Camera Obscura

Chapter 38

Chapter 383,889 wordsPublic domain

"Je zelt haast gedaan hebben, schippertje!" zei een juffrouw in de roef, onder haar bril uitkijkende, tot onzen _Rietheuvel_, nadat zij vruchtelooze pogingen had in 't werk gesteld om een heer, die in 't hoekje zat, aan den praat te krijgen. "Je zelt haast gedaan hebben, schippertje!"--"Hoe zoo, juffrouw?" vroeg de kapitein.--"Wel, met die Spoorwegen!"--"Spoorwegen! juffrouw da's geen duit waard. As 't anders niet was; _die_ hebben haast gedaan. Maar dat nieuwe."--De juffrouw wist ter wereld niets nieuwer dan spoorwegen, en "men zou er _haar_ ook niet opkrijgen".--"Ja maar," merkte _Rietheuvel_ aan, "in dat nieuwe ga je wèl. Je hebt ommers wel gelezen van dien Onderaardschen Schietblaasbalk?"--"Van die wat?" vroeg de juffrouw, haar bril van den neus nemende, "van die wat?"--"Wel, van dien Onderaardschen Schietblaasbalk?" riep de schipper, zoo hard als zijn verweerde stem gedoogde. "Heerlijk hoor! Je hebt pijpen, buizen, kanalen; onderaardsche, weetje? 'k zel zeggen van Amsterdam na Rotterdam, en vicie versie; dat zijn de twee grootste. Nou heb je dan ook korte, voor Halfweg, Haarlem, Leiën,.... dat begrijpje, na venant."--De juffrouw spitste de ooren en opende den mond.--"Best; je komt in 't ketoor; je ziet een partij luiken in de' vloer, met groote letters, beschilderd; al de plaatsen, weetje, die staan der op. Halfweg, Haarlem, Leiën, allemaal. Je ziet een groote schaal hangen en een knecht in leverei, netjes as 't hoort, der bij. Waar mot de juffrouw nou b.v. wezen? Zeg maar wat!" Hier wachtte de verhaler op een antwoord, maar de juffrouw wist niet wat ze zeggen zou, en vreesde dat het geheele verhaal een strik was om hare onnoozelheid te vangen.--"Nou goed; as je 't dan maar weet. Ik zel maar zeggen: je mot te Rotterdam zijn. Je krijgt een kaartje. Best. Belieft u maar op de schaal te stappen."--Hier kon de juffrouw zich niet bedwingen: "Op de schaal, schipper?" riep zij uit, en hare oogappels werden van verbazing zoo groot als tafelborden, "wat mot ik op de schaal doen?"--"Dat zel je hooren. UE. wordt gewogen. Je bent nog al dikkig. Goed. Zooveel pond, zooveel kracht op de' blaasbalk. Belieft u maar op dat luikie te gaan staan. Pof! je zakt in de' grond, Ruut! daar ga je, hoor! Je ziet niks niemendal as egyptische duisternis. 't Hoeft ook niet. Tien menuten! knip, knap, gaan de veeren. Daar sta je _weer_ in een ketoor; je denkt in 't zelfde? Mis! Je bent te Rotterdam. Is 't waar of niet, _Piet_?"

Op dit beroep antwoordt de aangesprokene, die als knecht met den Mottige vaart, niet anders dan door het hoofd te schudden en een pruimpje te nemen.--"Piet wordt er Weger bij," vervolgt de schipper: "je kunt er de teekening van zien; 't zou al lang ingevoerd wezen, me lieve juffrouw! maar 't het motten wachten totdat die wije mouwen uit de mode waren.--_Pietje_, 't wordt koud, man! je hebt je jaren. Wees niet nuffig omdat er een juffer in de schuit is; trek je schanslooper an, maat; en geef mijn me zuidwester, want 'et begint te regenen."

"Ja menschen!" merkt de juffrouw aan, "je mag wel voor je gezondheid zorgen. Ik weet niet hoe je 't uithoudt!"

"Uithouën?" zegt de schipper: "de juffrouw mot weten dat er geen menschen ouèr worden as schippers en schoolmeesters. De schoolmeesters, van de onschuldige asempies van de kinderen, en de schippers, van weer en wind."

DE SCHIPPERSKNECHT.

"Indien wij eens een meid minder hielden," zei Burgemeester _Dikkerdak_ tegen mevrouw _Dikkerdak_, op een mooien morgen, en hij plukte aan de franje van zijn japongordel, op eene wijze alsof hij er een zwaar hoofd in had dat dit voorstel fortuin zou maken.--"Een meid minder!" riep zij uit, en hare oogen begonnen gevaarlijk te vonkelen: "dat's onmogelijk, mijnheer! Als er te veel verteerd is, het is door de meiden niet geschied. De meiden moeten blijven. _Ik_" (en zij drukte verbazend op dat voornaamwoord) "_ik_ kan geen enkele domestique missen!"--Burgemeester kreeg een hevige hoestbui, want hij was vol op de borst; hij vouwde het exemplaar van de Haarlemsche Courant van Dinsdag--October 18--(het is lang geleden) bedaard in "deszelfs" officiëele plooien, lei een blokje bij op het vuur, wandelde naar de vensterruiten, keek eens naar de boomen van zijn buitenverblijf, en daarna, over zijn buik heen, naar de punten van zijn gevlamde pantoffels; kreeg nog een hoestbui: verliet de kamer met statigheid; ging zich laten poeieren, en sloot zich, deze plechtigheid volbracht zijnde, in zijn eigen kamer op. Toen strekte hij zijne hand uit en schelde.

"Laat _Kees_ boven komen!" sprak hij tot de binnengetreden dienstmaagd.

_Kees_ kwam; gepoeierd als zijn heer; een man van ongeveer vijftig jaar, van middelbare gestalte. "Wat belieft meheer?"

"_Kees_," begon Burgemeester; maar een nieuwe aanval van de volle borst belette hem verder te gaan.--_Kees_ hoorde in de eerbiedigste houding de bui uit.--"_Kees_," hervatte de Burgemeester: "je hebt me tweeëntwintig jaar trouw gediend; eerlijk gediend; ijverig gediend..." _Kees_ schepte moed; hij had gedacht dat er iets onaangenaams aan de hand was, en de Burgemeester was een gestreng heer. Maar als de Burgemeester zag dat het gezicht van _Kees_ opklaarde, vatte hij ook moed; zoodat er op dat oogenblik twee menschen bijeenwaren, die beide den besten moed van de wereld hadden.--"Trouw gediend!" herhaalde de Burgemeester.

"Na mijn beste weten," zei _Kees_ bedaard, en bekeek de roode opslagen van zijn grijsgelen rok.

De Burgemeester nam een snuifjen en zeide: "Ik heb maar naar de gelegenheid gewacht om er u voor te beloonen."

"Wat dat betreft, meheer!" hernam _Kees_, en een groote traan kwam om het hoekje van zijn neus kijken, want hij was een gevoelig man, ondanks zijn bakkebaarden: "Menheer is altijd een goed heer voor me geweest. Ik verlang..."

"Hoor, _Kees_," zei de Burgemeester, "kort en goed: er is een stadspostje vacant, en ik had gunstig over je gedacht. Het is een makkelijk postje, een goed postje..."

"Maar," zei _Kees_, "as ik de vrijïgheid nemen mag menheer in de rede te vallen; ik wenschte volstrekt niet te veranderen..."

De Burgemeester kreeg wederom een geweldige hoestbui.

"En as ik de vrijïgheid mag nemen," ging _Kees_ voort, "te vragen: welk possie?..."

Burgemeester _Dikkerdak_ streek zich met deftigheid langs de kin. "Het beneficie van knecht aan het ...sche veer", zei Burgemeester _Dikkerdak_ met majesteit. "Het wordt binnenkort vergeven. Bedenk er u op, _Kees_! Ik raad het u aan. En ga nu heen--(kuche! kuche!) en vraag (ùche, ùche) of mevrouw (ùche, ùche) mijn stroopje wil boven sturen met _Betje_; ik heb (ùche, ùche) het weer schrikkelijk weg."

_Kees_ wenschte nog iets in het midden te brengen. Maar de Burgemeester hoestte zoo ontzettend, en werd zoo rood in 't gezicht, en wenkte zoo duidelijk met de hand dat hij het stroopje volstrekt terstond hebben moest, dat _Kees_ het raadzaam oordeelde te vertrekken.

"Schippersduvelstoejager!" riep _Kees_, een uur daarna zijn huis binnentredende, en zijn gegalonneerden hoed op de steenen smijtende, zoo ver die vliegen wou. "Schippersduvelstoejager!"

Zijn goede _Leentje_ dacht dat hij gek geworden was, raapte den hoed op, en vroeg wat hem scheelde?

"Ik mot schippersknecht worden," riep hij, en zijne oogen rolden vreeselijk in zijn hoofd: "Schippersknecht, omdat ik menheer tweeëntwintig jaar trouw gediend heb! Met den zwabber hé...? Een mooi baantje! Hoo--o--o--! roepen met twintig o's bij een brug; en hu--u--u--u--! met vijftig u's bij een schoeiing... Heerlijk hé!"

De goede eegade begreep juist niet al te veel van deze uitboezemingen, maar welke was hare ontzetting en afschuw, toen zij de oorzaak vernam! "Wat?" riep zij uit... "Jij met pakkies langs de deuren loopen; een karrepoesmus op je gepoeierde hoofd! Jij een soldatekapot om je lieve lijf in plaats van je rok met passement! En je hebt ommers pas een nieuwe?..."

"Het helpt niet, vrouw!" zei _Kees_; "ik heb 't al gemerkt; der is zwarigheid bij menheer; maar 't is maar ongelukkig voor die 'et treft."

"'t Zel _niet_ gebeuren!" riep _Leentjen_ uit. "Laat menheer je afschaften; laat ie je op straat sturen; maar geen schippersknecht, as je tweeëntwintig jaar knecht bij een heerschap bent geweest."

En met eenparigheid van stemmen werd besloten dat het _niet_ gebeuren zou. _Wat_ er gebeurde, mag _Kees_ op zijn eigen manier vertellen, zoo als hij het meer dan eens gedaan heeft, met de hand aan de roerpen.

"Dat bleef zoo hangen: maar 'en veertien dagen; 't was op een dingesdag, en menheer ging alle dingesdaggen na burgemeesterskamer; zoo reeën we na stad. Stilgehouën voor 't stadhuis; ik klim der of en help menheer der uit. Wacht hier een oogenblikkie, _Kees_! zeit ie.--Met 'et rijtuig? vraag ik.--Neen, _Kees_, zeit ie; jij alleen; ga maar bij de bodes, daar heb je nog kennis bij.--Nou, ik _had_ er een vollen neef bij. Wat kom _jij_ hier doen? zeit me neef. Ik zeg, ik weet 'et niet, zeg ik; en menheer stapt zoo binnen. Nou, ik docht: menheer zal alevel zoo gek niet wezen dat ie daar binnen van dat possie spreekt; want ik docht, dat ding is ofgedaan; hij het wel gezien dat ik der geen zin in heb. Maar al zen leven! Ik wacht wel een hallefuur; daar wordt gescheld. Me neef na binnen, met 'n bos op zen borst, wat ben je me! In een ommezien was ie weerom; daar hadje 't lieve leven gaande. Ik most boven kommen. Daar hadje menheer zitten, die nog al tamelijk dik is, en dan hadje die dikke _Van Zuchter_, en dan menheer _Daats_, die zen zoon nou ook al burgemeester is, loof ik, en dan de overleden heer _Watser_ met z'n staartpruik, en dan menheer _Kierewier_; maar die had dan eigenlijk niets te zeggen; die was zoo veul als sikretaris, en die zat midden in de pampieren. Nou had die dikste, die _Van Zuchter_, zoo'n hamertje in zen hand; en die begon me daar een preek te doen, en een gelukwensching en, in één woord, te zeggen dat, deur mooi praten zus en zoo van menheer _Dikkerdak_ (_mijn_ menheer dan), de heeren zoo over me gedocht hadden, om me dan te maken, na me begeerte, note bene! knecht bij 'et veer; en dat ze hoopten dat ik die post trouw en eerlijk, en al die viezevazen, waar zou nemen. Kijk! ik werd zoo kwaad menheer! dat ik docht een beroerte te krijgen; en ik docht: wacht, dikke! hou jij maar reis 'en oogenblikkie op, dan zel _ik_ reis-meepraten--want weetje wat? ik meende ze vierkant te zeggen dat ik 't _niet en dee_. Maar ja wel! zou gou as ie amen gezeid had, zel ik maar zeggen, daar begonnen ze allemaal me te filiciteeren en te doen, dat het een aard had; en die _Kierewier_ was ook al klaar met een pampier, dat ie me in men hand duwde; en _mijn_ menheer dee maar niets as hoesten; nou _was_ ie vol op de borst; en eer ik wat zeggen kon, daar tastte menheer _Van Zuchter_ na zoo'n groote tafelschel; ik weet niet dat ik me leven zoo'n tafelschel meer gezien heb; het leek wel zoo'n klok; en toen--luien wat ben je me! En toen kwam neef weer binnen, en ik had maar te vertrekken.--Maar wat die vrouw anging, toen ik daar thuiskwam als schippersknecht....! Maar ik _was_ nog haast niet thuis, of daar had je mevrouw _Dikkerdak_ al, en de jongejuffrouw! allemaal maar filiciteeren, en dat ik gou schipper zou worden! Een mooi ding; al de schippers zijn jonger van jaren as ik; en ik ben nou op drie na de jongste knecht; van dienst dan.--En wat me vrouw huilde, toen ik op 'en kouën ochtend na de schuit most, met me schanslooper over men arm! Lieve kinderen menschen!--Och ja, zoo sukkelen we nou maar vort. Menheer is dood, en mevrouw is dood, en de jonge juffrouw het onderlaatst nog met me gevaren; maar ze zei temet geen gendag of genavend; en ik ben nou in me tweeënzeuventigste...! Hoo--o--o--o--h, jagertje! De lijn kan wel stuk met die horten! Hij mot nog langer mee as ik: as 't God blieft!"

DE BARBIER.

Omme den Heer J. D. _van den Aanzett_, Chirurgus te Monnickendam.

Mijn waarde Collega!

De lange winteravonden en het betrekkelijk klein getal patiënten permitteeren mij u toch vóór nieuwejaar nog eens een confraterlijken brief te schrijven, waartoe ik lang lust, laat ik zeggen, waar aan ik al lange behoefte ben geweest hebbende; zoodat ik nu den stumilus niet langer kan wederstaan. Gij zoudt niet gelooven hoe in deze hoofdstad het getal dagelijks vermindert der confraters, met wie men eens redelijk over de wetenschap van denkbeelden wisselen kan; het zijn bijna alle tegenwoordig menschen zonder eenige de minste studie, die ja, de operatie verstaan, dat wil zeggen er het manuaal, de dexteriteit van bezitten, maar zonder eenige theorie of systema te werk gaan en geen rekenschap van hunne zaak kunnen geven; die zelfs niet capabel zijn, indien zij door eene toevallige omstandigheid eene ulceratie veroorzaken, dezelve secundum legum artum te genezen, of een emplastri te smeren; waarom zij dan ook gewoonlijk, bij gemaakte blessure, niet beter weten aan te raden dan koud water of een watje.

Och, mijne goede _Van den Aanzett_, toen wij te zamen bij uw waardigen oom in de Amstelstraat het vak in onze jeugd beoefenden, was het een ander vak en een andere tijd. Wie zou het gewaagd hebben dien doorkundigen geleerde den onteerenden naam van barbier of scheermeester te geven, welke in de uitvoerigste woordenboeken van die dagen zelfs niet gevonden werd? Tegenwoordig worden wij aldus door groot en klein genoemd. Men heeft ons vak uit den kring der medische wetenschappen weggerukt en op zichzelven geplaatst, zoodat het verdort en verdroogt als een afgescheurde tak, van den boom geamputeerd. Weinige zijn zoo gelukkig als wij, dat het hun vergund is gebleven het hooger chirurgische nog te blijven uitoefenen; maar welke is de consideratie die wij genieten? welk is het cas, dat men van ons bij de Provinciale Geneeskundige Commissiën maakt? En moeten wij niet bekennen, ons scheermes in dezen stikdonkeren tijd al de fiducie van ons lancet wegneemt?

Vonden wij nog maar in de tractatie van hetzelve scheermes een overvloedig middel van bestaan, zooals eene kunst behoorde te kunnen opbrengen, welke in zulk een nauw verband staat met de beschaving, en van welke zoo onbegrijpelijk veel afhangt in de maatschappij, wij zouden ons alsdan ten minste kunnen getroosten het algemeen profijt niet geheel zonder profijt voor onszelven te behartigen. Maar indien het u als mij gaat, dan verliest gij ook dagelijks kalanten en worden er geen nieuwe geprocreëerd. Gisteren; en deze omstandigheid moveert mij juist u heden te schrijven; gisteren verloor ik mijn laatste patiënt, die gewoon was zich tot in den nek toe te laten razeeren, met een breed instrument en een weinigjen in het harde systema, zooals onze overledene patroon gewoon was de burgemeesters te behandelen, toen men er nog op gesteld was, de deelen der onderkin en des halzes een blozend voorkomen hadden. Nu is het aan de orde zooveel mogelijk haar te laten staan, tot groot affront voor de uitvinding _Tubal-kains_ en van het chirurgische vak, en ik durf zeggen, tot groot detriment van de goede zeden daarenboven. Want ik praesummeer op goede gronden, dat alle koningsmoorders, zelfmoordenaars, oproermakers en comedieschrijvers, in Frankrijk en elders, hunne verwildering grootendeels hieraan te danken hebben, zij van de jaren der pubertas af, hun baard den vrijen teugel en op die revolutionnaire wijze groeien laten, welke men "een jonge Frankrijk" noemt.

Ik zie ze dagelijks in de printewinkels.

Maar om tot den ontslapene terug te keeren. Ik kan wel zeggen met ZEd. mijn geheele ambitie voor het vak is ten grave gedaald. Want wat wil men tegenwoordig? Met achterstelling van al het gracieuse, al het waarlijk schoone der operatie, wil men alleen gauw geholpen wezen, en zoo zacht en ongevoelig, alsof men den baard weg _waschte_. Wie kan op zulk een wijze het vak eer aandoen? wie zich een waarachtig discipel betoonen van onzen onvergetelijken _Blaaskrop_, als alles in vijf minuten moet afgeloopen wezen? Maar weet gij, mijn waarde _Van den Aanzett_, wie het zijn, die u en mij en het geheel chirurgicale vak bederven? Niemand anders dan die infame Engelsche natie, die de bron is van al onze ongelukken.

Sla de eerste courant de beste op, die gij in handen krijgt, en gij zult er u van overtuigen. Overal zult gij de emblemata van ons vak in slechte houtsnee op een misselijke wijze zien afgebeeld, om er tot uwe interne indignatie bij te lezen dat er weder een nieuwe soort van "patent razoors, patent stroppen, patent zeepen" is uitgevonden, alleenlijk met het doel om de paarlen, ik mag zeggen, voor de zwijnen te werpen, ons moeielijk kunstvak tot een allemans goed te maken, en ons en onze kinderen te bestelen. Ik vraag maar, mijn waarde collega! Ik vraag maar, wat beteekent die gansche fraaie instelling der patenten, indien het iedereen, niet alleen ongegradueerden, maar zelfs ongepatenteerden, veroorloofd is zichzelven den baard af te nemen? Ziedaar eene vraag, welke het wel der moeite waard ware der Tweede Kamer eens te presenteeren, en ik ben nieuwsgierig hoe de Heeren er zich zouden uitredden. Maar wat zou het baten, _Van den Aanzett_? wat zou het baten? Geloof mij, indien gij het te Monnickendam gelooven kunt; maar hier in de hoofdstad heb ik abondantelijk occasie om er mij van te overtuigen; dat een derde der Edelmogenden (o schimmen der voorvaderen!) zich de hulp der faculteit ontzegt.

Maar laten wij dit voor ons beiden chagrinant capittel laten varen; mijn brief is reeds lange, en ik heb dezen avond bepaald tot exercitie mijner beide zonen, die elkander voor het eerst wederkeerig bij kaarslicht de operatie doen zullen. Nog slechts een woord van de gezondheidstoestanden in deze hoofdstad. Er zijn hier nog altijd vele koortsen, en ik blijf ze met onzen onvergelijkelijken patroon aan de principiums noncentiums van het water toeschrijven, in combinatie met de humeuren van de athmosfeer. Maar geloof mij, dat het kinazout er op den duur veel kwaad aan doet. Ik heb onlangs de eer gehad een patiënt te cureeren, dien men met die miserabele sulphatis quinini totaliter in den grond hielp, enkel en alleen door ZEd. aan te raden gewone trosrazijnen te eten op een nuchtere maag, vóór ik den baard afnam; met dien effecte, de intermittentis hem verlaten hebben. En nu ga ik ook u verlaten. Vaarwel, Amicissimi Collega! Mijne hartelijke groete aan Mejuffrouw de Chirurgijnsche, ook uit naam van de mijne.

Amsterdam, 12 Dec. 18--.

Uw geeffectionneerde Collega, _Joris Krastem_.

P.S. Ik geloof dat gij wèl zult doen den opgezetten krokodil, die in uwen winkel misschien nog, als van ouds, aan den zolder hangt, weg te nemen. Men begint in dezen profanen tijd met al zulke wetenschappelijke zaken te spotten. O Tempores! o Mora!

DE HUURKOETSIER.

De eerste schemering van den morgen ligt over de academiestad. Hier en daar verspreidt het gloeiende pitje van nog een enkele réverbère een noodeloos licht. Alles slaapt nog op de Breestraat. Alleen de kraaien zijn op en wandelen in grooten getale over de steenen, en vliegen op den Ossekop bij _Rivé_, en op de koppen van de leeuwen, die de Leidsche sleutels op de trappen van 't stadhuis bewaken, zich verbazende dat de schildwacht zoo slaperig kijkt, en waarom hij geen blinkende stevels meer draagt als tevoren. Uit eerbied voor de rust der geleerde hoofden in dit Nederlandsch Atheen, onthouden zij zich echter van nutteloos geschreeuw. Op eens jaagt het klappen van een zweep ze op, en doet een aanrollende calèche "met de vier" ze de vlucht nemen naar torens en schoorsteenen. De calèche houdt stil voor een smal, nog gesloten winkelhuis. 't Is een goed rijtuig, veel malen gebruikt en beproefd bevonden; en op den bok zit, in al de glorie van zijn postuur, met een hoed in blinkend foedraal op 't hoofd, een paar bakkebaarden op zij, ringen in de ooren, een geestig oog en een vroolijken mond, en voorts bedolven in een jas van grijs laken met langen mantel, _Gerrit van Stienen_; wegens zijn deels wezenlijke, deels geveinsde vermetelheid met de edele rossen, als Dolle _Gerrit_ bekend.

"Hiep, hie!" roept Dolle _Gerrit_. Alles blijft doodstil. Hij zet zich overeind voor den bok, en klapt driemaal met de lange zweep, dat de kraaien opvliegen alsof het haar geldt, en carousel beginnen te rijden rondom de peer van 't stadhuis. Nog eenmaal heft hij zijn vervaarlijk "hiep, hie!" aan.

Het bovenraam opent zich; een jong mensch met een zijden doek om 't hoofd (studenten haten slaapmutsen), en een jeune france om de kin, kijkt er uit, in een japon met schotsche ruiten. "Zoo, Dolle' dat's opgepast, vent."--"Goeie morgen, menheer!" antwoordt de Dolle, met een schuin en toegenepen oog: "heb je zóó allang zitten wachten?"

De heer met de jeune france slaat een oog op het span. "Moeten _zij_ het doen, _Gerritje_?"--"Ja menheer! ze verlangen as harten."--"Ze zien der niet florissant uit, _Gerrit_!"--"Mot ook niet, menheer! maar het bennen bazen van binnen."--"Me dunkt, ze staan zoo droomerig tegen mekaar aan te leunen."--"Ze bennen pas uit bed, mot menheer denken; en beste staanders zijn 't ook al niet: maar _loopers!!!_ heb ik jou daar."

Drie jonge menschen dagen op uit verschillende hoeken van de stad, en vereenigen zich luidruchtig genoeg op de kamer van den student met de jeune france. Een oogenblik daarna wordt er ingestegen.

"Fiks doorjakkeren, _Gerrit_!" zegt menheer _Deze_, de tree opvliegende. "Dat zegt _hij_ ook," antwoordt _Gerrit_, de zweep toonende. "In twee uren naar Haarlem," beveelt de heer _Die_, zijn mackintosh dichtknoopende. "As ze 't niet in zeven kwartier kennen," zegt _Gerrit_, knipoogende, "is er geen aardigheid an." "Nooit stappen; zelfs in 't zand niet, _Gerritje_!" roept mijnheer _Zus_, plaats nemende. "Ze zouen zich hebben dood te schamen," herneemt _Gerrit_. "Klappen dat het davert!" juicht de heer _Zoo_, het portier dicht trekkende; en het antwoord is klets, klats, klets met de zweep; en de kraaien vliegen met een luid geschreeuw weder op; en het rijtuig rolt heen, en doet al de ruiten, van de Breestraat af tot de Rijnsburger poort toe, sidderen in de sponningen.

Men pleistert bij den Geleerden Man. "Je hebt nog niet hard gereden, _Gerrit_!"--"Kniebandjes losmaken, heeren," zegt de man, zijn jas uittrekkende, daar de zonneschijn hem begint te hinderen, en zich vertoonende in zijn blauw buis met korte panden, geel vest, en fulpen broek, waarvan de pijpen op zij met een menigte beenen knoopen prijken. De studenten, _Gerrit_, en de paarden nemen hun prandium. Alles is reeds weder in gereedheid. "Wacht!" roept _Zus_, "we moeten een grap hebben. _Duin_! Steek de lantarens op."--"Lantarens bij klaarlichten dag?" vraagt _Duin_, bleek wordende. "Wis en zeker!" roept _Gerrit_ van den bok, knipoogende en met de grootste deftigheid, "je kan 't niet weten: een ongeluk zit in een klein hoekje. Hiep, hie! haastje wat, _Duintje_."

Zoo komt men te Haarlem met lichtende lantaarns. De rit heeft _over_ de twee uren geduurd. "De klokken schelen!" zegt _Gerrit_. Men overtuigt hem van het tegendeel met een horloge. "Dat heeft te hard geloopen om de paarden bij te houen!" Nieuw geknipoog; en de lange zweep gaat weer links en rechts, en de lucht davert van den slag, en de paarden draven door de goede stad, dat de kruideniers er schande van spreken achter hunne toonbanken.

De Nieuwpoort uit; den straatweg op; Zandpoort om; Bloemendaal; het zand; stappen!

"Stap je nu toch, _Gerritje_?" gilt het viertal. "De voorste bijdehandsche zen ijzer is los, en de achterste het in de spijkers van den voorsten getrapt." Maar ondanks deze ongevallen, zoodra hij het hek van Zomerzorg genaakt: klets, klats, klets, gaat de zweep; in vollen draf gaat het, het huis voorbij, bij de brug langs, omgewend met een korten draai, en _pal_ voor de deur. "Mooi, Dolle!" roepen de heeren uit éénen mond, en men spreekt af dat niemand zoo goed rijden kan als "de Dolle". Deze oogst zijne zegepralen in, met herhaald geknipoog tegen de wachtende staljongens.