Camera Obscura

Chapter 4

Chapter 43,834 wordsPublic domain

Het opgemelde plan was met groote opgewondenheid en wederzijdsche goedkeuring gemaakt. Het was als of onze zielen er in samensmolten. Ik beloofde mijnen medischen student; wiens naam omdat hij bang voor recensenten-hatelijkheden is, ik heb moeten beloven te zullen verzwijgen, en wien ik daarom voor 't gemak _Boerhave_ zal noemen; ik beloofde mijnen medischen student, behalve de schatten van de Breezaap, ook nog bloeiende exemplaren van Aristolochia Clematitis, op den weg tusschen Zomerzorg en Velzerend en, daar hij ook eene verzameling van conchiliën er op nahield, stond hij in lichterlaaie verrukking, toen ik hem verzekerde dat op de hoogte der Blauwe Trappen de wijngaardslakken over uw laarzen kruipen of 't zoo niets is.--Maar de steen uit Amsterdam verbrijzelde al die zaligheden, en het gansche plan moest worden uitgesteld onder de voor ons verschrikkelijke gedachte, den geheelen dag in Den Hout te zitten; want een fatsoenlijk Amsterdammer komt alleen in Den Hout.

De opoffering viel ons moeielijk, en ik verdacht den hupschen _Boerhave_ (die niet zooals ik den band des bloeds gevoelde, en daarenboven een onbepaald vertrouwen koesteren moest op de wetenschap, die hij beoefende) van den heimelijken wensch, dat mijn liefelijke _Nurks_, van wien hij zich half bij instinct, half door mijne kwaadsprekendheid, niet veel goeds beloofde, tusschen zaterdagavond en zondagochtend eene kleine ongesteldheid mocht ontwaren, die hem mocht doen besluiten tot een kort briefjen op de eerste schuit enz.; maar _ik_ wenschte hem op een allerliefste buitensociëteit vol "vermoakelijkheden", of op een dolprettig diné aan den Berenbijt, met drie leden van De Munt en zeven van Doctrina, waar men elkander allergeestigst met het wederzijds ophemelen der beide sociëteiten plagen kon, tot groote bemoeilijking van den elfden man, die lid van beiden was, en den Doctrinisten wel gelijk wilde geven, omdat ze de meerderheid hadden, maar den Munters niet afvallen, omdat ze de grootste heeren waren. In een dergelijk gezelschap had mijn vriend _Nurks_, die in de universaliteit van den elfden deelde, dan gelegenheid gehad om zijn hart te luchten over den "lastigen dikken weerga" (een oom van een der gasten), die altijd den Haarlemmer las als _hij_ hem wou hebben, in de eene, en "den onverdragelijken langen zwiep" (een vollen neef van een ander der aanwezigen), in de andere, die altijd pot maakte als _hij_ pas begonnen was carambole te spelen. Edoch het was bestemd, dat hij den zondag van den 15_den_ Juli in den Haarlemmerhout zou doorbrengen.

"Ha, hoe maakje 't, _Rob_!" riep ik uit toen hij binnenstapte. "Mijn vriend, de student _Boerhave_, neef".--Was het valschheid dat ik hem hartelijk ontving? Ik geloof neen. Toen ik over het plan van Zomerzorg en de Breezaap heen en hij werkelijk daar was, nam ik er den besten kant van; en ik had hem toch ook in zoo lang niet gezien.

"Best, jongen;--mijnheer, je dienaar! Jongens, wat is me dat end van de Amsterdamsche poort weer tegengevallen!"

"Mijnheer moet anders aan lange enden gewoon zijn," merkte _Boerhave_ aan, ik geloof om zijn aardrijkskundige kennis van de hoofdstad te toonen.

"Ja, dat _is_ zoo", zei _Nurks_, met een bijzondere kracht op 't woordje _is_, "maar daarom juist, als men zoo'n mal klein stadje als Haarlem de eer aan doet, wil men 't liever niet."

_Nurks_ wierp een blik in den spiegel. Zijn eene halsboord had het door de warmte; het was zeer warm weder dien dag, vooral in de diligences; had het door de warmte te kwaad gekregen, en lag in zwijm over den rand van zijn strop.

"Malle dingen! Anders een goed fatsoen. Ik hou niet van die ronde boorden."

_Boerhave_ en de nederige inwoner van het malle, kleine stadje waren er mooi mee; hij verbeeldde 't niet gezien te hebben.

"Kanje _nog_ al niet rooken, _Hildebrand_?"

Ik vloog naar den portecigares en bood hem dien aan.

"Hebje nog altijd dat _strooien_ soortje?" zei hij, de punt van degene, die hij genomen had, met het ongeloovigste gezicht van de wereld afbijtende, en toen zijn vroeger onderwerp weer opnemende, daar hij nog niet genoeg van had:

"Jongens, ik vind dat het zoo mal staat als iemand niet rooken kan. Hij zit altijd met zijne vingers ergens aan. Ik ken _nog_ iemand die nooit rookt, maar dat is de miserabelste kerel van de wereld."

Ik begreep dat ik al vrij veel kans had om, bij eventueel overlijden van dien heer, denzelven in zijn hoogen rang in de schatting van mijn neef op te volgen.

Nu volgde een gesprek, voornamelijk bestaande uit eenige informatiën naar wederzijdsche kennissen, waarin geen enkele onaangenaamheid voorkwam, dan dat hij, toen ik naar een zeer intiemen vriend vroeg, dien hij zeer wel kende, noodig had zijn geheugen op te scherpen met de herinnering, "of het die was, wiens broer die smerige affaire met de politie gehad had", opdat _Boerhave_, die daartoe al den tijd had, zoo mogelijk allerlei vermoedens tegen de familie zou kunnen opvatten. Ik weet niet of hij het deed; maar kort daarop verliet hij ons een oogenblik om een knijpbriefjen af te vaardigen, welk punt des tijds onmiddellijk door _Nurks_ werd waargenomen, om mij met de aanmerking op te winden:

"Die vriend van jou lijkt sprekend op dien schoenenjood, die altijd op den hoek van de Vijzelstraat en de Heerengracht staat;"--en toen ik groote oogen opzette,--"och ja, je weet wel, die leelijke kerel! net of hij een trap van een paard gehad heeft."

Nu, op dat oogenblik kwam _Boerhave_ weer binnen. Over de gelijkenis met den schoenenjood, op den hoek van de Vijzelstraat en de Heerengracht, kon ik niet oordeelen, omdat de respectieve aangezichten der respectieve schoenenjoden van Amsterdam mij niet duidelijk en onderscheiden voor den geest stonden; maar op mijn vriends gelaat iets te lezen, dat denken deed dat het ooit in eenige on vermakelijke aanraking geweest was met het viervoetig dier door den vleienden _Nurks_ genoemd, was mij t' eenenmale onmogelijk.

Wij gebruikten koffie en brood, welke beide artikelen de eer hadden de volkomen goedkeuring van mijn neef weg te dragen. Wel beweerde hij de nadeeligheid van de eerste zonder melk te drinken, waaraan zich de medicus schuldig maakte, en verzekerde hij dat hij 't altijd aan iemands teint zien kon "want het teint werd er leelijk van;" maar toen de medicus er voor uitkwam dat hij medicus was, en in die hoedanigheid daar nooit van gehoord had, veranderde hij van batterij, en begon mijn vriend een verkwikkend tafereel op te hangen van de veelheid der jonge doctoren, die in Amsterdam, zonder brood, op dure kamers woonden en allerlei laagheden doen moesten om een bus te krijgen, en dergelijke opwekkelijke voorstellingen meer, recht geschikt om een medicina candidatum in zijn studiën aan te moedigen; terwijl hij ze allen bekroonde met de plechtige verklaring "dat er niet één medicus in de wereld was, wien hij, _Robertus Nurks_, wat hèm betrof, zelfs maar over zijn kat vertrouwde."

Wij gingen Houtwaarts. Het was ruim één ure. Nu, alle welopgevoede dingen hebben hun gestelden tijd. De nachtegalen komen in 't voorjaar, de vinken en lijsters in 't najaar; de zon schijnt bij dag, de kaars bij avond, en de maan bij nacht. Zoo is het ook met de menschensoorten. Al wie met de duizend en een _species_ van het _genus_ Haarlemmer bekend is, weet dat zij allen des zondags haar verschillenden wandeltijd hebben; iets, 't welk zeer natuurlijk wordt, als men aan den verschillenden eettijd denkt, en daarbij in 't oog houdt dat er veel menschen naar de middagkerk gaan, terwijl een groot gedeelte niet weet dat er een middagkerk is. Als men alle deze _species_ rangschikt, en men tevens achtslaat op de vreemde vogelen, die uit andere luchten op een zonnigen zondag komen aanwaaien, dan zal men een aaneengeschakelde opvolging hebben, niet ongelijk aan die der elkander, naar de schoone vergelijking van _Homerus_, als boombladeren wegstootende geslachten in het bestaan des menschdoms, of aan die der elkander voortstuwende barbaren van het Europa der vijfde eeuw.

Zoo zal de natuuronderzoeker, die des zondagsmorgens de kerk verzuimt of naar de vroegpreek is geweest (wat ik liever onderstellen wil) en om tien uren, half elf, in Den Hout komt, op het Plein of bij den Koekamp (de naam is niet welluidend), eenige zwermen feestvierende vogels van den Haarlemmerdijk inhalen, per schuit van zevenen uit Amsterdam vertrokken. De mannetjes zijn blauw of zwart geteekend en hebben sliknatte, fijngekrulde bakkebaarden. Ze zijn voorzien van lange Goudsche pijpen, waaruit ze òf rooken, òf die ze losjes bij den kop tusschen de vingers houden en zoo, met den steel naar beneden, onverschillig laten slingeren. Merk de regenschermen. De wijfjes zijn wit. Zij houden haar opperkleed op, zoo dikwijls ze over een droppel water stappen, en dragen 't geheel _opgesteld_ als er wezenlijk plassen liggen van den regen van zaterdag. Zij eten gestadig uit haar zak; sommigen in den zwerm hebben daarenboven nog een toegeknoopte kinderluur met mondkost bij zich. Men ontmoet ze meestal in koppels van negenen: twee mannetjes op zeven wijfjes. Ze dwalen een heel end ver, somtijds wel tot Heemstede of de Glip af, maar strijken 's namiddags, onder een kruik bier en een bosje scharren, aan de Groene Valk of in den Aalbessenboom neder, om met de laatste schuit naar Amsterdam te vertrekken, terwijl intusschen de toegeknoopte kinderluur van knapzak tot een korfje is omgeschapen, om "blommen" in thuis te brengen, die drie weken lang in een aarden melkkan zonder oor, in een klein winkeltje, of op den bovensten trap van een kelder, hier zonder licht, en daar onder den frisschen adem van een stinkend riool, het geluk en den rijkdom zullen uitmaken van iemand die garen en band verkoopt en tevens besteedster is, of van iemand die turf en hout slijt en tegelijk uit werken gaat.

Wandelt de natuuronderzoeker voort, dan ziet hij in 't voorbijgaan eerst nog een dergelijken troep, die zich in den aanblik van het Paviljoen verlustigt, en waarvan al de individu's, om zich te overtuigen dat het geen droom is, zich met beide handen aan de spijlen van het hek vastklemmen, zich bij geen mogelijkheid kunnende verklaren wat voor aardigheid of vroolijkheid er wezen mag in de groep van Laokoön, maar op dit punt overeenkomende, dat de W in het frontispice "_Wullem_" beduidt.

Meergemelde natuuronderzoeker heeft even de Dreef verlaten, om in de verrukking van deze vreemdelingen te deelen, maar gaat nu door een allerliefst laantje, waarin de ochtendzon allergeestigst door 't hoog geboomte speelt, op de "logementen" af. Hij wandelt een gele barouchette en een blauwen char-à-bancs voorbij, die hij onder 't geboomte uitgespannen ziet, als ware 't om menigeen van huns gelijken derwaarts te lokken. Hier is alles nog doodstil. 't Is een liefelijke morgen. Een enkel heer met een grijzen paardenharen Saksen-Weimar, bruinen rok, grijze zomerbroek, Engelsche spikkelkousen, lage schoenen en een tenger, hoogstfatsoenlijk uiterlijk, zit aan een der houten marmeren tafeltjes van het "Wapen van Amsterdam" voor de deur, zeer op zijn gemak een boek te lezen. Een dikachtig heer met roode wangen en een opvliegend voorkomen, met zwarten rok en in 't kort, leest er steunende op zijn stok een courant, zonder tafeltje op een stoel neergevallen. Een jonge vrouw, eerst onlangs uit het kraambed hersteld en nog een weinigje bleek, zit aan een ander tafeltje, waarop uitgediend ontbijtgoed staat, met een lief mutsje met lichtblauw Zeister op en een lichtblauw japonnetje aan, gemakkelijk in haar stoel geleund, te breien, en wijdt van tijd tot tijd haar aandacht aan haar kindermeid, die met een Amsterdamsche kornet op 't hoofd, of liever ààn 't hoofd, want dat soort van mutsen laat het hoofdhaar tot de kruin toe onbedekt, en een rozerood japonnetje met een zwart schort met puntjes voor, op everlasting schoenen, met kruislinten net als mevrouw, over het schelpenpad aan den overkant rustig voorttrippelt, met aan de eene gehandschoende hand een kind van twee jaar, met een baleinen valhoedje met rozeroode strikjes en, aan de andere, een van drie, in beugeltjes; welke kinderen zij, zoo dikwijls als zij iemand tegenkomt, wien zij een goed denkbeeld van hare opvoeding of van haar dienst geven wil, met het plechtige "uwé" toespreekt: "Spreekt uwé niet tegen meneer, _Sorsetje_?--Foei _Franswatje_, wat maakt uwé uwees handjes vuil met die schullepies."--Aan de Hertebaan vertoonen zich hier en daar een paar jonge dames, in 't bloote hoofd, en in een costuum, dat zij "zoo geheel buiten" noemen, en 't welk voornamelijk gekenmerkt wordt door sterk gekleurde zijden schortjes, bezig met "aan de lieve beestjes eten te geven".--Dit nu zijn de gelukkigen, die bij _Stoffels_ logeeren.--In de Sociëteit is nog niemand, maar een tweetal knechts, een volwassene en een jongen die nooit volwassen worden zal, staan tegen elkander over in het middelste deurraam met de handen op den rug het talent van _Zocher_ te bewonderen, dat de heeren van _Trou Moet Blijcken_ in de gelegenheid gesteld heeft tot de schepen toe te zien, die door 't Sparen gaan.--In 't logement op den hoek zit een Zaandamsche familie, gisteren aangekomen, al de mannen zeer lang, en in een volmaakt pak blauwe kleederen uitgedost, met zwarte dassen en witte onderdassen; de vrouwen met de nationale kap, en zwarte tanden. Zij drinken reeds koffie, en laten zich van den kastelein, die de vrijheid neemt van in de deur te blijven staan, omtrent vele wetenswaardige dingen onderrichten. Opmerkelijk is, tegen een der palen en daarenboven op een stok geleund, een gebrekkig man, niet zoo zeer een bedelaar, als wel een afwachter van aalmoezen; een dier onsterfelijken, die de oudste Haarlemmers altijd even oud en altijd even beschadigd, daar gezien hebben. Sommige verdenken hem van een stilleverklikker te zijn; ik geloof het niet; maar indien hij het is, dan is hij het zeker alleen maar om aan de kindskinderen te verklikken op wat wijze hunne grootvaders in Den Hout hun geld verteerden.

In dezen toestand blijft Den Hout tot elf uren of half twaalf. Alsdan rukt de voorhoede der Haarlemsche wandelaars er in. Zij bestaat voornamelijk uit dezulken, die zich de zes overige dagen, aan beroep of nering gebonden, van alle vertreding spenen moeten, en dus des zondags de grootste appetijt hebben. Het zijn de kleine winkeliers met lange roksmouwen; de boekhouders met watten in de ooren; de ambachtsbazen met hooge hoeden, lange panden, en lange lenden; allen met hunne vrouwen één, en met hunne dochters drie graden boven haar stand gekleed, en alleen in dit bijzondere geval met hunne zonen, wanneer deze het niet zóó ver in de wereld hebben gebracht om zich hunner te schamen; want er vallen secretarieklerken, ondermeesters en kleine bloemisten onder voor; maar indien dit het geval niet is, dan ook kunt gij zeker zijn, vader en zoon met gelijke en gelijkvormige rottingen te zien voortschrijden. Voor het overige bemerkt men nu reeds een enkel jong mensch uit deftiger stand, hetzij dan een notarisklerk of een surnumerair bij het gouvernement van Noordholland, die, daar hij geen schepsel wist te verzinnen, aan wien hij na kerktijd een bezoek schuldig was, nu maar naar _Stoffels_ stapt en, verbaasd van daar nog niemand van zijn kennis te ontmoeten, zich met den hond van den kastelein behelpt, die door zijn innemende vriendelijkheid bewijst dat mijnheer habitué is.

Hem volgen, tegen halftwee, twee uren, de deftige bewoners uit de stad. De fabrikant met zijn familie, de notaris met zijn familie, de boekhandelaar met zijn familie, en de wereldsche kinderen van den geestelijke, zonder hunne ouders. Ook komen nu de bloemisten van den Kleinen Houtweg met vrouw en kroost opzetten. Voorts bemerkt men zusters met haar eerste voiles, die met broers met hun eerste rokken gaan wandelen, op hoop van andere zusters met voiles en broers met rokken tegen te komen; en reeds nu en dan een enkel rijtuig, als b.v. de sjees van den dokter, die met zijn beste tuig en zijn vrouw een toertje doet, en het wagentje van den grutter, die geen pleiziergeld betaalt, alreede tegenkomt; voorts de demi-fortune van den kleinen rentenier; maar ook reeds het blinkend verlakte rijtuig met de zwarte harddravers met witte koorden leidsels van den welgestelden makelaar, en het rijpaard van den kostschoolhouderszoon; alles doorkruist en voorbijgereden van Amsterdamsche char-à-bancs voor twaalf personen, daar er veertien met een kind, en calèches voor drie, daar er vijf met een hoedendoos in zitten, schoon ik zeggen moet dat de meeste dezer laatsten in de stad uitspannen.

Het gebeurde alzoo dat, als wij drieën om één uur de Houtpoort uittraden, wij noodwendig op hun terugtocht tegenkwamen de kleine winkeliers met de lange roksmouwen, de boekhouders met de watten, de hooghoedigen, de langpandigen, de langlijvigen enz., en als 't ware aankondigden de komst der notarissen, der fabrikanten, der boekverkoopers, der doctoren, der apothekers, der bloemisten, der zusters en broers enz., die nog achter ons waren.

"Wat zien uw stadgenooten er over 't algemeen peu fashionable uit!" zei _Nurks_, met dien bijzonderen lach, die de Engelschen _a sneer_ noemen, een zeer druk en aangenaam gesprek afbrekende en oogenblikkelijk weer opvattende, om mij het antwoorden te beletten.

Een boom of wat verder pleegde hij mij hetzelfde boevestuk met den uitroep:

"Ik dacht dat er zooveel beau-monde in je menniste Haarlem was!" en weder vergunde hij mij niet in het midden te brengen, dat de geheele deftige middelstand nog achter onzen rug was, die niet voor een uur later, eerst door de hoogere ambtenaars, en daarna door de haute volée zou worden opgevolgd. Hij wist het ook trouwens even goed als ik.

Wij namen plaats bij _Stoffels_. De onbeleefdheden, die tot nog toe alleen aan ons beiden verkwist waren, werden nu ook algemeen verkrijgbaar gesteld. Ik zat nog niet, toen _Nurks_ al uitriep, zoodat al de belendende gezelschappen het hooren konden:

"Lieve hemel, _Hild_, wat hebje een mooi vest aan; dat had ik nog niet van je gezien; jammer dat het fatsoen een paar modes ten achteren is."

De leelijkert had duidelijk bemerkt, dat ik het voor 't eerst aanhad en er van tijd tot tijd met innig welgevallen naar keek. Ik stak onmiddellijk mijn beenen onder de tafel; want het was mij op zijn minst vijfenzeventig maal gebeurd, dat hij, met een opgetrokken neus naar de punten van mijn schoenen loerende, mij had afgevraagd: "Waar laat je _die_ turftrappers maken?"

Van een goedigen krulhond, die met veel liefde door een oud man gestreeld werd, heette het "Wat een mormel!" Van een paar schimmeltjes, die voor de deur stilhielden en waarmee de eigenaar met groot zelfbehagen pronkte: "Leelijke koppen!" Van het kindje in beugels, dat al van half elf gewandeld had en er schrikkelijk verhit uitzag: "Als ik er zóó eentje had, deed ik het een steen om den hals". Alles luid genoeg om verstaan te worden door de respectieve eigenaars van het mormel, de leelijke koppen, en den jongen heer. Er zat een statig man, wiens geluk half weg was, omdat hij in den morgen bloemen gezien hebbende in het "Cieraad van Flora", bij het inkruipen van een enge broeikas, eenigszins aan een spijker was blijven haken. Hij had daar toen niet veel acht op gegeven, maar nu rustig in Den Hout een sigaar zittende te rooken ontdekt hij te midden zijner overpeinzingen een kleinen winkelhaak in zijn pantalon, vlak bij de knie. Hij had het zoo haast niet gezien of hij wierp er met veel handigheid zijn zijden zakdoek over, maar te laat om de aanmerking van _Nurks_ te ontgaan, die juist op dit zelfde oogenblik tot ons zei: "Ik mag wel zoo'n maneschijntje". De bloemliefhebber kreeg een kleur als een Cactus Speciosa, om welke te verbergen hij in verwarring naar zijn zakdoek greep om zijn neus te snuiten, zoodat de maan weer plotseling door de wolken brak, tot groote vroolijkheid van een gezelschap Amsterdamsche juffrouwen en heeren uit een manufactuur-winkel, dien zich op dien merkwaardigen dag op zijn minst voor staatjufferen en kamerheeren van Z.M. den koning wilden gehouden hebben.

"Is dat een rok van je vader?" vroeg _Nurks_ grappig aan den jongen, die hem zijn limonade bracht, en zich zeker niet zeer bekrompen in dat kleedingstuk bewoog.

"Ik heb geen vader," zei de arme jongen, en het ging mij door de ziel.

De beau-monde verscheen met al zijn gedistingueerde geuren en kleuren; met al de pracht van vederen, sjaals, parasols, mantilles, amazones, koetsiers, rijtuigen en rijpaarden. Ik had het ongeluk gehad _Nurks_ te voorspellen, dat hij een brillante nieuwe equipage zou zien. Hij kreeg die zoodra niet in het oog, of hij vroeg mij ongeduldig:

"Wanneer komt nu die mooie equipage, waar je van gesproken hebt?"

En zoo was het telkens, tot groote ergernis van _Boerhave_, die evenwel nog al aardig vrijliep, maar wiens horlogesnoer ijselijk door _Nurks_ gefixeerd werd, zoodat hij alle oogenblikken dacht dat er iets op komen zou, en eindelijk dan ook zijn rok maar toeknoopte. Ik herinner mij nog slechts twee onaangenaamheden, die _Nurks_ mijn goeden medicus deed doorstaan, doch die even als de aangehaalde zich ook alleen bij het physionomisch hatelijke bepaalden. De eene was deze. Wij spraken over de ongelukken, die men met zwemmen kan krijgen. Op een warmen zomerschen dag is 't een wellust om over water te handelen. _Boerhave_ verhaalde een treffend geval van schitterende zelfopoffering in een zwemmer, buitengewoon genoeg om al de eerepenningen der Maatschappij tot Nut enz. te verdienen, indien deze 't niet tot regel gesteld had, alleen dezulken te beloonen die _niet_ zwemmen kunnen, maar althans buitengewoon genoeg om een steenkoud hart te doen ontgloeien. _Nurks_ evenwel hoorde het met de volmaaktste onverschilligheid aan en nam zelfs onder 't verhaal allerlei bijzaken waar. Nu eens, bijvoorbeeld, scheen hij zich met de borst toe te leggen op het vormen van kunstige kringen van tabaksrook; dan weder blies hij, volmaakt in de houding van iemand die volstrekt niets anders te doen heeft, de sigaarasch van zijn knie, en zelfs van de tafel; dan weder scheen hij al zijn aandacht en belangstelling te wijden aan zijn nog altijd ziekelijken halsboord, die nog telkens nieuwe aanvallen van flauwte had; welke veelzijdigheid van oefening mijn opgewonden vriend, die van geestverrukking gloeide, op den duur weinig streelde. Hij trof het even ongelukkig met het verhalen eener splinternieuwe anecdote van drie Leidenaars, waar ik met mijn heele familie den vorigen avond tot schreiens toe om gelachen had, met groot gevaar van in ons warm brood te stikken, maar die totaal schipbreuk leed op de stalen onbuigzaamheid van mijn heer en neef, die ditmaal in een ander uiterste viel, en zeer geduldig en ingespannen zat te luisteren, ja zelfs zoo geduldig en ingespannen, dat het hem scheen te treffen dat het verhaal waarlijk uit was, en hij nog altijd op het slot en de aardigheid zat te wachten, die, indien men zijn gezicht had willen gelooven, nog immer komen moesten. Mij is niettemin van goederhand verzekerd, dat opgemelde neef èn de edelmoedige menschenredding èn het geval der drie Leidenaars, nog dien zelfden avond, met zichtbare blijken van zelfbehagen heeft medegedeeld op de diligence; gelijk hij ze ook beiden des anderen daags wist te pas te brengen op Doctrina, aan zijn tafel, en in de Munt, en in den loop van de week te pas te _jagen_ op twee concerten en in vijf koffiehuizen (zoodat ik met grond onderstel dat hij er nu de harten der liplappen en der blauwen in de West mee verkwikt); en al wie de eerste niet "verbazend" en de laatste niet "om te schreeuwen" vond, wist hij oogenblikkelijk iets stekeligs te zeggen op het gevoelig punt van bakkebaarden en stropdassen.