Camera Obscura

Chapter 9

Chapter 93,519 wordsPublic domain

Toen zij zoover gekomen was, hield mevrouw _Dorbeen_ haar zakdoek voor den mond en had een hevigen aanval van hoesten. Zij begon op nieuw en geheel in denzelfden toon, maar andermaal bracht zij 't niet verder dan tot "de winterboei". Zoodat mejuffrouw _Van Naslaan_ dadelijk begreep dat zij wel ingezien had dat er achter die hoestbui meer zat.

Mevrouw _Dorbeen_ werd zoo rood als de linten van haar muts, staarde in de lamp, en zei nogmaals, als om weer op gang te raken,

Ontslagen _van_ de winter_boei_.

Nieuwe stilte.

"Die winterboei boeit je tong, lieve!" merkte mijnheer _Dorbeen_ droogkomiek aan.

"Foei! daar had ik het nou net, en nou breng jij er me weer af. Wacht!

"Zijn waatren _drenken_ de oude _zoo_men, En 't landvolk"

hier werd de stem zeer hoog:

"spelende aan zijn vloed, Brengt vader _Rijn_ den lente_groet_...."

Aldus ging mevrouw _Dorbeen_ voort op een hartroerende wijze het hartroerende meesterstuk des grooten _Borgers_ te bederven. Bij het derde couplet begonnen hare oogen te rollen, en bij het vierde rolden zij zoo zeer, dat ik vreesde dat zij van hare wangen afrollen zouden. Zij was nu al rollende en brouwende en zingende en gillende gekomen tot:

"Noem hij deze _aarde_ een hof van _Eden_, Die altijd _mocht_ op rozen gaan,..."

Ach, du lieber Augustin, Augustin, Augustin!

klonk het over de tafel.

Het was het speelwerk in de lamp, door mijn tante, in schijn van lepeltjes uit het lepeldoosje, dat vóór den olifant stond, te zoeken, opgewonden. Ik begreep na waarom zij er zoo op gesteld was geweest, dat mevrouw _Dorbeen_ haar reciet mocht hebben uitgesteld.

Mevrouw _Dorbeens_ oogen, die net gereed stonden om met

"Ik wensch geen _stap_ terug te _treden_",

hevig uit te rollen, rolden terug met de snelheid van een spoortrein.

"Wat is dat?" riep ze.

"Dat is een walsje," zei haar man.

"Neem mij niet kwalijk, mevrouw," smeekte mijn tante, "ik had het opgewonden. 't Is het speelwerk in de lamp. 't Is anders de aardigheid, dat het zoo onverwachts begint, een poosje nadat het opgewonden is. 't Was om de vrinden te verrassen. Ik had gehoopt dat UE. wat later zou hebben gereciteerd; nu komt het er ook zoo mal in."

Mijn tante zou gaarne, in dat oogenblik van verlegenheid, den geheelen bronzen olifant den kop ingedrukt hebben. Maar er was niets aan te doen, en in blinde opgewondenheid ging hij voort met zijn

Ach, du lieber Augustin!

Het was een tartend geluid voor mevrouw _Dorbeen_, en zij beefde inwendig van toorn. Zij hield zich evenwel goed, en met langzame teugen een kopje slemp uitgedronken hebbende, zei ze:

"Och! het vers was zoo goed als uit; de vrienden verliezen er niet veel bij. Nu zal _Koosje_ wel eens wat willen doen."

_Koosje_ bloosde, en zei met de oogen op haar moeder geslagen:

"Ik kan niets; wel moeder?"

"Stil!" zei _Dorbeen_: "het verandert weer:

Où peut-on être mieux?"

En waarlijk, daar de olifant drie deuntjes machtig scheen te zijn, was er voor niemand anders gehoor dan voor het grootste der viervoetige dieren; totdat het al zijn kunsten getoond had, en met een forschen tjingel besloot.

Mama _Van Naslaan_ bleek van eene meening te wezen tegenovergesteld aan die, welke haar lief kind met het zoetste lipje der wereld had beleden; zij geloofde veeleer dat haar _Koosje_ niet alleen iets, maar zelfs zeer veel vermocht, en knikte haar daarom toe, ook iets in het midden te brengen, waarop mevrouw _Dorbeen_ zei:

"Wel ja, laat je ook reis hooren, _Koosje_! _ik_ heb nu mijn plicht gedaan!"

En tante riep: "Och ja, asjeblieft?" en mijnheer _Dorbeen_, zeer droogkomiek, rijmde:

"Kom Koosje, Lief roosje, Reciteer reis een poosje!"

En _Mietje_, die niets was, zei alweer: "Hè ja!" en de oude _Stastok_ zei: "Komaan!" en stopte een pijp; en de jongere _Stastok_ verstoutte zich om met een hooge kleur te zeggen: "Toe, als 't u belieft!"

Maar het lieve kind bloosde zoo sterk, en was zoo angstig, en verontschuldigde zich zoo smeekend, dat tante er medelijden mee kreeg en zei:

"_Koosje_ is misschien bang voor den vreemden heer; ik geloof dat we haar meer pleizier doen zullen als we 't voor dezen keer te goed houden!"

Waarop mevrouw _Dorbeen_, haar oogen zeer sterk op den snuit van den olifant gevestigd houdende, op een aardig toontje zei:

"Als die vreemde heer ons dan ook eens schadeloos wilde stellen! Mijnheer _Hildebrand_ kan immers ook wel een kleinigheid!"

"Dat was goed," zeiden allen, en mijn oom keerde zich om, ten einde even op zijn horloge te kijken; want "hij wou om den dood niet graag dat er nachtwerk van wierd."

Men stopte versche pijpen; de heeren gingen zitten; de heer _Van Naslaan_ met een zucht; de heer _Dorbeen_ met het oog van een kenner; _Pieter_ met dat van een verachter; mijn oom met dat van iemand die pas op zijn horloge heeft gekeken en halftien heeft ontwaard. Ik stoorde mij volstrekt niet aan de heeren, en plaatste mij zoo, dat ik het lieve gezichtje van _Koosje_ vlak voor oogen had; men moet _wat_ hebben voor de moeite.

"Ik zal," zeide ik, toen alles doodstil was, "het gezelschap lastig vallen met een klein stukje. 't Is een vertaling door een mijner vrienden, en uit het Fransch."

"Uit het Fransch!" herhaalde de heer _Van Naslaan_, met een bedenkelijk gezicht mijn oom aanziende.

"Kom aan, dat 's goed!" zei mevrouw _Dorbeen_.

Alles was doodstil om den vreemden stoethaspel te hooren, maar geen der dames zag hem aan, vermits hare loffelijke bescheidenheid dit nooit gedoogt, als men in gezelschap iets voor haar opzegt, met uitzondering van mevrouw _Dorbeen_, die scheen te willen weten "of hij goed met zijn oogen rollen zou". _Koosje_ zat hevig te festonneeren, en ik zag niets dan haar gescheiden haar.

Ik begon:

"Als 't kindje binnenkomt--"

Pie-ie-iep! zei de deur, langzaam opengaande, en binnenkwam--geenszins een kindje, maar de vijftigjarige dienstmaagd in haar wit pak; belast en beladen met de aangekleede boterham in persoon, in de gedaante van een schat van broodjes met kaas en rookvleesch, en een macht van ster-, ruit-, cirkel-, klaverblad-, en vischvormige gebakjes, die ondanks hun verschillende gedaante, wegens de evenredigheden van hun inhoud, in het dagelijksch leven den wiskundigen naam van evenveeltjes dragen.

Mevrouw _Dorbeen_ kon een klein lachje van zenuwachtige voldoening niet onderdrukken.

Er werd rondgepresenteerd, en ik wreekte mij over de stoornis met een evenveel; en toen die op was, hervatte ik vol moed, ofschoon de uitwerking van den eersten regel bedorven was, en ik duidelijk zag dat de droogkomieke heer _Dorbeen_, toen ik de eerste woorden herhaalde, nog weer aan de vijftigjarige dienstmaagd dacht:

"Als 't kindje binnenkomt, juicht heel het huisgezin; Men haalt het met een lachje en zoete woordjes in; Het schittren van zijn oog deelt aan elks oog zich mede; En 't rimpligst voorhoofd (ook 't bezoedeldste wellicht!) Klaart voor den aanblik op van 't vroolijk aangezicht, Met iedereen in vrede.

't Zij we onder 't lindeloof des zomers zijn vereend, 't Zij 't snerpen van de koude ons stiller vreugd verleent En we om een knappend vuur de stoelen samenschikken; Als 't kind verschijnt, ziedaar een waarborg voor de vreugd; Men lacht, men troetelt, kust en tergt zijn dartle jeugd; En moeders harte smaakt zijn zaligste oogenblikken."

Mevrouw _Dorbeen_ lachte goedkeurend.

"Soms spreken we om den haard, met ernst en met verstand, Van wetenschap en kunst, van plicht en vaderland,"

De heer _Van Naslaan_ knikte zeer verstandig.

"Van staat, van godsdienst, van geschriften en gezangen; Het kind komt in: vaarwel kunst, godsdienst, plicht en staat! 't Wordt: kusjes voor den mond, en kneepjes in de wangen, En hobblen op de knie, en jok en kinderpraat."

"Dat is heel lief!" zei mijn goedhartige tante, halfluid.

"Als, na een duistren nacht van stormwind en van regen, Een nacht, wen menigeen, vergeefs ter rust gezegen, Naar 't woelig gieren hoort, daar 't kind doorheen slaapt; als, Na zulk een nacht, het rood des uchtends, dat de kimmen Van liefelijken waas en zachten gloed doet glimmen, En blijde zangen wekt bij 't vooglenkoor des dals;"

De heer _Dorbeen_ kuchte. De heer _Van Naslaan_ trok oogen en wenkbrauwen pijnlijk samen, als of hij vragen wilde: "waar moet dat naar toe?"--Juist omdat ook hij dat niet wist, liet mijn ooms gelaat onbepaalde bewondering blijken.

"Zoo zijt gij, dierbaar kind! Waar gij verschijnt, daar vluchten En duisternis en nacht en zwarte regenluchten; Gij zijt een heldre zon, een blijd en vroolijk licht; Door d'adem van uw mond verwekt gij vreugd en leven, Als zuivre koeltjes, die langs 't knoppig bloembed zweven, En 't blosje sterken op der rozen aangezicht.

"Want duizend lieflijkheên uit uw schoone oogjes schijnen; Uw kleine handjes, die ik berg in een der mijnen,"

"Och heer!" zei mijn tante halfluid, en haar oogen werden allervriendelijkst klein.

"Doen nog geen kwaad; gij weet nog niet wat dat beduidt. Wat lacht gij vriendlijk, als wij ze u met speelgoed vullen! Klein heiligje, in een krans van glinstrend blonde krullen, Hoe lieflijk blinkt uw hoofdjen uit!"

_Koosje_, die van tijd tot tijd al eens had opgekeken, hief hier haar schoon gezichtje geheel op en staarde mij aan. De allerlaatste regel scheen mij volmaakt ook op haar toepasselijk.

"Lief duifjen in onze ark! Uw mondje bracht den vrede, De vreugde en 't zoetst geluk in onze woning mede, Zoo vurig afgesmeekt, met zooveel angst verbeid! Gij kijkt de wereld, daar gij niets van vat, in 't ronde! Blank lijfje zonder smet, blank zieltje zonder zonde, Ik eer uw dubble maagdlijkheid!

"Hoe heerlijk is het kind met lachjes op de wangen, Met traantjes soms, maar ras door lachjes weer vervangen, De goede trouw in 't oog, en 't uitzicht zoo gerust! 't Slaat een verwonderd oog op 's werelds bont getoover, En geeft zijn jonge ziel zoo blij aan 't leven over, Als 't ons zijn lipjes biedt als 't wordt goenacht gekust."

Tante knipte een traan weg; mejuffrouw _Van Naslaan_ knikte twee-, driemaal met het hoofd. _Koosje_ hield haar adem in en zag mij angstig aan, als ik vervolgde:

"Bewaar mij, Heer! mij, en mijn broedren, en mijn vrinden, En hen zelfs, die een lust in mijne tranen vinden, Indien er zulken zijn misschien! Dat zij nooit zomertijd, aan bloemen arm, bejammeren, Of bijenlooze korve, of schaapskooi zonder lammeren, Of kinderlooze woning zien!"

"Heeremijntijd! neef _Hildebrand_!" riep mijn tante, "neef _Hildebrand_, dat is mooi."

En ik wed dat zij aan _Pieter_ dacht, toen hij klein was; maar ook ... och, zeker ook aan het kleine _Truitje_, dat gestorven was vóór haar vijfde jaar, en daar zij niets van overhad dan een klein vlokje haar aan haar middelsten vinger.

"Hé ja;" zei _Mietje_ met de kalfsoogen, die ditmaal velen vooruit was.

"Ik vind altijd," zei mejuffrouw _Van Naslaan_, "dat men moeder zijn moet om van zulke dingen het rechte te hebben."

"Niet waar, juffrouw _Van Naslaan_?" zei mevrouw _Dorbeen_! "O, maar het is allerliefst; het vèrs" (zij drukte op het woord) "het vers is allerliefst!" Blijkbaar wilde zij zeggen: wat het opzeggen betreft, dat kon beter.

_Koosje_ was geen moeder, en kon er dus "het rechte niet van hebben", maar haar glinsterende oogjes en bleeke wangen zeiden genoeg dat zij de poëzie verstaan en gevoeld had.

"Van wien is het gedicht?" vroeg de heer _Van Naslaan_.

"Van _Victor Hugo_, mijnheer."

"_Victor Hugo_?" zeide hij, den klemtoon op de eerste lettergreep leggende en met een uitspraak alsof er, in plaats van ééne Fransche, vijfentwintig goede Hollandsche G's in den naam geweest waren. "Ik dacht dat die man niets dan ijselijkheden schreef. Ik heb in de Letteroefeningen, dunkt mij ... Hé, dat ontschiet me ... Ik dacht dat het zoo'n bloederig man was."

"Ik weet niet, mijnheer!" antwoordde ik.

"Verwar je hem ook met _Jacques Julin_?" vroeg de makelaar.

"Is dat die, die dat boek over _Barneveld_ geschreven heeft, dat we laatst in het leesgezelschap gehad hebben?" vroeg oom terzijde aan _Pieter_. [9]

"Ja," zei mijnheer de makelaar. "Dat is een rare kerel, naar ik hoor. Hij schrijft voor geld, mijnheer; hij schrijft voor geld; pro en contra schrijft hij voor geld."

"Ja," zei oom, zijn pijp uitkloppende, "die Franschen! 't Is een raar volk; al zeg ik 't zelf."

"Weetje wat ik ook altijd al een heel mooi verzenboek vind?" zei mejuffrouw _Van Naslaan_, het gezelschap rondziende: "Het Nut der Tegenspoeden."

"Wat?" vroeg de heer _Dorbeen_, droger en komieker dan ooit; "het nut der regenhoeden?"

Er ontstond een groot gelach over deze aardigheid; hetwelk mejuffrouw _Van Naslaan_ min of meer verlegen maakte; zij besloot dus haar lofrede op het bekende geschrift van _Lucretia Wilhelmina_, die voor een algemeen gesprek in de wieg gelegd was, als privaat gesprek den geest te laten geven.

"Inderdaad," fluisterde zij mijn tante in: "het is een heerlijk boek, en door een vrouw geschreven; maar ik kan je zeggen dat je 't met geen droge oogen lezen kunt."

Het gesprek werd spoedig weder algemeen en levendig. Ik maakte veel werk van de zeventienjarige, en _Pieter_ week niet van haar stoel. Ik poogde hem telkens te bewegen ook reis iets op te zeggen, of te zingen of zoo; maar hij zei altijd, met een knorrig gezicht: "Och kom!" en "Ik kan waaratje niets!" En hard wilde ik er niet op aandringen, omdat ik oom nog eens weer op zijn horloge had zien kijken. Er kwam dus niets van, en ook moet ik bekennen dat de familie _Stastok_, door middel van den muzikalen olifant, tot het genoegen van dien avond te veel had bijgedragen, om nog iets van een harer leden te vergen.

Het avondje liep verder vroolijk en gezellig af; en nadat al de dames en de beide heeren mijnheer en juffrouw _Stastok_ bedankt hadden "voor de vrindelijke receptie", en _Pieter_ "voor zijn aangenaam gezelschap"; en nadat mijnheer en mejuffrouw _Stastok_ plechtig hadden beloofd "hun scha eens te zullen komen inhalen"; en nadat de beide heeren elkanders hoeden hadden opgehad, en tante met eigen hand al de dames, behalve _Koosje_, wie ik niet kon nalaten zelf hierin bij te staan, aan haar mantel had geholpen en, naar verkiezing, er de kraagjes boven overheen gehaald, of "alles er asjeblieft maar onder" gelaten had, ging men omstreeks half twaalf, recht van elkander tevreden, uiteen; en schoot er voor niemand eenig genoegen meer over dan voor de meid, die op eene achtelooze wijze zich de kwartjes liet welgevallen, die zij bij 't weggaan der gasten schijnbaar toevallig in haar hand voelde glijden.

Oom had slaap, al zei hij 't zelf. Heeremijntijd! wat had mijn tante 't nog druk. Waaratje was knorrig. Onder zulke omstandigheden ging ik naar bed.

Pieter is waaratje verliefd, en hoe wij uit spelevaren gaan.

De knorrigheid, waarmee _Pieter_ was te bed gegaan, was mij in 't geheel geen raadsel geweest. Men heeft opgemerkt dat hij den geheelen avond niet bij uitstek veel gesproken heeft, terwijl hij anders onder zijn vaders vrienden praats en waanwijsheid genoeg had. Maar twee kleine omstandigheden hadden hem gehinderd en belemmerd, te weten: liefde en haat. Het was mij namelijk volstrekt niet ontgaan dat hij gedurig stille blikken had geworpen in het witte halsje van _Koosje_, en zeker openlijke blikken op haar gelaat had willen werpen, zoo hij het had durven wagen een geregeld gesprek met haar aan te knoopen. Verder was het mij niet moeielijk gevallen te ontdekken hoe de goedkeuring hem gehinderd had, die de schoone verzen van _Victor_ (hoe middelmatig en ongeregeld ook vertolkt, en slechtweg voorgedragen) bij haar hadden ontmoet; en hoe hij mij èn de vrijmoedigheid, waarmee ik mij daarna met haar in gesprek had begeven, èn de vriendelijke lachjes, die mij bij die gelegenheid waren te beurt gevallen, had benijd. Hij had zich van dezen avond voor zijn verliefd hart, geloof ik, heel veel voorgesteld; maar _Koosje_ was vertrokken zoo als zij gekomen was, zonder dat hij haar één zoet woordje had toegevoegd, tenzij dan "houje nog al van evenveeltjes?" Hij had er op den duur "ingezeten": hij had tegenover zijn eigen voornemens en tegenover wat hij voor zijn hartstocht hield een mal figuur gemaakt; wat wonder zoo hij uit zijn humeur geraakt was?

Ik wilde meer van dit alles hebben.

"Goeden morgen, _Pieter_;" riep ik, toen de keukenmeid den anderen morgen om zes uren als gewoonlijk hare knokkels op de kamerdeur had laten spelen, zonder dat ik evenwel mijn bedgordijnen openschoof; ik kon genoeg van hem zien.

"Goeden morgen, neef!" zei hij, op den rand van zijn bed in gedachten zittende, en nog zonder bril.

"Ik heb waarlijk van _Koosje van Naslaan_ gedroomd!"

_Pieter_ bloosde, en bukte om een kous aan te trekken, met zooveel inspanning dat het lijken moest of hij alleen daarvan een kleur kreeg.

"Zoo," zei _Pieter_.

"Ja," zei ik, "'t is een heel mooi meisje."

"Vindje dat?" vroeg _Pieter_, zijn tweede kous aantrekkende en naar de waschtafel gaande. "Ja, 't is een lief gezichtje; maar zoo heel mooi kan ik ze maar niet vinden."

"Niet?" riep ik verwonderd uit en ging overeind zitten.

"Waaratje niet!" zeide hij.

Verliefdheid, die haar voorwerp verloochent, verraadt zich ontegenzeggelijk.

"Ik wou dat meisje wel wat nader leeren kennen, _Piet_! Zou er geen kans op zijn, haar tusschen nu en overmorgen nog eens te ontmoeten?"

"Ik weet niet," antwoordde _Pieter_, de lampetkom óverschenkende; "ga haar een bezoek brengen."

"Dat gaat niet, jongen!" zei ik; "maar weet je er niets anders op?"

"Wel neen!" sprak _Pieter_.

"Ik dan wel!" zei ik uit het bed springende. "Zeg reis, _Piet_," ging ik hem sterk aanziende voort; "hoe komt het dat je je bril vergeten hebt?--Kijk, 't is alledag heerlijk weer: we willen een roeischuitje huren, en we gaan _Koosje_ en nog een andere dame van je kennis, liefst van je familie, vragen om ons de eer aan te doen eens met ons te gaan varen."

"Varen?" vroeg _Piet_ op den toon der alleruiterste verbazing.

"Wel ja; vàren; dat 's om te praten en te minnekoozen veel beter dan rijden. Of wou je niet minnekoozen? Heidaar! jongen! waarom trek je je pantalon verkeerd aan?"

"Och!" zei _Petrus_, de knorrigheid van gisteren weer opvattende, "schei er uit met die gekheid. Ik bedank om door jou geplaagd te worden."

"Jongen!" zei ik, "dat verstaje verkeerd. Ik plaag je niet; ik vraag maar of je niet wilt minnekoozen?"

"Minnekoozen," hernam hij, met een schuinschen blik vol gramschap, van onder zijn bril uit, en lippen dik van toorn--"minnekoos jij zelf!"

"Met pleizier, beste vrind! maar de meisjes willen mij niet hebben. Ik ben te leelijk."

"Je kunt mooi genoeg praten--mijnheer!" zei _Pieter_, met de tanden op elkaar en bevende van haat.

"Ja!" antwoordde ik lachende, "maar ik geloof toch wel dat jij beter kunt minnekoozen!"

Er kwam geen antwoord. _Pieter_ haastte zich schrikkelijk met kleeden en liep de trappen af. Toen ik beneden kwam, zat hij veilig onder de vleugelen van zijne ouders een pijp te rooken, als een Fransch romanticus zeggen zou: "enveloppé de sa colère".

Na den ontbijt ging hij in den tuin, ik volgde hem op de hielen.

"Laat me gaan," riep hij met een gezicht als een oorworm.

"Neen," zei ik, mijn hand uitstekende; "je moet niet boos zijn, _Piet_! Wat drommel; is nu 't woord minnekoozen een woord om boos om te worden? Als ik u was, ik zou veel boozer zijn over het woord Instituten."

_Pieter_ glimlachte pijnlijk.

"Maar weetje wat! Ik zal van de heele zaak niet spreken; maar we gaan roeien, man; we gaan roeien met de dames. Kanje roeien?"

"Wel, ik denk ja!" zei _Pieter_ verwaand.

"Wilje roeien?"

"Ja wel."

"Wílje dames vragen?"

"_Zij_ zullen niet willen."

"Dat vraag ik niet. Wil _jij_? Hoor reis, _Piet_! Ik beloof je dat ik discreet zal zijn."

"Nu ja," zei hij, "ik wil wel."

Het plan werd aan vader en moeder medegedeeld, en er werd besloten dat wij, behalve _Koosje_, nicht _Christientje_ zouden vragen, eene jonge juffrouw van drieëntwintig jaar, die zeker gaarne mee zou gaan, daar zij niets te doen had dan bij een knorrige tante te zitten, die twee meiden hield en nooit uitging.

Wij gingen er dus op uit om een schuitje te huren; en nadat wij eerst bij een schuitenmaker aan de Oostpoort geweest waren, die het zijne had verkocht "om dat er geen profijt bij was", en die ons naar de Westpoort zond, waar hij zeker wist dat wij er een konden krijgen; en nadat wij bevonden hadden, dat er aan de Westpoort niets meer van boven water stak dan eventjes een klein neusje van den steven, vonden wij er eindelijk een zeer goed, in het midden van de stad, dat wij voor een gulden voor een geheelen achtermiddag huren konden. Wij huurden het dus voor den geheelen achtermiddag van den volgenden dag en kweten ons vervolgens van onze uitnoodigingen, die op eene innemende wijze werden aangenomen. Mama _Van Naslaan_ was er voor hare dochter zeer vereerd mee; schoon zij, geloof ik, wel dacht dat er meer achter zat, en dat ook dit muisje een staartje hebben zou, en de oude tante hoopte tienmaal in een half uur dat het niet te koud op het water wezen zou, wat wij trouwens ook hoopten, schoon Wij het tegendeel vreesden.

Wij bepaalden onderling dat _Koosje_ meer bijzonder onder de zorgen van _Pieter_ staan zou, en ik mij meer dadelijk tot den ridder van _Christientje_ zou opwerpen. Ik kon niet edelmoediger zijn.

_Pieter_ was dan ook volmaakt in zijn humeur, en tantelief pakte ons nog dienzelfden dag een mandje met rijnwijn en sinaasappels, [10] eene verfrissching, frisch genoeg in de maand October. Wij hadden de dames verzocht mantels mee te nemen.

De andere dag was een allerheerlijkste najaarsdag en alles beloofde genoegen. Maar toen _Pieter_ des voormiddags van eenige boodschappen, die hij voor zijn toilet te doen had, thuis kwam, stond zijn aangezicht akelig bedroefd; hij smeet met de deur, smeet zijn rotting, smeet zijn hoed, smeet zijn handschoenen.

"Wat scheelt er aan, amice?" vroeg ik verschrikt.

"Och, die ellendige _Dolf_!" zei hij, zich tot zijn moeder wendende.