid en bevalligheid kan bijzetten; zoo verstonden de Grieken onder muzijk--der Muzen wetenschap--de schoone wetenschappen, poëzij, welsprekendheid, wijsbegeerte, de eigenlijke muzijk; in één woord, al wat den smaak voor ’t schoone ontwikkelt en de ziel veredelt. Tot eene opvoeding, die wij fatsoenlijk zouden noemen, behoorden: letterkunde in ruimen zin, muzijk en gymnastiek. Wie b. v. niet in eigenlijke muzijk ervaren was, werd niet voor een’ beschaafd man gehouden.
Protagoras schildert de opvoeding der atheensche jeugd aldus: „Van de teerste kindschheid af aan, zoo lang de naaste betrekkingen leven, onderwijzen en vermanen zij het kind. Zoodra het, wat er gezegd wordt, kan begrijpen, doen de minne en de moeder en de oppasser en de vader zelf hun best, dat het kind zoo goed mogelijk worde, en onderrigten hem bij ieder woord of daad, en toonen hem, dat het eene regtvaardig, het andere onregtvaardig is, en schoon of niet, en vroom of goddeloos; en dat hij het eene doe, het andere niet. En gehoorzaamt hij vrijwillig, dan is ’t wèl; zoo niet, dan brengen ze hem, als een kromgegroeid rijsje, teregt door dreigen en slaan. Daarna zenden zij hem naar school, en drukken het den meester veel meer op het hart, om te zorgen voor de zedigheid der kinderen, dan voor hun lezen en hun spelen op de lier. De meesters zorgen hiervoor; en wanneer zij dan het lezen geleerd hebben, en weldra het geschrevene zullen verstaan, gelijk vroeger den toon, dan geven zij hun op de banken de werken van voortreffelijke dichters te lezen, en laten ze hen van buiten leeren, welke vele teregtwijzingen bevatten, en vele verhalen van de deugden van de mannen van ouds, die ze roemen en verheffen; opdat de knaap naijverig hen navolge, en trachte even zoo voortreffelijk te worden. De muzijkmeesters dragen eveneens op dergelijke wijze zorg voor zedigheid, en dat de knapen geen kwaad doen; daarenboven, wanneer zij geleerd hebben de lier te bespelen, leeren zij hun weder gedichten van andere dichters, van lierdichters, die ze op muzijk brengen; en zij dwingen maat en harmonie in de ziel der knapen, opdat zij zachter worden, en, meer aan maat en regel gewend, geschikt voor woord en daad. Want het geheele leven van den mensch behoeft maat en gepasten toon.--Dan zendt men hen nog naar den meester in ligchaamsoefeningen, opdat zij met een beter ontwikkeld ligchaam, ook eene edele denkwijze kunnen opvolgen, en niet genoodzaakt worden lafhartig te handelen wegens gemis aan ligchamelijke kracht en vlugheid en in oorlog en in andere bedrijven. Dit doen de meest vermogenden, wier kinderen het vroegst en het langst de scholen bezoeken.”
Dus: huisselijke opvoeding;--lezen en de beginselen der muzijk, dichtstukken van buiten leeren;--eigenlijke muzijk en lierdicht;--ligchaamsoefeningen; terwijl overal orde en zedigheid streng werd geëischt; dit was, naar Solons instellingen, de gang der voorbereidende vorming der jeugd. Wat wij nog meer hebben genoemd, leerde de verder gevorderde jongeling van mannen als Protagoras en anderen.]
[Voetnoot 44: _Lijfeigene_ ... zoo als Demaratus tot koning Xerxes zeide: „Vrij zijn de Spartanen, maar toch niet geheel; want over hen heerscht de wet, aan welke zij meer dan de uwen aan u gehoorzamen.”]
[Voetnoot 45: _Geweld te gebruiken_ ... Niet alleen dit was snood; maar de zoon, die zijne ouders den verschuldigden eerbied niet betoonde, werd van alle ambten uitgesloten.]
[Voetnoot 46: _Burger is geworden_ ... De jonge Athener, die ’t volledig burgerregt verlangde, werd opgeteekend in de kieslijst; maar eerst moest hij een onderzoek ondergaan over afkomst, wettige geboorte, in één woord over ’t gene als vereischte voor het burgerregt werd aangemerkt. (Stallbaum, Buttmann, Schleiermacher.--Maar Leo volgt eene andere lezing, die volgens St. slechts in een hdsch. voorkomt, maar vroeger algemeen werd gevolgd.)]
[Voetnoot 47: _Drievoudig misdoet_ ... Jegens de wetten: 1. als de oorzaken van zijn aanwezen; 2. als zijne opvoedsters; 3. als nooit onredelijke gebiedsters, die slechts _voorstellen_ ... Keuren en wetsbepalingen werden, vóór de bekrachtiging, openlijk ten toon gesteld; om ze door ieder te laten lezen en beoordeelen, of ook iemand iets beters had voor te stellen.]
[Voetnoot 48: _Nooit -- -- uit de stad geweest_ ... Zie de Inleiding.]
[Voetnoot 49: _U tot ballingschap te veroordeelen_ ... De aanklager gaf, althans in gevalle dit niet bij de wet was bepaald, de straf op, die naar zijn inzigt de beklaagde door zijn misdrijf had verdiend. Was dan de zaak geregtelijk onderzocht, dan vroeg de overheid, in gevalle de beklaagde werd veroordeeld, den veroordeelde, welke straf hij zelf meende verdiend te hebben. Het antwoord van Socrates vindt de lezer in meergemelde verhandeling van Prof. P. Hofstede de Groot.]
[Voetnoot 50: _Noch uit nood_ ... De sprekend ingevoerde wetten ontzenuwen hier alle mogelijke exceptiën, die tegen de geldigheid van een aangegaan verdrag kunnen worden ingebragt. (Jacobs.)]
[Voetnoot 51: _Lacedaemon -- -- Creta_ ... In Plato’s werk: „Over den Staat,” worden deze staatsregelingen door Socrates als de beste geprezen (VIII, 544 c.), en zoo op meer plaatsen, bij Buttmann verzameld. Xenophon, gelijk bekend is, zeer met Lacedaemon ingenomen, prijst hare staatsinrigting, onder anderen, wegens de voorbeeldige gehoorzaamheid der burgers, en de hooge achting jegens grijsaards. Plato prijst als eene der voortreffelijkste verordeningen in Creta en Sparta, dat het jonge menschen verboden was hunne wijsheid uit te kramen over eenige wet, of ze goed was of niet. Had een bejaard man er eenige aanmerking op te maken, dan had hij het der overheid mede te deelen, mits niet in tegenwoordigheid van jonge lieden.]
[Voetnoot 52: _Hades woningen_ ... der dooden verblijf.]
[Voetnoot 53: _Wie de ooren suizen_ ... Er staat: „die de Corybanten-ongesteldheid hebben.” _Corybanten_ waren priesters, die, zoo ze dachten, vol van de godheid, dansten. _Corybanten-ziekte_, eene ingebeelde ongesteldheid, waarbij men meende fluiten-muzijk te hooren, en die men waande van de Corybanten te komen. De zieken werden daarbij door geweldige onrust gejaagd, en gekweld door eene slapeloosheid, die door muzijk genezen werd.--Schleiermacher’s opvatting van deze plaats scheen ons de voorkeur te verdienen, boven ’t geen anderen hebben, b. v. _Corybanten in geestdrift, de Corybantiasten_, enz.]
[Voetnoot 54: _Der goden bevel opvolgen_ ... Hoe geheel Socrates zich aan den goddelijken wil overgaf, blijkt overvloedig uit eene reeks van heerlijke plaatsen, door Nüsslin bijeengebragt.]
Voetnoten
[Voetnoot A: Veertien kinderen, die de Atheners jaarlijks aan Minos van Creta moesten zenden, tot boete voor den moord, aan zijnen zoon Androgeus gepleegd.]
[Voetnoot B: Het woord _theorie_, dat wij hier hebben vertaald door _gezantschap_, _zending_, beteekent eigenlijk: eene verrigting _ter vereering van den god_.]
[Illustratie]
NAAMLIJST
DER
INTEEKENAREN.
[Illustratie]
Z. M. DE KONING DER NEDERLANDEN. 12 Expl.
Z. K. H. PRINS FREDERIK DER NEDERLANDEN. 10 Expl.
Adriani, N. van der Tuuk, predikant te _Brielle_.
Amshoff, M. A., predikant te _Groningen_.
Bakker, J., predikant te _Sappemeer_.
Bakker, Mr. A. C. H., arr. direct. der belast. te _Winschoten_.
Banck, J., aldaar.
Bank, M. A. van der, pred. bij de waalsche gem. te _Utrecht_.
Bazendijk, P. M., boekhandelaar te _Rotterdam_. 2 expl.
Berg, P. F. van den, aldaar.
Bisdom, Mr. D. A., griffier te _Wageningen_.
Blaauw, H., theol. cand. te _Groningen_.
Bleijenberg, H., predikant te _Zwolle_.
Boer Ez., J. de, te _Groningen_.
Boom, C., wethouder te _Tholen_.
Borgesius, J. G., theol. cand. te _Groningen_.
Bos, Wed. N. H., te _Winschoten_.
Bosch, J. van den, stads-schoolonderwijzer te _Tholen_.
Broecke, Mr. Ph. van den, rijks-advokaat te _Middelburg_.
Broek, P. W. van den, predikant te _Rotterdam_.
Broekman, G. H., notaris, voor het leesgezelschap: Tot Nut en Uitspanning, te _Rotterdam_.
Broese & Comp., boekhandelaars te _Breda_.
Bronsema, R., steen- en pannefabrijkant te _Winschoten_.
Brouwer, G., boekhandelaar te _Deventer_.
Brugsma, A. L., litt. hum. cand. te _Middelstum_.
Brugsma, B., onderwijzer te _Groningen_.
Buddingh, D., leeraar aan de koninklijke academie te _Delft_.
Buning, H. C., student te _Groningen_.
Burger, D., te _Rotterdam_.
Burgerhoudt, J. J., te _Utrecht_.
Busman, C. Star, lid van de tweede kamer der staten-generaal, pres. der arr.-regtb. te _Groningen_.
Busscher, H., apotheker te _Winschoten_.
Callenfels, J. W., med. doct. te _Vlissingen_.
Cannegieter J. Jz., D., predikant te _Tjum_.
Cannegieter, Mr. T., president der arr.-regtbank te _Winschoten_.
Cate, H. Iszn. ten, predikant te _Pieterzijl_.
Chateleux, P. A. de, ontv. der in- en uitgaande regten te _Bath_.
Cock, H. G. de, bew. van hypoth. en het kadaster te _Winschoten_.
Cock, R. T. de, ontvanger der registratie aldaar.
Coevorden, C. N. Diepenheim van, te _Amsterdam_.
Cohen, L. Ali, med. doct. te _Groningen_.
Cornelissen, Mr. J., te _Steenwijk_.
Costerus, Dr. P. J., rector der lat. scholen te _Sneek_.
Croese, R., boekhandelaar te _Amsterdam_.
Crull, P. Hofstede, med. doct. te _Meppel_.
Daalen, Mr. H. B. van, notaris en secret. der stad _Wageningen_. 2 ex.
Daenius, A., litt. cand. te _Assen_.
Dageus, D., predikant te _Rijsom_.
Dam, H. W. van, te _Rotterdam_. 5 expl.
Dapper, L. S. P., te _Vianen_.
Delprat, G. H. M., predikant te _Rotterdam_. 2 expl.
Diephuis, Mr. G., regter in de arr.-regtb. te _Winschoten_.
Dikema, L., instituteur te _Hoogezand_.
Dikkers, H., rijks-ontvanger te _Delden_.
Doesburgh, H. G. J. van, predikant te _Rotterdam_.
Doorn, E. C. U. van, te _Utrecht_.
Duinen, M. J. van, kostschoolhouderes te _Winschoten_.
Duinen, T. van, predikant te _Surhuisterveen_.
Dull, Mr. C. W., regter in de arr.-regtb. te _Winschoten_. 2 expl.
Dijk, Egge van, logementhouder aldaar.
Dijk, Wed., aldaar.
Ebens, B., aldaar.
Edelink, H., jur. cand. te _Groningen_.
Eekma, O. J., te _Zalt-Bommel_.
Emmen, Mr. W. R., procureur te _Winschoten_.
Engelkens, Mr. H. J., burgemeester aldaar. 4 expl.
Engers, M. S., negotiant aldaar.
Eijk, J. P. Sprenger van, predikant te _Rotterdam_.
Fabius, A. N., student te _Groningen_.
Fabius, A. N., te _Steenwijk_.
Faille, J. Baart de la, hoogleeraar te _Groningen_.
Feenstra Pz., P., predikant te _Sappemeer_.
Feenstra T. S., boekhandelaar te _Sneek_. 2 expl.
Feis, R., mr, kleermaker te _Winschoten_.
Feis, Rz., W., koopman in manufacturen aldaar.
Folkers, F., aldaar.
Folkers, R., goud- en zilversmid aldaar.
Folmer, H. T., med. doct. te _Assen_.
Fremery, Mr. J. W. F. de, advokaat te _Groningen_.
Fruitier, Mr. J. A., lid der gedeput. staten van de prov. _Groningen_.
Ganderheijden, Mr. A. A., griff. bij het prov. geregtsh. v. _Groningen_.
Gerlings, Mr. J., advokaat te _Utrecht_.
Gesseler, Jhr. Mr. Th. van, rijks-ontvanger te _Winschoten_.
Gevers, A., te _Leijden_.
Gevers Deynoot, Mr. W. T., te _Rotterdam_.
Glavimans, G. J., aldaar.
Gockinga, Mr. J., presid, van het prov. geregtsh. van _Groningen_.
Görlitz, C. L., litt. cand. te _Winschoten_.
Görlitz, F. H., te _Rotterdam_.
Görlitz, P. K., fransch stads-kostschoolhouder te _Rotterdam_. 2 ex.
Groeneveld, A. E., negotiant te _Winschoten_.
Groeneveld, G. J., negotiant aldaar.
Groenier, U. J., negotiant aldaar.
Groot, P. Hofstede de, hoogleeraar enz. te _Groningen_.
Gulpen, W. van, predikant te _Barendrecht_.
Haanebeek, F. H., grossier te _’s Gravenhage_.
Hardenbergh, W. H. van, doctor in de lett., directeur eener bijzondere inrigting te _Haastrecht_.
Harderwijk, Cs. A., phil. stud. te _Amersfoort_.
Haspels, E. J., postdirecteur te _Wageningen_.
Have, A. ten, te _Amsterdam_.
Hemsing, J. C., student te _Groningen_.
Hendriksz, D., theol. stud. aldaar.
Hessel Jr, F., med. stud. aldaar.
Hiddingh, Mr. C., controleur te _Assen_.
Hien en Dodewaard, het depart., der Maatsch, tot N. van ’t Alg.
Hoekzema, geb. Meuron, Mejufvr. de wed., fransche kostschoolhouderes te _Groningen_.
Hoekzema, D., te _Assen_.
Hoet, C. ten, boekhandelaar te _Nijmegen_.
Hoëvell, Mr. J. D. baron van, rector te _Dordrecht_.
Hofstede, Mr. P., subst. officier van justitie te _Assen_.
Homan, J. L., jur. stud. te _Groningen_.
Hoogstraten Jz., A. van, boekhandelaar te _’s Gravenhage_.
Horneman-Folkers, Mej. J., te _Rotterdam_.
Horst, G. ter, notaris te _Delden_.
Huguenin, Mr. H. U., lid der arrond.-regtbank te _Sneek_.
Huisingh, H. V., boekhandelaar te _Winschoten_. 2 expl.
Hurgronje, J. J. Snouck, te _Tholen_.
Huijsman, Mr. A. E., schoolopziener te _Brielle_.
Imhoff, Mr. G. W. H. baron van, raadsheer in het prov. geregtshof te _Groningen_.
St. Jacobi Parochi, het departement, der Maatsch. t. N. v. ’t Algem.
Jacobs en Meijers, boekhandelaars te _Amersfoort_.
Jonge, Dr. H. de, secretaris der stad _Meppel_.
Jongsma, Mr. Hiddema, president van de arrond.-regtbank te _Sneek_.
Kampen, P. N. van, boekhandelaar, te _Amsterdam_. 10 Expl.
Koch, J. R. Eilers, evang. luth. predikant te _Wildervank_.
Kerzman, directeur van het athenaeum te _Maastricht_.
Kessens, J. W., te _Winschoten_.
Klaasesz, J., te _Steenwijk_.
Klunder, J. G., onderwijzer te _Sappemeer_.
Kuottnerus, J., te _Winschoten_.
Koning, E., jur. stud. te _Groningen_.
Koning, Mr. J. S. G., procureur te _Wedde_.
Kooiman, J. A., litt. hum. stud. te _Groningen_.
Koops Lz., A., koopman te _Winschoten_.
Korteweg, Mr. A. J., advokaat te _’s Hertogenbosch_.
Kramer, J. A., evang. luth. predikant te _’s Gravenhage_.
Kremer, H. A., theol. stud. te _Groningen_.
Kroese, J. G. Stenfert, boekhandelaar te _Arnhem_.
Kymmell, J. H., te _Winschoten_.
Lagerweij, J., te _Wageningen_.
Lange, M. M. de, te _Tholen_.
Lechner, J., candidaat notaris te _Schiedam_.
Ledeboer, C., te _Haastrecht_.
Leopold, J. H., logementhouder te _Groningen_.
Leuringh, J., te _Winschoten_.
Lichtenvoort, Mr. V. Heringa Star, advokaat te _Kleinemeer_.
Liebau, C., te _Amsterdam_.
Lodewijks, J., deurwaarder te _Winschoten_.
Loeterbagh, J. P., te _Brielle_.
Lohman, Jhr. Mr. W. H. de Savornin, rijks-ontv. te _Groningen_.
Loon, J. Marissen van, theol. student aldaar.
Ludeking, W. E., te _Brielle_.
Lutteke, L., koopman in manufacturen te _Winschoten_.
Mansvelt, ..... van, te _Utrecht_.
Manuel, E. C., jur. student te _Leyden_.
Maurik, Justus van, te _Amsterdam_.
Meder, Joh., student te _Groningen_.
Meder, Mr. J. J., procureur te _Winschoten_.
Mees, B. D., aldaar.
Meesters, J. R., te _Steenwijk_.
Meesters, S. Tromp, aldaar.