Chapter 39
Een groot kwartier daarna: de paarden zijn aan de ruif, en _Gerrit_ krijgt, met opgeslagen mouwen en op de midden aangevatte tang, een kooltjen uit den keukenhaard om zijn kort pijpjen op te steken. "Nou, _Kaatje_, me kind!" heet het uit zijn mond tot een zwaarlijvige, niet heel mooie keukenmeid: "Ik kon niet langer van je van daan blijven. Ik zeg teugen de heeren: me zellen de vier der reis voorzetten; me motten reis na Zomerzorg; ik wil weten of _Kaatje_ nog geen vrijer het".--"Dat kan jou ook wat schelen, _Gerrit_," antwoordt de beminnelijke, "je hebt een vrouw thuis."--"Een vrouw," is 't antwoord, en _Gerrit_ neemt bij die herinnering zijn blinkende hoed eerbiedig af, "een vrouw as twee, _Ka_! en je mot het complement van der hebben. Vraag 't an de heeren! Ik zeg: heeren! help me onthouen dat ik _Kaatje_ de complementen van me wijf breng".
De heeren zitten aan tafel. De eerste tijdperken zijn doorgeloopen. Conticuere; Rumor in casâ; etc. Het wordt een gejoechjach, een geschater, een instellen van toosten zonder end! De heer _Deze_ komt met glimmende oogjes, de helft kleiner dan anders, achter loopen: "_Gerrit_, heb je wel wijn?"--"Wijn, menheer?" vraagt _Gerrit_ met het onnoozelste gezicht van de wereld, zich een glas bier inschenkende. "Bij de goden!" roept de heer _Deze_: "_Gerrit_ heeft geen wijn!" en, naar voren geloopen, komt hij met een gebefte flesch terug. Als ZEd. de keuken verlaten heeft, knipoogt _Gerrit_ buitengemeen zeer; overdubbel tevreden.
De heeren rijden af. Ze zijn ontstuimig. De een wil rijden. De ander wil achterop staan. De derde wil de zweep hebben. De vierde gilt dat hij _Gerrit_ een tientje wil geven, als hij maakt dat ze omvallen.--"Ik heb geld genoeg, menheer! al sterf ik morgen," zegt _Gerrit_, en zit vast op den bok, en klapt met de zweep, en knipoogt en antwoordt met aardigheden, en rijdt geen stap harder dan hij verkiest.
Het is laat in den nacht als _Gerrit_ thuiskomt. De stalknecht sluit de deur open, en licht hem met zijn lantaarn in 't gezicht. "Ze zijn een beetje warm, hé! Ik kreeg slaap op 't laatst; en ik had ze van morgen gespaard."--"Een goeie fooi, _Gerrit_?" vraagt de stalknecht, in zijn linnen jas schurkende van koude, slaap, en begeerigheid.--"Van de man een pop, _Driesje_!"--"'t Is 'en schande, _Gerrit_! zulke fooien as jij altijd sleept."--"Daar hei je der één van," zegt _Gerrit_, "maar laat me na kooi kruipen, zonder dat ik me met iets meer heb te bemoeien."
HET NOORDBRABANTSCHE MEISJE.
Op een mooien Augustusvoormiddag des jaars 1839, betraden twee jonge menschen den vermoeienden, maar schoonen zandweg tusschen Terheide en Oosterhout. Zij waren ter eerstgenoemde plaats uit de diligence gestapt en zouden ter laatstgenoemde het middagmaal houden. De zon scheen wel heerlijk op de welige akkers van rogge en boekweit ter wederzijde van den weg, maar tevens niet minder stovend op hunne stroohoeden en ransels; en daar het jong eikenhout, dat zij langs, en de kleine denneboschjes die zij nu en dan door-gingen, te laag en te iel waren om veel schaduw te geven, begon men toch gewaar te worden dat ook zelfs een voetreis hare onaangenaamheden hebben kan.
"Die drommelsche toren;" begon de jongste, stilstaande en den knop van zijn stok in de zijde zettende om een oogenblik uit te blazen: "die drommelsche toren is nu rechts en dan links, en we vorderen niet."
"Het is toch de goede weg," sprak de oudere, die het eerteeken van den tiendaagschen veldtocht droeg, "ik ken hem wel. Zie, daar ginder, rechts van den toren, is de molen daar we een post bij hadden."
"Is het een mooi plaatsje?" vroeg de eerste, weder voorttredende.
"Allerliefst; gij zult het zien. Koning _Lodewijk_ noemde het een stad; maar daar is 't niet beter om. Er is een marktplein; een ruime kerk met gebeeldhouwd outerstuk, een Berg Calvarië; voorts een mooie ruïne; en veel knappe nieuwe huizen. Maar het mooiste is _Keetje_. Wij gaan naar _Keetje_. Gij zult zien hoe hartelijk zij ons ontvangt."
"Ik hoop," zei de ander twijfelachtig, "dat zij de moeite van dezen afmattenden weg waard mag zijn; want ik heb niet veel op met uwe herbergdeernen. Ze zijn nog al aardig in liedjes en reisverhalen. Maar ik voor mij heb ze nooit anders bevonden dan grof, preutsch en knorrig. Men kan ze niet vriendelijk aanzien of zij denken dat gij ze bederven zult. En zegt gij haar een galanterietje, zoo gapen zij u aan zonder het te begrijpen, of lachen zoo dom tegen "me heir", dat hij eens voor al genoeg heeft."
"Je kent _Keetje_ niet!" viel de ander met gemaakte hoogdravendheid zijn vriend in de rede: "bij alle goden, je kent _Keetje_ niet! Gij zijt niet waardig haar aangezicht te aanschouwen. _Keetje_, het fijnst, het netst besneden bekje van alle Noordbrabantsche meisjes, die ik onder eenigen stand gezien heb. _Keetje_, met het rankste figuur, de liefste voetjes, de kleinste handjes, met kuiltjes op iederen vinger; dat blanke gezichtje, die groote blauwe oogen, met dien doordringenden opslag! Het geestige, hupsche, vroolijke _Keetje_, die zoo lief praat, en zoo lief lacht..."
"En zoo zoet zoent?..." vroeg de jongste; "want als zij zóó is, als gij ze beschrijft, dan is zij licht, vrindlief, en dan zeg ik als in het oude stuk,
"Een mooie meid zou, in een herberg, eerlijk zijn!"
"_Kareltje_!" hernam de andere op den theatraalst mogelijken toon: "dwing mij niet te midden dezer welige natuur een moord te begaan. Nog één woord ten nadeele van _Keetje_, en ik maai uw eerloos hoofd weg, als gindsche maaier de rijpe aren."--En daarop in den natuurlijken toon vallende, ging hij voort: "Ik zou niet graag willen biechten, vriend! hoe menigmaal ik, in den tijd dat wij hier te Oosterhout lagen, haar om een zoen geplaagd, gesmeekt heb. Zoo het mij driemaal gelukt is er een te krijgen, is het veel; en dan is er één bij van toen we wegtrokken. De geheele compagnie was op haar verliefd. Het was _Keetje_ voor, en _Keetje_ na; allen vrijden naar haar; allen droomden van haar; iedereen wou met haar wandelen; met haar naar Raamsdonk rijden--ja er waren er, geloof ik, die haar wilden trouwen...."
"En zij," merkte _Karel_ aan, "zij was à tout le monde, en verhoorde ieders klachten."
"In 't geheel niet; ze was er te verstandig toe, en dat niet alleen, maar ook te braaf. Gij moest haar naar de kerk hebben zien gaan, met de breede zwarte falie, eerst hangende over de schouders, met vrij wat meer gratie dan waarmee b. v. mijn nicht haar mantille draagt, en dan, bij 't ingaan van de deur, over 't hoofd, dat haar lief, devoot gezichtjen er effentjes uitstak. Maar dat daargelaten! Er was niemand, die zich op eenige gunst van haar te beroemen had; er was niemand, dien zij lomp behandelde of boos maakte; zij bleef zoo lief en vriendelijk tegen allen, dat allen dachten met haar op goeden voet te zijn. Het was zot, van zes of zeven menschen dezelfde confidenties te krijgen, die op dezelfde nietigheden berustten...."
"Zij speelde de coquette," zei _Karel_, "net als dat heele duivelsche dorp, of stadje, als het zoo wezen moet, dat telkens weer achter de boomen kruipt; zij speelde de coquette, man! en had haar vingers vol ringen, en haar kast vol presenten van allerlei aard...."
"Geen een! ik verzeker u, dat zij niets aannam. O, zoo je wist hoe zij over die dingen dacht! Ik was haar vertrouwde zoowat. Zij sprak nog al eens veel met mij."
"En gij vielt in de termen van die gelukkigen, daar je zoo even van spraakt, die meenden dat voor hen alleen was, waarin zij met zes, zeven andere deelden?"
"Je zult niet overtuigd zijn, voor je haar hebt gezien en hooren spreken, ellendige!" sprak de ander. "Maar je hadt haar moeten vinden zooals ik, de mooie oogen vol tranen, na een onkieschen voorslag van _Van der Krop_, die te veel gedronken had. Hoe bitter had ze 't op haar zenuwen!"
"En was die _Van der Krop_ een knap manskerel?" vroeg de onverbiddelijke reisgenoot.
"Dat had juist niet over. Ik voor mij noemde hem een monster, en _Keetje_ desgelijks. Er waren er wel die meer indruk op haar lief hartje maakten ...."
"Gij, bij voorbeeld, niet waar?--"
"Nu ja; maar in een anderen zin; ik was haar een vriend; maar onze vriend _Everards_, die stond hoog bij haar aangeschreven. Het zou mij niet verwonderen, zoo zij om diens wil wel eens andere tranen had geschreid."
"Och heden, kom!" zei _Karel_, "het wordt al te aandoenlijk. En nu geen woord meer van _Keetje_, totdat we haar zien."
De twee vrienden kwamen te Oosterhout, en zagen _Keetje_. Zij traden de herberg binnen en vonden haar bij het venster bezig met eenig naaiwerk. De groote geplooide slippen van de Brabantsche muts, waar twee donkere platgestreken haarlokken eventjes uitkeken, vielen over een donkerrood doekje met groene ruiten, dat haar schouders en boezem tot hoog in den hals bedekte en wonderwel afstak bij haar blank kinnetje. Zij zag op, en haar groot blauw oog maakte zulk een indruk op den jongste der beide reizigers, dat hij oogenblikkelijk het getal harer aanbidders vergrootte.
"Zulje dan eeuwig even mooi blijven, _Kee_!" riep de oudste in bewondering uit, haar de hand toestekende: "het is negen jaar geleden sedert we goede vrinden waren, en je bent geheel dezelfde."
"Ik _zij_ toch negen jaar ouer geworden, mijnheer!" zei _Keetje_, vriendelijk lachende, en een rij van de gelijkste tanden ontblootende, die ooit tusschen rozeroode lippen hebben uitgeschenen.
_"Mijnheer!"_ hernam de ander, "kenje me niet meer? Denk aan de Leidsche Jagers."
_Keetje_ rimpelde haar lief voorhoofd om zich te bedenken. "Ik geloof...." zeide zij aarzelende, "ik geloof mijnheer .... _Van .... der Krop_? ...."
DE LIMBURGSCHE VOERMAN.
"Goeden mergen, heern!" zei _Christoffel Hermans_, daar hij bezig was zijn groot paard voor de huifkar te zetten, die ons eenige uren verder voeren moest. "Goeden mergen, heern!"
In dit woord was voor ons eene teleurstelling. Hoe armoedig wij er ook uitzagen; hoe vuil onze Brabantsche kielen, na eene reize van ettelijke weken ook mochten geworden zijn; hoe slap de randen van onze hoeden neerhingen; hoe nederig wij den vorigen avond, na het nederwerpen onzer ransels, onze voeten op de plaat van den gemeenen haard gezet hadden, en met hoeveel eenvoudigheid en gemeenelui's handigheid wij het oude grootjen ook hadden bijgestaan in het snijden van snijboonen tot haar wintervoorraad, het was ons niet gelukt voor reizende kooplui of gelukzoekers door te gaan; wij waren _heeren_, en moesten, niettegenstaande den droevigen staat onzer finantieën, er op voorbereid wezen, benevens onze melksoep van gisteravond, ons logies van vannacht, en ons ontbijt van vanmorgen, nog den titel van heeren te betalen.
_Christoffel Hermans_, zeg ik, was bezig zijn groot paard voor de huifkar te zetten; en verrichtte dezen arbeid op een kleine voorplaats, waar hem zijne kippen en kalkoenen over de voeten liepen, gedurig met het paard redeneerende.
"Stappertje! opgepast van daog, zulle! ge kraogt het nuwe vliegennet over den baste, en de nuwe bellen. 'En biesjen achteruut, maot; ziede ga niet dat ga de poes op de poot trappen zult. Zie zoo; kaaik, we zallen eenen goeden oop ooi in den zak doen. Dan modde ga ook goed stappen, zulle!" enz.
Onder deze hartsterkende taal werd het kolossale dier op een schitterende wijze uitgedost met een groot geknoopt vliegennet van het vurigste klaproosrood, waarvan het voorste gedeelte onder den voorriem van het hoofdstel werd doorgetrokken, en het achterste om den staart gestrikt; rondom behangen met eene lange, luchtige franje van 't zelfde, en twee groote roode kwasten over de haken der boomen.
Het is opmerkelijk hoeveel bijhangsels er tot de optuiging van een Limburgsen paard behooren waarvan men geene mogelijke nuttigheid kan uitdenken, en die ook alle, volgens getuigenis van den voerman, "allien maor voor den sieraod" zijn. Daaronder tellen een groot getal korte riemen en touwen, die van het hoofdstel tot het haam gaan, terwijl toch het beest enkel door stem en zweep (met hot en her) geregeerd wordt; daaronder, een paar koperen instrumenten, in de gedaante van breede groote haarkammen, op hetzelve haam, die niet zouden mogen ontbreken, hoe volstrekt doelloos zij ook zijn. Voeg hierbij een zwaren ijzeren ketting langs den boom der kar, en een krans van bellen om den nek van 't paard, waarvan de eerste een openlijke bespotting is van de groote makheid van het dier, en de andere een dadelijk paskwil op de breede wegen, waarop men elkander een uur ver ziet aankomen.
Toen al deze fraaiïgheden naar behooren waren in orde gebracht en een groote hoop versch hooi in het tusschen de wielen bengelend net was geworpen, werd, dwars in de kar, een dikke bos stroo geklemd, waar _Vlerk_ en _Hildebrand_ plaats op namen; de deuren van den hoenderhof werden opengezet, en _Christoffel Hermans_, een kerel van zes voet, met een schoone blauwe kiel aan, trad vooruit, met de zweep van gevlochten teen losjes in den elboog gesteund, en wees zijn stapper den weg. Het roode vliegennet kwam in beweging als een langzaam golvende bloedstroom, de bellen klonken, de keten rammelde, de twee zware wielen van de kar dreunden. Wij joegen den haan, die op de huif gevlogen was, weg, en onze tocht ving aan, terwijl _Christoffel Hermans_ in 't blauw, en het groote paard in 't rood, wedijverden wie de grootste stappen konde nemen.
"Hoeveel tijd rekenje, dat er noodig is van hier naar Quaadmechelen, voerman?"
"Laot zien," zei hij; "'t mag drie uren gaons wezen; dats begens vierdehalf uur met de ker."
Men merkt op dat de huifkar een uitmuntend middel van vervoer is voor personen die niet gaarne willen dat al wat zij voorbijrijden hun geel en groen voor de oogen wordt. Inderdaad, ik kan het aan alle voetreizigers aanbevelen, daar het in de gelegenheid om het land te zien (mits men de huif oprolle) geen de minste belemmering brengt. Het is ook waarlijk alleraangenaamst voor dezulken die wel eens stijf van 't zitten worden, aangezien niets gemakkelijker is dan zich van tijd tot tijd, tot verpoozing, achter van de kar te laten afglijden terwijl het paard voort blijft stappen, en een weinigje langs de wielen te wandelen, zonder dat zulks eenig oponthoud in de reis veroorzaakt. Hier komt bij, dat men naar alle menschelijke berekeningen geen nood heeft een ongeluk te krijgen; daar er noch riemen zijn die knappen, noch veeren die doorzetten kunnen. Wat betreft het afloopen van een wiel, ik ben overtuigd dat dit geen de minste stremming zou te weeg brengen, daar de velgen zoo breed zijn, dat ik zeker ben dat het geheele gevaarte evengoed op één als op twee wielen kan overeindstaan. Voeg hierbij, dat deze manier van vooruitkomen niet duur is, en dat gij behalve "een glaoske bier" aan den voerman, die daar op den duur nog al behoefte aan heeft, met geene verdere onkosten te maken hebt, daar het paard zijn ruif onder den wagen met zich voert, en ook lang zoo maltentig en verlekkerd niet is als onze goede Hollandsche paarden, die geen anderhalf uur kunnen loopen zonder te moeten blazen, brood te krijgen, en te worden gedrenkt.
Zoo gij daarenboven een voerman aantreft als onzen _Christoffel Hermans_, een goeden hartelijken kerel, vol mededeelingen en verhalen uit den "veldtocht", wordt de lange wijle u nog al aardig verkort. Gij hadt hem moeten hooren vertellen van de opschudding, die de Leidsche studenten te Quaadmechelen gemaakt hadden, en hoe een juffrouw, die in de verwarring vóór in de borst geschoten was dat de "koegel" achter uitkwam, er desalniettemin dik en vet tegenin geworden was; hoe "vrundelijk de mogendheden van den Ollander" zijn, daar èn de Prins van Oranje èn "den anderen Prins" hem teruggegroet hadden, toen hij zijn hoed had afgenomen; en hoe hij op deze zelfde kar het doode lichaam vervoerd had van een soldaat, door "de mogendheid van Saksen Weimar" met eigen hand in tweeën geslagen, omdat hij begon "te plunderen en te ontrampeneeren" en tot een Limburger had gezegd: "trek de broek uit, want de mijne is stuk". En hetzij uw voerman een Ollandsch, hetzij bij een Belgisch Limburger wezen moge, gij zult met vreugd de opmerking maken dat hij, in ieder geval, door taal, karakter en levenswijze zoo goed bij Holland behoort als gij en ik.
DE MARKENSCHE VISSCHER.
Ultima Thule
Telken jare, in den beginnne van het jaar, wordt het Haarlemsch straatpubliek onthaald op het voortreffelijk gezicht van een vijf- of zestal jonge reuzen, welke, met een ouden reus aan 't hoofd, langs de straten worden gezien, vooral op de hoogte van het Gouvernementshuis en den Doelen, waar zij door straatjongens met even veel belangstelling worden aangegaapt en nageloopen als een bedelende Poolsche Jood met langen baard en spitse muts of, omstreeks den kermistijd, een Parijsche Armeniër met geparfumeerde kleederen en gebloemden tulband. Het personeel der jonge reuzen verandert jaarlijks, daar er bij dezen optocht geen andere geduld worden dan die hun achttienden verjaardag gevierd hebben en hun negentienden nog niet hebben beleefd. Maar de oude reus, die aan 't hoofd stapt, is en blijft dezelfde en wordt slechts met ieder jaar een jaartjen ouder. Deze reuzen zijn alle volmaakt op dezelfde wijze gekleed. Zij dragen (om te beginnen met hetgeen het meest in 't oog loopt) ontzettend wijde korte broeken, met diepe zakken waarin zij hun handen bestendig verborgen houden, en nauw om 't lijf sluitende wambuizen, waaronder zich een dichtgeknoopte damasten of blauwkatoenen borstrok, naar gelang van den geldelijken toestand des eigenaars, vertoont. Buis en broek zijn van een grove bruine stof, geen laken. Op het kleine hoofd voeren zij een lagen, breedgeranden ronden hoed om, en hunne dikke kuiten zijn omkleed met grijze kousen. Hooge schoenen bedekken hunne groote voeten. Als versierselen van weelde dragen sommige, en althans de oude, kleine ronde gouden of zilveren knoopjes in de roodgeruite das, aan de hemdsmouwen, en vóór in de broek. Het uitzicht dezer reuzen is niet kwaadaardig. Zij hebben knokige, vooruitstekende voorhoofden en jukbeenderen, waartusschen hunne vriendelijke lichtgrijze oogen verborgen liggen; breede monden; kleine witte tanden, en dunne haren van de echt Celtische kleur, die bij den ouden reus reeds eenigszins beginnen te verbleeken. Zooals zij zich daar op Haarlems straten vertoonen, maken zij uit het contingent van het eiland Marken voor de nationale militie, met den Edelachtbaren Heer Burgemeester van datzelve eiland aan 't hoofd.
Kent gij het eiland Marken? Het levert het doorslaandst bewijs dat soberheid en ontbering de kloekste menschengeslachten kweeken en in stand houden. Marken is, zou men zeggen, een hoop slijk in de Zuiderzee; meer niet; hier en daar een weinig gras voor een enkel mager paard, en voorts geen plantenleven dan een steel of wat lepelblad, tegen de scheurbuik. Op Marken geene schaduw van een enkelen boom. Op Marken geen schijn of zweem van eenigen oogst. Op Marken zelfs geen bakker. Het brood dat het reuzengeslacht, hetwelk op dien moddergrond tiert, eet, wordt in Monnikendam bereid; en als de veerschuit, die het dagelijks aanbrengt, de slechte haven niet binnen kan loopen, hongeren de reuzen. En toen heeft zich aldaar het waarachtig type onzer oudste voorouders bewaard, in die mannen van meer dan zes voet, met schouders als Atlassen en goudgele lokken; en de nieuwsgierige, die den voet onder dit eenvoudig visschersvolk zet, vindt er de huizen, de gewoonten, de zeden, de begrippen van voor twee eeuwen; ofschoon het niet te ontkennen is, dat de lichtingen voor den krijgsdienst, en het verval der groote en kleine visscherijen, dat den Markenaar nu ook tot een ansjoviszouter maakt, hem eenigszins uit zijn afgesloten kring hebben gerukt. Ik voer er heen met een zeventigjarig grijsaard aan 't roer, die zoo vast aan spoken en toovernaars geloofde als aan de Heilige Drieëenheid. Ik hoorde er een godgeleerd gesprek, waarin van Voetianen en Coccejanen werd gesproken op eene wijze, alsof die twisten nog aan de orde van den dag, alsof de heeren Voetius en Coccejus, in blakenden ijver, nog alle dag te spreken waren. Ik zat er in de burgemeesterswoning mijn kleeren te drogen bij een vuur, waarvan de rook geen anderen uittocht had dan door het dak. En toch werd mij ook aldaar de keus gegeven tusschen een glas Parfait Amour, of een glas Rose sans épines, naar welgevallen, en de man verhaalde mij, dat hij er "den Gouverneur spuutwien" (zoo noemde hij champagne) had "voorgezet", toen ZEx. hem, op zijn toer langs de eilanden, bezocht had. Ik moet hem evenwel het recht doen van te verklaren, dat hijzelf zoo min het een als het ander met de aanraking zijner burgemeesterlijke lippen verwaardigde.
Verwonderenswaardig is de hoogte der bedsteden, waarin dit reuzenvolk den zegen des slaaps geniet. Het zijn een soort van torens, welke zij met verscheidene trappen beklimmen. Indien gij echter hunne woning beschouwt, en van een dezer groote zwaluwnesten, tegen den zolder opgehangen, de gordijnen ziet opengeschoven, en uw oog stuit op een hoogen stapel kussens, waarvan de sloopen op een zeer eigenaardige en alleen Markensche wijs zijn bewerkt en waarover een keurige sprei ligt, op dezelfde wijs bestikt, zoo waan niet dat daar de plaats is, waar de Titan zijne Titane in de armen zinkt. Het is het pronkbed. Want ook hier wordt gepronkt. Dat getuigen bovendien alle de wanden der armelijke hut, niet minder blinkende van gedreven koperen schotels, dan de poffertjeskraam der beroemde firma _Spandonk_.
Maar gij verbaast u, als gij dit eiland in zijne lengte en breedte doorwandelt, ja zelfs de huizen binnentreedt, geene vrouwen te zien. Geen wonder; zij zijn volkomen menschenschuw en vluchten op den aanblik van een vreemdeling. Zoo gij er echter eene enkele te zien krijgt, zult gij bemerken dat zij een paar hoofden kleiner zijn dan de mans en zelden uitmuntende in schoonheid. Zij dragen witte kappen, waaruit het vóórhaar in twee lompe, onbevallige, niet krullende vlokken langs haar aangezicht valt. Haar jak en rok zijn van grove stof, en op de borst spelden zij een witten doek, al wederom op Markensche wijze bestikt. Het jak is meestal veelkleurig, en wel zoo, dat het van achteren anders is dan van voren; doorgaans toonen de Markensche vrouwen een rooden boezem en groenen rug, of omgekeerd. De kinderen hebben geen ander speelgoed dan een tamgemaakte zeemeeuw, die zij een ijzeren ring om den hals doen dragen. Wat hun voorkomen betreft: gij moet ze niet beoordeelen naar het proefje, dat daarvan op de laatste kermissen is te zien geweest, toen gij u, tot uw uiterste verbazing, eenige honderden ponden gevormd menschenvleesch, op naam van een zuigeling van drie maanden, zaagt voorstellen. Het toonde u echter wat de natuur op Marken vermag, en welk een voedzaamheid de Markensche moedermelk bezit; weshalve ik alle Monnikendamsche huisvrouwen, die wel Markensche dienstmaagden gebruiken, aanraden zoude zich van Markensche minnen te onthouden.
De koddigste figuur maken te midden van dit ouderwetsch, dit zeventiende-eeuwsch geslacht, de predikant, de schoolmeester en de chirurgijn; pygmeeën, bij ongeluk onder deze enakskinderen verdwaald, en wier meer hedendaagsche kleeding zonderling afsteekt bij die der landskinderen, die allen orthodox, allen hardleersch, en allen welvarende zijn.
DE JAGER EN DE POLSDRAGER.
"Morgen!" zegt de jager en hij steekt zijn groen gemutst hoofd om 't hoekje van de deur der woning, waarin de boer en de boerin met acht à negen kinderen, twee knechts en een meid hun ochtendstuk zitten te gebruiken.
"Morgen, _Arie_!" roept de boer, terwijl de roggebroodskruimels, die hem bij deze begroeting uit den vollen mond vallen, door den jachthond worden opgesnuffeld. "Rais opsteken?"--"Twaalf blaadjes!" zegt de jager, zich op de stalling nederzettende en een pijpjen uit zijn pet krijgende, terwijl hij het geweer tusschen de beenen houdt, waarvan de boerin de oogen niet af kan houden.
"'t Staat in de rust, moeder!"--"Nou ja, _Arie_; da's goed; maar een mensch is er toch altijd skrimpeljeuzig van!"