Crito: Een dialoog van Plato

Part 3

Chapter 33,691 wordsPublic domain

_Socrates._ „Overtreedt gij dus niet wezenlijk,” zouden zij zeggen, „de overeenkomsten en de verdragen met ons zelve? hoewel gij die noch uit nood[50] hebt aangegaan, noch omdat gij misleid zijt, noch genoodzaakt binnen een’ korten termijn u te bedenken; zeventig jaren hebt gij voor u gehad, in welke het u vrij stond weg te gaan, indien wij u niet bevielen, en ’t u bleek, dat de verdragen niet billijk waren. Maar gij gaaft noch aan Lacedaemon de voorkeur, noch aan Creta[51], die gij toch telkens wèl geregeld noemt; noch aan een’ der grieksche of vreemde staten; in tegendeel, minder hebt gij u uit denzelven verwijderd dan kreupelen, en blinden en andere verminkten. Zoo uitnemend beviel u klaarblijkelijk, meer dan de overige Atheners, de staat, en wij, de wetten. Wien toch zou een staat bevallen zonder de wetten? Zult gij nu evenwel u niet aan de verdragen houden?--Ja, gij zult het, indien gij ons gehoor geeft, o Socrates! en dan zult gij niet belagchelijk zijn door de stad te verlaten.”

XV.

„Bedenk toch eens, wanneer gij die verdragen overtreedt, en u hierin misgaat, wat voordeel gij zult bewerken voor u zelven, of voor uwe vrienden. Dat deze toch gevaar zullen loopen van zelve verbannen te worden, en verstoken van ’t verblijf in den staat, of hun vermogen te verliezen, dat is ten naastebij klaarblijkelijk. Maar gij zelf in de eerste plaats:--wanneer gij naar eene der naastbijgelegene steden gaat, of naar Thebe of naar Megara--want beide zij wèl geregeld--; dan zult gij, o Socrates! als een vijand van hunne staatsregeling komen, en allen, die ’t belang hunner steden ter harte nemen, zullen u verdenken, daar ze u zullen houden voor een’ vernietiger van de wetten;--en voor de regters zult gij de openbare meening bevestigen, dat ze regtvaardig hebben gevonnisd. Al wie toch de wetten om verre werpt, die moet ook noodwendig doorgaan voor een’ bederver van jonge en onbezonnene menschen.--Zult gij derhalve de wèl ingerigte staten en de zamenleving der braafste menschen vermijden? En zal zoo doende het leven nog iets bekoorlijks voor u behouden?--Of zult gij u bij hen vervoegen, en, onbescheiden genoeg zijn om in gesprek te treden? En waarover, Socrates? over de onderwerpen, die gij hier in den mond hadt, dat deugd en regtvaardigheid de meeste waarde hebben voor de menschen? en wat wettig is, en de wetten? En gelooft gij niet, dat dan de handelwijze van Socrates onedel zal schijnen? Men moet het althans gelooven.

„Maar, uit die plaatsen zult gij u verwijderen en naar Thessalië gaan, naar Crito’s gastvrienden. Daar heerscht namelijk de meeste ordeloosheid en losbandigheid; en denkelijk zouden zij gaarne van u hooren, hoe belagchelijk gij uit de gevangenis waart weggeloopen in eene of andere vermomming; een herderskleed of iets anders, ’t welk wegloopers plegen in het werk te stellen, genomen en zoo uw voorkomen veranderd hebbende.

„Maar dat gij, een oud man, nu gij waarschijnlijk nog slechts weinig tijds te leven hebt, het van u kondt verkrijgen, om, met overtreding der gewigtigste wetten, zoo verkleefd aan het leven te hangen, zal daarover niemand spreken? Misschien niet, wanneer gij niemand krenkt; anders zult gij, o Socrates! veel hooren, en dat uwer onwaardig is: kruipende voor alle menschen zult gij leven als hun slaaf. Wat zult gij in Thessalië anders doen dan smullen? even als of gij om een gastmaal naar Thessalië waart verhuisd.--En uwe redeneringen over regtvaardigheid en de overige deugden, waar zullen die blijven?

„Maar, zult gij zeggen, om mijner kinderen wille wil ik leven, om hen groot te brengen en op te voeden?--Hoe? wilt gij hen naar Thessalië voeren, en hen dáár groot brengen en opvoeden, en hen tot vreemdelingen maken, opdat ze u ook dit te danken hebben?--Of, dit zal nu wel niet plaats hebben: maar zullen zij, hier opgevoed, terwijl gij leeft, beter gevormd en opgeleid worden, hoewel gij niet bij hen zijt? Uwe naaste betrekkingen zullen immers voor hen zorgen!--Of zullen zij, wanneer gij naar Thessalië verhuist, hen verzorgen, maar verhuist gij naar Hades woningen[52], zullen zij hen dan niet verzorgen? Indien zij althans eenige waarde bezitten, die zich uwe vrienden noemen, dan moet men het wel gelooven.”

XVI.

„Neen, Socrates! gehoorzaam ons, uwe voedsters, en acht noch uwe kinderen, noch het leven, noch iets anders, hooger dan ’t geen regt is. Zoo kunt gij, in Hades woningen gekomen, dit alles bij hen, die daar ’t gebied voeren, ter uwer verdediging inbrengen. Want, wanneer gij dat doet, dan is uwe daad, zoo als blijkt, noch hier beter voor u, of regtvaardiger of vromer, evenmin als voor iemand der uwen;--noch zal het, wanneer gij ginder komt, beter voor u zijn. Nu daarentegen gaat gij, indien gij heen gaat, verongelijkt heen, niet door ons, de wetten, maar door de menschen. Gaat gij echter van hier, met eene zoo schandelijke wedervergelding van onregt en boosheid; met overtreding van uwe eigene overeenkomsten en verdragen, met ons aangegaan; als een booswicht jegens welke het allerminst betaamt, u zelven namelijk, en uwe vrienden en ’t vaderland, en ons: dan zullen wij op u vertoornd zijn, zoo lang gij leeft; en ginder zullen onze zusters, de wetten in den Hades, u niet goedgunstig ontvangen, wetende, dat gij hebt beproefd ook ons te vernietigen, voor zoo ver ’t in uwe magt was.

„Laat dus Crito u niet overhalen, om te doen wat hij zegt, maar veeleer wij.”

XVII.

Dit, o lieve vriend Crito! moet gij weten, dat ik meen te hooren, even als wie de ooren suizen[53], fluiten-muzijk meenen te hooren. En in mijn binnenste klinkt de galm dezer taal, en maakt, dat ik geene andere kan hooren. Weet dan, althans, zoo als ik het nu inzie, dat, indien gij iets hier tegen inbrengt, gij het te vergeefs zult zeggen. Spreek niet te min, wanneer gij meent iets meer te weeg te zullen brengen.

_Crito._ Ach, Socrates! ik weet niets te zeggen.

_Socrates._ Laat het dan daar, o Crito! en laat ons der goden bevel opvolgen[54].

[Illustratie]

AANTEEKENINGEN.

AANTEEKENINGEN.

[Illustratie]

[Voetnoot 1: _U heeft willen binnenlaten._ ... Socrates verwondert zich, dat Crito door den wachter zoo vroeg is binnengelaten, omdat er niet vroeg opengedaan werd.]

[Voetnoot 2: _Ik zou--niet--willen verkeeren_ ... namelijk, indien geschieden kon, wat nu niet kan; daarom kon ik het niet van mij verkrijgen.]

[Voetnoot 3: _Gelukkig geprezen._ ... Zoo zegt ook Phaedo: „gelukkig scheen mij de man om zijn gemoed en om zijne taal, dat hij zoo zonder vrees, zoo edel stierf. De gedachte kwam bij mij op, dat hij niet zonder goddelijk bestel naar de onderwereld afdaalde, en dat hij daar zalig worden moest.”--En Socrates zelf in hetzelfde gesprek: „Koesterde ik niet de hoop, bij wijze en goedige goden te komen, en bij gestorvene menschen, die beter zijn, dan hier, dan ware ’t niet goed, dat ik niet treurde over den dood. Nu daarentegen heb ik de blijde verwachting, dat er ook nog voor gestorvenen een leven is, en wel voor goeden een beter dan voor slechten.”

En in zijne Verdediging: „dit eene moet gij bedenken als ontwijfelbaar zeker, dat er voor den edelen geen kwaad bestaat, noch bij zijn leven, noch na den dood; en dat zijne zaak geenszins door de goden wordt uit het oog verloren. Ook mijn tegenwoordig lot komt niet zoo van zelf; in tegendeel, ’t is mij klaarblijkelijk, dat sterven mij gewin is.”]

[Voetnoot 4: _Buiten de wijs._ ... Plato zegt eigenlijk: „tegen de melodie”--Het leven des braven is als eene muzijk, in welke overeenstemming en welluidendheid heerschen, en zelfs schijnbare dissonanten zich oplossen in harmonie. De grondstellingen, voor hem uit zijne inzigten van waar en goed en schoon voortgevloeid, zijn het thema, dat als in zuivere variatiën, zijn leven in lief en leed doorgalmt. Zoo zegt Socrates: „ik houd het voor beter, dat mijne lier ontstemd ware, en wanklank deed hooren met het koor, dat ik bestuurde, en dat de meeste menschen niet met mij overeenstemden, maar mij tegenspraken; dan dat ik alleen met mij zelven niet in harmonie ware en mij tegensprak.”]

[Voetnoot 5: _Op mijne jaren--moest sterven._ ... Socrates was in zijn zeventigste jaar.]

[Voetnoot 6: _Het vaartuig uit Delos._ ... In den beroemden dialoog over de Onsterfelijkheid betuigt Echecrates aan Phaedo zijne verwondering, dat Socrates zoo lang na zijne veroordeeling den dood heeft ondergaan. „_Phaedo._ Dat kwam door eene bijzondere omstandigheid. Den dag namelijk vóór het vonnis was juist de achtersteven bekranst van het vaartuig, dat de Atheners jaarlijks naar Delos zenden. _Echecr._ Wat is dat dan? _Ph._ Dat is, volgens de Atheners, het schip, met hetwelk Theseus eens naar Creta voer, om er de veertien[A] heen te brengen, die hij redde en zich zelven ook. Aan Apollo deden zij toen de gelofte, zegt men, om, zoo zij behouden bleven, t’elken jare een plegtig gezantschap ter bijwoning der feesten te zullen zenden ter zijner eere op Delos. Dit gezantschap dan zenden zij ook nu nog sedert dien tijd t’elken jare ter eere van den god. Nadat nu die zending begonnen is, is ’t bij hen wet, gedurende dien tijd de stad rein te houden, en van staatswege niemand ter dood te brengen, vóórdat het vaartuig in Delos is gekomen, en van daar weer hier. Dit houdt somwijlen een’ geruimen tijd aan, wanneer bij toeval de winden hen ophouden. Het begin der zending wordt gerekend van het oogenblik af, dat de priester van Apollo den achtersteven van het vaartuig heeft bekranst. Dit had juist plaats gehad daags vóór het vellen van het vonnis, en daarom bleef Socrates lang in de gevangenis tusschen zijn vonnis en zijn’ dood”[B].--(Dertig dagen.)]

[Voetnoot 7: _Sunium_, een voorgebergte van Attica, thans Cabo di Colonna. Het had op de kruin een’ tempel van Minerva, en onder aan de kust eene haven. Ook stond hier een kasteel, ’t welk door opgestane slaven een’ tijd lang werd bezet gehouden, die Attica plunderden. (Athenaeus).]

[Voetnoot 8: _Heil ons!_ De oorspronkelijke uitdrukking gebruikten de Grieken veel in den zin van een goed voorteeken. Zoo min vreest Socrates den dood, dat hij, bij de tijding, dat hij ze moet ondergaan, het sterven als een wenschelijk goed beschouwt. De volgende woorden: _zoo het den goden_ enz., heeft Epictetus overgenomen onder de spreuken, waarmede hij zijn _Handboek_ besluit.]

[Voetnoot 9: _Die er over te beslissen hebben._ Crito beaamt hiermede het gezegde van Socrates niet, dewijl hij nog steeds de stille hope koestert, hem te zullen redden: _zoo zeggen althans, die_ ... Voor het overige worden hier bedoeld de _Elfmannen_, die te Athene het opzigt hadden over alle gevangenen. ’t Is misschien niet onbelangrijk bij dit ligchaam eenigzins langer stil te staan.

Hoogelijk werd te Athene de onschendbaarheid der burgers geëerbiedigd: lijfsdwang werd alleen jegens slaven voor oirbaar gehouden, zoodat het openbaar eergevoel iemand, tegen wien het aangewend was, niet meer als een’ burger van gelijken stand beschouwde. De raad moest--dewijl _atimie_, met onze eerloosverklaring te vergelijken, het lot werd van den eens tot gevangenis veroordeelde--zweren, geen’ burger in boeijen te zullen slaan, behalve wie iets tegen den staat misdeed.

Spoedig regt vereischten intusschen de zaken van koophandel; eveneens tegen allerlei woekeraars. Buitendien moest de gevangenisstraf wel toegepast worden tegen misdrijven, die ’t algemeene belang en de openbare veiligheid in gevaar schenen te brengen: ieder burger mogt dan ook als wreker van de geschonden regten des staats optreden, waarbij persoonlijke vijandschap dikwijls hare rekening vond, en de Elfmannen drukke bezigheid. Het gevangenzetten, waarbij de beschuldigde geboeid werd, diende òf tot straf, òf tot waarborg tegen veroordeelden, heen ter tijde aan het vonnis voldaan, en tegen beschuldigden, totdat hunne zaak zou uitgemaakt zijn. Maar bijna altijd kon de veroordeelde met eene geldboete vrij, die men, om de atimie te ontgaan, liever betaalde. Ter verzwaring echter der boete werd ook de gevangenisstraf toegepast, vooral tegen schuldenaren van den staat; zij bleven geboeid, totdat de schuld was voldaan.

Het beheer eener zoodanige inrigting met hare velerhande ondergeschikte bedienden vereischte reeds veel werkzaamheid. Gewigtiger evenwel was de taak der Elfmannen, jegens de gevangenen zelve te vervullen. Deze waren geheel in hunne magt gegeven, in zeker opzigt hunne slaven. Zij waren voor hen verantwoordelijk. Waarschijnlijk hielden zij aanteekening van wie gevangen geweest was, dewijl anders diens atimie met der tijd onbewijsbaar kon worden.--Aan den ter dood veroordeelde lieten zij zoo spoedig mogelijk het vonnis voltrekken, behalve wanneer de wet den tijd bepaalde, of godsdienstige gebruiken het verhinderden. De vorm bragt mede, dat zij telkens in persoon den veroordeelde van de overheden overnamen, en hem naar de gevangenis geleidden. Nu beheerschten zij hem geheel en al; of hij al dan niet in bijzijn van vriend of maag zou sterven, hing van hen af. Was de dag bepaald, dan begaven zij zich tot den veroordeelde, namen hem de boeijen af, en zeiden hem den dood aan.

De oprigting van het ligchaam der Elfmannen, zoo als wij het gedurende den bloei der democratie te Athene kennen, schijnt te vallen in den tijd van Aristides en Themistocles, en geduurd te hebben tot kort na den dood van Alexander den Groote. Zij werden bij ’t lot gekozen, één uit iederen stam; een elfde werd hun--als secretaris, zouden wij zeggen--toegevoegd. Vóór de aanvaarding van hun ambt moesten zij een onderzoek ondergaan, en na de aftreding rekenschap afleggen. Zeer waarschijnlijk ontvingen zij eene aanzienlijke jaarwedde.]

[Voetnoot 10: _Een droomgezigt,--zoo even in dezen nacht_ ... Reeds bij Homerus wordt aan de droomen een voorspellend gewigt gehecht: „ook de droom toch komt van Zeus!”--Bekend is ’t, hoe een droom, van Zeus gezonden, Agamemnon misleidt; en hoe een ander, op last van Athene, Penelope moed inspreekt. Ook de treurspeldichters spreken van droomen, als niet zonder voorbeduidende kracht. Bedenkt men nu, hoe zeer de beschaafde Griek vertrouwd was met zijne helden- en treurspeldichters, dan bevreemdt ons de droom van Socrates en zijne gedachte daarover niet; om niet te spreken van den bijzonderen toestand, waarin de edele man zich bevindt.

Een droomgezigt, _zoo even_ ... De Ouden hielden de droomen na middernacht voor de belangrijkste; en niet zonder psychologischen grond; de droomen in den voornacht betreffen meest ’t gene de ziel gedurende den dag heeft bezig gehouden; daarom hielden zij meer die na middernacht voor goddelijke ingeving en onthulling der toekomst.]

[Voetnoot 11: _In een hel-wit gewaad_ ... Droomgestalten werden voor goddelijk gehouden: daarom dacht men ze schooner, grooter en verhevener dan den mensch, en in blinkend witte kleederen. Zoo ook de bijbelsche verschijningen.]

[Voetnoot 12: _Overmorgen, o Socrates!_ ... Woorden van Achilles, die, door Agamemnon beleedigd, van Troje naar huis terug wil keeren. „Indien mij welligt,” zegt hij tot Ulysses, de doorluchtige aardschudder, „Poseidon eene gelukkige vaart wil verleenen, dan kan ik in drie dagen het vruchtbare Phthia bereiken,” d. i. zijn vaderland. Socrates verstaat onder Phthia de woonplaats der ziel na hare slaking uit den kerker des stofs, de oorden, die des menschen eigenlijk vaderland zijn.

„Bevreemdend is het,” zegt Nüsslin ter dezer plaatse, „dat geen uitlegger er op let, hoe de jeugdige heldengestalte van Achilles, die uit vrije keuze een kort, maar roemvol leven verkoos boven een lang leven vol genietingen, Socrates hier voor oogen zweeft, en hem als tot gelijke gezindheid bezielt. Dit is immers het troostrijke in ’t ontzagchelijke treurspel der geschiedenis, dat de menschen niet alleen bij elkander zijn, wanneer zij ’t zijn, dat ook de van ons verwijderde, de overledene voor ons leeft, en zijn leven en sterven ons ten spiegel wordt, waarin wij ons gaarne beschouwen.”--Socrates zelf zegt in zijne Verdediging: „men zou kunnen zeggen: „„bloost gij niet, Socrates! over de keuze van een bedrijf, waardoor gij nu gevaar loopt van te sterven?”” „Met grond zou ik antwoorden: niet schoon is dat gesproken, man! indien gij meent, dat een man, die nog een weinig waarde bezit, het gevaar van leven of sterven in aanmerking moet nemen. Niet daarop alleen moet men zien, wat men onderneemt, maar of men iets regtvaardigs doet, of het tegendeel; het werk van een’ braaf, of van een’ slecht mensch. Laag zouden, naar uwe redenering, de halve goden zijn, die bij Troja sneuvelden, ook Thetis’ zoon; en die verachtte zoo zeer het gevaar, in vergelijking van eene schandelijke handelwijze, dat,--toen hij wenschte Hector te dooden, en zijne moeder, eene godin, hem zoo ongeveer, geloof ik, toesprak: „„mijn zoon, wreekt gij den dood van uwen vriend Patroclus, en doodt gij Hector, dan zult gij sterven; (want terstond na Hector is uw sterflot bepaald)””--„hij dood en gevaar verachtte.----„„Terstond,”” zeide hij, „„zou ik willen sterven, na den onverlaat te hebben doen boeten, opdat ik niet hier blijf, bij de hooge stevens der schepen, om uitgelagchen te worden, als een nutteloos pak der aarde.””]

[Voetnoot 13: _Luister nu nog naar mij_ ... Derhalve had Crito vroeger reeds vruchteloos getracht, Socrates over te halen, om zich door de vlugt te redden.]

[Voetnoot 14: _Er geen’ ooit weer zal vinden_ ... Cicero had deze plaats voor oogen in zijn werkje over de Vriendschap, waar hij Laelius over Scipio laat zeggen: „het doet mij aan, dat ik van een’ zoo heerlijk vriend beroofd ben, als, naar mijn oordeel, er niemand ooit weer zal bestaan.”]

[Voetnoot 15: _Het geld hooger te achten_ ... „Niemand zou,” zegt Demosthenes in zijne redevoering over den Vrede, „kunnen zeggen, dat mijne handelingen als staatsman eenige winst bedoelen. En daarom toont zich mij zuiver en gelijk het is, het belang van den staat, ’t welk immer uit de zaken voortvloeit. Maar, _wanneer men aan de andere zijde, als op eene schaal, er geld bijlegt, dan slaat het op eens door, en trekt de bewijsgronden mede naar beneden; en wie dit doet, kan niet meer, noch iets waars, noch iets gezonds meer denken, over geene enkele zaak_.”]

[Voetnoot 16: _Den grooten hoop_ ... „Die tallooze, oneenige, oproerige menigte, nooit zich zelve magtig, met gelijke onberadenheid gereed tot eigen of tot eens anders ongeluk,”--zegt Seneca--is door vele ouden naar waarde gegispt.--„Wie zou zich gelukkig gevoelen,” zegt Plato ergens, „met te leven naar den grooten hoop, om te worden toegejuicht en gevierd, als een speelbal van ’t volk geslingerd, uitgefloten, gestraft, gedood en beklaagd?”--„Vraagt mij (Horatius) het volk, waarom ik niet zoek of mijd, wat het zelf bemint of haat; dan wil ik antwoorden, gelijk eertijds de sluwe vos den zieken leeuw: „„omdat ik schrik van de voetstappen, alle naar u toe gerigt, en geene terug. Gij zijt een veelkoppig monster: waaraan toch zal ik mij houden, of aan wien?””]

[Voetnoot 17: _Het ergste kwaad_ ... Er is volgens Plato slechts één kwaad: _gebrek aan inzigt_, en slechts één goed: _verstand_. Ten bewijze een paar plaatsen van de door Nüsslin verzamelde: „waarin iemand verstandig is, daarin is hij goed; waarin iemand onverstandig is, daarin is hij slecht.--Alle pogen en volharden der ziel, door verstand bestuurd, brengt zegen; met onverstand het tegendeel.”--Met Plato houden voorzeker de onbekrompen-verlichte onder onze landgenooten _gebrek aan inzigt_ voor het hoogste kwaad; want inderdaad, de mensch wil wel het goede, zoodra hij slechts vastelijk overtuigd is, dat het wezenlijk goed is. Eene ware stelling! maar die door sommige ook welmeenende Christenen niet wordt toegegeven!]

[Voetnoot 18: _Sycophanten_ ... eigenlijk: vijgenaangevers, verklikkers van wie vijgen uitvoert, ’t welk in Attica verboden was. (Athenaeus.) In ’t algemeen: wie valsche geruchten van anderen verbreidt, en anderen tegen elkander ophitst, of uit winzucht anderen aanklaagt, _chicaneur_. Festus geeft eene andere verklaring. Zie ook C. Sigon. de republ. Athen., en Suidas.]

[Voetnoot 19: _De vreemdelingen_ ... Om niemand te Athene aan eenig gevaar bloot te stellen van beschuldigd te worden Socrates uit de gevangenis te hebben willen ontvoeren, vermeldt Plato hier alleen vreemdelingen. Crito zelf was door zijne positie en zijn’ ouderdom het meest tegen onaangename gevolgen beveiligd, en is denkelijk kort na Socrates overleden. _Cebes_, die hier genoemd wordt, heet doorgaans, maar zonder genoegzamen grond, de schrijver te zijn van eene zedekundige verhandeling: de Schilderij. Wie evenwel de schrijver moge zijn, men vindt er den hoogen ernst en de warmte van Socrates.

_Simmias_ van Thebe, gelijk ook Cebes, waren beide leerlingen van Critolaus, een beroemd Pythagoreër, en beide warme vrienden van Socrates.

Onder de hier vermelden kunnen ook behoord hebben: _Phaedondes_, eveneens van Thebe, en _Euclides_ van Megara, niet met den alexandrijner te verwarren; en _Terpsion_; en _Echecrates_ van Phlius, in Sicyonië; en _Phaedo_, uit Elis.]

[Voetnoot 20: _Geef--uwe redding niet op_ ... Wel weet Crito, hoe Socrates over het sterven denkt; maar in zijne warme vriendschap denkt hij, al te overijld, dat de liefde tot het leven, die al wat leeft, is aangeboren, zich ook nog bij Socrates krachtig doet gelden.]

[Voetnoot 21: _’t Gene gij voor ’t gerigt gezegd hebt_ ... „Zou ik”--dit was, volgens Plato, zijne taal--„mij verbanning waardig keuren? Daarmede zoudt gij welligt genoegen nemen. Maar veel liefde zou ik voor het leven moeten hebben, o Atheners! indien ik zoo onverstandig ware, om niet te kunnen berekenen, dat gij, mijne medeburgers, mijne leefwijze en mijne taal niet kondt verdragen, maar ze u bezwaarlijk en hatelijk zijn geworden, zoodat gij tracht er af te komen; en zullen voorwaar anderen ze gemakkelijk dulden? Verre van daar, o atheensche mannen! Een heerlijk leven zou het derhalve voor mij zijn, wanneer ik, zoo bejaard, uit de stad ging, om, telkens verjaagd, de eene stad met de andere te verwisselen. Want ik weet vast, dat, waar ik kom, de jongere menschen naar mijne taal zullen hooren, gelijk hier. En wijs ik hen van de hand, dan zullen zij mij verdrijven en de ouderen daartoe overreden.”]

[Voetnoot 22: _Naar Thessalië_ ... Onbedachtzaam noemt Crito juist Thessalië. Zie hoofdstuk 15. Dat land stond in kwaad geruchte, als het land van sluwe list en bedrog en ongebondenheid, waarvan J. C. Scaliger een voorbeeld aanhaalt. Bij Athenaeus hebben zij altijd honger; hunne vraatzucht wordt bij wijze van spreekwoord aangehaald. Zij zouden de Perzen, even weelderig als zij zelve, naar Griekenland hebben uitgenoodigd; en later door Philippus met gastmalen zijn gewonnen. Xenophon schrijft de verdorvenheid van Critias, het hoofd der dertig tirannen, mede toe aan zijn verblijf als balling in Thessalië. Ten tijde van Horatius was het berucht wegens zijne giftmengers en toovenaars.]

[Voetnoot 23: _Uwe zonen_ ... Men vindt er drie vermeld: Lamprocles, Sophroniscus en Menexenus, de twee laatste verwekt bij Myrto, de dochter van Aristides den regtvaardige.--Zoo lang men de beantwoording van Crito’s bedenkingen door Socrates niet heeft gehoord, weet men niet, wat deze zal aanvoeren tegen ’t gene hier zoo roerend en met zoo veel aandrang wordt bijgebragt, om Socrates’ vaderlijk gevoel te schokken, en om zijne eigenliefde in beweging te brengen. Crito’s al te dringende, bijna onbescheidene taal vindt hare verontschuldiging in zijne warme vriendschap en zijn vurig verlangen om Socrates te redden.]