Chapter 37
Ik zal niet beginnen met te zeggen dat _Sijtje_ het mooiste was van al de Schoorlsche meisjes; want zulk een uitdrukking zegt soms niets, soms te veel, en is in alle gevallen afgezaagd. In duizend verhalen is het meisjen altijd het mooiste van den omtrek. Maar zeker was dit een allerliefst kind; teerder en fijner dan de meeste boerinnetjes, en dat het zilveren oorijzer van 's zondags, in de week zeer goed missen kon om er allerbevalligst uit te zien. Zij was een weeskind en de steun en troost van een oude grootmoeder en een doofstom broertje van een jaar of tien. Dit drietal maakte te zamen het kleine huishouden van 't stulpje onder 't geboomte uit. En behalve hare grootmoeder en het ongelukkige kind, had _Sijtje_ niemand liever dan _Teun_ den Jager, en indien zij 't hart had gehad om ooit of ooit aan haar grootmoeders dood te denken, zou zij er misschien al heel na aan toe geweest zijn om zich voor te stellen _Teun_ de Jagers vrouw te worden. Zooals de zaken nu stonden, plaagde zij _Teun_, en _Teun_ haar, uit alle macht, en verder kwam het niet. Maar de oude grootmoeder mocht _Teun_ graag hooren schertsen, en het doofstomme kind was overgelukkig als het hem naderen zag, en als hij het leerde knippen van steenen te maken om mosschen te vangen, en _Sijtje_ zag _Teun_ met groote, heldere, donkerblauwe oogen al heel vriendelijk aan, als hij den jongen voorthielp of liet hobbelen op zijn knie, tot hij van vreugd het eenig geluid maakte dat hij te voorschijn kon brengen. En 's avonds als _Teun_ naar huis ging, gebeurde het wel, dat zijne lippen haar blank aangezichtjen (en ook niet meer) aanraakten; en het "wel te rusten, _Teun_!" was er niet minder vriendelijk om.
Maar gisterenavond had _Sijtje_ hem erg geplaagd, want het was reeds de zesde dag van de jacht, en schoon _Teun_ menig haas had thuisgebracht, hij had nog geen enkel patrijs geschoten.
"Neen, _Teun_-broer!" had _Sijtje_ gezegd: "haar, dat gaat nog; maar veeren kanje niet schieten; die zijn je te gauw of, maat!"
"Hoeveel hoenders wilje, dat ik je morgen thuisbreng?" vroeg _Teun_.
"Ik zal 't je maar niet te zwaar opleggen, jongen!" antwoordde _Sijtje_. "Schiet er twee, en ik zel leuven dat je 't nog kenne."
"'t Zel beuren, _Sij_!" riep de jager, en sloeg zijn arm om haar middel, "'t Zel beuren na je woorden, of mijn naam zal geen _Teun_ de Jager meer zijn!" En hij trok haar naar zich toe.
"Bedaard, _Teun-tje_!" riep het meisje; "geen gekheid hoor! Zoenen, ben je raar? Als er maar eerst hoenders zijn, dan zullen we reis kijken. Foei, jongen, geen gekheid!" En zij lachte dat ze schaterde, om aan hare ernstige waarschuwing klem bij te zetten.
"Erg best," antwoordde de minnaar; "maar weet je wat, _Sij_? geef me een zoen op hand; en als ik je morgen geen hoenders breng, dan nooit geen zoen meer; maar breng ik ze mee: wee je gebeente!"
"Gedaan!" riep _Sijtje_ vroolijk, en zij trad naar hem toe, en gaf hem een fikschen handslag, en liet zich een kus op de wang drukken, waarbij zich haar mondje iet of wat minder afdraaide dan anders; en de doofstomme jongen, die het aanzag, lei zijn hoofd in den nek, sprong in het rond van genoegen en klapte in de handen op het heugelijk gezicht.
Verbaast het u, dat _Teun_ de Jager heden met eenige minachting op "maar een haas" nederziet?
En toch! Had hij het haas maar gehad! want het scheen er meer en meer naar te staan alsof hij niets thuis zou brengen. Te vergeefs had hij reeds een paar uur door het breede Schoorler duin omgedwaald; door valleien, waar hij tot over de enkels in het dichte, bruine mos stapte; over witte blinkerds, waar het droge, rollende zand zijn voetstappen uitwischte; langs vlakten, waarin brakke poelen den grond doorweekten; nergens, om een Noordhollandsche jachtterm te gebruiken, nergens "bedekte [32] hij leven". Wel speurde hij hier den "voet" van een haas, en verder het "gewei" [33] van hoenders; maar noch het eerste noch de laatste deden zich voor. Hij schoot met zekere kwaadaardigheid een witten uil, die zich op zijne lichte spokige wieken uit een heesterwilg ophief, raapte hem op, en smeet hem verachtelijk van zich. Veldin berokkende hem ook nog eene laffe teleurstelling, daar hij voor iets stond dat, toen het eindelijk uit het dikke mos opvloog, bleek niets meer dan een slechte leeuwerik te wezen. En zoo verliepen de trage uren, en _Teun_ de Jagers neerslachtigheid kwam terug, nog vermeerderd door de vermoeienis en de hitte van den stijgenden dag. Opeens was het alsof er een luchtig windjen opstak, dat verkwikkend door zijn bezweete haren blies, en toen hij daarop nog éénen hoogen witten zandheuvel besteeg, zag hij de groote zee voor zich.
De zee is altijd een ontzaglijk gezicht, maar als men haar ziet op een volstrekt eenzame plek, met niets dan het dorre duin links en rechts en achter zich, zonder hut aan het strand of zeil op hare vlakte, dan grijpt de aanblik dier uitgestrekte ledigheid u dubbel aan. U overvalt een gevoel alsof gij nu werkelijk aan de uiterste grens der wereld stondt, alsof gij nu inderdaad de eenige, de laatst overgeblevene bewoner der aarde waart. Huiverend zette _Teun_ de Jager zich op den top des heuvels neder, zette het geweer in de rust, en staarde op de zonnige golven. De hond rustte hijgend naast hem uit; zijn roode tong hing lang en droog uit zijn bek. Hier aan de volle zee, en toch geen lafenis!
_Teun_ de Jager haalde een stuk brood en een paar zure appelen uit zijn weitasch te voorschijn en deelde met zijn vriend. Ook nam hij de veldflesch om een teug te nemen, maar zette haar weer van den mond.
"Neen!" zeide hij met een zucht. "Och, die droom! Ik wou dat ik dien droom kwijt was!"
Hij wilde den bangen droom van dien nacht, waarover wij hem reeds hebben hooren klagen en die de oorzaak zijner neerslachtigheid was, van zich afschudden; maar het gezicht van de zee bracht er hem bijzonderheden van te binnen, die hij reeds had vergeten. Alras verdiepte hij er zich slechts te levendiger in.
Hij was weer, even als in zijn slaap, ter jacht met de zonen van de ambachtsvrouw van Schoorl; evenwel niet in het Schoorler Veld, maar in het Berger Bosch. Hij droeg een nieuw jachtbuis met zonnige gouden knoopen, en _Sijtje_ had hem de veer van een fazanten haan op de muts gestoken. Plotseling vlogen er drie hoenders voor hem uit, maar hij kon ze niet onder schot krijgen; telkens vielen zij neder, als om hem te sarren; maar zoodra hij naderde, kraaiden zij, klapten met de vleugels, en vlogen verder. Eindelijk wilde hij een poging doen om ze van zeer verre te schieten; maar zijn geweer ketste en viel hem uit de handen. Toen kraaiden de patrijzen alle drie driemaal, en een er van vloog op den hoed van den jonker, waar het zitten bleef. "Mag ik schieten, jonker?" riep hij. De jonker wuifde vriendelijk met de hand van ja. Hij lei aan--het hoen viel. Maar toen hij ging om het op te rapen, was noch het hoen, noch de jonker van Schoorl te vinden; maar daar lag het bloedige hoofd van _Sijtje_, en zag hem met gebroken oogen aan; en toen hij daar lang op staarde, daar kwam eensklaps de zee, en het hoofd begon op de golven te bewegen, en achteruit te gaan, en verdween, en kwam weer boven, en verdween weer, totdat hij ontwaakte. Zijn haan kraaide; het licht scheen door de reten en vensters. Hij kleedde zich tot de jacht.
En nu, daar hij lang op de zee staart, herhaalt zich het visioen, en het hoofd van _Sijtje_ verschijnt tusschen de zonnige, schuimige rimpels van de Noordzee, en gaat op en neder met de golven.
Hij wendde zijn gezicht af van den plas, en strekte zich voorover in het hangen van den heuvel uit, met de armen onder het hoofd. Weldra geraakte hij in slaap, en het akelig schouwspel speelde hem op nieuw voor den geest; maar de gansche zee werd rood als bloed, en vlammetjes en vonken dansten er op rond, en zwierden er overheen in kringen. Op eens, daar dreunden twee schoten. Hij ontwaakte. Veldin was door het geluid opgevlogen en draafde reeds den heuvel af.
Statig trok een blauwe rookwolk van achter een naburig duin omhoog, en een groote klucht patrijzen vloog haar verschrikt vooruit. _Teun_ riep den hond terug en volgde de hoenders met de oogen. Zij zakten aan den anderen kant van den heuvel zachtkens lager, en trokken mèt den wind zuidwaarts heen. Het volgende oogenblik verscheen er een man op den top van dat duin en zag rond waar zij bleven; maar zij waren reeds weer gevallen. Daarop laadde hij bedaard zijn geweer en _Teun_ de Jager zag hem een koppel mooie hoenders in de tasch bergen, nadat hij die eerst een oogenblikje met welgevallen bekeken had.
Het was _Derk Joosten_, de eenige mensch in geheel Schoorl, die hem niet lijden mocht, en dien hij niet kon uitstaan. Want _Derk Joosten_ was een gemeene knaap, en die er niet vies van was het vak van strooper aan dat van jager te verbinden, en hij had hem eenmaal betrapt, daar hij in den laten avond bezig was strikken te zetten, eene liefhebberij, waaromtrent de Schorelaars in een kwaden naam zijn. Voor het overige was hij een slecht jager en, met stroopen en al, bracht hij in een jachtseizoen niet half zooveel thuis als "de dubbelde" _Teun_; wat hem in dezen zeer verdroot.
Zoo ras _Derk Teun_ den Jager bemerkte, riep hij hem half gebiedend toe:
"Waar zijn ze heen 'etrokken, _Teunis_?"
"Dat mot _jij_ weten!" antwoordde deze.
"Kan ik dan door den berg heen kijken?" grauwde _Derk Joosten_. "Heb _jij_ al wat?"
"Geen haar of veer!" riep _Teun_ de Jager openhartig.
"Ik al!" riep _Derk_ grijnslachend; en hij haalde een haas en drie patrijzen uit de tasch, en hield die triomfant in de hoogte.
"Ieder zijn beurt, _Derk_!" riep de andere hem toe.
"Ja!" schreeuwde _Derk_; "en of jij van daag ereis geen beurt hadde, d..derskind!"
Toen daalde hij het duin af, en ging zijns weegs, zich naar het noorden wendende.
"Nou naar het Achterveld, Veldin!" zei _Teun_ de Jager tot zijn hond, en een straal van moed blonk weder in zijne oogen; een blijde lach kwam op zijn bruin gezicht. Hij nam een korte teug uit de veldflesch, en wandelde zuidwaarts op.
Hij had de plek waar hij de patrijzen had zien vallen goed in zijn ziel geprent. Naar alle berekening was het eene hem zeer wel bekende vlakte, die er uitziet als eene mislukte ontginning en hier en daar bezet is met kleine boschjes van bremstruiken, kruipwilg, en dwergachtige berkeboompjes. Hij hield echter nog meer zuidwaarts aan, als ging hij de plek voorbij, om de hoenders tegen den wind te schieten. Toen naderde hij de vlakte; maar de patrijzen waren wild geworden. En lang voor hij ze onder schot kon hebben, vlogen ze op en trokken een goed end wegs zuidoostelijk af, waar ze weder neervielen.
"Geduld," dacht _Teun_; en nadat hij vruchteloos de vlakte had afgezocht of er ook een enkel was achtergebleven, ging ook hij in die richting, om de klucht te vervolgen.
Zoo ging het hem nog drie of vier malen, evenals in zijn droom; de patrijzen bleven hem telkens vooruit. Hij verloor echter den moed niet; het gezicht der hoenders in 't verschiet, hoe sarrend ook, hield dien gaande. Maar zóó was zijn ziel van patrijzen vervuld, dat ik bijna geloof dat er dwars over zijn weg een haas had kunnen heengaan zonder dat hij het, hoe goed jager hij ook was, anders dan te laat zou bemerkt hebben. Na een paar uren jagens rustte hij nogmaals uit bij een plek, waar de hond welwater vond. Het dier, niet tevreden zich te laven, legde zich geheel op zijn buik in den plas, maar zag er na die verkwikking ook weer zoo levendig en wakker uit, als in den vroegen morgen. _Teun_ nam er een voorbeeld aan en vervolgde de jacht.
Reeds had hij het Berger Bosch op zijde. Op eens ziet hij de klucht weer opvliegen, en kort daarop nedervallen. Hij haastte zich in die richting aan te treden. Reeds naderde hij tot de plek waar zij wezen moesten! De hond hield den neus met de meeste oplettendheid langs den grond. _Teuns_ hoop was nog zoo levendig niet geweest dien ganschen dag. Maar op eens! daar valt hem de jachtpaal van den Ambachtsheer van Bergen in 't oog, wiens ban zich nog eenige roeden verder dan het bosch uitstrekt. Reeds was de hond dien snuffelend voorbij gegaan. De verzoeking was groot. Hij had nog niets opgedaan, na eene vermoeiende jacht van zoovele uren! Nog meer! hij had zich beroemd dat hij patrijzen mee zou brengen. Hoe zou _Sijtje_ hem den beloofden kus weigeren; erger! hoe zou zij hem uitlachen! Zijn naam zou geen _Teun_ de Jager meer zijn. De oppasser van het Berger Bosch was naar Alkmaar. _Derk Joosten_--ha, hoe tergend had hij de hoenders opgeheven!--was noordwaartsuit gegaan. En dáár, een veertig schreden verder misschien, lagen de voorwerpen van zijn verlangen, neen, van zijn behoefte, de mooie hoenders, vermoeid van den langen tocht, wie weet hoe vast, uit te rusten in het hooge mos.
Hij gevoelde dat hij beefde; het hart sloeg hem in de keel. De hond ging al snuffelend verder. Hij hief zijn oogen op en zuchtte diep. Een ondeelbaar oogenblik--en hij riep den hond terug, die onwillig gehoorzaamde. "_Teun_ de Wilddief wil ik dan toch voor mezelven niet hieten", verzuchtte hij.
Hij keerde den jachtpaal en het jachtveld des Heeren van Bergen den rug toe, en op eens--als om hem te beloonen--een luid gesnor! Met de korte vleugels ruischende, vloog, vlak vóór hem, een koppel hoenders op; achterblijvers, die den trein niet hadden kunnen volgen. Op hetzelfde oogenblik was zijn vinger aan de trekkers; de twee schoten knalden. Het eene patrijs viel onmiddellijk loodrecht neder; het andere trok nog een oogenblik verder, draaide in de lucht, en viel evenzeer. Terwijl Veldin het eerste greep, ging hij om het ander zelf op te rapen. Het leefde nog, en poogde zich in het mos te verbergen, maar hij pakte het. Droevig en klagelijk zag het dier hem aan met zijn klein rond oog, waarin het licht reeds half was uitgebluscht. Hij liet het weder vallen. Met zulk een oog had _Sijtje_ hem aangezien in dien akeligen droom. Het geheele visioen stond hem voor den geest. Toen hij het patrijs opnieuw opraapte, was het grijze vlies geloken.
De noodlottige herinnering is voorbij, en _Teun_ de Jager vervolgt vroolijk het overige gedeelte van zijn weg. Hij heeft wat hij wenschte. De tot instandhouding zijns naams vereischte twee patrijzen hangen op zijn heup. Hij heeft _Sijtjes_ kussen niet verbeurd. Het weder geladen geweer valt hem licht. Zoo stapt hij door hoog heidekruid en bremstruiken verder. Een kwartier uurs later, en een haas springt op, en valt bijna op hetzelfde oogenblik, "door het snellere lood in zijn vaardige sprongen gestuit", als de dichterlijkste jager van geheel Holland gezongen heeft.
"Hoe later op de markt hoe schooner volk!" zegt _Teun_ de Jager. En weltevreden met zijn jacht, stapt hij rustig op Schoorl aan.
Het was reeds laat na het middaguur, en nog een vermoeiende klim en verre wandeling, ofschoon de afstand hemelsbreedte zoo groot niet was. Maar wat beteekende vermoeienis? Triomfant zou hij _Sijtje_ met zijn jacht voor de oogen treden.
"Mag _ik_ het haas dragen, _Teun_?" vroeg een kleine jongen met stroogeel haar en koffiebruine wangen, die op het laatste duin van Schoorl uit het kreupelhout te voorschijn kwam waarin hij zich een stok gesneden had, als hij de ruige pooten door het net van de weitasch steken zag.
"Jawel, _Krelis_-broer!" zei _Teun_ de Jager vroolijk: "ik zel 't je geven; maar je mot er niet van snoepen, hoor!" Hij zette zich op den grond en, de tasch openende, wierp hij er eerst de hoenders uit, die hij bovenop geschikt had. De jongen greep er een op, en bekeek het.
"Hè, wat een vette!" zei de jongen. "En watte mooie oochies!" voegde hij er bij, in kinderlijke speelschheid een der oogen van het hoen opentrekkende en het _Teun_ voorhoudende.
"Laat de oogen dicht, kwajongen!" zei _Teun_ de Jager met drift; en weder kwam er een wolk over zijn voorhoofd.
Toen hing hij het haas, met de achterloopers door elkaar gestoken op den stok van den knaap; en deze, trotsch op zijn vracht en zich groot gevoelende boven al de boereknapen der gecombineerde Heerlijkheid Schoorl, Groet en Camp, daalde gezwind met den langoor naar beneden.
Maar _Teun_ de Jager verborg de beide hoenders in den binnensten zak van zijn weitasch, dat er geen veertjen uitstak. "Ik zal me oolijk houen," zei hij tot zichzelven, "en reis kijken wat ze doet."
Zoo wandelde hij het dorp door en den zandweg op, in stilte berekenende of het waarschijnlijk was dat _Sijtje_ op dit uur van den dag thuis zou wezen of niet. Hij was nog een vijftig schreden van haar stulpjen af. Daar ritselde het hout aan zijn linkerhand, en _Sijtje_ sprong met een luiden kreet, om hem te verschrikken, te voorschijn. Het doofstomme kind volgde haar langzaam.
_Teun_ de Jager verschrikte werkelijk meer dan _Sijtje_ had kunnen verdachten. Een koude rilling ging hem door de leden. Maar hij herstelde zich.
"Platzak!" riep hij met een lach.
"Da's niet waar!" zei het vroolijke meisje, "want ik heb den jongen al 'ezien met 'et haas. Maar waar zijn de hoenders, _Teun_?"
"Ik heb er geen te pakken kennen krijgen!" zei _Teun_ de Jager; maar hij gevoelde dat zijn gezicht hem verried. "Toch niet, _Sij_!" voegde hij er bij, toen deze hem ongeloovig aanzag.
"Al waar, maat?" zeide zij, en greep naar de tasch om zich te overtuigen.
Maar hij trok haar de tasch uit de lieve hand en schoof ze met een woesten ruk op zijn rechter zijde. Het meisje lachte en sprong voor hem heen, om er toch in te zien. Het schot dreunde; de hond sloeg aan; en _Sijtje_ lag bloedende aan zijn voeten.
In de plotselinge beweging om de weitasch op zijn andere zijde te schuiven, had een der kleine mazen van het net den haan van zijn linker loop gevat, het geweer in de hoogte geheven, en het schot doen afgaan.
_Teun_ de Jager en de beide knapen stonden versteend; maar het doofstomme kind kwam het eerst tot bewustzijn; woedend vloog het op _Teun_ aan en beet hem in den arm. Het geweer was op den grond gevallen. Op eens bukt de ongelukkige jager zich en vat het bij de greep; maar een forsche hand grijpt de tromp, en ontrukt het hem. Het was een boer, die toegeschoten was, en nu den anderen loop in de lucht afschoot. Het halve dorp snelt toe en dringt zich om het lijk van _Sijtje_ en om den rampzalige, die zijn geweer terug begeert en in stomme razernij met de omstanders worstelt.
Aan _Sijtje_ was niets meer te doen. Ieder weet, dat een schot hagel _à bout portant_ duizendmaal erger wonden maakt dan een kogel; want iedere korrel maakt eene afzonderlijke, en de hoeveelheid lood is ongelijk zwaarder. Maar ook, het schot had het lieve kind vlak onder het hart getroffen. Van geheel Schoorl beweend, ging zij ter ruste onder "de groene boompjes" van het kerkhof. De oude grootmoeder en het doofstomme kind waren alles kwijt.
De ongelukkige _Teun_ de Jager verviel in zware koortsen, waarin hij onophoudelijk ijlde en raasde. In den nacht nadat _Sijtje_ begraven was, ontsloop hij zijn in slaap gevallen waker en klom het venster uit. De oppasser van het Berger Bosch, die laat tehuiskwam, zag hem in den maneschijn boven op het duin in zijn hemd arbeiden. Hij ging op hem af. _Teun_ herkende hem niet.
"Wat doe je daar, _Teun_?" riep hij met een forsche stem, en greep hem bij den arm.
"Jonker!" zei de ongelukkige verschrikt en zachtjes: "Ik begraaf haar. Aanstonds komt de zee."
En hij dekte zand over een der patrijzen, waar hij een kuil voor gegraven had met zijne vingeren.
Den volgenden avond had hij den geest gegeven.
1840.
DE VEERSCHIPPER.
Ik heb zoo menigmaal in trekschuiten gevaren, dat ik in staat ben er het grootste paskwil en de grootste lofrede op te schrijven. Eens heb ik er mij hevig tegen uitgelaten [34]: maar 't spijt me half. Ik geloof dat ik het deed om de zaak der spoorwegen te bevorderen; uit louter ongeduld. Maar nu ik zie, dat er reeds één trekveer metterdaad vervalt, en in de lucht zwevende pijpemanden (echt Hollandsch signaal) ook aan verscheidene andere veeren het _memento mori_ toeroepen, krijgt de zaak voor mij zulk een droefgeestig voorkomen, dat ik in staat zou zijn de roef van Amsterdam naar Rotterdam af te huren, om in eenzaamheid een klaaglied te schrijven over de veranderde tijden. Niet zoo zeer om de _Schuiten_ spijt het mij; zij hebben te vele gebreken, en er zijn betere dingen om mee vooruit te komen; maar om de _Schippers_! Want aan hen, mijne vrienden! zullen wij verliezen. Het is een goed, eerlijk, trouw en ouderwetsch slag van volk, en jammer zal het zijn, als het van de aarde of, laat ik zeggen, van de wateren verdwijnt. Eerbied voor hen! Heb een vasten schipper, en geef hem een mondelinge boodschap, een onverzegelden brief, een groote som gelds, een kostbaar stuk meubel mede; geen woord zal aan de boodschap, geen stuiver aan het geld te kort komen, geen letter in den brief gelezen, geen krasjen op het kostbare stuk worden gemaakt. Laat hij slechts _weten_ wat gij aan zijne zorgen toevertrouwt, en wees zoo gerust als of gij uw eigen zoon zondt. Hier staat uw beeld mij voor oogen, trouwe _Van der Velden_! Gij behoort tot het vriendelijk personeel mijner academische herinneringen. Wiens voetstap hoorde _Hildebrand_ liever dan den uwen op de ongelijke trap van zijn nederig studenteverblijf, als gij de krakende sluitmand of het welbekend koffertje, dat geen adres meer noodig had, daar tegenop sleeptet en met uw vriendelijk "compliment, en als dat de familie heel wel was," zijn ongeduld voorkwaamt, dat naar den dubbelganger van den sleutel zocht, waarmee zijne lieve moeder het hangslot gesloten had? Gingt gij ooit bij hem voorbij, zonder te hooren "of mijnheer ook iets te zeggen had?" Of kondt gij te eenigertijd in zijn vaderstad het ouderlijk huis passeeren, zonder eventjes te gaan vertellen "dat gij mijnheer gisteren nog hadt gezien" en de hartelijkste groeten van zijnentwege te improviseeren?--Hadt gij hem niet meer dan eens in uw schuit verborgen, toen hij "groen" was, totdat de studententafel op de Mare was afgeloopen? En toen hij was gepromoveerd, en gij hem geluk wenschtet--wat scheelde er toch aan uwe oogen, dat die bonte zakdoek niet in den zak kon blijven, als gij aanmerktet, dat gij nu "zijn meeste koffertjes wel zoudt hebben gehaald"?--Drommels, _Van der Velden_! het veer moest niet worden afgeschaft.
Maar behalve dezen had ik menig vriend aan het veer, die mijn koffer en reiszak een kwartier uurs ver kon onderscheiden, en straks voor mij het lekkerste kussen uit de roef haalde, opschudde en in den stuurstoel legde, bereid om, als de bodem nat was, mij het gebruik van zijn sabotten af te staan. Als het eenigszins kon, zat ik in den stuurstoel, en van dezen heb ik nooit iets kwaads gezegd. Ik kende de geschiedenis van al de schippers en al de knechts; van hunne vroegere betrekkingen en van hunne latere wederwaardigheden aan het veer. Elk hunner had zijne eigene verdienste in de conversatie. De een wist overal eenden en hazen aan te wijzen op de landerijen, die wij voorbijvoeren; de ander kon zoo gezellig op zijn pijpje smakken en oude verhalen van zijn schooltijd opdisschen; de derde sprak van "_Boneparte_," en hoe bang die voor de "Kezakken" moet geweest zijn, met al de nauwkeurigheid van een tijdgenoot en gemeenzaam vriend. Ik herinner mij den ouden _Mulder_, met den geverfden hoed en de korte broek; hij voer altijd de volste schuiten; den langen _Rietheuvel_; hij was befaamd in het redden van drenkelingen; en zijn broeder, die "de Mottige" genoemd werd, die wel niet al het statige van den schippersstand had, maar een aardige, praatzame grappenmaker was, die een anecdote uit kon rekken, zoo vele bruggen ver als gij verkoost. Indien _hij_ het begin van dit stuk las, het zou hem ergeren; want ik weet dat niets hem meer verveelt, dan dat men hem en den geheelen trekschuitwinkel in de toekomst beklaagt.