Chapter 7
Men speelde voort en, na al de wederwaardigheden die hij had doorgestaan, werd mijn vriend _Pieter_ weder vrij kalm, waartoe vooral machtig medewerkte dat hij een paar malen acquit moest leggen. Maar op eens werd zijne rust akelig verstoord door den uitroep van den jongen: "vier driemaal, zes acquit, zeven speelt! mijnheer _Hastok_ (de _St_ was onduidelijk geschreven) de Vlag!"
Nu was er geen eind aan de kortswijl en de grappen van den chirurgijnsleerling, en den verloopen student, en den advocaat, en den jongeling van drieëndertig jaren met den leverkleurigen pantalon. De een noemde hem een Mingaud, de ander een blauwbaard, de derde een boa constrictor, allen te zamen: "den mijnheer van de vlag". De bejaarde luitenant, die op drie stond en met den verloopen student geassureerd was, wilde zich doodstooten en hem voor een daalder koopen; de graankooper, die tegen die manoeuvre was, zei dat _Pieter_ veel te sterk speelde om het aan te nemen; de chirurgijnsleerling bestelde de bokaal voor mijnheer "_Hastok_", die den pot "op schoon dacht te winnen";--het was een leven als een oordeel. En onder dit alles stond, met verwilderden blik, het onschuldig voorwerp van al dit rumoer altijd maar krijt aan zijn keu te strijken. De beurt kwam weer aan hem.
"Welke bal?" vroeg hij verlegen.
"Die witte!" riep de verloopen student, die een grappenmaker was.
"Die ronde!" zei de chirurgijnsleerling, niet minder aardig.
"De beste", zei de leverkleurige pantalon, die ook iets zeggen wou.
"De benedenste", zei de dikke graankooper, die medelijden kreeg.
Nu was het zoo gelegen, dat het vrij onverschillig was met welken bal de arme _Pieter_, die geen drogen draad meer aan 't lijf had, op dat merkwaardig oogenblik spelen zou, aangezien beide ballen, de een boven, de ander beneden, stijf en allerstijfst collé lagen; ik herinner mij niet in al den tijd dat ik mee gebiljart heb--nu slaapt mijn keu voor immer in haar zelfkanten graf--ooit zulk een stijven collé gezien te hebben. De verloopen student bood mijn neef den bok aan. _Pieter_ zag hem aan met een blik van machteloozen haat en stootte een voet of drie mis.
"Strijk de vlag!" riep de chirurgijnsleerling.
Zij was alreede gestreken. De pikeur had zich bij voorraad gewroken.
Van dat oogenblik aan bood de luitenant _Pieter_ een gulden; maar hij was te zeer van zijn stuk om te verkoopen. In den volgenden toer maakte ik hem, uit medelijden; den daarop volgenden, verliep hij en smaakte de voldoening dat de luitenant hem een beschuitje voor zijn bal bood; met een mispunt besloot hij, in den voor hem laatsten toer, zijn carrière in het edele ballenspel; en daar hij zeer veel haast scheen te hebben om te vertrekken, brak ik, die nog een enkel appèl te verliezen had, mijn bal op, vooral ook om een einde te maken aan de dringende aanzoeken van den jongeling met den leverkleurigen pantalon, die nu zichzelven voor een achtentwintig aan "_Hastok_" verkoopen wilde, in welk aanbod hem al de vroolijke jongelui ondersteunden.
Op straat gekomen scheen de frissche octoberlucht _Pieter_ weer moed en verwaandheid toe te waaien.
"Daar zijn goede spelers onder", zei hij, "maar toch waaràtje geen een, die eigenlijk uitmunt. Ik had een kromme keu", voegde hij er bij; "en hebje wel gezien hoe de hoekzakken trokken?"
Ik had alles gezien, en wist dat de graankooper het potje zou gewonnen hebben eer wij thuis waren.
Het eten stond reeds op tafel. _Pieter_ had geen honger.
Het diakenhuismannetje vertelt zijn historie.
Drie dagen had ik bij de familie _Stastok_ vertoefd, en in dien tijd was ik groote vrienden met _Keesje_ geworden. Een paar malen had hij mij door de stad vergezeld om mij den weg te wijzen, als ik boodschappen te doen had; en daar hij, als vele oude lieden, praatziek was, en ik in dat gebrek soms met vele oude lieden deel, hadden wij dikwijls te zamen vrij wat afgehandeld. _Keesje_ was een eenvoudig, braaf, goedaardig mannetje. Hij had een flauwe herinnering van zijn vader, die borstelmaker geweest was en groote "zulveren" gespen op zijn schoenen had gedragen. Behalve de gespen, herinnerde hij zich niets meer van hem dan zijn dood, en hoe hij met een groote huilebalk en lange witte das achter zijn lijk gegaan was; en hoe er toen hij thuis kwam een zwarte doek over den spiegel had "gehongen"; en hoe hij, bij die gelegenheid, zoo veel geraspte broodjes had mogen eten als hij maar wilde; en dat daar een lange moei was bijgeweest, die zóóveel witten wijn gedronken had, dat een dikke oom gezegd had: "je krijgt niet meer". Zijne moeder had hij nooit gekend. De dikke oom had hem naar 't Weeshuis gebracht; hij had er leeren spellen, en toen was hij op timmeren gedaan; maar hij was te zwak voor dat werk, weshalve men hem bij een apotheker besteld had, om fleschjes te spoelen, en te stampen: een baantje dat juist niet rijk is aan schitterende vooruitzichten. Vijftien jaar had hij er gediend, maar daar hij maar heel weinig lezen kon, en hij dikwijls tegelijk twee halfpintsflesschen, drie kinderglazen, een amplet, een likkepot en een pakje poeiers weg moest brengen, was 't hem eindelijk eens gebeurd dat hij een salebdrank gebracht had bij iemand die obstructies had, en daarentegen de poeiers met jalappeharst bij eene dame die aan diarrhee leed, waarop hij, als niet genoeg geletterd, ontslagen werd. Sedert was hij looper voor een kantoor, en daarna huisknecht bij onderscheidene lieden geweest, waarvan sommige dood en andere geruïneerd waren; en daar hij, bij de groote opruiming, te oud was geweest om naar Frederiksoord te worden gezonden, had eindelijk het Weeshuis hem overgedaan aan het Diakoniehuis. En nu werd hij op zijn ouden dag nog door mijn oom en een paar lieden van diens slag gebruikt tot het smeren van schoenen, uitkloppen van kleeren, wegbrengen van de courant en, in één woord, tot het doen van min gewichtige boodschappen. Hetgeen, volgens de inlichtingen van mijn oom, 's mans carrière het meest had gedwarsboomd, was zijne verregaande onnoozelheid en daaraan geëvenredigde menschenvrees.
Behalve de achterkamer met het hooge licht, die om het huis van den buurman heensprong en waarachter de keuken lag, was er aan het huis van _Petrus Stastok_ Senior nòg een achterkamer, waarin ik u nader denk binnen te leiden, naar een kleinen tuin, waarop zij uitzag, niet oneigenaardig de tuinkamer geheeten. Als men de plaatsdeur uittrad, had men eerst een soort van trottoir van gele klinkers, van omstreeks drie passen breed, en als men dan over eene hooge rollaag van blauwe klinkers [8] heenstapte, waarvóór aan de overzijde drie voetschrabbers waren geplaatst, was men eensklaps in het kleine elyseum van mijn tante. Men zag er een grooten appelboom, waaraan soms meer dan een dozijn reinetten groen werden, verscheidene rozeperken, waaromheen in 't voorjaar een kring gele krokussen bloeien moest, meer dan één seringeboom, twee goudenregens, een dubbelen kers en, tegen den muur aan den eenen kant een wingerd, en aan den anderen een moerbeiboom. De paden waren niet met gewoon gras, maar met roode en witte madelieven en z.g. zeegras omzoomd. Omtrent dezen tijd stonden er verscheidene potten met asters en twee of drie dahlia's in bloei; en achterin was een groen geschilderd priëeltje met vijfblad, kamperfoelie, rupsen en spinnen. Daaraan belendde de fabriek, waaraan, tegenover 't priëel, eene kleine loods was uitgebouwd met een klein plaatsje, waarop _Keesje_ zijn huiswerk verrichtte, en daaromheen een klein hekje.
In dit priëeltje zocht ik, op zaterdag morgen na den ontbijt, met een boek onder den arm, het zonnetje. Waarom ik het boek niet opensloeg zal terstond blijken.
Ik had nog nauwelijks met mijn zakdoek het stof van de bank in 't priëeltje geslagen, en was bezig, op mijn gemak nedergezeten, met de oogen op het loodsje, het plaatsje en het hekje gericht, mij te verlustigen in het denkbeeld, hoe goed alles bij mijn oom en tante in de verf was, als de plaatsdeur openging en _Keesje_ verscheen. Daar hij den geheelen tuin doormoest om ter plaatse zijner bestemming te komen, en hij bijna zeventig jaar op de schouders torste, had ik tijd genoeg om op te merken, dat er iets aan scheelde. Hij strompelde eerst bijna tegen de rollaag aan, waarop hij niet scheen verdacht te wezen, schoon hij er sedert jaren alle morgens om halftien uren overheen moest stappen; hij liet den zondagschen rok van mijn oom, dien hij over den arm had, in het zand slepen en, eer hij den appelboom voorbij was, den borstel, dien hij in de hand hield, tweemaal vallen. Als hij nader kwam, zag ik dat zijn wangen zeer bleek en flets waren, onder zijn niet zeer net onderhouden baard; zijn geheele gelaat was betrokken, zijn oogen stonden dof, en toen hij mij voorbijging was het niet als anders: "lief weertje, meheer!" maar hij nam zijn hoed stilzwijgend af, en strompelde naar het plaatsje. Met een diepen zucht trok hij daarop zijn jas uit, zoodat hij mij in zijn eng zwart vest met mouwen, al het magere en gebogene van zijne gestalte zien liet. De roode blikken tabaksdoos, die half uit den eenen vestzak stak, bleef onaangeroerd, en met wederom een diepen zucht hing hij den rok van mijn oom over den knaap. Met een nog dieper zucht greep hij den borstel op, stond eenige oogenblikken in gedachten tegen de haren op te strijken, en begon toen den rok te borstelen, beginnende met de panden.
"Hoe is 't _Keesje_! Gaan de zaken niet goed?" riep ik hem toe. _Keesje_ borstelde altijd door. Hij was wat doof.
Wanneer men den volzin herhalen moet, die men op een eenigszins meewarigen toon heeft uitgesproken, is 't glad onmogelijk het met dezelfde woorden te doen. Ik stond op, kwam een stapje nader, en zei wat luider:
"Wat scheelt er aan, _Kees_?"
_Kees_ ontstelde, zag mij aan, en _bleef_ mij een oogenblik met strakke oogen aanzien; daarop vatte hij weer een mouw van mijn ooms zondagschen rok en begon op nieuw te borstelen. Er liep een traan over zijn wangen.
"Foei, _Kees_!" zei ik, "dat moet niet wezen: ik zie waterlanders, dunkt me".
_Keesje_ veegde zijn oogen met de mouw van zijn vest af en zei: "'t Is een schrale wind, meheer _Hildebrand_".
"Ei wat _Keesje_;" zei ik, "de wind is niemendal schraal. Maar daar schort iets aan, man! Hebje een courant verloren?"
_Keesje_ schudde het hoofd en ging hardnekkiger dan ooit aan het schuieren.
"_Kees_!" zei ik: "Je bent te oud om verdriet te hebben. Is er niets aan te doen, vrind?"
De oude man zag vreemd op bij het hooren van het woord "vrind". Helaas, misschien was 't hem op zijn negenenzestigste jaar nog geheel nieuw. Een zenuwachtige glimlach, die iets verschrikkelijks had, kwam over zijn mager gezicht; zijne grijze oogen luisterden eerst op, werden toen weer dof, en schoten vol tranen. Zijn gansche gelaat zeide: ik zal u vertrouwen. Zijn lippen zeiden:
"Hoor reis meheer! Kent uwe Klein _Klaasje_?"
Hoewel ik nu een zeer bijzonderen vriend heb, die _Nicolaas_ gedoopt is, en van wien 't niet ondenkbaar was dat _Keesje_ hem wel eens gezien had, zoo kon ik echter onmogelijk op gemelden _Nicolaas_ den naam van Klein _Klaasje_ toepassen, aangezien hij een zeer "lange blonde jongen" is, en nooit zou ik hebben willen gelooven dat gemelde _Nicolaas_, hoe onaardig hij ook somtijds wezen kan, de oorzaak zou kunnen zijn van ouden _Keesjes_ tranen. Ik antwoordde dus dat ik Klein _Klaasje_ niet kende.
"Heeft meheer _Pieter_ hem uwe dan niet gewezen? De heele stad kent Klein _Klaasje_. Hij krijgt centen genoeg"; ging _Keesje_ voort.
"Maar wat is het dan voor een man?" vroeg ik.
"Het is", zei _Keesje_, "in 't geheel geen man. 't Is een dwerg, meheer! een dwerg, zoo waar as ik hier voor je sta. Je kent er mee in een spul reizen. Maar 't is een kwaad kreng. _Ik_ ken hem goed".
Ik wenschte hartelijk naar wat meer orde in de berichten van _Keesje_.
"Hij is uit het Huis", hernam hij na een oogenblik zwijgens: "hij loopt over straat as 'en gek. Hij wint geld met zen bochel. Als er 'en school uitgaat, leggen de jongens centen bij mekaar, en laten Klein _Klaasje_ dansen. Dan springt ie om een stok net as zoo'n aap, en dan maakt ie zijn bochel wel eens zoo groot. Ik _heb_ geen bochel, meheer!" liet hij er met een zucht op volgen.
Terecht begreep ik dat _Keesje_ minder jaloersch was van den bochel dan van diens geldige vrucht.
"Ik wou", ging hij op een treurigen toon voort, den rok een veel harder streek met den schuier gevende, dan voor laken van negen gulden dienstig was; "ik wou dat ik een bochel _had_. Ik zou nies uitvoeren; ik zou centen krijgen; ze zouen om me lachen.... Maar ik zou niet drinken", zei hij eensklaps van toon veranderende. En den volzin omkeerende, voegde hij er, zeer bedaard den rok van den knaap nemende en hem opvouwende, nog eens bij: "drinken zou ik niet".
"_Keesje_", zei ik, "toen je den tuin doorkwaamt, en toen ik je aansprak, was je bedroefd, en nu lijk je wel wat boos te zijn; ik zie je liever bedroefd!"
De oude oogen schoten weer vol tranen; hij stak zijne dorre handen naar mij uit; ik vatte ze, toen hij ze, beschaamd over zijn gemeenzaamheid, terug wilde trekken, en liet ze niet dan na een bemoedigend drukje varen.
"Och", zei hij--"och meheer weet dat zoo niet;--maar ik ben--ik ben veel bedroefder dan boos. Maar Klein _Klaasje_ het me mishandeld. Klein _Klaasje_ is slecht. De menschen", ging hij voort, naar het schoensmeer bukkende, "de menschen denken soms dat ie gek is; maar hij is slecht".
"Hoor eens, _Keesje_!" zei ik, een klaptafeltje op een ijzeren poot opslaande; "ga hier eens wat zitten en vertel me reis geregeld, wat heeft Klein _Klaasje_ je gedaan?"
"Het zel niet helpen", zei _Keesje_, "maar ik zel et doen, as u 't niemand zegt. Kent meheer et Huis?"
"Welk huis?"
"Van de Diakenie."
"Ik heb het in 't voorbijgaan gezien."
"Goed. Et is een leelijk huis, is et niet? een leelijk huis; met rooie deuren en vensters; en van binnen alles rood en alles donker. Nou; meheer weet wel dat we daar allemaal arm zijn, allemaal even arm; ik kan et niet anders zeggen, net precies, denk ik wel, as op 't kerkhof. Ik en een ander verdienen iets, maar et helpt niet. We brengen et in bij den Vader; en de Vader geeft ons alle weken zakduiten. Dat is goed, meheer; dat is heel goed. Als ik oud wor, verdien ik geen kopere' cent meer; maar ik krijg toch de' zakduit. Hier", zeide hij, een bonten katoenen zakdoek uithalende, "deuze, en", op zijn tabaksdoos kloppende, "en deuze, heb ik van me zakduit gekocht".
Het was aandoenlijk een man van bij de negenenzestig te hooren spreken van "als ik oud word"!
"_Klaas_",--ging hij voort--"zoo as meheer wel begrijpt, krijgt ook een zakduit. Maar wat doet _Klaas_? _Klaas_ doet niets, dan nou en dan de straat voor iemand wieden. _Klaas_ houdt zich gek; _Klaas_ danst met zen bochel; en as ie centen krijgt van de lui en van de kinderen, dan wandelt _Klaas_ de poort uit. Kent meheer de Vette Vadoek?
"Neen, _Keesje_."
"Et is een herberg in de Hazelaan, daar drinkt _Klaas_ 'en borrel; en welreis twee, en welreis drie borrels".
"En als hij dan in 't Huis komt?"
"o Hij heeft allerlei kunsten. Hij neemt een groote pruim tabak. Hij haalt 'en oranjeschilletje bij de' drogist. Soms merkt de Vader et. Dan krijgt hij 'en blok aan zen been, want hij is te oud om op de bok gelegd te worden, en men kan em ook niet op zen bochel slaan; maar wat is 't as ie met het blok loopt? Dan zeit ie teugen de kinderen: St ... jongens! _Klaas_ is ondeugend geweest; _Klaas_ het 'en graantje gepikt; en de Vader het _Klaas_ al zen centen afgenomen. Je begrijpt wel, meheer, dat ie dan nog meer opdoet".
Ik begreep het volkomen.
"Maar dat zijn _zijn_ zaken", ging _Keesje_ voort, een schoen van mijn oom opnemende, dien hij smeren moest en onmiddellijk weer neerzette; "maar wat hoeft ie _mijn_ ongelukkig te maken? Weet u wat et is. Ik zel et u vertellen. Ik had geld,--ik had veul geld,--ik had twaalf gulden!"
"En hoe kwam je daaraan, _Keesje_?"
"Met God en met eere. Ik had et gespaard toen ik in de apteek was. Somwijlen, als ik 'n drankje buiten de stad brocht, op een buitenplaats of in een theetuin, zei de meheer of de mevrouw: geef de' looper een dubbeltje; 't is slecht weer. Zoo had ik twaalf gulden bij mekaar. Ik mocht die in 't Huis niet hebben. Maar ik bewaarde ze; op me hart".
"En waartoe bewaarde je die? Hadje dat geld noodig; of deeje 't alleen om 't pleizier van het te hebben?"
"Och, meheer"! zei het diakenhuismannetje, het hoofd schuddende: "Als ik et zeggen mag, die rijke lui weten dat zoo niet; de Regenten weten 't ook niet; want zij hebben er geen zorg voor. 't Gaat alles goed bij zulke menschen; bij leven en sterven. Hoor reis; we hebben 't goed in et Huis; de Regenten zijn goed; op vastelavond krijgen we bollen met botter; over drie weken, as de slacht is, krijgt et Huis 'n os, ik weet niet van wat voor groot heer die lang dood is. Dan eten we allemaal gehakt; en de heeren hebben 'n partij en eten de tong, We hebben 't er heel goed; maar 'n mensch, meneer, denkt altijd om zen dood".
"Ik denk nogal dat je 't na je dood ook heel goed zult hebben, _Keesje_!" zei ik.
"Ik hoop et, meheer: in den Hemel is alles goed; maar dat meen ik niet. Ik wou me lijk verbeteren, weet u?"
"Wat is dat, _Kees_?"
"Hoor reis, as we dood zijn, dan leit men ons op strooi en we krijgen 't goed an van 't Huis, net as wanneer we leven, en dan gaan we na 't kerkhof, in de put; dat wou ik niet. Ik wou, as ik dood was, geen diakenhuisgoed aanhebben...."
Hij zweeg een oogenblik; en weder kwamen de tranen.
"Ik wou in me kist leggen, ik weet niet, ik zel maar zeggen, zoo as ik er mijn vader in heb zien leggen, met eigen goed; ik heb nooit een eigen hemd gehad; één eigen doodhemd wou ik hebben".
Ik was aangedaan. Spreek mij niet van vooroordeelen. De rijken der aarde hebben er duizend. Deze arme man kon alles verdragen: schrale spijs, een hard bed en, naar de mate zijner jaren, harden arbeid. Hij had geen eigen huis, hij zou geen eigen graf hebben: o had hij dan ten minste de zekerheid dat zijn allerlaatste gewaad het zijne wezen zou!
"Meheer begrijpt wel!" ging hij, eenigszins schor, voort, "dat daar die twaalf gulden voor was. Het was veuls te veul. Maar ik wou nog meer; ik wou fassoendelijk begraven worden. Ik heb geen verstand van die dingen; maar ik had gerekend vier gulden voor et linnen, en dan twee gulden voor de menschen, die me zouen ofleggen, en tien stuivers voor een draagplaats an twaalf dragers. Was dat niet knap geweest? De bediende van den apteker had het zoo beschreven; het geld was in et pampiertje; en alles in een leeren zakkie: dat heb ik dertig jaar op me hart gehad.... en nou is het weg..."
"Heeft _Klaas_ het gestolen?" vroeg ik.
"Neen!"--zei hij, uit het droef gepeins, waarin zijn eigen laatste woord hem gestort had, oplevende: "maar hij is er achter gekomme dat ik et had. _Zijn_ kreb staat naast _mijn_ kreb. Of ie et gezien het as ik me uitkleedde, of as ik me aankleedde, of toen ik ziek was, of dat ik er hardop van gedroomd heb, ik weet et niet. Ik zou wel haast zeggen dat ik er van gedroomd had; want ik denk er altijd om.--Verleden dinsdag had et den heelen voormiddag geregend, as meheer wel weten zel. _Klaas_ had geen cent opgedaan. Het was te slecht weer; de jongens hielden zich niet met hem op. Zen zakduiten waren ook weg, en hij had een razenden trek om na de Vette Vadoek te gaan. "_Kees_", zeid' ie na den eten, "leen me zes centen". "_Klaas_", zeg ik, "dat doei ik niet; want je verzuipt ze toch maar". "_Kees_" zeid' ie, "ik mot ze hebben", zeid' ie. Ik zeg: "nou je krijgt ze niet, hoor!" "Weetje wat," zeid' ie, "_Kees_", zeid' ie, "as je ze me niet geeft, zel ik an de' Vader zeggen, wat je onder je hemd hebt, hoor!" Ik besturf as 'en doek, en gaf 'em de zes centen. Maar ik zeid' er bij: "_Klaas_, je bent een schurk!" Dat zei ik. Of ie daar toen toch kwaad om geworden is, kan ik niet zeggen; maar gisteren mot ie dronken geweest zijn, en toen de suppoosten 'em 't blok andoen lieten, het ie as 'en gek geschreeuwd en gezongen: "_Kees_ het geld! _Kees_ het geld! Onder zen hemmetje het ie geld"! de broers vertelden 't me, toen ik in 't Huis kwam. Ik was as 'en dooie. We gingen na' de mannezaal en kleedden ons uit. _Klaas_ lag er al en snurkte as 'en os. Toen ze allemaal sliepen, stak ik me hand onder me hemd om et zakkie weg te nemen en, als ik kon, in 't strooi van me bulster te verstoppen. Maar eer ik et los had, daar ging de deur ope', en de Vader kwam op de zaal met 'en lantaren. Ik viel achterover op me kussen met et geld in me hand, en tuurde as 'en gek mensch na' de lantaren. Ieder stap, die de vader dee, voelde ik op me hart. "_Kees_," zeid' ie, over me heen bukkende: "Je heb geld; je weet wel dat je dat hier in 't Huis niet verstoppen mag"; en meteen trok ie 't uit me hand.--"'t Is voor een doodhemd",--stotterde ik, en viel op me knieën in de krib--maar 't holp niet. "We zellen 't voor je bewaren", zei de Vader, en maakte het zakkie ope', en telde et geld bedaard. Mijn eigen oogen hadden et niet gezien sunt ik et er in genaaid had; dat was dertig jaar geleden; et was mijn, eigen, lief, begrafenisgeldje. "Ik zweer je dat ik er niets voor doen zel", huilde ik, "dan me eerlek laten begraven."--"Daar zellen we zelf wel voor zorgen", zei de vader; en weg ging ie met et geld en met de lantaren. "_Klaas_", riep ik hem na, "het et je verteld, omdat ie".... maar wat holp het of ik gezeid had, omdat ie 'en lap is! wat holp et of ik hem verteld had dat _Klaas_ alle dag na' de Vette Vadoek ging? Ik had er me geld niet mee weerom. Den heelen nacht heb ik geen oog toegedaan.--Et is wat te zeggen!"
"Zou er bij de Regenten niets aan te doen zijn, _Keesje_?" vroeg ik vertroostend.
"Neen! neen!" snikte hij, de hand op zijn borst rondwrijvende, als zocht hij er het geld nog: "het geld most weg; dat is 'en wet zoo oud as et Huis, en et Huis is zoo oud--zoo oud as de wereld!"
"Dat's wat kras, _Keesje_", zei ik; "en wanneer"....
Hij liet mij niet uitspreken.
"Wat kras? Het is niemendal kras. Zijn er dan niet altijd armelui geweest zoo as ik, die an de Diakenie kwammen, en van de Diakenie mosten eten en drinken, en bed en leger hebben, en begraven worden?--Maar _ik_ wou begraven worden van mijn, eigen, geld,--en ik wou zeker _weten_ dat ik van mijn, eigen, geld begraven zou worden; en dat was mijn grootste troost; en daarom droeg ik et vlak op me hart.--O, as _Klaas_ kon weten dat ie me dood maakte!"
"Hoor eens, _Keesje_", zei ik, "je zult en moet je geld weerom hebben; ik beloof het je: ik zal mijn oom er over spreken; hij kent zeker de Regenten wel; wij zullen zien of zij de wet, voor een oud, braaf, oppassend man, als gij zijt, niet eens zullen willen overtreden. Maak er staat op, _Kees_, je zult je geld weerom hebben".
"Zel ik?" zei de arme man, door mijn stelligen toon bemoedigd. "Zel ik wezenlijk?"
En zijn oogen afvegende met een blij gelaat, gaf hij mij de hand.
In zijn behoefte om ook mij iets aangenaams te zeggen vroeg hij:
"Smeer ik uw laarzen netjes genoeg?"
"Overheerlijk", was mijn antwoord.
"En is uw jassie goed genoeg geborsteld?" vroeg hij verder; "as er iets an mankeert, mot meheer 't maar zeggen".
Dat beloofde ik hem en ging in huis. Maar hij kwam mij achterop, met den linkerarm in een laars van _Pieter_ en den schoenborstel in de rechterhand. "Vraag escuus, meheer, dat ik zoo vrijpostig ben", zei hij, "maar mag ik u nog wel iets verzoeken?"
"Wel ja _Kees_!"
"As meheer na' de Regenten gaat", hernam hij, "mot meheer maar net doen as of ie van nies weet."
"Ik beloof het u, _Keesje_!"