Camera Obscura

Chapter 5

Chapter 53,786 wordsPublic domain

Er kwam muziek. Drie dames met lange reticules en opmerkelijk door roode linten op de muts, oranje tissu's om den hals en voorschooten met diepe zakken met schuifjes. Eene breede sproeterige Saffo met een hooge sproeterige harp in het midden, en twee tanige vrouwen, die met handen vol diamanten, die een sterken familietrek van glas hadden, op de viool speelden. "Drie poetjes van gratietjes", zei _Nurks_ lachende, en luid genoeg om een langen procureursklerk mee te doen lachen, die veel verder van hem af was dan de gratietjes in quaestie. Het snarenspel begon, _Nurks_ stopte van tijd tot tijd den vinger in de ooren, dat toch niet opwekkelijk wezen kon voor drie kunstenaressen, die ook wel wisten dat het zoo heel mooi niet was, en ook niets verder bejaagden dan een dubbeltje of een stuiver van elk der toehoorders, en een weinigje geduld. De violen hielden met een fiksche kras op, en de harpspeelster hief, met een eenigszins schorre stem, en juist voor de drieëntwintigste maal op dien gedenkwaardigen morgen, het toen even zoo min als nu nieuwe, maar altijd slepende

Fleu--ve du--Ta--ge!

aan.

"Ba; wat is ze leelijk als ze zingt," klonk het, dwars door de aandoenlijke woorden der romance heen, uit den heuschen mond van _Robertus_, wien het zeker nooit in 't hoofd was gekomen dat ook een arme vrouw ijdelheid zou kunnen hebben.

Het lied liep verder zonder stoornis af; zoodat de reticule geopend kon worden, om het bekende roodverlakte flesschebakje met blinkenden rand te voorschijn te brengen. Ik had er een gulden op willen leggen, indien de zangeres _Nurks_ niets gevraagd had. Maar er was geen houden aan; dus gaf ik maar een dubbeltje. Zij kwam tot _Nurks_.

"Hoeveel octaven kan _jij_ wel zingen?" vroeg hij werkelijk grijnslachende, maar tegelijk een vijfje op 't blaadje leggende; want zoo was hij.

Men moet in den handel ook het vuile geld aannemen.

"Merci, monsieur", zei de harpspeelster, met neergeslagen oogen en was reeds bij den man met den gescheurden pantalon.

De lange procureursklerk was middelerwijl van plaats veranderd, en zat nu toevallig aan een tafeltje, 't welk de virtuoze alreede was voorbijgegaan.

De violen hadden ondertusschen lustig doorgespeeld; ik weet niet of men er te milder of te kariger om gegeven had. Nu werd er nog een zeer korte, zeer vlugge trio uitgevoerd, waarop al de dames al de oogen nedersloegen, al de lippen bewogen, negen, en vertrokken. Thans zag een eenloopend klarinettist, zonder hoed, de baan schoon om ook zijne talenten te doen hooren.

"Altijd hier in het land een opeenvolging van slechte muziek," merkte _Nurks_ aan.

"Och, ik vind het nog al vroolijk," zei ik bemiddelend.

"Ja maar", zei hij, mij strak in de oogen ziende, en een lange teug limonade nemende--"ja maar--ik geloof, om je de waarheid te zeggen, niet dat je heel muzikaal bent."

Nu, voor deze laatste onhebbelijkheid behoeft men geen _Robertus Nurks_ te wezen. Daartoe acht zich, volgens mijne ondervinding, ieder liefhebber gerechtigd, die in zijn huis een eerste en eenige, en in het een of ander orkest een tweede viool speelt, en een derde spelen zou, indien er een derde viool bestond; ja, ik heb er onder de paukenslagers gekend, die in dit opzicht de crimineelste waren. Och, al is men maar iemand, die op een concert de hand met zekere majesteit onder de kin kan leggen en de oogen toeknijpen met diep gevoel, om ze niet dan bij een point d'orgue schielijk en geheel verward, en als kwam men uit eene andere wereld (uit de wereld der inbeelding bij voorbeeld) open te doen;--of al slaat men er zelfs maar met zekere wijsheid de maat met het opgevouwen affiche of met den geglaceerden wijsvinger;--of al heeft men maar even den slag om, bij het wederkeeren van het thema in een groot muziekstuk, een lachje, liefst een zenuwachtig lachje, voort te brengen, dat met telegraphische duidelijkheid zegt: "we zijn weer thuis"!--of al heeft men maar alleen de vereischte bekwaamheid om van een zangeres, die algemeen bevallen heeft, met een diep noodlottig neergelaten wenkbrauw en allerbedenkelijkst hoofdschudden te decreteeren, "weinig methode";--of den tact om classieke van romantieke muziek te onderscheiden en te zeggen: "ik hoorde toch liever _Lafont_ of _Beriot_ dan de _Eichhorns_ of _Ernst_";--ik zou zeggen, al heeft men slechts eenmaal een blad muziek gecopiëerd; met een van alle deze muzikale verdiensten toegerust, heeft men eens vooral de bevoegdheid op de rest van 't heelal met verachting neer te zien en alle verdere creaturen, zoodra ze zich iets omtrent de goddelijke toonkunst verstouten, in haar aangezicht te verklaren dat ze niet muzikaal zijn. Die onbeschaamdheid hebben de speelmannen, hoorenblazers, doedelaars, tokkelaars, en trommelslagers op de kunstenaars van andere vakken vooruit. Geen schilder, wanneer gij in zijn atelier komt en gij zegt iets van zijne of eens anders schilderij, hetzij juist of minder juist, zou de onbeleefdheid hebben van te zeggen: "Ik geloof niet dat mijnheer veel oog op de kunst heeft". Geen auteur, voor wien een fatsoenlijk mensch zijn gedachten uitbrengt over een roman, een gedicht, of een vertoog, zal hem durven vragen: "of hij eigenlijk wel smaak en gezond oordeel heeft". Maar de muzikanten! Zij hebben met betrekking tot hun kunstvak zich dezelfde onheuschheid aangewend, die mijnen neve _Nurks_ was aangeboren, en ik heb jongelieden ontmoet, uit de beschaafdste kringen, "every inch gentlemen", die op dit punt volstrekt onoverdragelijk waren.

Ik geloof dat ik maar niet meer op mijn neef moet terugkomen. Als ik het indenk, weet ik nauwelijks van waar mij de vermetelheid is aangewaaid om hem u voortestellen. Ik vertel u nu maar niet, hoe wij in het "Wapen van Amsterdam" aan de table d'hôte dineerden. Hoe hij halfluid fluisterde over de economie van een paar eenvoudigen, die tegen 't reglement van den kastelein aan, een halve flesch voor hun beiden bestelden, en daarna dreigden zich een indigestie te eten aan den bouilli, die na de soep werd rondgediend, in de stellige overtuiging dat er geen ander vleesch komen zou; hoe zijne blikken later den arm verlamden van een deftig heer met gepoeierd hoofd, die een taaie kip met een bot mes, natuurlijk niet heel handig, voorsneed; hoe hij een juffertje, dat nog niet veel van de wereld gezien had en vlak tegenover hem gezeten was, tusschenbeide zoo ironisch aanzag, dat zij eerst in 't denkbeeld geraakte dat zij onbehoorlijk veel at, en derhalve begon voor alles te bedanken, en vervolgens tot de stellige overtuiging kwam dat zij gemorst moest hebben, en al haar best deed om een lonk in den spiegel te krijgen om te weten te komen waar 't zat; hoe ik, toen wij na den eten de Hertebaan nog eens omwandelden, in duizend angsten leefde dat hij een streek met de parapluie zou krijgen van een of ander der met blauwe jassen geadoniseerde ambachtslieden, die met beminnelijke, beminnende en beminde dienstmeiden aan den arm (uitgedost met zwartzijden hoeden en bruine gepalmde omslagdoeken) met groote stappen voortschreden, op welker heeren toilet hij niet nalaten kon de namen van "twijfelaar, heel stuk laken, kuitendekker", of "sleepjurk" toe te passen.

Na al dergelijke jammeren kregen wij den goeden, besten, liefdekweekenden en vriendhoudenden _Robertus Nurks_ aan "de Bel" in de diligence. Nog even stak hij het hoofd uit het portier om ons toe te roepen: "niet veel zaaks!" 't welk het reisgezelschap, op goede gronden, op zich kon toepassen. Daar reed hij heen. Wij wandelden tezamen nog even de poort uit; want ik noem het hek met alle Haarlemmers, die de poort gekend hebben, nog altijd met dien naam. En toen wij, over het Hazepatersveld heenblikkende, de zon zagen, die bloedrood onderging en hare schoone tint mededeelde aan de witte schuimige wolkjes, die als dunne sluiertjes door de lucht dreven, durfde ik _Boerhave_ een mooien Maandag voorspellen, en vergat hij in 't vooruitzicht van bloeiende Aristolochia Clematitis en levende wijngaardslakken, spoedig geheel en al den beminnelijken bloedverwant, waarmee ik hem had in kennis gebracht.

1839.

HUMORISTEN.

Het legher treckt vast in met duizenden, een macht Zoo groot als Waterlant noch oit te velde bracht, En Kennemer, en Vries en Zeeu en Holland t' zaemen.

_Gysbrecht van Aemstel_. (_Uit een brief van Melchior_.)

Beste _Hildebrand_!

Ik verneem met een zeker genoegen, dat er van tijd tot tijd iets van u gedrukt wordt; met een zeker genoegen, zeg ik; want wij hebben nog samen school gegaan. Ik heb toen altijd wel gedacht dat er wat in u zat, maar ik wist niet of er ooit wat uit u komen zou. Mijn vader zegt evenwel dat hij dat altijd voorspeld heeft, ofschoon ik er mij niets van herinner, maar wel weet ik dat ik driemaal een hekel aan u gehad heb, omdat mijn vader u tot een voorbeeld van goed oppassen nam, en ik wist toch dat ge ook wel eens kattekwaad deedt, _Hildje_! Denk maar eens aan de klapdeur van het Bonte Kalfje, die alle morgens om half tien en iederen namiddag om drie uren werd opengetrokken dat de bel rammelde, een kwartier lang, als het Fransche gebed al lang op school was voorgelezen.--Maar dat daargelaten, vriend; ik hoor dat gij weer iets op de pers hebt, en gij zult mij, op grond van heel goede kennis, wel vergunnen willen, u eenige raadgevingen mede te deelen. Ik ken menschen, die dat veel liever doen bij wijze van recensiën; daar zijn er, die de kopij onberispelijk en het gedrukte boek allerdolst vinden; maar ik hou van die methode niet, en kom liever met mijn raad voorop.

Eerst echter wilde ik u vragen, ronduit vragen, of gij een humorist zijt? Ik denk het half, omdat het tegenwoordig zoo ijselijk aan de orde is. Kijk _Hildebrand_, als gij een humorist waart, dat zou me leelijk spijten; ik zou haast zeggen, schoon mijn hart er bij breekt:--als gij een humorist zijt, _Hildebrand_, leg drie stuivers uit, koop een touw, en... Maar gij zijt immers geen humorist, mijn waarde! o Zeg, dat gij het niet zijt.

Daar is tegenwoordig zulk eene ontzettende consumtie van humor, mijn vriend, dat dit artikel verschrikkelijk duur moet geworden zijn en dan ook bij gevolg akelig wordt vervalscht. Ik ben overtuigd dat er in iedere kerk, de dominé meegerekend, meer dan honderd humoristen bijeenzijn. Men komt in geen koffiehuis, men rijdt in geen diligence, ja wat meer is, men zit in geen "bijwagen" zonder een humorist. Het heele land is er van vergiftigd: humoristen op rijm; humoristen in proza; geleerde humoristen; huiselijke humoristen; hooge humoristen; lage humoristen; hybridische humoristen; bloempjes-humoristen; tekst-humoristen; sprookjes-humoristen; vrouwenhatende en vrouwenfleemende humoristen; sentimenteele humoristen; ongelikte humoristen; gedachten denkende humoristen; boek-, recensie-, mengelwerk-, brief-, voorrede-, titelblad-humoristen; humoristen, die op de groote lui schelden en verklaren dat die geen greintje gevoel hebben, omdat ze een knecht hebben met galons aan den rok, en een spelende pendule; humoristen, die het met de bedelaars houden in de boeken, en ze naar Frederiksoord helpen sturen in de Maatschappij van Weldadigheid; reizende humoristen; huiszittende humoristen; tuin- en prieeltje-humoristen, wier vrouwen aan iets anders bezig zijn, terwijl _zij_ humoriseeren; en dan eindelijk de heele simpele plattelands-humoristen, schoon ze allegaar wel een deel van simpelheid weg hebben, in deze manier: "je zoudt wel denken dat ik heelemaal onnoozel was, maar 't is allemaal lievigheid"! Ik spreek niet van de heele grappige, de zeer onfeilbare, en de zeer onduidelijke humoristen... Och lieve _Hildebrand_, honderd soorten zijn er daar ik niet van spreek, want ze komen uit den grond op, en ik weet evenmin als in de kennis der kruiden of men veiliger doet ze te rangschikken naar _partes essentiales_ of naar _habitus_, naar een _systema naturale_ of naar een _systema artificiale_; wat eigenlijk, waar het den stijl geldt, tegenwoordig het vraagstuk naar de mode is, waarover gij in 't Latijn en in 't Hollandsen, in 't beleefd en in 't scherp, heel veel stichtelijks en afdoends lezen kunt.

Ik kan mij ondertusschen niet verklaren hoe 't bij zoo veel humor mogelijk is, dat er nog geen betere definitie van het ding in de wereld komt. Lieve hemel! wij drijven in humor, en niemand heeft adem om te zeggen wat het eigenlijk voor een vocht is. Ik zou dan haast gelooven moeten dat wij er in _verdrinken_. In dat geval, kan men er niet gauw genoeg bij zijn, een drenkelinggenootschap voor de humoristen op te richten, of een afschaffings-, ten minste een matigheids-maatschappij onder de zinspreuk: "Laat staan uw humor". _Jean Paul_ pakt het verhevene bij de beenen, keert het met Rapponische krachten om en zegt: "Ziedaar het humoristische: 't is niet anders dan het verhevene met de voeten in de lucht" [7]. Ik heb allen eerbied voor die kunstbewerking, maar _Jean Paul_ was somtijds een zeer onduidelijk humorist. _Bilderdijk_ zegt ergens, en zoo niet in zijne boeken, dan heb ik het uit zijn mond, dat het precies het Hooftiaansche _neskheit_ is; maar _Hooft_ en _neskheit_ zijn, wat de "Tesselschade" er ook tegen doen moge, zulke oude humoristen, dat ik vrees dat die aanhaling de zaak voor 't algemeen niet veel opheldert. En _après tout_: wat heeft het algemeen er mee te maken? De humoristen zijn er, zijn er in grooten getale, en vermenigvuldigen met den dag. Eerstdaags zien wij eene koninklijke humoristen-stoeterij. Wat weet ik waar 't op uit zal komen? Eerstdaags eene humoristische revolutie, eene op end' op humoristische orde van zaken, met eene hartroerende oude vrijster op den troon, met een kring van sentimenteele daglooners tot ministerie. Daar zullen in de vergaderzaal de eenvoudige, de onschuldige kindertjes zitten; het leger zal bestaan uit duivenhartige bloodaards onder den hoogdravenden naam van medelijdende zielen; het rechterambt zal bekleed worden door menschen die tegen àlle straf zijn, niemand dan een grijsaard zal er schrijver, dichter of geleerde zijn mogen of tot de hoop des vaderlands worden gerekend, uitgenomen de humoristen zelve; ieder hunner zal een goelijken oom en een onnoozelen neef hebben, maar, met uitzondering van deze lieve kinderen, zullen de jongelingen als eene schadelijke uitvinding buiten 's lands gezonden worden. Geen adel meer, geen rijkdom, geen livereibedienden, geen _paté de foie gras_, geen kooien meer voor vogels, en geen modes meer voor dames; maar een aanmerkelijke invoer van huisjassen, sloffen, pijpjes, tuinstokken, kinderboekjes, Moeder-de-Ganzen.... Wat ik u bidden mag, _Hildebrand_, ga niet onder de humoristen!

Ten tweede, enz. enz.

DE FAMILIE STASTOK.

De Aankomst.

In het kleine stadje D---- werd op een donderdag in de maand October, des namiddags omtrent één ure, de stijle ijzeren trede neergelaten van een gele diligence, rijdende over D---- van C---- tot E---- vice versa, en uit dezelve daalde, tot groote bemoddering van dengenen die hem onmiddellijk volgde, en die niemand anders was dan zijn eigen cloak, uw onderdanige dienaar _Hildebrand_. Hij had gereisd met een bleeke dame, die het rooken had verboden, en gedurig de kronkelbochten van haar boa had zitten te verschikken, dan eens had gezucht, dan eens ingesluimerd was, dan eens eau de cologne genomen, dan weer eens geslapen had, en altijddoor leelijk was geweest. Op dezelfde bank met deze had een jong juffertje gezeten, in een blauwen geruiten mantel niet gedoken, het denkbeeld is te ruim, maar gestoken; een mantel, die, naar een langvergeten mode vatbaar was om van achteren te worden ingehaald door een klein lapje van dezelfde stof, in den vorm van een souspied, op twee paarlemoeren knoopjes uitgespannen; dezelve juffer had een stroohoed op met blauw gaas lint met bruine strepen, in groote lissen met stevig soutien opgemaakt, en een hardgeel sjaaltje om den hals. Zij was zeer bang voor de bleeke dame naast haar, en bleef op een schuwen afstand; soms had zij den goeden wil haar in 't verschikken van haar boa te hulp te komen, en eenmaal had zij er werkelijk een dikachtig roodvingerig handje, met een ring, die bijzonder veel op tin geleek, voor ontbloot; maar de bleeke dame had haar aangeblikt, en toen had zij haar neus gesnoten, volgens een in den omgang zeer deugdelijk stelsel, naar 't welk de neus alle mispassen, voorbarigheden en malle figuren misgelden moet. Dit was het personeel van de achterste bank geweest. Op de volgende had een jodin gezeten, als een oostersche edelsteen gevat tusschen twee christenen; zij verborg onder een groen nopjesgoed manteltje een klein kind, dat al haar trots uitmaakte omdat het niet schreeuwde, zelfs niet toen zij het omstreeks halfweg een schoone luier aandeed. Het kind nu was zeer klein, en had een zeer groote dot in den mond. Van de christenen, waartusschen zij gevat was, had de een een grooten rondglazigen zilveren bril, een zilveren sigaarkoker, een zilver potlood, een zilver horloge, benevens zilveren broek- en schoengespen, waaruit ik opmaakte dat hij een zilversmid was; en de andere een koperen doekspeld, een koperen tabaksdoos, en een koperen guirlande op zijn buik, waaruit ik besloot dat hij niet minder dan een banketbakkers meesterknecht zijn moest. De eerste haalde, daar er niet gerookt mocht worden, den zilveren sigaarkoker een paar malen uit den zak, alleen om 't vermaak te hebben van hem open te doen, er een zilveren sigarepijpje uit te halen, en er nog iets in te zoeken dat er niet in was, maar dat, zoo 't er in was geweest, zeker beter te pas had kunnen komen dan het pijpje, en hem vervolgens weer dicht te sluiten, na alvorens meergemeld pijpje, eerst met het voor- en daarna met het achtereinde naar beneden, er in gepast te hebben; de laatste stak uit de koperen tabaksdoos eene niet onaardige tijdpasseering in den mond. De zilveren man had eene groote neiging tot spreken, de koperen scheen vast besloten te hebben, geen mond open te doen. De jodin had natuurlijk veel meer achting voor den zilveren; maar de zilveren was terughoudend voor de jodin. Vóór den zilveren zat een knorrig, groot dik man, dien ikzelf niet toe dorst spreken, want hij had twee jassen over elkaar aan, een dikken rotting in de hand, een kleur als of hij zoo pas van een vechtpartij kwam, en een uitdrukking alsof hij zich gereed maakte met den eersten die hem toesprak een vechtpartij te beginnen; het was ongetwijfeld een commissaris van politie, of een plaatsmajoor in politiek. Aan zijne zijde sluimerde een jong mensch met gescheiden haar, zoo glad gekamd alsof het uit eén stuk was, hooge jukbeenderen, een blauwe das, een turkooizen doekspeld, een roodgebloemd vest, heele korte toegeknoopte mouwen aan een langlijvig bruin jasje, handschoenen met bont, en overschoenen. 't Was een Duitsch kantoorreiziger. Daar naast--maar wat heb ik er aan, mijn talent te toonen in 't beschrijven van een reisgezelschap, dat volstrekt niet pikant was, en dat ik aan het begin van dit opstel reeds vaarwel had gezegd? Om korter te gaan: ik stapte van de trede, viel eerst bijna in de armen van een geknevelden heer, met een stijf been en gelen rotting, die de bleeke dame afwachtte en, bang zijnde dat iemand anders haar de hand toesteken zou dan ZEd., de zijne alvast uitstak, dook onder de reeds tegen het dak van het voertuig, waarmee ik gekomen was, opgezette ladder dóór, riep den knecht toe: "die zwarte koffer met een H!" gaf den conducteur, die met de maal naar binnen ging, mijn vijfje, en keek naar iemand om, die mijn goed zou kunnen dragen zonder in de verzoeking te komen het aan zijn eigen adres te bezorgen.

"Is uwé meheer _Willebram_, als ik vragen mag?" vroeg een zwak, pieperig stemmetje, blijkbaar toebehoorende aan iemand, die nog nooit een onbekende van de diligence gehaald had. De vraag was tot den commissaris van politie gericht.

"Benje d......mal, kerel", zei de commissaris van politie.

"Moet hij uit dezen wagen komen?" vroeg op hupschen toon de man van het maagdelijk metaal.

"Dat zal _ik_ wezen", zei ik, eene nadere beschouwing daarlatende van de zorg, waarmee het (naar alle gedachten gezelschap-)juffertje voor haar hoedendoos was aangedaan en die zich uitte in de gedurige verzuchting: "Is dat met me goed leven, kondelteur!"

Het mannetje, dat vóór mij stond, had zijn opvoeding waarschijnlijk in een weeshuis begonnen en was nu bezig haar in een diaconiehuis te voltooien. Hij was hoog in de schouders en stijf van knieën, droeg een langen bruinen duffelschen jas, met het teeken zijner orde op de mouw, en had onder den arm een versleten portefeuilletje, waarin de boeken van een of ander leesgezelschap werden rondgebracht.

"Ik moest een boodschap voor meheer doen", zei het mannetje, dat ik voor ongeveer achtenzestig aanzag, "en nu zei meheer, dat ik meteen reis na' de dullezan zou gaan, om te kijken of meheer gekommen was. Uwé mot niet kwalijk nemen, dat ik uwé niet trekt kon".

Nu, daar men de alleronmenschelijkste beul zou moeten wezen, om 't iemand kwalijk te nemen dat hij u niet kent, indien hij u nooit zijn dagen gezien heeft, schonk ik den goeden diaconieburger op dit punt eene volkomene vergiffenis, liet mijn koffertje, totdat het afgehaald worden zou, in de "Rustende Moor", en sukkelde met mijn nieuwen kennis naar het huis mijns ooms; onder het faveur van onderweg vriendelijk door hem onderricht te worden aangaande het doel van een groot gebouw met gotische deuren en vensters, waarop een toren stond met ordentelijke omgangen, appel en weerhaan, 't welk hij zeide "de kerk" te wezen; als ook omtrent een breede streep groenkleurig vocht tusschen twee hooge gemetselde wallen, 't welk hij verklaarde "de gracht" te zijn.

"En dit is het huis", zeide hij, zijne oude beenen op een stoep zettende en een goeden ruk aan een lange schel gevende, met die uitdrukking van gelaat, die bij een oud man te kennen geeft: ik kan het toch niet hooren of ze zacht of hard overgaat.

De Ontvangst.

Het duurde een minuut of wat alvorens een eigenaardig sloffen in het voorhuis de aankomst eener bejaarde keukenmeid verried, die eerst natuurlijk den aardappel waaraan zij bezig was, had moeten afschillen, daarna den bak van haar schoot en haar beide voeten van haar stoof zetten, om vervolgens haar roode muilen aan te trekken, haar neus met het buitenste van haar hand af te vegen, haar eva in de schuinte op te slaan, en den langen weg te aanvaarden, die van de keukendeur tot bij den barometer twintig, en van den barometer tot de mat, zes stappen vergde. In dien tusschentijd bekeek ik den voorgevel van de woning.

Het huis was, als mijn oom, burgerlijk, en schoon het huis ouder was, was hij toch, zoowel als zijn huis, van een vroeger eeuw. Het had een trapgevel, en de bovenste verdieping was met kruiskozijnen in het lood. Het had slechts ééne zijkamer, met twee schuiframen met middelsoort ruiten, versierd door groene gazen gordijntjes op breede koperen roeden, in het midden een weinigje opengeschoven om het licht vriendelijk uit te noodigen wel te willen beschijnen twee bloempotten van mijn tante, onder streng verbod van iets anders in het vertrek òf op te luisteren òf te verbleeken. Ik was nieuwsgierig of ik ooit in die kamer zou toegelaten worden. In allen gevalle werd ik alvast in 't voorhuis gelaten, en kwam ik spoedig in een achterkamer met een hoog licht, in de onmiddellijke tegenwoordigheid van mijn oom en tante.