Chapter 8
Ik ging naar mijn oom en wist dien te bewegen naar de Regenten te gaan. De president liet den Vader bij zich komen, en daarna den vader rondgaan bij de andere Regenten, om ze tot een extra vergadering te convoceeren. Op die vergadering moest eerst _Keesje_ binnenkomen, en vervolgens buitenstaan; daarna moest ook de Vader binnenkomen, en vervolgens buitenstaan. Daarop werd er een uur gedelibereerd, hetwelk hoofdzakelijk daarmee werd doorgebracht dat de president gedurig zei dat hij de zaak aan de heeren overliet, en de heeren gedurig zeiden dat zij de zaak aan den president overlieten.
Daar het zóó niet blijven kon, bracht eindelijk de president het advies uit, "dat het, aan den eenen kant, wel doenlijk was _Keesje_ zijn geld terug te geven, daar _Keesje_ een man was van voorbeeldig gedrag, die het geld zeker tot aan zijn dood toe zoo goed bewaren zou als de ijverige thesaurierzelve",--waarop de "ijverige thesaurierzelve" boog--"maar dat, aan den anderen kant, de ijverige thesaurier het weder even zoo goed bewaren zou als _Keesje_, en dat het dus volstrekt niet noodig was _Keesje_ in het vooroordeel te stijven dat zijn geld beter bewaard zou worden en zekerder tot deszelfs, d.i. _Keesjes_, doel zou worden aangewend, indien hij, _Keesje_, het zelf bewaarde, dan indien de ijverige thesaurier het bewaarde; en dat dit zijn advies was".
De secretaris meende echter met eenig recht dat dit advies den knoop niet genoeg doorhakte, en stelde dus onder verbetering voor, tot een van de beide maatregelen over te gaan;--waarop "de ijverige thesaurierzelve" de edelmoedigheid had afstand te doen van het "custodiëeren der penningen in quaesti", en men eenparig besloot aan _Keesje_ zijn twaalf gulden, weder behoorlijk in een zeemlederen zakje vastgenaaid, terug te geven.
_Keesje_ heeft nog twee jaren zijn geld "vlak op zijn hart" gedragen. En toen ik in 't verleden jaar het kerhof te D. zag, was 't mij zoet te mogen denken, dat aldaar in het algemeene graf der armen één man sluimerde, die er eerbiedig was heengedragen door twaalf broeders van zijne eigene keuze, nadat hij, ook eenigszins door mijn toedoen, in de gerustheid was ontslapen dat hij in zijn eigen doodskleed zou worden gewikkeld.
Had hij misschien in zijn laatste oogenblikken nog aan _Hildebrand_ gedacht?
Er komen menschen op een kopje thee, om verder het avondje te passeeren.
Des zondagsavonds was de tuinkamer in haar schitterendste pracht. Ik zal pogen er u een flauw denkbeeld van te geven.
Verbeeld u een ruim vierkant vertrek, met een vierkante tafel in het midden, waar het vierkante groene kleed van is afgenomen en vervangen door een vierkant zilveren theeblad, waarop een degelijk ouderwetsch porselein theeservies prijkt, lange lijzen met zes merken. Daaromheen staan vijf stoelen geschikt, met hooge ruggen en zittingen van groen gebloemd trijp. Men maakt dat tegenwoordig zoo goed niet meer. Als men onder de tafel kijkt, ziet men als twintig vurige oogen, van wege vier stoven; de vijfde vonkelt niet; het is een steenen. Daaraan, en aan de plaatsing van het theegoed, en aan den verlakten ketel, die naast den stoel staat, ken ik de plaats mijner eerzame moei. Midden op de tafel staat een dierbaar pronkstuk. Het is een verbazend groote bronzen lamp, die door een olifant getorst wordt, in wiens voetstuk een speelwerk verborgen zit. Bij deze bijzondere gelegenheid ligt er, reeds vóór November, een netgebouwd turfvuurtje in den helder gepolijsten haard; het is alleen maar opdat er met schik stoelen omheen zouden kunnen worden gezet, voor de heeren. De smalle marmeren schoorsteenmantel is versierd met een pendule, voorstellende een negerslaaf met witte oogen, roode neusgaten, en gouden voorschoot, die op eene ongedwongen wijze den arm om een wijzerplaat slaat; en aan de beide kanten, met twee vaasjes met gekleurde bloempjes onder stolpjes, zoo poppigjes en zoo kleintjes, dat men ze voor de pasgeboren kindertjes houden zou van die groote stolp met opgezette vogels, die tegenover den schoorsteen, op een bruinhouten tafeltje met ééne lade, pronkt. Het schoorsteenstuk vertoont in stukadoorwerk eene aangename partij weverskammen, weversspoelen en weversklossen, in een luchtigen strik bijeengehouden en halfbegraven onder witsellagen van onderscheidene formatie.
Maar wat de feestelijke zaal, niet alleen nu, maar altijd den meesten luister bijzet, is zonder twijfel, boven een hooge grijze lambrizeering, op snee verguld, het prachtig behangsel, beschilderd met niet onaardige bergachtige landschappen, met op- en ondergaande zonnen, zandwegen met diepe sporen, en waterplassen met riet en zwanen; voorts gestoffeerd met vrouwen met manden op den rug, waar bovenuit een bos stroo steekt; mannen aan den waterkant, die aan lange hengels visschen opslaan; kinderen met bloote hoofden en bloote voeten, die bij een geit in 't gras liggen; reizigers op bruine paarden, met den rug naar u toe om het valies te laten zien, en op witte paarden, die een dunne rijzweep zeer rechtop houden; wandelaars met enorme wandelstokken en driekante..... Wat ga ik zeggen? Ja, zij hadden driekante hoeden opgehad, maar die tijd was voorbij; de kamer was voor een paar jaar "opgeknapt", en de heer _Petrus Stastokius_ Sen., hoe ouderwetsch ook in vele opzichten, had in dezen gemeend een proeve te moeten geven, dat hij met zijn tijd was vooruitgegaan. Hij had al wat kleedij was laten modernizeeren. Een geestig schilder had op zijn gebod al de hoeden veranderd, naar het toen nieuwste model, bij den hoedemaker gehaald, en al de wandelaars hadden bruine, gele of gestreepte pantalons aangekregen met soupieds en naar de nieuwste snede. Al de pruiken waren verbannen. De dames, die tot hiertoe de openlijke bewijzen hadden gegeven dat onze grootmoeders veel meer gedecolleteerd waren op hare wandelingen dan onze zusters op hare bals, hadden hooge japonnen met stukken, wijde mouwen, en lange lijven ontvangen, en zelfs het haar der halfnaakte kinderen was in naam der beschaving geknipt.
't Is waar, dat deze vernieuwerwetsching in vele opzichten nog veel te wenschen overliet, vooral ten opzichte van de rottingen, regen- en zonneschermen, die hunne vorige gestalte hadden behouden; maar de waaiers waren allen in bloemruikers veranderd, en dus bestond er van dien kant volstrekt geen tijdsverwarring meer.
Toen mijn oom en tante dit alzoo met wijsheid hadden laten in orde brengen, meenden zij zich van hun plicht gekweten te hebben, en een offer aan den Moloch der negentiende eeuw te hebben gebracht, groot genoeg om hun te vergunnen, voor hun persoon, die eeuw op velerlei wijze te hoonen en weg te cijferen; want om de waarheid te verklaren: de heeren en dames op 't behangsel waren mijnheer en juffrouw _Stastok_ een goed eind vooruit; en daar zij op dezen heugelijken avond op hun mooist gekleed zijn, vooreerst omdat het zondag is, en ten anderen omdat zij "menschen wachten", wil ik deze gelegenheid waarnemen om u eene tot hiertoe verzuimde beschrijving van hun persoon en voorkomen te geven.
Het is nog doodstil in de tuinkamer; "diezelfde tuinkamer" zou een redenaar zeggen, "die zoo aanstonds weergalmen zal van het luidruchtig gesnap eener vroolijke menigte!" Ik verneem er niets dan het gezellig gezang van het theewater, dat door de tuit stoomt, en het spinnen van de cyprische poes, die voor den haard zit, verwonderd van hier zoo vroeg in 't jaar vuur aan te zien. Ik ruik er niets dan den theeketel, die nog lang niet dikwijls genoeg gebruikt is om niet te stinken, en ik zie er, behalve de voormelde poes, niemand anders dan mijn deftigen oom, die met den rug naar het vuur gekeerd, en met de handen op dien rug, beschenen wordt door de vier waskaarsen op de vergulde lustres aan zijn schoorsteen, en wiens beeld zich weerkaatst in den spiegel tegenover hem. Een heerlijk oogenblik om zijn portret te maken! Mijn oom, schoon in de zestig jaren oud, is hetgeen men voor dien ouderdom, nog "een kras ventje" noemt. Hij heeft geen grijs hoofd, vermits hij een bruine pruik draagt, die over zijn ooren gaat, en waar hij bijgevolg door heen moet hooren; hij heeft een rond, blozend gezicht, volstrekt geen bakkebaarden, een niet onaardig bruin oog, en een onderkin. Hij is niet groot van postuur, en heeft, om hem recht te doen, geen ander lichaamsgebrek dan zijn hooge linnen halsboorden. Deze zijn heden, wegens het feest van den dag, nog ééns zoo hoog, zoodat ze zelfs de uiteinden van zijne ooren in eenige ongelegenheid brengen. Voor het overige draagt hij een wit stropje, een overhemd met jabot, een wijden zwarten rok, die van achteren gezien wel wat van een jas heeft, en nog altijd een korte broek, zoodat men in de gelegenheid is de welgevormde kuiten te bewonderen, die in fijne floretten kousen steken. Op dit oogenblik treedt mijne tante binnen, die het toilet van mijn oom volmaakt, door hem een grooten, schoonen linnen zakdoek met breede zoomen aan te bieden. Gij hebt lang gemerkt dat zij een neepjes-mutsje draagt. Zij heeft van avond het beste op, met een net wit satijn lintje met tandjes;--het heugt mij hoe ik mijn grootmoeder zulke lintjes op haar verjaardag gaf!--Zij draagt het haar gepoeierd, althans er komt een weinigje van dat wit, met een mesje gelijkgestreken, op haar voorhoofd; en dat staat heel wel bij haar helder, welgedaan gezicht, en bij de goelijke kuilen, die, als zij spreekt, in haar wangen komen. Zij heeft om haar hals een aardig snoertje kleine paarlen met een juweelen bootje, en een hoogen dikgeplooiden kamerijkschen doek in haar lage japon van weerschijnende zijde met ruim lijf.
Wij laten haar, eenigszins vermoeid van al de bereddering, plaats nemen om thee te zetten, en slaan terwijl onze oogen op _Pieter_ Jr., die juist binnentreedt. Ook hij ligt onder zijn, wat de zeelieden noemen, beste tuig. Hij is (ik moet het zeggen) volmaakt naar de mode gekleed; een zwarte pantalon met soupieds, een zwart satijn vest, een blauwe rok met glimmende knoopen; en toch ziet hij er infaam ouderwetsch uit. Want de pantalon is zoo kort, en de soupieds zijn zoo lang, en het vest is zoo laag uitgesneden, en zoo wijd om het midden; en de rok is zoo smal van kraag en zoo breed van rug; en waarom verstokt hij zich nu om zich met een bruine stropdas te willen uitzonderen, in plaats van een zwarte om te hebben, als alle fatsoenlijke menschen?
Oom kijkt een paar malen op zijn horloge, om aan te merken dat Ds. S. het geweldig lang moet maken. Dit is, in 't voorbijgaan gezegd, de eenige reden, waarom _Petrus Stastokius_ Sen. nooit diaken of ouderling heeft willen worden, omdat hij alsdan genoodzaakt zou zijn geweest, op zijn beurt, ook bij die predikanten te kerk te gaan, die niet als hij, lieden van de klok waren.
Het duurt evenwel niet lang of een bescheiden belletje kondigt de aankomst van den eerstverschijnenden gast aan. Wij zullen hem en al de verdere hun jassen en mantels laten afdoen en in handen stellen van _Keesje_, die van avond bijzonder verlof heeft om later in 't Huis te komen; hun vervolgens pijpen laten stoppen, en complimenten maken over "de zorg"; hen daarna een uurtje laten praten over 't weer, over de kou in de kerk, over het verkieslijke van een open haard boven een "toe kachel", over den stand der fondsen, over het werk van de dames, en over de laatste verkooping van huizen en het laatste plan van den stedelijken raad om een brug te leggen over een water, waarover reeds voor tien jaren een brug is noodig geweest; om u daarna op eens midden in 't gezelschap binnen te leiden en u al zijne leden in hunne grootheid te laten aanschouwen. Gij kunt ondertusschen zelf een versche pijp stoppen.
De man, dien gij bij den haard ziet, met mijn oom in druk gesprek gewikkeld over de meerdere voortreffelijkheid van de inrichting der gilden, zooals die vroeger bestond, boven die van de patenten, onder het ministerie _Gogel_ ingevoerd, is een oude kennis, en niemand anders dan de zilveren man uit de diligence. Hij is evenwel zoo min een zilversmid, als de pikeur een commissaris van politie was. Ik ben ongelukkig in mijne waanwijze gissingen geweest. Hij is alleen maar oudste commies ter secretarie van de stad D. Hij behoort tot die menschen, die jaar en dag in _Wagenaar_ en in de vervolgen op _Wagenaar_, alsmede in de boeken van _Le Francq van Berkhey_, en in _Tuinmans_ "Nederduytsche Spreekwoorden" studeeren, terwijl hun verdere lectuur bestaat in onbeschrijfelijk veel Preken, en Reizen rondom de wereld. Hij kan met wijsheid op zijn snuifdoos kloppen, en verklaren hoe een snuiter heette in den tijd, toen de kaarsen nog niet gesnoten werden, en voor hoeveel geld men een huis kon huren, in een jaar, waarvan hij in de stoffige papieren der secretarie een rekening gezien heeft. Hij heeft groot gezag in het beoordeelen der talenten aller predikanten; en in 't geheel, als er iets is in de familie dat duister voorkomt, richt men zich tot den heer _Van Naslaan_, "die onbegrijpelijk veel gelezen" heeft. Het is echter waar, dat in de laatste jaren de hooge wijsheid van den jongen _Pieter_ 's mans gezag veel kwaad heeft gedaan, vooral omdat gemelde _Pieter_ het alle voorrechten verzekerend Latijn verstaat.
_Pieter_ en ik worden beziggehouden door een langwerpig man van een groote dertig jaren, met een kaalachtig hoofd en in een langen sluitjas, die den naam _draagt_ van den heer _Dorbeen_, en den naam _heeft_ van droogkomiek te zijn. Behalve dit, oefent hij het ambt van makelaar uit. Hij vraagt ons naar studentegrappen, die sedert de oprichting der academiën, aan alle academiën eenmaal 's jaars gebeurd moeten zijn, die _hij_ gehoord heeft in zijn jeugd, die aan _mij_ en aan _Pieter_ verteld zijn als onder onze laatste voorgangers aan de hoogeschool vertoond, en die waarschijnlijk nooit hebben plaats gehad, en nooit _zullen_ plaats hebben; en als hij er een heeft opgehaald die heel aardig is, dan vraagt hij terstond een baleintje en steekt zijn pijp door, met een gezicht zoo lang en zoo akelig, dat hij duidelijk toont hoe droogkomiek hij is. _Pieter_ is onder zijn verhalen verstrooid, rookt wanhopig door, grinnikt als er een vertelsel, en stopt een nieuwe als er een pijp uit is. Ik sta op heete kolen om eens nader kennis met de dames te maken.
"De heeren zullen zeker liever bij den wijnstok blijven?" zegt mijn welgedane tante, vriendelijk omkijkende, en een ruimen witten ketel opbeurende; "_Pieter_ wil misschien wel een kopje slemp?"
"Dat wil ik óók wel tantelief!" zei ik, en trad naar haar toe, om haar den grooten ketel vooreerst wat lichter te maken, daar zij hem onmogelijk tillen kon. Weet gij voor wie ik inschonk?
Voor een deftige dame, die, als mijn tante, zat te breien, maar toch meer naar de mode gekleed was en de wettige echtgenoot van den commies, echter veel jaren jonger dan hij; voor een jeugdige zuster van dezen haren man, van een veertig jaar, met kalfsoogen, die bij haar inwoonde met het voorrecht van de wasch voor haar te doen, haar kousen te mazen, haar hoeden te vermaken, en haar japonnen af te dragen; als ook voor haar dochtertje _Koosje_, een meisje van ik denk zeventien jaren, die er met haar gescheiden bruin haar en rozerood japonnetje allerliefst uitzag; en behalve voor mijn tante en mijzelven, voor de zeer modieuze gade van den makelaar, die de eenige "mevrouw" van de partij was, een enorme muts met vuurrood lint droeg, en een niet minder enorme gouden gesp aan haar ceintuur.
Mejuffrouw _Van Naslaan_ was een zeer wijze dame, die zeer verstandige bevindingen had. Zoo vond zij bijv. een kouden tocht altijd erger dan een koude lucht; zoo vond zij altijd, dat het op een heeten dag nog al eens wat helpt als er wat wind is; zoo merkte zij op, dat als men veel verloor, het altijd nog een troost was als men iets behield; zoo had zij ontdekt dat, als men ergens aan gewende, zoo iets gemakkelijker viel dan als men er volstrekt _niet_ aan gewoon was; zoo was zij er zelfs, door vlijtige en innige nasporingen op het gebied der zielkunde, toe gekomen, een wezenlijk onderscheid tusschen menschen en menschen waar te nemen en met grond te kunnen verklaren, dat de eene mensen de andere niet was; en dergelijke verstandige dingen meer, die haar een grooten roep van knapheid en ervarenheid gaven onder de vrouwen van haar kennis; en daar zij van alle eenvoudige zaken zei, dat er meer achter zat, en alle dingen geestiglijk bij muisjes vergeleek die staartjes hebben zouden, zoo hield men het er met reden voor, dat zij meer zag dan een ander. Mevrouw _Dorbeen_ daarentegen was een rammel, trotsch op haar mevrouwschap, haar muts en haar echtgenoot. Ik had van haar hooren spreken als van iemand die heel mooi een vers opzei, dat ik wel geloofde, daar zij sterk brouwde, en zeer rollende bruine oogen bezat.
De manszuster van mejuffrouw _Van Naslaan_ heette _Mietje_, en was volstrekt niets dan een goed mensch.
Met uitzondering van deze die niets, en van de lieve zeventienjarige, die zeer weinig sprak, praatten de aanwezige dames doorgaans alle tegelijk, en de heeren bij het vuur zongen er de tweede partij toe. Bijvoorbeeld:
"Hoor eens, me lieve juffrouw _Stastok_", zei mejuffrouw _Van Naslaan_, haar breiwerk neerleggende en haar wijsvinger op de hand van mijn tante drukkende: "Hoor eens; me lieve juffrouw _Stastok_, je hoeft er me niets van te zeggen; ik weet" (hier kneep zij hare oogen op een interessante wijze dicht), "ik weet dat allemaal wel; ik ken die menschen door en door; en zoodra als ik hoorde dat _Keetje_ _dat_ in 't hoofd had, wist ik wel hoe de vork in den steel stak".
Hierop nam zij haar breiwerk weer op, en telde de steken van het toertje, daar zij aan bezig was, na.
"Ja maar, _Koosje_!" rammelde mevrouw _Dorbeen_, voorbij _Mietje van Naslaan_ heen sprekende, en die met haar roode mutslinten, zoodanig voor de oogen schitterende, dat de goede ziel den anderen dag betuigde, er wee van te zijn geworden: "je kunt je niet begrijpen hoe druk _Dorbeen_ het heeft; dat is van den ochtend tot den avond; daar had je nog gisteren morgen mijnheer _Van der Helm_"; (deze was, moet men weten, de grootste heer uit de stad, wiens zaken _Dorbeen_ waarnam); "daar hadje nog gisteren morgen mijnheer _Van der Helm_, al vóór den ontbijt: hij ging op de jacht en wou _Dorbeen_ nog eerst spreken; nu is hij gelukkig heel eigen bij ons, zoodat het er niet op aankwam dat _Dorbeen_ nog niet gekleed was; maar zoo gaat het dag op dag; nu heb ik het óók wel druk met de kinderen, maar ik zei tegen _Dorbeen_: weetje wat? ik ga er zelf maar reis op af. Nu is _Dorbeen_ daar altijd heel wèl van, en vindt het altijd goed zoo als _ik_ het maak..."
"Juffrouw _Mietje_, nog niet een roomsoesje?" vroeg mijn tante--"Jij ook niet, _Koosje_? Wel kind! wat heb ik je in lang niet reis hier gezien. Het heugt me nog dat je met _Pieter_ speelde. Ja, kleine kinderen worden groot, _Koos_!"
"Dat zeg ik zoo dikwijls", zei mejuffrouw _Van Naslaan_. "Waar blijft de tijd? En ik zeg maar, hoe ouder dat je wordt, hoe meer de tijd vliegt; maar je jonge jaren, kind! zeg ik alle dag tegen _Koosje_, leer dat van mij, die komen nooit weerom".
"En dat zijn van die dingen", klonk het van den schoorsteen, uit den mond van den heer _Van Naslaan_, met plechtige langzaamheid en afgebroken door het statig uitblazen van tabaksrook: "dat zijn van die dingen, mijn goede vriend!--(p'hoe), die u--(p'hoe) en mij--en een ander--(p'hoe, p'hoe) ongelukkig maken. En onze voorvaderen",--hier nam hij de pijp uit den mond, om er den derden knoop van mijn ooms rok onder 't spreken onderscheidene kleine tikjes mee te geven--"onze vaderen ... ik vraag je of ze der zoo veel slechter aan waren dan wij?--onze vaderen, mijnheer! hielden zich met die dingen niet op".
"Neen!" verklaarde mijn oom, in edele opgewondenheid een versche pijp stoppende, "dat waren andere menschen! die wisten--_Piet_, geef me 't komfoortje reis aan--die wisten handen uit de mouw te steken, al zeg ik 't zelf;--en wat ik altijd zeg--ze pasten op er tijd. _Mijn_ vader was altijd 's morgens kwartier voor zessen gekleed en geschoren--kom daar nú reis om!"
En zijn pijp op het vuur zettende, spande hij een schrikkelijke kracht in om haar ineens aan te trekken, en ze daarop omkeerende, en een mondvol rook tegen den kop blazende, herhaalde hij, door de inspanning half uit zijn adem: "Kom daar nú reis om!"
"Ja, lieve vriend!" zei _Dorbeen_ tot _Pieter_, bijna een der vergulde knoopen van diens nieuwerwetschen ouderwetschen rok aftrekkende, daar hij met hem in gesprek was geraakt over een der rijkste jongelui, die te Utrecht studeerden: "Zijn vader heet _Goedelaken_, maar hij mocht wel _Goudlaken_ heeten".
Dit was een trant van geestigheid, waarin de heer _Dorbeen_ sterk was; en daar _Pieter_ grinnikte, en mijn oom, die 't ook hoorde, zijn hoofd lachend schudde, en de grap voor den heer _Van Naslaan_ herhaalde, merkte mevrouw _Dorbeen_ dat er iets grappigs aan de hand was en, haar gevuurvlamd hoofd opheffende, zeide zij allerinnemendst:
"Lieve _Dorbeen_! laten de dames ook reis wat van je hooren". Allen zagen hem aan en zwegen.
"Beste schat!" zei _Dorbeen_, toen het heel stil was, met een lief lachje--"ze hebben immers al heel veel van mij gehoord".
"Hoe zoo?" vroeg mevrouw _Dorbeen_.
"Wel, ze hooren immers _u_, mijn beste! en zijt gij niet van mij?" antwoordde hij, heel "droogkomiek".
Allen lachten; maar het lieve zeventienjarige _Koosje_ had moeite, en daarom vond mevrouw _Dorbeen_ het gepast haar lachende toe te voegen: "Och _Koosje_! zoo is hij altijd; trouw nooit, kind; want de mannen laten er hun vrouwen altijd inloopen".
_Pieter_ was intusschen achter den stoel van _Koosje_ gaan staan rooken en werd op deze woorden bleek. Hij gevoelde dat hij er nooit iemand, laat staan een vrouw, laat staan de zijne, in, zou, kunnen, doen, loopen.
Daar nu dan toch de muur gevallen was, die op dergelijke bijeenkomsten, welke men in burgerkringen "een kopje thee, en verder het avondje te passeeren" of ook wel een "presenteertje", of een "aangekleede pijp", of een "aangekleede boterham" noemt; daar nu dan toch, zeg ik, de muur gevallen was, die op dergelijke bijeenkomsten de mannen van de vrouwen scheidt, en er als 't ware eene verbroedering der beide seksen had plaats gehad, en daar mevrouw _Dorbeen_ op eene ongezochte wijze het voorwerp der algemeene opmerkzaamheid geworden was, vond mijn oom goed met een verzoek voor den dag te komen, dat hij reeds lang op 't hart had gehad.
"Nu, mevrouw! maar je zult toch ons en de vrienden wel een plezier willen doen?"
"Wel zeker, mijnheer _Stastok_!" En zich, met een bescheidenheid grooten genieën eigen, spoedig tot mejuffrouw _Van Naslaan_ wendende, "wat heb je daar een lief patroontje van een kraagje om!"
"Ja, mevrouw!" was het antwoord, ik "zeg altijd: duurkoop goedkoop. Want ik vind dat het beste goed het 'et beste uithoudt. Ik had het in den winkel bij _Van Drommelen_ gezien, en ik zeg tegen mijn kinderen, als ik nú reis weer jarig ben...."
"Hoor eens," zei _Stastok_ tegen _Dorbeen_: "je moet maken dat je vrouw reis reciteert, hoor".
"Heeremijntijd ja, je moet strak stellig reis reciteeren, lieve mevrouw!" zei mijn tante met eenige ongerustheid, en op het woord _strak_ zooveel kracht leggende als zij in bescheidenheid doen kon.
"Och toe, mevrouw!" zei _Koosje_ met een allerliefste uitdrukking van gelaat.
"Hè ja!" zei _Mietje_ met de kalfsoogen.
"We moeten mevrouw niet overhaasten", zei mijn tante.
"Neen!" zei mevrouw _Dorbeen_, eenigszins bleek wordende, "als het dan moet, moet het ineens maar. Wat wil je hebben? Kom, het Rijntje dan nog maar reis". En haar schaar opnemende, om die, onder 't opzeggen, bij iederen nieuwen regel open te doen en bij 't invallen der caesuur toe te knijpen, begon zij met een door verlegenheid wat heesche stem, die gedurig scheller werd:
"Zoo rust dan _eind_lijk, 't ruwe _noor_den Van hagel_jacht_ en storm_geloei_, En rolt de _Rijn_ weer langs zijn _boor_den, Ontslagen _van_ de winter_boei_."