Camera Obscura

Chapter 6

Chapter 63,951 wordsPublic domain

De ontvangst was recht hartelijk, en de goede menschen die mij nog nooit in mijn leven gezien hadden, schenen zeer verheugd dat genoegen te smaken, ofschoon gemeld genoegen bij den eersten eenigszins scheen verbitterd te worden door de omstandigheid, dat ik juist op een donderdag gekomen was, als wanneer de voorkamer "gedaan werd", zoodat men nu achter zat; waarop mijne moei aanmerkte, dat neef het wel zoo voor lief zou nemen en dat hij zeker in zijn ouders huis ook wel eens in een achterkamer gezeten had; waarop neef zei, dat deze een heele lieve achterkamer was, en dat hij wel van een achterkamer hield; waarop oom zei, dat hij er, al zei hij 't zelf, _niet_ van hield, en tante het met neef eens was dat zij er _wel_ van hield, waarop oom wat bijkwam met te zeggen, dat hij er 's avonds _nogal_ van hield; waarop tante en neef zeiden, dat zij er ook 's avonds het _meest_ van hielden; zoodat er met eenparigheid van stemmen besloten werd, dat een achterkamer met een hoog licht des avonds op haar voordeeligst is. Ik ben verplicht hier bij te voegen dat de geheele redewisseling op de goelijkste en vriendelijkste wijze gevoerd werd terwijl oom zijn ingebrande pijp met een zwavelstok weer op de wijs bracht, en tante de kopjes van 't koffiegoed met een minzaam lachjen en een bonten theedoek zat af te drogen. Zij schikte juist de stapeltjes in orde op het blad, toen zij vroeg: "Wel heeremijntijd, _Hildebrand_, hadje nou niet nog koffie willen hebben?"

Nu was er op dit oogenblik inderdaad niets waar ik vuriger naar verlangde dan naar een kop koffie; maar daar ik mijn tante verdacht dat zij het middel om koffie te vermeerderen zou zoeken in de kunst om ze te verdunnen, bedankte ik edelmoediglijk, en zei dat ik straks met oom een bittertje zou nemen, waarop oom verklaarde dat hij dat altijd gebruikte als de wagen van tweeën voorbijkwam.

Met dit vooruitzicht schikte ik mijn stoel wat dichter bij den haard, waarbij mijn oom altijd zat als hij achter zat, ofschoon er nooit in gestookt werd vóór den eersten November en er dus ook nu geen vuur aanlag, en begon met naar mijn neef _Pieter_ te vragen.

Mijn neef _Pieter_ studeerde te Utrecht in de rechten; maar hoewel ik bij onderscheidene gelegenheden aan onderscheidene studenten van onderscheidene faculteiten gevraagd had of zij mijn neef _Pieter Stastok_ ook kenden, had ik daarop te geenen tijde een voldoend antwoord ontvangen, zoodat ik, in de onzekerheid der oorzaken, waaraan deze onbekendheid wellicht moest worden toegeschreven, eindelijk begonnen was met niet meer naar _mijn neef_ _Pieter Stastok_, maar naar een zekeren student _Stastok_ navraag te doen.

"Gij moest hem al gezien hebben, neef _Hildebrand_", zei de oudere _Stastok_, "want hij is uitgegaan om u op te wachten."

"Om u op te wachten," herhaalde mijn tante, haar breiwerk in haar schoot latende vallen en over haar bril heenziende: "hij moet u zeker misgeloopen zijn; maar hij zal wel spoedig hier wezen. Hij is tegenwoordig zoo druk aan zijn examen! Ik ben eigenlijk bang dat hij te veel werkt; hij is zoo vlug, weet u!"

En nog nauwelijks had ik den tijd mijn vurig verlangen te uiten om die zeldzame vereeniging van vlugheid en arbeidzaamheid, den jongeren _Stastok_, te aanschouwen of de schel ging over, de muilen van de keukenmeid sloften, en de stap van den Utrechtschen student werd gehoord.

Had ik tot nog toe niet de minste notie van mijn heer en neef gehad, zooras hij de kamer binnenkwam kende ik hem door en door. Zijn geheele voorkomen sprak collegehouden uit; zijn geheele lichaam dicteerde dictaten. De bleeke kleur, het gebogen hoofd, de stalen bril, de theedoekige das, de sluitjas met dubbele borst, de horlogesleutel, de niet nauwe en niet wijde pantalon, de verschoende laarzen, de floretten handschoenen, de zwarte kapelaansrotting met twee nuffige kwastjes--alles deed den student zien, die van het academieleven niets kent dan de collegekamers en de thé's der professoren; van de studenten, geen andere dan zijn stadgenoot en en de senatoren, die hem ontgroend hebben; van de burgers, niemand dan zijn hospita; den student, die een kleur krijgt als hij twee, en een straat omloopt als hij een partijtje van zes studenten tegenkomt; den student, die er over klaagt dat er zoo weinig studenten-broederschap is, en niet weet dat er studenten-vreugd bestaat; den student, die een dispuut zou willen oprichten, waarvan niemand lid zou willen wezen; die van den kok dagelijks vijf borden eten krijgt: één, gesneden vleesch, één, ingemaakte postelijn, één, dito andijvie, één, opgekookte aardappels, en één, rijst met bessennat, omdat hij den moed niet heeft zich aan een tafel te doen voorstellen; den student, die in de sociëteit duizend angsten uitstaat dat iemand om de courant zal vragen, waar hij zich achter verbergt, en wiens naam de andere studenten voor 't eerst hooren, als zij toevallig op 't college zijn daar hij afgeroepen wordt om te respondeeren.--Zulk een student was zonder twijfel mijn onbekende neef _Pieter Stastok_.

"Hoe komt het, _Piet_! dat je neef _Hildebrand_ misgeloopen bent?" vroeg tante verwonderd.

De student _Pieter Stastok_ keerde zich om, ten einde zijn rotting in een hoek te zetten, en zei dat de diligence verwonderlijk vroeg aangekomen was, eene omstandigheid, die zeer zeker verwonderlijk was, aangezien wij op weg een oponthoud gehad hadden van een half uur, door 't storten van een der paarden. "Hij was eerst nog effen bij den boekverkooper geweest, die zijne Instituten inbinden moest, en was toen regelrecht naar de diligence gegaan, maar had tot zijne verbazing gehoord dat die al lang aan was, en dat ik met den knecht was opgewandeld", enz. enz.

De zaak was dat hij een singeltje had omgeloopen, totdat hij zeker wist dat ik reeds lang onder zijn vaders dak goed en wel zou gevestigd zijn, uit vrees van den verkeerden persoon voor mij aan te spreken. Nu, indien hij den commissaris van politie getroffen had--hij was voor zes weken een bedorven man geweest!

"De neven moeten nu maar eens goed kennismaken", zei mijn tante, die tot de minzaamste aller schommelige huismoeders behoorde; "ze zijn toch allebei student".

"Ja maar", zei _Pieter_, nog lang niet gemeenzaam met het denkbeeld van eene kennismaking, "in verschillende vakken".

Dat was waar, en zelfs op verschillende academiën. Maar ik ben nooit zoo zeer Leidsch student geweest, dat ik niet altijd gaarne dronk op de harmonie tusschen de zusteracademiën, een toost, die immer gedronken wordt, waar Utrechtsche en Leidsche studenten bijeen zijn, maar die men evenwel niet te druk moet herhalen om geen twist te krijgen. Wat ons betreft, er kwam al spoedig gelegenheid voor een toost; want na nog een woord of wat met _Pieter Stastok_, ter informatie wáár hij te Utrecht woonde, waarop het antwoord was, ten huize van een catechiseermeester in de Lijsbethstraat, en na een kort gesprek met mijn oom over het nieuws dat er niet was, en een dito met mijn tante over het goudleeren behangsel in de kamer, waarvoor zij ook wel had hooren zeggen dat de muilenmakers te Waalwijk, vóór dat zij door den brand geruïneerd waren, groote sommen zouden hebben willen geven, kwam het diaconiemannetje (dat ik bij deze gelegenheid met den naam van _Keesje_ hoorde versieren) binnen met de boodschap, dat de wagen van tweeën net voorbijging; waarop tante, na alvorens haar bril te hebben afgezet, opstond, een kastje opende en daaruit te voorschijn bracht en fleschje met _Van der Veen's_ elixer, een fleschje met "Erger dan de cholera", en drie glaasjes. Oom wenschte mij frisschen morgen.

De verdere afloop van dien dag was als gewoonlijk bij een eerste kennismaking. Wij bevielen elkander onderling, en ik werd dikke vrinden met _Pieter_. 's Middags stal ik het hart van mijn tante nog eens door van schorseneren te houden, en bewoog mijn oom bijna tot tranen door met opgewondenheid van een gestoofden kabeljauwshom te spreken. Om _Pieter_ ook een genoegen te doen wist ik eenige kennis van zijn vak te verraden, door de begripsbepaling van Justitia en van Ususfructus te pas te brengen. Na den middag nam mijn oom een slaapje bij den kouden haard, en ging mijn tante eens naar boven. Daarna dronken wij te zamen recht gezellig thee, zagen de achterkamer op haar voordeeligst, en wat dies meer zij.

Mijn oom was iemand, wiens grootvader en vader een zeer bloeiende, en die zelf een vrij bloeiende lintweverij gehad had; om de strikte waarheid te zeggen, moet ik bekennen dat hij ze nog had, maar er werd volstrekt niet meer in gewerkt, en op de zolders lag nog een aanzienlijke partij oortjesband, die hij "liever daar zag verrotten dan haar onder de markt te verkoopen". Hij behoorde alzoo tot die menschen, die hun zaken aan kant gedaan hebben en, het uitzicht op verdere winsten opgevende, zich met een vrij aardig inkomen, een onverzettelijken afkeer van stoommachines, en de Haarlemsche courant tevredenstellen. In den loop van den avond kwam het uit dat hij een bijzondere genegenheid had voor het stopwoord "al zeg ik het zelf", alleen overtroffen door de verslingerdheid van zijne echtgenoot aan den uitroep "wel heeremijntijd!" welke termen dit echtpaar buitengemeen beminde; ofschoon ik zeggen moet dat zij zo somtijds afwisselden met de bevallige tusschenvoegsels van, "wat hamer", "goede genadigheid", "och grut" en andere dergelijke vloeken meer, die een balk in hun wapenschild voeren. De student _Petrus Stastokius_ Jun. had daartegen niets in te leggen dan zijn geliefkoosde verzekering "waaratje", waarvan ik evenwel, om billijk te zijn, erkennen moet, dat hij in 't geheel geen misbruik maakte.

Hildebrand ziet de stad, en Pieter verstout zich pot te spelen.

Ik werd des anderen daags om zeven uren waker, en toen ik de groene saaien gordijnen openschoof om te zien wat voor weer het was,--welke was mijne ontzetting, te bemerken dat (wij sliepen op dezelfde kamer) _Pieter_ zich reeds geperpendiculariseerd had en bezig was om, met den bril op, een paar schoone kousen aan te trekken, waarin zijne moeder den vorigen avond plichtmatig hieltjes gemaakt had.

De oudere _Stastok_ was een man van de klok en stond diensvolgens om zes uren op, ten einde om halfacht aan het ontbijt te zijn; en daar hij volstrekt niets te doen had, vulde hij dien tusschentijd met pijpjes rooken aan. Opmerkelijk is het, dat naarmate men minder bezigheid heeft, men des te bekrompener over den tijd denkt. Indien men den goeden _Pieter Stastok_ Senior het moeilijke vraagstuk omtrent de zetelplaats van den wil had voorgelegd, zou hij, indien hij daartoe genoegzame tegenwoordigheid van geest had gehad, zijn wijsvinger op twee duim afstand van zijn maag hebben moeten leggen, door die beweging datgene zijner ingewanden aanwijzende, 't welk hij zijn "goud horloge" noemde. En inderdaad, indien ik mij door een goud horloge moest laten regeeren, ik zou van zulk een geregeerd willen worden; want een goed, groot, dik en vet uurwerk was het, met twee kasten over elkaar; en daar het iederen morgen, klokke negen, met de torenklok werd gelijkgezet, liep het doorgaans volmaakt.

Ik vond mijn oom in de voorkamer (die zulk een heiligdom niet scheen te wezen als ik mij wel voorgesteld had) juist daar hij van onder de handen van zijn barbier kwam. Hij had zijn slaapmuts nog op het kale hoofd, daar hij gewoon was die niet vóór elf uren voor zijn pruik te verwisselen.

"Mooi weertje, neef _Hildebrand_", riep hij mij toe: "mooi weertje, al zeg ik 't zelf."

Tante, die reeds zat te breien, zette, tengevolge eener zeer oneigenaardige gewoonte, haar bril af, om te beter mijne robe de chambre te bekijken, en na een "heeremijntijd! zijn _die_ dingen weer in de mode?" (het was in 1836) begon zij een optelling van al de japonnen met sjerpen, die haar vader en haar man in vroeger eeuwen gedragen hadden en die, naar haar voorgeven, nog boven in een kast hingen.

Oom vond dat het veel te gemakkelijk was voor een jong mensch, en in de oogen van _Petrus_ geleek ik in dit ochtendgewaad zoo volmaakt op de grootste Jannen der Utrechtsche academie, dat hij mij, geloof ik, voor een overgegeven lichtmis begon te houden.

De bijbel werd opengeslagen, en mijn oom las er uit voor. Eerwaardige gewoonte! Waarom is zij zoo bijna uitsluitend tot de burgerlijke huishoudens bepaald, en raakt zij ook zelfs daar meer en meer in onbruik? Mijn oom las niet welsprekend, niet mooi, zelfs niet goed op sommige plaatsen--maar het was stichtelijk, want hij las den bijbel; het was goed, want hij las met eenvoudigheid; het was schoon, want het was hem aan te zien dat hij geloofde. Hij las Luc. X, en bijzonder trof mij, in dezen kring en uit dien mond, het 21ste vers: "Ik danke u, vader, Heer des hemels en der aarde, dat gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt en hebt ze den kinderkens geopenbaard".

Na den ontbijt ging _Pieter_ "aan zijn examen werken", 't welk bestond in zeer breedvoerige tabellen van de Instituten te fabriceeren, met rooden, blauwen en zwarten inkt geschreven, en ik volgde hem naar zijn kamer, waar ik mij tot koffietijd met een paar boeken bezighield.

En nu was het oogenblik daar, dat mijn neef mij aan de stad en de stad aan mij vertoonen zou. Wij gingen dus samen uit, en daar hij een rotting had, liet ik den mijnen thuis. Wij zagen dan: eerst de gracht, daarna de korenbeurs, en vervolgens twee kerken, waarin praalgraven en kosters die een fooi begeerden, als ook in een dier kerken een orgel, dat op het Haarlemsche na, het mooiste der wereld was; eene eer, die ik te Gouda, aan het Goudsche, te Leidon, aan het Leidsche, te Alkmaar, aan het Alkmaarsche, te Zwol, aan het Zwolsche, en nu weder te D. aan het Deesche hoorde toeëigenen; zoodat het de zaak van de 4de klasse des Koninklijken Nederlandschen Instituuts worden zal, daaromtrent een prijsvraag uit te schrijven. Wij beklommen zelfs met levensgevaar den toren van een dier kerken, en maakten er de opmerking dat het er woei, en dat er rondom de stad veel weiland, veel water, en veel molens waren. Daarop begaven wij ons naar het stadhuis, en bevonden dat onze voorvaderen nòg beter schilderden en er nòg gezonder uitzagen dan wij; ook had ik tegelijk gelegenheid het manlijk voorkomen der Deesche dienders te bewonderen. In zijn ijver om mij alles te laten zien, bracht _Pieter_ mij zelfs naar de vleeschhal, en over de vischmarkt, en eindelijk aan een groote vierkante eendekom, die hij "de haven" noemde. Al voortgaande informeerde hij zich zeer sterk, hoeveel colleges de juristen te Leiden op één dag hadden en of het bij prof. A. fideel was op de thé's; als ook welke colleges gemelde hooggeleerde in 't Hollandsch gaf en hoeveel prof. B. dicteerde; of iedereen bij prof. C. zoo maar een testimonium krijgen kon; of prof. D. liefhebberij-colleges hield; en of ik _Smallenburg_ wel eens gezien had; tegen welke berichten hij de zijnen omtrent de Uitertsche Juris professores met eene eerlijkheid inwisselde, eene betere zaak waardig. Hij verzuimde niet den billijken Utrechtschen trots op prof. _Van Heusde_ en op de moeilijkheid van een mathesis-examen in 't Latijn te pas te brengen; en toen ik 't gesprek voor de afwisseling op lichtvaardiger onderwerpen wendde, kwam het uit, dat hij, _Pieter Stastok_, zonder evenwel hartstocht voor die spelen te koesteren, wel eens domino speelde, ja zelfs wel eens biljartte, en daar wij juist vóór een koffiehuis stonden, noodigde ik hem uit zich in laatstgenoemde kunst met mij te meten.

_Pieter Stastok_ had noch den moed, noch den slag mij iets aan te bieden; daarom bestelde ik een bittertje voor mij zelven, en hij insgelijks voor zich. Op dat oogenblik sloeg de klok boven't buffet twee uren, en zag ik aan den overkant der straat de diligence afrijden, die mijn oom in staat zou stellen ons voorbeeld te volgen.

Er waren vrij wat menschen in het koffiehuis, maar daar wij met niemand dan met het biljart te maken hadden en geen hunner speelde, hinderden zij ons volstrekt niet. _Pieter_ sloeg de mouwen van zijn sluitjas op, en vertoonde de groote gesteven boorden van wat zijn moeder, hoe algemeen Europeesch die dracht ook geworden was, nog altijd een Engelsch hemd noemde; daarop verzocht hij den jongen zeer beleefd om eene "_goede_ keu". De jongen gaf hem natuurlijk de beste die in het rek was, en wij trokken wie vóór zou spelen. Die eer viel mij te beurt, en de partij begon.

Wij hadden evenwel nog nauwelijks eenige punten gemaakt, toen een luidruchtig geroep van "pot, jongen!" al onze zaligheden verstoorde.

Het geroep kwam van een winderigen jongen advocaat, die pas voor de studentensociëteit te Utrecht bedankt had, en nu nog voorhing op de particuliere sociëteit te D. en van dit interregnum gebruik maakte, om alledag in het koffiehuis "de Noordstar" pot te maken.

"Vierentwintig uit, menheeren!" riep de jongen ons toe, en tegelijk het korfje schuddende, waarin hij de potballen had, bood hij ze ons aan.

Ik trok er een; en met een gezicht waarover een kleine stuiptrekking scheen te gaan, stak _Pieter_, dien ik ondertusschen als geen grooten _Mingaud_ had leeren kennen, zijn hand alsmede manmoedig in den korf. Daarop kwamen al de habitués van den pot uit hunne hoeken en vroegen dopjes voor hunne pijpen; de jongen deelde de eigen keuen rond, en de jonge advocaat nam in persoon het krijt om op te schrijven.

"Wie van de heeren heeft het aas?"

"Ik", riep een barsche stem, die aan niemand anders toebehoorde dan aan den heer met de twee jassen over elkaar, dien ik in de diligence voor een commissaris van politie gehouden had; het bleek mij echter dat hij volstrekt geen commissaris van politie was, maar wel pikeur der kleine manege, die te D. aanwezig was, en tevens eigenaar van de kleine comedie, die aldaar ingelijks bestond.

"Wie van de heeren de twee?"

_Pieter Stastok_ ging zelf naar de lei om den jongen advocaat in te fluisteren dat hij het was.

"Zoo! zal jij ook pot spelen?" vroeg de jonge advocaat, die als stadgenoot mijn neef wel kende.

_Pieter_ werd bleek.

De drie had ik. De vier had een bejaard tweede luitenant van de infanterie, met de medaille van twaalfjarigen dienst. De vijf had een chirurgijnsleerling, die te veel tijd had. De zes, een kort, dik man met stoppelig grijs haar, die een graankooper scheen te zijn. De zeven, een jong mensch van drieëntwintig jaar, die student geweest was, maar om slecht gedrag thuisgehaald, voor wien _Pieter_ bang was, te meer daar hij hem zeer gemeenzaam behandelde. Deze scheen de boezemvriend van den bejaarden luitenant der infanterie met de medaille van twaalfjarigen dienst te wezen. De advocaat zelf had de acht, en de negen was in handen van een jongeling van drieëndertig jaren, in een leverkleurigen pantalon, die op zijn moeders zak leefde, een hond hield, nooit iets had uitgevoerd, en in groote achting stond bij den kastelein van het koffiehuis "de Noordstar."

Toen de jonge advocaat de namen van al deze heeren netjes had opgeschreven, nam de biljartjongen het krijt in de eene en den kleinen bok in de andere hand, en gilde met al de kracht, die een kind van veertien jaren over kan houden, als hij den geheelen dag en den halven nacht op één been staat, te midden van de uitwaseming van mensehen en pijpen: "Aas acquit, twee speelt!"

_Petrus Stastokius_ Junior moest alzoo op het acquit spelen, en hij maakte zich werkelijk tot dien arbeid gereed. Te dien einde lei _Petrus Stastokius_ Junior zijn pijp neer; maakte de punt van zijn keu wel een halven voet ver wit; plaatste zijn bal met de linkerhand op drie vierden; drukte de vier vingers van zijn linkerhand op een handbreed afstands van denzelven bal op 't biljart; krulde den duim bevallig om, zoodat hij aan 't geheele gezelschap zijn tot op 't leven afgesneden nagel vertoonde, en begon met de rechterhand de keu tusschen duim en vinger heen en weder te bewegen op eene wijze, die deskundigen "zagen" noemen.

Tot zoover ging _Petri Stastokiï_ wetenschap om op het acquit te spelen. Ja, hij had zelfs een flauwe notie van de theorie van halfbal raken; maar daar het hem aan practijk in het edele potspel haperde, was hij bijna zoo wit als zijn bal, en stiet hem eindelijk krampachtig er op los, met dit gevolg dat hij klotste en "à faire" lag voor den rechter hoekzak.

Het zou onmenschelijk geweest zijn hem "te maken" en daarom, mijn eigen bal stevig "houdende", bracht ik den zijnen naar onderen, een goed eind voorbij den milieu. Daarop nam de bejaarde luitenant der infanterie zijn pijp tusschen zijn grauwe knevels en speelde met de linkerhand op goedaf, maar werd niettemin met "een beest" gesneden door den chirurgijnsleerling; waarop de verloopen student, die onder ons gezegd een grappenmaker was, zeide dat die chirurgijns niet leefden of zij moesten wat te snijden hebben. De graankooper verzocht daarop den jongen om acquit voor hem te zetten en bleef met een wijs gezicht en onder het genot van zeker mengsel van geestrijk vocht en suiker, 't welk in 't gemeene leven een sneeuwballetje genoemd wordt, in 't Handelsblad turen, en de verloopen student, zijn sigaar op den rand van 't biljart neergelegd hebbende, stiet met veel nonchalance en verschrikkelijk hard op 't acquit, welk voorbeeld van hard spelen door den advocaat met gelijke woede werd opgevolgd. Nu was de beurt aan den jongeling van drieëndertig jaren met den leverkleurigen pantalon, die, van het beginsel uitgaande dat hij zijn bal voordeelig moest trachten te verkoopen, nooit op goedaf speelde, als hij zeker wist dat hij een bal maken kon. Hij maakte: en zoo gebeurde het dat _Petrus Stastokius_ andermaal op het acquit spelen moest.

Hij was nu zoo ver, dat het zweet hem in groote parels op het voorhoofd stond.

"Dat wordt een collé, mijnheer"; riep de barsche stem van den pikeur.

_Pieter_ sprak niet, maar in zijne desperate poging om den geduchten spreker eens niet te logenstraffen, en in een van die dwaze inblazingen van hoop, waaraan slechte spelers somtijds gehoor geven, dat namelijk het goed geluk voor hen zal doen wat hunne kunst niet vermag, raakte hij den acquitbal zoo fijn, dat hij hem, tegen alle etiquette aan, in den linker hoekzak "sneed".

"Dat doet men niet, mijnheer!" riep de pikeur, hevig met de keu op den grond stampende.

"Het was een ongeluk"; stamelde _Pieter_, die nu zoodanig transpireerde, dat ik vreesde dat zijn bril op den vloed zou afdrijven.

"Het was een lompigheid", brulde de pikeur.

"Leve het snijen!" riep de chirurgijnsleerling.

"Die mijnheer is gevaarlijk!" schertste de bejaarde luitenant.

"Aas één appèl, drie acquit, vier speelt!" riep de biljartjongen.

Ik geloof dat mijn neef poogde in een onverschillige houding zijn neus te snuiten, maar het had er niets van.

Het derde toertje liep goed voor _Petrus_ af, maar het vierde was geschikt om hem er gansch onder te werken. De pikeur lag voor den middelzak; het was een gemakkelijke bal; een kind kon hem maken.

"Je kunt hem best sauveeren", zei de pikeur, "en goed afkomen ook".

Dit was volmaakt overeenkomstig de gezindheden van _Pieter_, die, uit aanmerking van den snijbal, voor geen geld ter wereld hem maken wilde, zelfs al moest hij er _slecht_ op afkomen. Maar daar de pikeur een gevreesd potspeler was en, sedert onheuglijke jaren, van de drie potjes, die gespeeld werden, er twee in zijn zak stak, riepen natuurlijk al de anderen: "stop weg; stop weg!"

_Pieter_ stootte niettemin met het voornemen om hem stellig _niet_ weg te stoppen; en toch scheelde het zoo weinig of hij had hem weggestopt, dat de winderige advocaat, die in 't gewoel was opgestaan, uitriep: "hij zit!" waarop de verloopen student, die als gezegd is, een grappenmaker was, geestig antwoordde, "als hij een stoel had"; waarop allen lachten.

"Wacht wat!" riep de chirurgijnsleerling, die voor 't snijen was; "hier is nòg een zak!"

En inderdaad! _Petrus Stastokius_ had geheel buiten zijn eigen voorkennis of medeweten een doublé gemaakt, waarop allen juichten, behalve de pikeur, die op een grimmige wijze nog een glas bitter bestelde en de Goudsche courant opnam, alleen om haar hard weer neer te smijten.