Chapter 41
Maar de grootste drukte is op het Waagplein, waar de kleine gele kazen bij duizende ponden op uitgespreide en met het naamcijfer der eigenaars gemerkte zeilen nederliggen.--Al wat gij hier ziet, moet vóór klokslag van tweeën verkocht zijn. Na dat uur mag geen koop meer worden gesloten, en geen boer wil of kan zijn kaas weer meenemen. Hij _moet_ ze verkoopen, even zeker als de kooplieden uit de eerste hand haar _moeten_ inslaan. Den hoogsten prijs te maken is een kunstje, dat menig boer, die er vrij dom uitziet en 't op alle andere punten in geen geringe mate _is_, uitnemend verstaat. Aardig is de gemaakte toorn, waarin geloofd en geboden en waarmede de koop eindelijk gesloten wordt, alsof de beide partijen elkander met grimmige gezichten wijs willen maken dat het bloed er uit moet.--Maar nu komen de kaasloopers in hun witte pakken en met hun gele, groene, en roode hoeden, op hun onveranderlijk sukkeldrafje, en brengen den verkochten stapel op burries waar hij heen moet, in een schip, of in een pakhuis.
Zie hier nu de levenskracht van Noordholland. Het is niets anders dan deze kaas, die het verdedigt tegen de woede der zee, die het een groen land doet zijn en blijven die al Noordhollands schoorsteenen rooken doet.--Wilt gij weten of het den boer welgaat? Zoo verneem naar den prijs van de kaas.--Vraagt gij of het armenzakje het des zondags gewaar wordt dat de vrijdag voordeelig is geweest? of de landheer het merkt, dat de kaas het geheele jaar door "praizig" was?--Antwoord: Neen.--Goudsmeden en koekebakkers merken het al zoo goed; boerekermissen, de Alkmaarsche kermis, floreeren er van. Want de vrouw houdt van opschik en zoetigheid, en de man weet grof geld te verteren als hij uit is voor zijn pleizier. In dit regenjaar 1841, is het hooi bitter slecht uitgevallen, maar toen de kermisklok te Alkmaar geluid had, kwamen er niet minder sjeezen en wagens om binnen, langs alle wegen en door alle poorten, beladen met boeren en boerinnen, die er zich den witten wijn en den rooden met suiker en al wat verder tot opscherping der levensgeesten ter tafel kon worden gebracht, en de pontekoek daarbij, niet minder om lieten smaken dan in eenig vorig jaar; en het paardespel daverde niet minder afgrijselijk van hunne onbepaalde bewondering voor de edele kunst der halsbrekerij en de onovertreftelijke grappen van den clown die omvalt als een stok.--De klachten--werden "tegen korstijd" voor den landheer gespaard, om ZEd. in rekening te valideeren.
Het echt oud Noordhollandsch boerentype verdwijnt langzamerhand, of wijzigt zich, zooals alle typen. Op deze Alkmaarsche kaasmarkt, vindt gij het in allerlei schakeeringen. Dit oude kereltje, wiens vroolijke oogen, ruim zoo goedlachs als zijn mond, uitkijken onder den breeden rand van een rondbolligen hoed, dien hij met een pijpesteeltje op zijn hoofd vastschroeft tegen den wind, is het oudste type. Een smal gevouwen rood katoenen dasje is met gouden knoopjes om zijn hals vastgemaakt. Een lang bruin wambuis met één rij groote knoopen op nonactiviteit (haken en oogen doen den dienst) hangt hem tot over de heupen. Zijn korte broek acht het gebied over schenen en kuiten harer onwaardig, en laat het geheel over aan de grijze kousen die in dikke schoenen met zware zilveren gespen eindigen.--Zoo wandelen er hier nog enkele rond, met lange geschilde stokken in de hand, die hen tot de kin reiken.--Mijn bestek verbiedt mij al de tusschentypen te beschrijven;--maar wilt gij het jongste zien? Hier is het. Een blauw buisje met een fulpen kraag, dat hem tot even onder de schouderbladen reikt,--de rest geheel pantalon, pantalon van groen fluweel; een wollen das, rood, groen en geel gevlamd, om den hals, en naar verschil van gelegenheden, een grooten, hoogen, breed opgaanden, veel omvattenden hoed op 't hoofd, of een bontharige pet, met de klep, naarmate van regen of zonneschijn, in de oogen of in den nek gedraaid.--Tien tegen een, dat het oudste type een vroolijke praatvaar, en het jongste een stugge, stijve, achterdochtige houten hark van een vent is.
Te markt gaan is de voornaamste bezigheid van den Noordhollandschen boer. Hij is eigenlijk een koopman en beheerder van zijn bezittingen. Dat is al. Zijne zedelijke eigenschappen zijn meer negatief dan positief. Vraagt gij of hij een ijverige kerel is? Ik antwoord: "Hij past op zijn spul". Vraagt gij of hij geregeld leeft? Antwoord: "Hij drinkt alleen op marktdagen en kermissen". Is hij een ophakker en een smijter? "Nooit als hij nuchteren is". Is hij eerlijk? "Hij melkt geen andermans koeien uit". Is hij barmhartig? "Hij is goed voor zijn beesten". Heeft hij zijn vrouw lief? "Der is geen beter keezer". Bemint hij zijn kinderen? "Ze krijgen dikke stukken" (boterhammen), "en de miester mot ze niet an 't hoofd sleen". Is hij godsdienstig? "Hij gaat getrouw ter kerk".
Zijn ideaal is te wonen op een eigen boereplaats, in een gedeelte van den polder, waar hij de wijde vlakte rondom zich heeft, zonder iets dat zijn vergezicht afbreekt, en geen andere meiden of knechts na te houden dan zijn eigen kinderen. De afgoden van zijn hart zijn een mooi zwartbont beest met volle uiers, en een jong paard voor een blinkende boeresjees met vergulde wielen. Als hij, op dat luchtigste en sierlijkste van alle ouderwetsche en nieuwerwetsche rijtuigen, met zijn opgeschikt wijf naar een boerekermis rijden mag, en het gelukt hem, door middel van zijn paard (de zweep gebruikt hij zelden) afgrijselijk in den bek te trekken, zijn evenmensch voorbij te rijden, dan smaakt hij een genoegen, waaraan de Abstwouder boer niet gedacht heeft, toen hij zich zoo opwond over:
"Appels enten, peereplukken, Maeien, hooien, schuur en tas Stapelen vol veltgewas; Schaepescheeren, uiers drukken",
en wat dies meer zij.
1841.
DE BAKER.
De naam van _Baker_ is een zonneklaar bewijs dat er (schoon 't volk baakster zegt) juist geen uitgang op _ster_ vereischt wordt, om de titularis van een bij uitnemendheid vrouwelijk ambt te kennen te geven. Vrouwelijker dan het hare is er wel geen. De onbescheidenheid van het geslacht der mannen heeft hen reeds, in spijt der natuur, in verscheidene vakken van maatschappelijke bedrijvigheid ingedrongen, die oorspronkelijk en naar recht tot het grondgebied der vrouw behooren. Er worden mannen gevonden, die voor ons de naald hanteeren; er zijn er, die ons den pot koken, ja zelfs zijn wij mannen, voor het grootste gedeelte, met verachting der welvoegelijkheid, door mannen ter wereld geholpen. Maar nog nimmer heb ik de eer gehad iemand van mijne kunne te ontmoeten, te kennen, of te hooren noemen, die het beroep van baker, anders dan in cas van de hoogste urgentie en slechts voor een enkel oogenblik, had uitgeoefend. Heeft een man u gebakerd, mijnheer? Zou een man u hebben _kunnen_ bakeren? Dat zij verre. De uitvoerige zorg die dat vereischte, die gij behoefdet, trotsche heer der schepping! die daar heenstapt als een pauw en op laarzen met sporen!--die gij behoefdet, heer vrouwenhater! die daar geen andere verplichtingen aan de teedere kunne erkent of begeert, dan dat zij u ter wereld gebracht heeft--die gij behoefdet in dat aandoenlijk oogenblik, toen gij schreiend en naakt dit tooneel uwer heldhaftigheid werdt opgedragen, opdat licht en lucht u niet terstond beschadigen, uwe eigene onbesuisdheid u niet voor goed ongelukkig maken zoude, en gij er niet al uw leven zoudt uitzien als een Turk; die uitvoerige zorg kon onmogelijk iemand anders dan een _baker_ (zelfst. n. w. vrouwelijk) u bewijzen. Het is ijselijk jammer dat gij uzelven toen niet aanschouwd hebt, met uwe knietjes opgetrokken tot uw kinnetje, en liggende voor de mande in haar warmen schoot; dat gij de vriendelijke oogen niet over u hebt zien lichten, met een uitdrukking van zoo teeder, zoo ontfermend een liefde, dat zij u al uw leven zou zijn bijgebleven. Maar wat was het? Gij hadt toen nog geene oogen die zien konden. Veel minder droegt gij een bril.
De naam _baker_ komt van _baken;_ dat is _warmen, koesteren._ Een baker gehad te hebben is: in de eerste dagen zijns levens gebroeid en gekoesterd te zijn. Het is niet anders. Spijt het u, heer Jeune France? Meent gij dat het beter zou geweest zijn u, op zijn Laplandsch, in heet water te baden en daarna in de sneeuw te rollen, in plaats van u met de voetjes voor de mand te houden en u in doek op doek in te wikkelen, zoodat slechts deze uwe handen en dit uw aangezicht--het zag, op mijn woord, toen zoo geel als goud--zichtbaar bleven, om de bewondering van huisgenooten en buren gaande te maken over _zulk_ een kind? Meent gij dat, bij eene andere behandeling, uw baard nog voorspoediger zou zijn opgegroeid, uw hand zich nog gespierder onder uw glacé handschoentje zou hebben vertoond, en gij u te paard en te voet nog krachtiger en leniger bewogen zoudt hebben dan nu? Het is mogelijk. Maar hier is het portret van mijnheer uw overgrootvader. Ook gebakerd, mijnheer! Ook gebakerd in zijn tijd; en ik geloof vrij wat broeiender, vrij wat stijver dan gij; de gebakerde kindertjes geleken toen ongelijk veel meer dan nu op de poppen van den zijdeworm; maar wat dunkt u? Hij ziet op u neder, alsof gij _nog_ in de luren laagt.
Houd uwe baker in eere. In het vooruitzicht der bange ure, bij haar naderen, als zij dáár was, was de stille, altijd bedaarde, ondervindingrijke, medegevoelende, handige, _zacht_handige, kloekzinnige vrouw voor uwe moeder als een engel Gods. En ook daarna! Haar trouwe zorg voor _u_ was het eenige niet. De jonge moeder had nog steeds veel zorgen noodig; zij, die zoo zorgeloos was, toen alles goed ging en haar eersteling aan haar boezem lag, en die allerlei gedaan en allerlei gewaagd zou hebben dat haar jong leven had kunnen in gevaar stellen en u van een moeder berooven, eer gij nog wist dat gij een moeder hadt. Wat u betreft: nooit heeft, in uw volgend leven, een vreemde zooveel geduld gehad met al uw kuren bij dag en bij nacht: nooit een vriend (zelfs geen kunstvriend) u zoo overvloedig in het aangezicht geprezen; nooit een weldoener zoo veel "stank voor dank" van u ingeoogst. Van harte hoop ik, mijnheer! dat gij hare ontschatbare diensten nog eenmaal zult weten te waardeeren, bij het kraambed van de echtgenoote van uw hart, bij de vuurmand van uw eerstgeboren zoon.
Dan zij het oogenblik daar, waarin gij zeggen zult: "O, mijn Baakster, gezegd Baker! Gij trokt een goed loon; gij hadt veel noten op uw zang; de meiden haatten u deswege met al het vuur van een gloeienden partijhaat; gij ontvingt een schat aan fooien; gij deedt mijn moeders amandelstrikken en moscovisch gebak verdwijnen als een morgennevel; maar gij waart onbetaalbaar! Gij hadt, als ik het zeggen mag, uwe vooroordeelen, uwe bijgeloovigheden, uwe eigenzinnigheden; gij waart wellicht niet geheel en al vrij van kwaadsprekendheid. Maar uwe teedere, nauwgezette, waakzame zorg geven u aanspraak op een kroon. Mij is in mijn kindsche dagen, op alle scholen, in alle geschriften voor de jeugd, steeds voorgehouden de plichten van dankbaarheid te betrachten jegens mijne ouders en onderwijzers; maar mijnen kinderen zal ik erkentelijkheid inprenten jegens hunne ouders, en onderwijzers, en Bakers...
"En zulks te meer, nu het getal onderwijzers met een leeraar in de gymnastiek vermeerderd is."
Dit opstel schijnt alleen van de _goede_ bakers te spreken.
_Hildebrand_ heeft geene slechte gekend. Zijn eigen baker was een uitstekende. Hij zal zich zijn leven lang verbazen dat er, met zulk een baker, niets voortreffelijkers van hem geworden is.
1841.
BRIEF VAN HILDEBRAND AAN SCHIPPER RIETHEUVEL [35]
Aan den eerzamen Dirk Rietheuvel, bijgenaamd den Mottige, Emeritus-Schipper bij het Haarlemsche Veer; op het _Levendaal_, te Leiden.
Geachte Vriend!
Hoe menig, menig jaar is reeds voorbijgesneld sedert dien gelukkigen tijd, waarin het mij zoo menigmaal gebeuren mocht een genoeglijk uurtje (laat mij zeggen: een _viertal_ uurtjes achtereen) met u te slijten in den _stuurstoel_ of, wanneer de weersgesteldheid dit minder wenschelijk maakte, in de _roef_ uwer schuit; gij, in dat geval, op den drempel van het deurtje gezeten, den schanslooper aan, den zuidwester op, terwijl de knecht aan 't roer stond en niet kon nalaten van tijd tot tijd eens mede te grinneken, wanneer uw onuitputtelijke geest aan 't werken was. Drommels, Rietheuvel! ik heb vele mensenen ontmoet die aardig waren, en nog oneindig meer die het volstrektelijk wilden wezen, maar uws gelijken in aardigheid heb ik zelden gevonden. Hoe gaat het tegenwoordig, bestevaar? En wat zeggen er de kleinkinderen van, daar gij bij uw Guurtje, uw jongste, naar ik mij meen te herinneren, het restje uwer dagen slijt? Hangen zij u niet aan de lippen, als de oude vertelsels weer opkomen, in het schemeruurtje, als er geen licht in 't vertrek is dan het wisselvallig licht van het vlammetje dat door de kieren van de kacheldeur schijnt? Van de _kachel_deur; want, gelijk den bloei van het veer, hebt gij ook den bloei van het _haardvuur (sit venia verbo_--als prof. S. zeide, dien gij zoo menigmaal hebt gevaren dat gij 't van hem overgenomen hebt) reeds vele jaren overleefd.
Deze opmerking wekt misschien eene reeks van weemoedige gedachten bij u op, die ik echter zeker ben dat gij weder eensklaps met een luimige wending weet af te breken. Doch dit laatste, mijn beste Mottige! zal niet noodig zijn, wanneer gij mijn brief slechts niet uit de handen legt, eer gij hem ten einde toe hebt gelezen: een brief met geen ander oogmerk geschreven dan om uwen laten levensavond niet weinig op te leukeren door eene mededeeling, welke u alleszins stof tot zelfvoldoening en een billijk gevoel van waarde opleveren zal.
Heugt het u niet, mijn waarde vriend! hoe, nu dertig jaren geleden, alle mogelijke roefreizigers schenen saamgezworen te hebben om u, dag uit, dag in, te vervelen met hun schijnheilig beklag, omdat het te voorzien was dat de spoorwegen (rare dingen, waarvan geen hunner nog eenig denkbeeld had!) niet altijd in Nederland onbekend blijven en gewisselijk uw eerzaam beroep ten eenemale in den grond boren zouden? Hoe gij, in die moeielijke dagen, al de krachten van uwen vaardigen geest hadt in te spannen om uw goede luim te redden en het eentonig gejammer keer op keer af te snijden? En zou het u daarbij vergeten zijn, hoe gij, te midden van deze worstelingen, op eenmaal op het treffend denkbeeld kwaamt van een nieuw vervoermiddel, door een nieuwe beweegkracht gedreven, waarvan uw ver vooruitziende geest voorspelde dat het, eenmaal in practijk gebracht, tot stoom en spoorwegen staan zoude, gelijk deze thans tot de trekschuiten? Gij gaaft aan deze uwe vinding den schilderachtigen naam van _Onderaardschen Schietblaasbalg_ en wist de werking van dit mechanisme, door niets anders gedreven dan de _persing der lucht_, zoo duidelijk en, ik mag zeggen, zoo smakelijk voor te stellen, ja ook met teekeningen van eigene of bevriende hand zoo gelukkig op te helderen, dat menig trekschuitreiziger uw roef niet zonder een diepen indruk van 't gehoorde verliet, gelijk ikzelf dien dan ook altijd bewaard heb, en zelfs zoo vrij ben geweest dien weder te geven in een opstel, onder den nederigen titel van "De Veerschipper", buiten uw weten gedrukt, en dat misschien nimmer onder uwe oogen gekomen is, maar waarin, zoo aan uwe begaafdheden in het algemeen, als aan deze uwe vinding in 't bijzonder, eene welverdiende hulde is toegebracht.
Welnu, geniaalste aller geniale veerschippers, hetzij die al of niet van de kinderpokken geschonden zijn, en het meerder vernuft al of niet als eene gelukkige tegemoetkoming aan mindere lichaamsschoonheid bij hen te beschouwen zij!--wat zult gij zeggen, indien ik u naar waarheid verhaal, dat de uitvoerbaarheid van uw denkbeeld gebleken, dat uw stoute gedachte verwezenlijkt, dat de _Onderaardsche Schietblaasbalg_, in het oogenblik waarin ik u schrijf, in vollen gang is--vooralsnog niet "tusschen Amsterdam en Rotterdam", waar de waterachtigheid van den bodem wellicht nog lang duchtige bezwaren tegen een dergelijke onderneming zal opleveren--maar in Engelands groote hoofdstad Londen, waarvan het u wel bekend zal wezen dat zij alleen eene oppervlakte beslaat van een uur of zes, zeven in 't rond, nergens van eenig kanaal of trekvaart doorsneden! ... Geen nood! Zij heeft hare talrijke _omnibus_-lijnen, die haar in alle richtingen doorkruisen; zij heeft hare _spoorweg_-lijnen, over hare hemelhooge huizen heen en tusschen hare ontelbare schoorsteenen door, zoowel als hare spoorweglijnen onder den grond; doch thans ook; wie is het geweest, Rietheuvel! die uw denkbeeld gestolen, die uw echt Hollandsche vinding, onder den grond, onder den bodem der zee door, naar Brittanje overgevoerd heeft, ener tot zijn eigen profijt hoogstwaarschijnlijk bij het Engelsche parlement een patent op gevraagd, dat u van alle voordeelen uitsluit?--thans heeft zij ook haar _Onderaardschen Schietblaasbalg_--"pijpen, buizen, kanalen, weetje", (van het eene einde van de stad naar het andere) en "vicie versie", waarin, met de hoogst mogelijke snelheid, brieven en pakketten, en ook menschen, vervoerd worden door geen ander middel dan de _persing der lucht;_ met den besten uitslag; geheel naar uw gronddenkbeeld; ofschoon onder een anderen naam, lang niet zoo duidelijk als dien, welken uw vaardig brein tegelijk met de zaak had opgeworpen, en meer naar de lamp riekende dan naar eenig ander licht, den naam van _Pneumatische Expeditiebuis_ [36]. Slechts, opdat ik u dit terstond zegge, slechts dames zijn door dit middel nog niet vervoerd kunnen worden. Want hoewel de stijve wijde mouwen, waarvan gij voor dertig jaren gewaagdet, nu geen bezwaar meer opleveren, zoo is sedert, in de zoogenaamde _crinolines,_ een ander ontstaan, hetwelk onoverkomelijk is, zal er, nevens de kanalen van den Schietblaasbalg in questie, in het Onder-aardsche Londen nog eenige ruimte overblijven voor hetgeen billijkerwijze voor gas-, water-, en andere leidingen gevorderd wordt.
Het moet een treffend oogenblik geweest zijn, waarde vriend! toen, voor weinige weken, na eenige voorloopige proefnemingen met levenlooze pakjes en ongevoelige zakken, de eerste personentrein van het zoogenaamde Holborn afging om, men mag zeggen "in een zucht", en niet alleen _"in_ een zucht", maar nu ook "door middel van een zucht", een afstand af te leggen van meer dan een half uur gaans, en dat heen en terug. De plechtigheid had plaats onder opzicht van den Hertog van Buckingham, _Chairman of the Pneumatic Despatch Company,_ hetwelk ik voor u niet beter weet te vertalen dan door _Commissaris van het Onderaardsche Schietblaasbalg-Veer_, en in tegenwoordigheid van een aantal mannen van wetenschap. Laatstgenoemden waren metterdaad de eerste passagiers, en het moet een aandoenlijk schouwspel geweest zijn, toen de een voor, de ander na--niet op de weegschaal die, bij uwe eerste vinding onontbeerlijk, bij deze na-vinding gemist schijnt te kunnen worden, maar--in de laden stapte, die allen voor eenige oogenblikken aan het daglicht onttrekken zouden. De houding, welke de geleerde heeren hierbij hadden aan te nemen, was om de waarheid te zeggen, noch opwekkelijk, noch gemakkelijk. Zij waren genoodzaakt zich plat op den rug neder te leggen, niet zonder de behoefte aan een hoofdkussen te gevoelen, hetwelk hier ontbrak, maar door u zeker niet vergeten zou zijn geworden, en lagen daar, twee aan twee, niet ongelijk aan dooden in hunne kisten. Het geheel deed metterdaad eenigszins den indruk van een levendbegrafenis-, een Albrecht-Beyling-tooneel. Maar nauwelijks had men den tijd zich dit te zeggen, of ziet! daar waren onze mannen reeds weder terug en hadden, behalve van eenige oogenblikken "niks niemendal as egyptische duisternis", van niets te vertellen dan van eene min of meer onaangename gewaarwording bij het afgaan en aankomen; (het "geknipknap der veeren" waarschijnlijk), en voorts van, _op de ooren_, een zeker gevoel van drukking, hetwelk ongeveer het vierde deel van een minuut aanhield en "best te vergelijken scheen met hetgeen men" (ik weet niet of gij het u herinnert?) "in een _duikerklok_ ondervindt, een zuiging, alsof men onder een golf werd doorgetrokken"; op de _oogen_, een zeer opmerkelijke koude, niet ongelijk aan die van vallend water, waarschijnlijk min of meer alsóf men onder den drop van een dakgoot uitgestrekt lag; en voor den _neus_, geen de minste gewaarwording als zoude de atmosfeer in de buis vuil of bedorven zijn, maar wel hier en daar een roestluchtje, dat verdwijnen zal als de machine wat meer gebruikt zal worden en alzoo zichzelve glad maken en houden. Wat de beweging betreft, men had ze niet onaangenamer bevonden dan die van een oude waggon op een niet al te besten spoorweglijn, en gij zult mij toestemmen dat men, sedert de roekelooze verwaarloozing der trekschuiten, wel nergens ter wereld op iets dat veel beter zoude kunnen zijn, rekenen kan. De eerste passagiers van de _Pneumatische Expeditiebuis_ waren dan ook ten eenemale voldaan; de Hertog van Buckingham gaf zijne hooge tevredenheid onbewimpeld te kennen; de aandeelhouders in de onderneming betoonden zich ondubbelzinnig in hun schik; en het gevolg van den proefrit is geweest, dat men besloten heeft het onderaardsche Londen zoo spoedig mogelijk van een Schietblaasbalg-net te voorzien, zoo volkomen, dat daardoor alle bovenaardsche spoorwegstations en markten en postkantoren onderling vereenigd zullen zijn. Met 35 Engelsche mijlen aan buizen en een kapitaal van vijftien millioen Hollandsche guldens is dit te doen. [37]
Bij mijn eerstvolgend bezoek aan Engeland, hoop ik mij met eigen oogen te gaan overtuigen hoe ver men gevorderd is. Maar hoe zeer zoude ik wenschen u daarbij aan mijne zijde te hebben, waardige man! tot nog toe niet erkende, maar daarom niet minder hoogst verdienstelijke Uitvinder van hetgeen bestemd is zoo krachtig bij te dragen tot de oneindige eer onzer zoo bewonderenswaardige eeuw! Denk er eens over, Rietheuveltje! Gij zijt wel hoog bejaard, maar zoo ik verneem nog krachtig genoeg. Voor zeeziekte behoeft gij, bevaren Schipper! wel niet bang te wezen, en de zaak heeft voor u een belangrijkheid, als voor niemand anders. Maar als gij het doet, gij kunt er stellig op rekenen dat er alle werk van gemaakt zal worden om u aan den Hertog van Buckingham en, door dezen, aan de Koningin te doen voorstellen, en als gij besluiten kondt u te laten angliseeren, ik zie niet waarom er met zoo wel een _Sir_ Derrick Reedhill zou kunnen gemaakt worden, als er een _Sir_ Joseph Paxton gemaakt is.
Hoe het indertijd met die der Trekschuiten is gegaan, weet ik niet; maar alle groote uitvindingen hebben dit bijzondere gemeen, dat zij meer dan eens, en niet zelden in verschillende landen, òf te gelijkertijd, òf op onderscheidene tijden, hebben plaats gehad.