Chapter 40
"Heb je der al gevangen, _Arie_?" vraagt de boer. De boeren noemen het _vangen_.
"Twee _Krelis_-oom, twee; ik heb ze zoolang bij _Sijmen_ neergeleid."
"Nou," merkt de vrouw aan, "ik denk dat _Arie_ der al menig ientje 'hikt het."
"Ik wou ze wel rais bij mekaar zien," zegt de jager. Jagers hebben altijd het heimwee naar een dal _Josaphats_ van het door hen geschoten wild.
"Zie je der hier nogal?" vraagt hij verder.
"_Ik_ bespeur ze zoo niet," zegt _Krelis_, "maar hier me _Piet_, die ziet ze nogal dik."
"Gisteren avend," zegt _Piet_, een opschietende knaap, de oudste van _Krelis_-oom, die met een wensch in de oogen beurtelings den jager en de weitasch en het geweer heeft aangekeken; "gisteren avend ging er temet ien tusschen me bienen deur. Een dikke, hoor."
"Mag de jongen rais meeloopen?" vraagt _Arie_ aan _Krelis_-oom.
"Nou ja", antwoordt deze: "'t zel wel lukken."
_Piet_ verslikt zich haast aan de laatste korst van zijn roggebrood met kaas. Een taaie sliet wordt uit den dorsch te voorschijn gehaald, en pols en polsdrager zijn geïmproviseerd.
Zoodanig is de wording van den polsdrager; maar nooit was een schepsel ter wereld dankbaarder voor zijn bestaan; geen begunstigde slaaf kleeft zijn meester getrouwer aan dan de polsdrager den jager. Hij verlaat zijn zijde niet. Hij springt den jager vóór over alle slooten en klimt hem over honderd dijkjes na; hij wandelt met hem het jachtveld met vermoeiende ziegezagen af; hij staat, als de hond staat, en apporteert als de hond apporteert. Spreekt de jager: hij hangt aan zijne lippen, bezield met het onbepaaldst geloof. En niet licht zijn de proeven, waarop hij in dezen gesteld wordt. Geen grooter leugenaars dan schaatserijders en jagers, zegt men wel. Maar wat wondergeschiedenissen deze laatsten ook mogen opdisschen; van zes hazen geschoten op één stuk, van twee watersnippen in één schot in den donker; van hazen, die op één looper nog een gezicht ver wegliepen; van andere, die met uitgeschoten oogen tegen den hond insprongen; van hoenders die ronddraaiden, neervielen, weer opvlogen, weer ronddraaiden, en nog reis neervielen; van arenden die op den hond gingen zitten, en roerdompen die met den laadstok wegvlogen: de polsdrager trekt geen enkele dezer groote gebeurtenissen in twijfel; de jager in het algemeen is zijn orakel, zijn afgod; het valt hem niet in dat er mogelijkheid bestaan zou van eenige opsiering, eenige vergrooting bij 's mans verhalen; en in 't bijzonder houdt hij _dien_ jager, met wien hij op dat oogenblik jaagt, voor den grootsten van alle jagers, den Nimrod Nimrodorum. Ja, zelfs, indien er iets vergroot moet worden, hij is de eerste om den jager die moeite te besparen, wanneer hij hem al de verhalen, die hij zich van hem herinnert, nogmaals te binnen brengt, en zich nogmaals doet mededeelen. Schiet de jager raak: de polsdrager, schoon hij niets gezien heeft dan wat vuur en rook, heeft het haas driemaal over den bol zien buitelen; is het haas vrij: de polsdrager beweert dat hij er de wol bij vlokken heeft zien afstuiven. Gebeurt het een enkele maal; het gebeurt _nooit,_ zweren jagers en polsdragers; maar het zou toch kunnen zijn; na een ongelukkige jacht; met sneeuw aan de lucht; tegen het sluiten;... dat er een haas ... _meegenomen_ moet worden, die--op de grensscheiding van een privatieve jacht ligt,--kortom! om het hatelijk woord dan maar te zeggen,--in 't leger moet worden geschoten, ofschoon er dan ook strikt genomen een pols en een polsdrager is om hem te doen rijzen ... Poef! de lepels hebben zich niet boven het gras opgeheven--hij ligt al te trekken--
"Net toen hij oprees," zegt de jager.
"Je was der gouw bij", zegt de polsdrager, "hij was je haast te gouw of."
"Een ander zou 'em in het leger geschoten hebben!" zegt de jager.
"Dat loof ik er ook wel van," zegt de polsdrager; "hij zou aars net het dijkie overëwipt hebben toen ie 't beet kreeg."
De polsdrager spreekt aldus, niet uit beleefdheid of uit laagheid, maar uit volle overtuiging.
"Een mooi haas," zeit de jager, daar hij den armen drommel met een klap in den nek afmaakt. "Een mooie rammelaar".
"Een mooie rammelaar," echoot de polsdrager.
"Ik zei 't je ommers wel, dat er op dit stuk ien raizen zou?" herinnert de jager.
"'t Is waar ook," antwoordt de polsdrager, schoon de jager de woorden niet van zijn lippen heeft laten komen. "Je zag het vast an den hond?"
"Neen!" zeit de jager, die (let wel!) nimmer des polsdragers venatorische gissingen goedkeurt, "dat niet."
"Had je 'm dan 'speurd in 't slik an den dam?"
"Ook niet!" herneemt de jager met groote wijsheid; "maar daar was daareven ommers een voedster opëgaan."
"Was dat een voedster, _Arie_, die je misschoot?"
"Misschoot?" vraagt de jager met verontwaardiging. "Hij had hagel genoeg. Je zelt 'em morgen wel vinden...."
En de polsdrager is den anderen dag op dat stuk, om den aan de gevolgen zijner wonden overledene te zoeken; en indien hij hem niet vindt--stroopers moeten er vóór hem geweest zijn om hem weg te halen, een wild dier hem hebben verslonden, of wel, medelijdende natuurgenooten zullen hem, daar zij hem vonden, wentelende in zijn "zweet" (d.w.z. bloed), op hun rug hebben, weggedragen, tot dicht bij de naaste eendekooi, waar hij, onder bescherming van het kooirecht, den adem rustig heeft kunnen uitblazen, aan het ruige kantje van een kille sloot, wel overtuigd dat het hem niet aan hagel ontbroken heeft.
DE LEIDSCHE PEUËRAAR.
Een Leidenaar sprak eenmaal Charon aan: "Ik bid u, bootsman! hoor mijn beden! Zoo 'k eenmaal in uw schuit moet treden, Och, laat het zijn bij donkre maan! Indien 'k mag peuren uit uw bootje, Krijgt gij de helft van 't waterzootje, En 'k wijs u bovendien den grond, Daar ik mijn vetste wurmen vond."
_Studenten-Almanak_ 1836.
Het wapen der stad Leiden vertoont de _sleutels_ van _St. Pieter_. Een onvergefelijke misslag! Het had zijn _vischnet_ moeten wezen. Het is de stad der visscherij; óók de academiestad; óók de stad der egyptische Farao's, óók de stad van bul en bolussen; maar boven en behalve dat alles, de stad der visschers.--Nader haar van den kant der Hoogewoerds-, der Koe-, der Witte-, der Rijnsburger-, der Marepoort, of van welke poort gij wilt: overal wappert u van de leuning der poortbrug een opgeheschen totebel tegen.--Wandel de Leidsche singels rond: geen drie boomen zult gij zien, of gij ziet bij den derden een hengelaar, in das, jas, en gras gedoken, een neuswarmer in den mond, aan zijn rechterhand een kluit vuil geworden vischdeeg, aan zijn linker drie of vier zieltogende bliekjes. Bezoek Leiden bij hoog water: gij zult de lieden van den Apothekersdijk en de Oude Vest op heeterdaad verrassen, daar zij bezig zijn in hunne voorhuizen de binnengespoelde stekelbaarsjes te verschalken. Volg Leiden in de vergaderzaal der Edelmogenden: gij zult het zich met hand en tand zien weren tegen de droogmaking van het Haarlemmermeer, op grond van het overoud recht der Stad op een gedeelte van het vischwater.
Als ik echter zeide dat de stad Leiden een vischnet voeren moest, noemde ik het gepaste, maar het meest gepaste nog niet. Ik sprak van het net, om bij _St. Pieter_ te blijven; maar zoo gij mij vraagt wat het eigenlijk wezen moest? Een paar gekruiste hengelrieten, een paar vischhoeken overkruis. Het is zelden om den visch, dat men te Leiden vischt; het is om te visschen; en de langzaamste genieting van dit genot gaat voor de beste. Niet om met een enkelen trek van de zegen, een tweemaal daags ophalen van een schakel, of met zethengels, die hun dienst doen terwijl gij slaapt, een macht van "schubbig watervolk" bijeen te brengen, is het den echten Laienaar te doen. De zaligheid van het _nop_ hebben, van het zien trillen, indoopen, onderduiken van den dobber, en daarin, van het zuigen van een langwijlig aaltje, het leuteren van een zeurig postje aan den onmerkbaren hoek, is hem genoeg. Katvisch is hem even welkom als doop- en waterbaars. Katvisch is den Laienaar dierbaar! Al wat aan den angel bijt en, met bloedende kieuwen en half uitgeboorde oogen, van den angel kan worden afgescheurd--ziedaar wat hem gelijkelijk gelukkig maakt.--"Een hengelaar kan geen goed mensch zijn," heeft Lord _Byron_ gezegd; maar de Laienaar heeft één troost: "'en slecht minsch die 't zait!" Mij dunkt; ik hoor het hem antwoorden.
Van Engelschen gesproken! zij hengelen met geschilderde vliegen, om niet bij iedere vangst een _dubbele_ wreedheid te begaan. Wat zouden zij wel zeggen van de gruwzaamheid, waartoe zich de Laienaar in staat gevoelt, als hij den peurstok gereed maakt?--_Please, Sir!_ volg mij in deze achterbuurt. Het heet hier De Kamp. Kijk eens, zoo gij kunt, door dit groene vensterglas naar binnen. Wat ziet gij?--"Ik zie een vrouw met de haren door de muts, die kleine ronde koekjes bakt."--Best; van water en meel en een beetje olie. Het is voor de lui, voor wie een oortjesbroodje te duur is opeens. Het is de vrouw van den Leidschen Peuëraar. Ziet gij haar man niet?--"_Yes_, die _fellow_ met een slaapmuts op, in een duffelsche jas?" Dezelfde. Het is de Leidsche Peuëraar in eigen persoon. Een karakter, dat alleen in deze stad gevonden wordt. De linkervleugelman van de opgaande linie van Leidsche visschers. De verwerpelijkste vorm, waaronder zich de algemeene hengelliefhebberij voordoet. Wat doet hij?--"Hij rijgt iets aan een touw, dat hij uit een rooden pot haalt; iets langs, iets smerigs."--Recht zoo! het zijn pieren _Sir_! niets dan pieren, pieren van het echte soort, met gele kransjes om de koppen. In dien pot zijn meer dan honderd pieren; en zij worden door zijne nijvere handen aan een vrij dik snoer geregen, bij den kop in, en bij den staart uit.
Straks zult gij hem van dezen pierenguirlande een soort van kwast zien maken, niet ongelijk aan het uiteinde van een bloedkoralen bayadère. Met deze wormenfranje wordt gevischt; dat heet peuren; en deze zonderlinge passementmaker heet de Peuëraar! _"Horrible, horrible, most horrible!"_--"Net niet!" zou de Peuëraar antwoorden, indien hij u verstond, "net niet, jou vreemde stoethaspel, want door _die_ weg krijgen de (n)alen geen hoek in der gezicht. Zieje wel; je kent alle dingen tweileidig opvatten."--Het plat Leidsch is leelijk, en het Leidsch van den Peuënaar is het platste.
Als de maan donker is, gaat de Peuënaar tegen het vallen van den nacht uit, met een lantaarn onder den arm, en zijn korten peurstok, waarvan de bovenbeschrevene wormentroetel af moet hangen, in de hand, de blauwe slaapmuts op 't hoofd, de duffelsche jas aan, klompen aan de voeten, een "paip in zen hoofd". In zijn zak berust een groote flesch jenever, en in zijn tabaksdoos bewaart hij een briefje, waarin de commissaris der Politie van Leiden getuigt dat de daarin genoemde Peuëraar geen schelm is, en misschien wel geen hout kapen zal, al komt hij met zijn schuitje wat dicht onder een zaagmolen. Zoo wandelt hij naar het een of ander kroegje, waar hij volgens afspraak een anderen Peuëraar vindt en, na nog gauw "voor drie cintjes" genomen te hebben, begeven zich de collega's naar hun gemeenschappelijk schuitje, een klein platboomd vaartuigje, dat zij met riemen en een gerafeld stuk doek, onder den geüsurpeerden titel van zeil aan een stok opgestoken, in beweging brengen. Zooras men een goede ligplaats gevonden heeft, wordt het zeil gestreken, het anker geworpen, een rietmat tegen den wind opgezet, en het peuren neemt een aanvang. Het is een aesthetisch ding. Alles komt hier aan op het gevoel. De kunst van peuren bestaat in het zachtjes op en neder bewegen van den peurstok, waardoor de verlokkelijke wormenfranje in een gestadige onrust is. En telkens als des Peuëraars fijngevoelige vingertop--neen! als zijn _hart_ hem zegt dat hij beet heeft--slaat hij op, en het verschalkte aaltje spartelt in de schuit. En zoo ras het vischwater daar ter plaatse is uitgeput, wordt het zeil geheschen en een andere ligplaats opgezocht. Zoo dwalen de Peuëraars over Rijn, Zijl, Leidsche vaart, Haarlemmermeer, ja, komen dikwijls tot zeer nabij de hoofdstad; en nacht op nacht wordt gesleten in onvermoeid gepeur.
"Hoe zuur wordt dat eerlijk stuk brood gewonnen!" Dank voor uw medelijden, mevrouw! het doet uw hart eer aan. Maar geloof nooit dat het dezen lieden om brood te doen is. Uwe edele ziel waant dat hier voor vrouw en kroost wordt gezorgd, met opoffering van nachtrust en gemak. In het minst niet. Er is een test met vuur, er is zout, er is een koekepan aan boord. De aal wordt op de plaats gevild, gesneden, gebraden, en door het vriendenpaar, onder rijkelijke bevochtiging met Schiedamsch vocht, gegeten, terwijl de vrouw haar cents-koekjes bakt, en zelve met hare kinderen honger lijdt. Daarom ook, als deze Ulyssessen, na hun langen zwerftocht, eindelijk hunne huisgoden weder komen opzoeken, worden zij gewoonlijk door hunne getrouwe Penélopé's met den vereerenden titel van _Luibak_ begroet; een liefdenaampje, hetwelk deze teederen voor hare dierbare wederhelften hebben uitgedacht.
"Loibak!" heet het van hare bespraakte rozelippen, "Loibak! kom je weer oit je smulschoit?"
Want dezen naam draagt het peurvaartuig in den huiselijken kring
DE NOORDHOLLANDSCHE BOERIN.
Een flink wijf is _Gees Riek_, rijzig, kloek en welgemaakt. Haar aangezicht blinkt van dat frissche rood en dat glanzige wit, hetwelk aan de Westfriesche vrouwen eigen is, waarbij als zij "op 'er Zundags" zijn, het snoer van bloedkoralen, groot als knikkers, zoo helder "ofspeurt" (afsteekt). Ik verzeker u dat zij die niet bleekdragen, en _Gees_ allerminst. Ieder vindt dat de kap haar goed staat op dat glad, wit voorhoofd, bij dat kleine rechte neusje, die kleurige wang, die groote blauwe oogen, die zachte ronde kin, dien blanken hals! Het eenig gebrek van haar schoonheid, een gebrek dat zij met de meeste Noordhollandschen gemeen heeft, is haar gebit, bedorven door zoetekoek en oneindig veel slappe koffie. Gij vraagt wat voor kleur van haar zij heeft. Niemand weet dat. Het is tot den wortel afgeschoren; daar komt geen lokje voor den dag. Haar wordt een onwaardig versiersel gerekend, waar men een gouden naald over 't voorhoofd, een goud ijzer (vergeef de tegenstrijdigheid der benaming) over de ooren, een paar gouden boeken aan de slapen, en een paar gouden spelden daarnevens draagt, en men er bij wagen zoude, dat de kap, de mooie, heldere, spierwitte, zorgvuldig gestrekene kap, niet glad zou zitten.--Maar wat is dan dat zwarte dotje, dat bij de gouden boeken uitkomt? Het is een kleinigheid valsch haar, onbescheiden vrager! aldaar aangebracht als eene verontschuldiging voor het afscheren van eigen; of nog liever, als een wetenschappelijk bewijs dat de Noordhollandsche boerin, zoowel als al wat papillotten legt, friseert en brandt, zeer wel weet, dat er tot dat opzichtig gedeelte van 't menschelijk lichaam, hetwelk het hoofd heet, haar behoort. Alle boerinnen dragen dit toertje; het is een ingehaald krulletje, dat de staart in den bek steekt, van zwart haar. Blond is bij allen verafschuwd.
Als gij al de bijzonderheden van haar uitwendige persoon behoorlijk hebt opgenomen, begeef u dan tot de beschouwing van haar innerlijke waarde.
Daar staat zij nu die, na zijn beesten, het hoogst staat aangeschreven in de schatting van _Dries Riek_, haar welbeminden echtgenoot. Ik zeg, na zijn beesten. Want als zijn beesten sterven, kost de inkoop van andere geld; een vrouw is omniet terug te vinden, en brengt mogelijk nog wel een stuivertje mee. Misschien wel zoo'n beste _keezer_ niet--maar een mensch moet wat wagen,--in de koeien zit hij _ook_ niet! 't Kan goed en kwalijk uitvallen; da's aventuur."
De bestemming der Noordhollandsche boerin, als zoodanig, is _keezen, keezen_, altijd _keezen_, is bestendig te zorgen dat de melk, die 's ochtends en 's avonds na "melkerstaid" wordt binnengebracht, de deur niet uitga dan in de gedaante van goede, gezonde en niet barstende kaas. En dat geeft haar dagelijks zoo veel werk, dat men niet weet hoe zij den tijd vindt om kinderen te krijgen. Nochtans krijgt zij ze in groote menigte. Maar ook, als het "puppie" (de pasgeborene) een dag of drie door de buren is "gekeken", en in deszelfs bewonderde tegenwoordigheid het betamelijk aantal suikerstukken (beschuiten met suiker) gegeten werd, verlaat zij de kraamkamer alweer, en begeeft zich oogenblikkelijk aan de kaastobbe.
Indien gij zindelijkheid zien wilt die het hart goed doet, kom dan haar boerderij binnen. Het is hier niet de Zaansche en Broek-in-Waterlandsche kleingeestigheid, die op muilen rondsluipt en alle meubelen en huisraad spaart, wrijvende, poetsende, en gladmakende wat zij niet zou durven gebruiken; maar een heldere reinheid, die altijd wascht en schoonhoudt en blinken en glanzen doet, temidden van het veelvuldigst, het onophoudelijkst gebruik. Zie deze lange rij van ter halfmanshoogte afgeschotene appartementjes, over bijna de geheele lengte der boerderij; de beschotten en posten alle spierwit, en blinkend koperwerk daartegen opgehangen; den vloer met zand bestrooid en in figuren aangeveegd. Gij zoudt er met uw besten rok in gaan zitten. Echter zijn dit dezelfde plaatsen waar des winters de beesten staan. Uit de groep (goot), die er langs heen loopt, zoudt ge immers melk lusten! Maar zie nu de karn, de kaastobbe, de pers, de kuipen, de doeken, de koppen waarin de kaas haar zout en haar vorm krijgt: het is alles even zuiver en lekker om aan te zien. Het hout is ruw en het koper glad van 't schuren. En _Gees_ zelve! laat zij vrijelijk voor uw oogen met haar blooten dikken arm in de melktobbe roeren, waarin zij het stremsel gegoten heeft,--de kaas zal er u niet minder om aanstaan.--(Het is heel wat anders, een Noordhollandsche boerin, of een keukenmeid op een stoomboot!)--De kleine kinderen, ziedaar het eenige dat vuil is. Maar ze rollen ook den geheelen dag met de kleine honden op de werf in 't zand. Binnenshuis is hun grondgebied geenszins, dan om te slapen en te eten. Allerminst in dat gedeelte der woning, waar de kaas gemaakt wordt. Daar is de boerin alleen. Maar als de melk thuis komt, ontwaken in onderscheidene hoeken der boerderij: een cyprische kater, een witte poes, een zwarte en een roodbonte kat uit hun dutje en komen, nog rekkerig en geeuwerig, op de emmers aan, waartegen zij zich op hunne achterpooten verheffen, gelijk geleerde kermishonden om een trom, en zulks, zindelijk als deze dieren zijn, om met hun zindelijke tongen het hun toekomend gedeelte van de melk af te roomen, en daarna hun zoete droomen wederom op te vatten, op de plaat, op een warme stoof, en in 't kozijn van een venster daar de zon op staat.
_Gees_ is goedhartiger, spraakzamer, en een weinig minder eigenzinnig en bevooroordeeld dan haar man, met wien zij nooit kijft dan in 't geval dat hij den hoogsten prijs niet voor de kaas gemaakt heeft, die haar teedere handen bereid hebben. In haar jonge jaren was zij vrij luidruchtig als ze eenmaal losraakte, maar op den duur zou men het haar niet hebben aangezegd. Zij had vele aanbidders, waarmede zij, naar 's lands wijs, beurtelings kermis hield, zonder hare keuze te willen bepalen en zonder dat het eenigszins tot gevolgtrekking leiden mocht. Haar echtvriend heeft haar een beetje bij verrassing genomen. Zij betuigt een goed man aan hem te hebben en zou hem niet graag missen. En aan die waarheid moet gij niet twijfelen, al verneemt gij dat zij, bij eventueel overlijden van haar _Dries_, binnen 't jaar met haar knecht trouwt, een "jong borst", dien zij er nooit op heeft aangekeken, bijna zoo oud als haar oudste zoon,--niet omdat _zij_ volstrekt een man, maar omdat de boerderij een boer moet hebben.
De wijze nu, waarop _Dries Riek_ zijn _Geesje_ vrijde en trouwde was een recht staal van Noordhollandsche zeden en, uit zijn eigen mond opgeschreven, aldus:
"Dinsdag anësniejen, vrijdag anëteekend. Je zelt zeggen: hoe dat zoo haastig? Maar we waren met zijn drieën jonge borsten vrijgezel, en we hadden mekaar der de hand op 'geven; die 't lest trouwt, die zel 't gelag betalen. Nou, den iene van ons die was al weg, met de Franschen, weetje; daar hebben we nooit meer van 'hoord. Doodgeschoten, wil ik denken, deur de kezakken. Maar zaterdag hoor ik, dat me broer--die was dan eindelijk de derde man, verstaje!--trouwen gong. Ik denk, jonges! 't gelag betalen, en gien waif; dat geet niet an. Nou, 's zundags gong ik er op uit, hoor; maar ik wier gesteurd. Deer ik _toe_ kwam, was gezelskap; dat kon 'k al hooren, weetje, buiten de deur. 'k Docht, nien! deer pas ik niet. Maar dinsdag; toe vond ik er iene. En toe kreeg ik 't klaar. Ze kon me wel; maar toch alevel, dàt had ze niet 'docht. En ik trouwde net met me broer op dezelve dag; gnap hoor--Och heer! de witkoppen"--daarmede het schoone geslacht bedoelende--"de witkoppen te bedotten, _da's_ geen duit weerd. Altijd 'en best waif der an 'ehad. En keezen! ze ben der geen beter."
DE NOORDHOLLANDSCHE BOER.
Kom op een vrijdag voormiddag in het kaasseizoen te Alkmaar! De meer dan zeventig dorpen, die rondom de Noordhollandsche metropolis liggen, hebben hun contingent geleverd. Beemster, Purmer, Schermer, Waard hebben zich leeg geschud in het kleine, nette stadje. Al de straten die in een poort eindigen, en vooral de zoogenaamde Dijk, een breed plein binnen de stad, staan vol van hun geel en groen afgezette wagens, op het krat beschilderd met bloempotten, krulletters, gedichten. Al de stallen rooken van den damp hunner paarden; al de bierhuizen en kroegen dampen van den rook hunner pijpen. Al de scheerstoelen prijken met hunne ingezeepte aangezichten. Waar gij komt: bij den tabaksverkooper, in de koomenij, in den pottewinkel, bij den schoenmaker, die alle dubbel hebben uitgestald, bij den notaris, den advocaat, den dokter, en ten huize van de duizend en een dijkgraven en penningmeesters van polders, overal ontmoet gij een boer. De een zoekt er den burgervader van zijn dorp die, van Alkmaar uit, de belangen zijner kinderen het best behartigen kan; de ander haalt bij den smidsbaas een recept voor een ziek paard, dat deze nooit anders dan gezond gezien heeft. Dat Alkmaar, al de overige dagen van de week zoo stil en levenloos, dat het een stedeken schijnt opzettelijk vervaardigd voor begrafenissen; een gissing, waarin de bijzondere kosten aan de begraafplaats besteed een iegelijk versterken moet die ze zich verstout; is nu aan een van gewemel en gegons vervulde bijenkorf gelijk. Inderdaad zijn hier de bijen bijeen, die uit de Kenmersche en Westfriesche boterbloemen haar honig en was zuigen.--De Langestraat--een straat, die haar naam van de familie _De Lange_ schijnt te ontleenen welke, beurtelings met elk der letters van 't A B C gequalificeerd, op drie vierden der deurposten prijkt--is van boeren en boerinnen vervuld; de laatste in lange "reeken" bijeen, de stoepen der goudsmeden op- en af drentelende, of de koekwinkels in- en uitstroomende, in luid gesprek, lachende met groote monden, en zich op de knie kloppende bij iedere nieuwe uitbarsting van boerinnegeestigheid.