Chapter 36
Herinnert gij u den weelderigen zomeravond, dien gij zoo zeer genoot? De dag was drukkend geweest en benauwd. De zon, krachtig tot het laatst toe, was ondergegaan te midden van purper en rozen. Nog zongen de vogelen niet. Er lag eene zwaarte op de geheele natuur. Alles was stil. Maar daar ontwaakte een zacht gerucht, het suizen van een liefelijk koeltje. Hoe vingt gij het op met dorstige lippen, met hoeveel wellust ademdet gij het in, en liet het spelen door uwe bedauwde lokken! Het kwam vriendelijk aangezweefd, beladen met den geurigen wasem van blad en bloem, en koelde loover en grasscheuten. Fladderend streek het over het lauwe water, en helderder en frisscher rimpelde dat, en ruischte als verheugd; de toppen der boomen vingen aan welluidend te zwatelen:--het was een liefelijk ineensmelten van zachte en vredige geluiden. Het was u, als hoordet gij een stem van enkel liefde. Welnu! het was de stem der liefde Gods. Zoo ruischte zij den profeet in de ooren, op den top van Horeb, waar hij stond en den Heer verbeidde. "En ziet, de Heer ging voorbij, en een groote en sterke wind [als deze!] scheurende de bergen en brekende de steenrotsen voor den Heere henen. Doch de Heer was in den wind niet. En na den wind, eene aardbeving; de Heer was ook in de aardbeving niet. En na de aardbeving, een vuur; de Heer was ook in het vuur niet. En na het vuur, de stemme eener zachte koelte. Toen sprak de Heer tot _Elia_".--Dit, mijne vrienden, staat in den Bijbel, opdat gij het lezen zoudt, in dezen stormachtigen tijd! O, 's nachts, 's nachts, als gij slapeloos nederligt, en de ontboeide wind gierende omgaat om uw huis als een brullende leeuw die schijnt te zullen binnendringen--dan gaat eene huivering u door de ziel! Zegt mij, hebt gij gebeden? God, de Heer! voor wien stormen en orkanen zijn als dienaren die, als hij ze roept, tot hem komen en zeggen: "Hier zijn wij!" God, die ze uitzendt en terugroept als boden en slaven--die Almachtige is zachtmoedig en liefderijk als eene zachte koelte. Slaapt dan in! Al waart gij ook teedere moeders, wier zonen verre zijn; misschien wel op den breeden vloed! Nog eenmaal gebeden, en dit bedacht! en het zal u wezen, als zweeg de wind! en als omringde u alleen de zachte, de kalmte aanbrengende liefde Gods. Slaapt in; die liefde sluimert nooit. Vreest niet--gelooft alleenlijk.
October 1838.
ANTWOORD OP EEN BRIEF UIT PARIJS [31].
Eindelijk heb ik hem gezien, mijn vriend, gezien en bewonderd! Het monster van Bleekloo, de aangebedene, de gevierde, de hoop van allen, die nog niet wanhopen aan den goeden smaak en den echten geest der Hollandsche schilderschool; van allen, die nog gelooven in het dunne coloriet van _Van Dijck_ en het krachtig penseel van _Frans Hals_. Hoe zal ik u een denkbeeld geven van zijn manier, van zijn talent, ik die het Vaticaan niet gezien heb, en dat nog wel aan u, die geen der naaischolen van Bleekloo te vinden weet: of zeg mij, kunt gij vergelijkingen maken tusschen de vermoedelijke bekwaamheden der verschillende echtgenooten van de verschillende naaivrouwen _Blok, Over den Kant, Preveilie_ en andere? Neen voorzeker, gij weet niet, dat noch de man van juffrouw _Over den Kant_, noch die van juffrouw _Blok_, noch die van juffrouw _Preveilie_, noch zelfs die van _Naatje de Zoom_ ooit of ooit het penseel behandeld hebben, overmits deze geen van allen den maagdelijken voor den huwelijken staat hebben verwisseld. En toch, hoog over het hoofd van juffrouw _De Zoom_ zetelt het genie, zetelt de hoop des vaderlands; het is haar vader. Het is niet de kunstenaar, dien gij in hem groet; het is de kunst zelve. Nauwelijks heeft hij den ouderdom van achtenzestig jaren bereikt; welk een heerlijke dageraad gaat voor de Hollandsche schilderschool op!--Helaas! ik weet niet hoe ik het u duidelijk zal maken wat wij in hem te wachten hebben, wat zijn talent kenteekent, wat hem op de onbereikbare hoogte, die hij besteeg, geheel alleen doet staan, _geheel_ op zichzelf! En toch, ik wil het beproeven; want ik wil den Avondbode een vlieg afvangen en het Handelsblad vooruitzijn. Ik wil u, in het hartje van Parijs, het vaderlandsche bloed van edelen trots doen gloeien; ja gloeien, ja tintelen, ja bruisen moet het! Gij zult weten wie onze Bleekloosche _De Zoom_ is, al zou ik ook aan de æsthetische beschouwing van zijn talent iedere uitboezeming van vriendschap en hartelijkheid ten offer brengen, al moest ook dit mijn geschrijf veel meer van een feuilleton in een der genoemde dagbladen of van een artikel in den Letterbode hebben dan van een vertrouwelijken brief--al moest, van bladzijde 1 tot bladzijde 4 toe, _De Zoom, De Zoom, De Zoom_! uw lezende aandacht absorbeeren.
Zoo ik begin met u te zeggen dat _De Zoom_ een monster is, zeg ik niet te veel. Hij heeft, als ik reeds zeide, pas achtenzestig jaren bereikt; nooit heeft hij een meester gehad; de natuur deed hem geboren worden met dat eigenaardig gevoel voor 't schoone en verhevene, dat hij met zooveel waarheid en kracht op het doek weet uit te drukken. Als een klein kind op school, teekende hij reeds zijn meester uit op de lei, met een pijp in den mond, en maakte hij patroontjes voor zijn zuster die uit borduren ging. Ook beschilderde hij niet zelden de deuren der pakhuizen en der nachtwachtsverblijven met wit en rood krijt. Een voorbijganger vond hem met dit werk bezig en bewonderde de kracht van zijn schetsen. Die voorbijganger was zelf kunstenaar. Hij was huisschilder en glazenmaker. Weldra vertrouwde hij hem de kunst toe en wijdde hem in de geheimen van het tempermes in. Niet lang duurde het of _De Zoom_ begon zich op de uithangborden toe te leggen. Het eerst leerde hij koffiekannen en trekpotten schilderen, daarna werd hem zelfs de uitvoering van een glas bier toevertrouwd. Het opmerkelijkste was het schuim. Nooit had men zulk schuim gezien. Het was meer dan bierschuim; het was champagneschuim. Verbeeld u, mijn waarde! welk een verbeeldingskracht in een huisschildersjongen, wiens vader mandemaker was, en die dus, naar alle waarschijnlijkheid, nooit champagne had zien schuimen. Langzamerhand liet zijn meester hem toe ook wapens te malen; en hierin was het vooral dat zijn goede smaak uitschitterde. Met voorbeeldelooze stoutmoedigheid bracht hij alles tot het natuurlijke terug; alle leeuwen geel met zwarte manen, gelijk de echte barbarijsche. Hij wist van geen roode, geen blauwe, geen zwarte. Die hem van _keel_ en _sabel_ sprak, deed hij het aanbod van een pak slagen, en hij zou eens bijna gestorven zijn van woede, toen men hem zeide dat sommige wapenschilders roode arenden hadden voorgesteld met blauwe neb en blauwe klauwen. "Want", zeide hij, "een arend is toch bruin". En hij had gelijk. Ondertusschen was hij nu op de hoogte om tot het eigenlijk dierschilderen, voor zoover dit zijn meester te pas kwam, over te gaan, en reeds had hij werkelijk de schets gemaakt van een _dorstig hart_, toen de ongelukkige _troubles_ van die dagen--tusschen 85 en 90--ook den jeugdigen _De Zoom_ in hunnen maalstroom meevoerden. Hij verdween nu voor een poos van het tooneel en men hoorde niet van hem. Men spreekt van een spotprent, die hij op den Prins zou hebben gemaakt, waarvan de hoofdgedachte was: _een groote goudsbloem die door een keeshond van zijn steel werd gebeten_; en van nog eene andere op de Engelsche natie, waarvan de voorstelling vergeten is geraakt. Hoe het zij, men zou ook _De Zoom_ bijna vergeten hebben, ware hij niet verleden jaar plotseling weder te voorschijn gekomen met zijn meesterstuk: _'t Is een toer om der op te komen_. Het denkbeeld is niet nieuw. Een groot paard staat geheel opgetuigd en gezadeld, en een zeer klein man maakt zich gereed het te bestijgen, 't welk hem, aangezien de kleinheid van zijn postuur, zeer moeielijk valt. Alles is in deze schilderij leven en beweging. De pogingen van den dwergachtigen ruiter _die der niet op kan komen_ spreken, door het groene jachtbuis dat hij aanheeft heen,--men ziet hem vlak op den rug--in alle spieren. Met veel geestigheid heeft de schilder de laarzen en de sporen zóó zwaar en kolossaal voorgesteld, dat men gevoelen moet dat ook deze eene belemmering zijn om het paard te beklimmen. Het uitstekendste van alles is echter het paard zelf, in hetwelk voor te stellen men zeggen mag dat het genie van _De Zoom_ het zenith van zijn vlucht heeft bereikt. Met voorbeeldelooze stoutmoedigheid heeft hij over de zwarigheden van zijn bestek, ja zelfs over de natuur gezegevierd, en de evenredigheden dermate weten te beheerschen en in te richten, dat vooral de hoogte van het ros, en dus de moeielijke bestijgbaarheid, sterk in 't oog springt. Dit heeft ten gevolge gehad, dat de hals zeer inëengedrongen heeft moeten worden, en zelfs de kop niet dan klein kon wezen. Zooals het hier is voorgesteld, gelijkt het teffens op een paard, een olifant, en een hazewindhond; maar de karakters dezer drie schepselen spelen derwijze dooreen in de schilderij, dat men zeggen kan dat het scheppend genie des schilders hier een nieuw wezen heeft voortgebracht. Ik spreek niet van de uitvoerigheid, waarmee het hoofdstel van het ros, waarmede de gestreepte rijbroek van den ruiter zijn afgemaald, noch van het landschap, waarover een donderwolk hangt, die door een toovergloed die uit den grond schijnt op te komen, wordt verlicht. Mijn bestek verbiedt mij hier verder over uit te weiden. Ook vergt gij het niet. Hetgeen ik van _De Zoom_ gezegd heb, zal u genoegzaam hebben doen blijken dat dit jeugdig talent gemakkelijk alle andere talenten in ons vaderland achteruitzet en overtreft.
_De Zoom_ is niet groot van gestalte; zijn gelaat is meer vervallen dan mooi. Gewoonlijk draagt hij een blauwe slaapmuts met witten omslag; hij rookt en snuift beide. Hij draagt sedert vijf jaren een bruinen jas, halfsleets op een boelhuis gekocht. Zoo zag ik hem vóór mij; bezig zijnde met het portret van een zijner vrienden. Hij leide de laatste hand aan het haar, om vervolgens tot het voorhoofd over te gaan; want hij behoort niet tot die losbollen van schilders, die voor zij nog eens geteld hebben hoeveel rimpels gij in uwe tronie hebt, maar aanstonds zes, zeven groote strepen neerzetten, kris, kras, heb ik jou daar! en u langzamerhand als uit een mist in het leven roepen. "Men moet met orde werken," zegt hij: "menig schilder heeft een portret bedorven door aan den bakkebaard te beginnen, eer hij de wenkbrauwen haar eisch gegeven had." "Dit haar," zeide hij mij, "komt u wat stijf voor; maar de man draagt een pruik," voegde hij er bij, "en ik zeg altijd, een pruik moet een pruik blijven."
Van waar--o mijn vriend, verklaar mij dit raadsel!--vanwaar heeft een mandemakerszoon deze stoutmoedige denkbeelden? O! het genie! Het genie!... Ik moet afbreken.
Bewaar dezen wel. Ik wil hem naderhand laten drukken.
17 Januari 1839. Uw vriend, _Hildebrand_.
P.S. "Wisch de tranen over den dood van _Schotel_ uit uwe oogen.
TEUN DE JAGER.
Het laatste eenigszins teekenachtige dorp aan Hollands westelijken kustkant is zonder twijfel het armelijk Schoorl. Het ligt aan den voet der duinen, ter plaatse waar die het allerbreedst zijn, om bij Camp plotseling geheel af te breken en, tot Petten toe, het land hare bescherming te onttrekken en dat groote open te veroorzaken, hetwelk de beroemde Hondsbossche zeewering, tot welker instandhouding zooveel paalwerk en zooveel maaltijden onvermijdelijk zijn, noodzakelijk maakt. Evenals in het aangrenzend Bergen treft hier den wandelaar het aangenaam schouwspel eener hooge, met dicht kreupelhout en koele bosschages bewassen duinhelling; en van die Heerlijkheid af, welke _Borselens, Brederodes_, en _Nassaus_ onder hare vroegere bezitters telt, tot aan ons klein Schoorl toe, gaat men, langs een bevallig slingerenden zandweg, ter wederzijde altijd in de schaduw van eiken, iepen, berken en allerlei geboomte, langs welks stammen zich hier en daar het klare duinwater in kronkelende beekjes voortdringt, en waartusschen zich aan weerskanten, van afstand tot afstand, de kleine stulpjes der bewoners vertoonen, aan de westzijde niet zelden half in het duin begraven en van boven grauw van bloeiende mossen en knoestige zwam.
Aan het einde van dit aangenaam pad steekt het groene torentje van Schoorl spits in de hoogte, om op het eigenlijk dorp en zijne vele graanakkers neder te zien, waar de gort geoogst wordt die tot de vermaardheden der Alkmaarsche markt behoort. Die deze liefelijke bosschages doorwandeld heeft en, na zich eerst in de koele lommer en daarna in de eenige herberg van het dorp te hebben verkwikt, nog hooger noordwaarts op wil, moet eerst zijn rekening met het geboomte sluiten; want hem toeft niet anders dan het Hondsbosch, dat in het geheel geen bosch is, daarna de Zijpe, Westfrieslands grootste drooggemaakte vlakte, en dan de woestijn van het Koegras, totdat hij bij den Helder in het Marsdiep staat te staren en aan den oostkant het eiland Tessel ziet opdoemen, waar reizigers van verzekeren dat er een lief boschje bestaat, tusschen den Burg en het Schild, nietig overschot van vroegere woudpracht.
Het was in de laatste dagen van September 183*, op een zeer vroegen morgen, voordat de zon nog op was, dat de kleine deur van een der boven beschreven stulpjes aan den duinkant nabij Schoorl openging, en zich een jonge man op den drempel vertoonde, die met oplettendheid lucht en windstreek in beschouwing nam. Een schoone bruingevlekte patrijshond was reeds, zoodra de bovendeur was opengegaan, over de onderdeur gesprongen, en rolde zich nu met kennelijk genoegen voor zijne voeten in het zand of sprong tegen zijne knieën op, en legde zich dan weder voor een oogenblik, met de voorpooten uitgestrekt en den kop daartusschen, neder, om straks weer op te springen, zachtkens jankende en alle de geluiden en figuren ten uitvoer brengende van een jachthond, die genoegen smaakt. Over 't geheel is er geen dier, dat lichter te vermaken valt en minder spoedig blasé is. Zijn meester behoeft slechts naar het geweer te grijpen, en deze beweging roept onmiddellijk de schitterendste vooruitzichten van genot en zaligheid voor de ontvlamde verbeelding van den hond, waarvan ik mij overtuigd houd dat de opgenoemde vreugdeteekenen niet dan flauwe bewijzen zijn, vergeleken bij het gevoel dat zijn ruige borst doortintelt; en zulks niettegenstaande hij zeer wel weet dat voor hem al de genoegens van den dag zullen bestaan in loopen, staan, drijven, en aanbrengen, zonder ooit of immer eenige hoop te mogen voeden op het geringste aandeel in den buit.
De jonge jager--want het was er een--zag er in zijn versleten groen buis, met de oude weitasch en ouden hagelzak kruiselings over de beide schouders, de broek in de laarzen, de groene lakensche muts schuins opgezet, en het kort dubbel jachtgeweer, met het groen, afhangend cordon onder den arm, recht teekenachtig uit. Hij was groot en forsch, een blonde zoon der Celten, en zijn bruinverbrand gelaat deed het heldere blauw zijner oogen te meer uitkomen; maar op dit oogenblik, als hij eerst naar de lucht en daarna om zich heen keek, hadden zij eene neerslachtige uitdrukking.
"Koesta, Veldin!" riep hij, en het was alsof de blijde sprongen van het dier hem verveelden, dat niet gehoorzaamde aan dit bevel, maar zijne knieën nog steeds met dezelfde vroolijkheid bleef lastig vallen, daar hij de deur sloot. Hij gaf Veldin een schop.
Het dier droop met den staart tusschen de beenen af, en jankte.
"Kom maar hier, Veldin!" hernam de jager, berouw toonende. En hem den kop streelende, voegde hij er bij: "Kan jij 't helpen, dat de baas slecht geslapen het?"
Hij nam den weg aan naar het dorp.
Indien de Schoorlsche jeugd haar _Teun_ den Jager, want zoo heette hij algemeen, op dezen vroegen morgen had zien gaan, zij zou haar oogen nauwelijks geloofd hebben. Want nooit zag zij zijn oog zoo droevig, nooit zoo ter aarde geslagen; nooit was zijn stap zoo slenterend en onverschillig. Hij was bij haar voor den opgeruimdsten borst van het dorp bekend; en het zij hij de kinderen en nieuwsgierige knapen wonderlijke jachtleugens diets maakte, hetzij hij de jonge meisjes koude hagelkorrels onder den halsdoek vallen liet, of de oude besten met zijne vroolijke invallen opleukerde bij het spinnewiel, altijd scheen het uit zijn hart te komen, uit zijn zorgeloos en blijmoedig en luchtig hart. En toch behoorde _Teun_ de Jager tot die gestellen, bij wie de vroolijkheid minder eene eigenschap dan een vermogen der ziel schijnt te zijn, en was er onder deze levendige beek zijner opgeruimdheid, waar zich niets dan licht en bloemen in schenen te spiegelen, een bodem van ernst en droefgeestigheid. Aan deze gaf hij zich niet zelden in de eenzaamheid over, en eene kleinigheid was in staat hem in die stemming te brengen. Dan was hij zwaarmoedig, ja moedeloos. Dan dacht hij, zonder merkbaren overgang, aan zijne moeder en zijn vader die hij had zien sterven, en "aan de groene boompjes" van het kerkhof; dan zag hij voor zichzelven geen ander verschiet dan van armoede en gebrek; totdat de tegenwoordigheid van menschen hem uit die mijmering opwekte, en hij weer de vroolijke, grappige _Teun_ de Jager was van altijd. De jacht was zijn lust en zijn leven, en van half September tot 1 Januari genoot hij eerst recht. Met het blijmoedigst gezicht van de wereld ging hij telken morgen vóór de zon in 't veld, maar wonderlijke dingen kon hij denken op die lange, eenzame wandelingen, met het geweer in de hand en niemand òm hem dan zijn getrouwe Veldin. Heden scheen er veel naargeestigs op til te zijn voor hoofd en gemoed, want traag en druilend was reeds het begin.
Zijn gelaat helderde evenwel niet weinig op, als hij bij een klein huisje stilstond, dat zich aan zijn rechterhand half tusschen het geboomte verstak. Hij luisterde aan het gesloten venster. Een oogenblik scheen hij te aarzelen; toen vermande hij zich en tikte met de bruine knokkels twee-driemaal tegen het oude luik. Een geluid van binnen, alsof er eene stoel verzet werd, beantwoordde dit sein.
Hij glimlachte.
"Ze zullen er wezen!" riep hij luide.
"Wêl goed!" antwoordde een welluidende vrouwestem, die uit de diepte scheen te komen.
Nog een oogenblik vertoefde hij; en langzaam vloeide de glimlach weg op zijne lippen en hernam zijn gelaat de sombere uitdrukking van zoo even. Hij hief zijn hoofd op en miste den hond.
Hij floot zachtkens. Veldin was dichter bij dan hij gedacht had en sprong uit het hooge toeterloof, waaronder zich, vlak naast het stulpje, eene kleine duinsprank verschool, te voorschijn.
"Duivelsche hond! motje nou al zuipen?" gromde hij baloorig. Maar terstond veranderende, zei hij zacht tot zichzelven: "Als _Sijtje_ wist dat ik knorrig op den hond was! Ik verdien vandaag ongelukkig te zijn."
Een ongelukkige overtuiging voor iemand die ter jacht gaat.
Nu verhaastte _Teun_ de Jager zijne schreden en bereikte het dorp.
De hond scheen het akkerland voor zijne bestemming te houden en verwijderde zich rechtsaf. Hij riep hem terug.
"Hierheen, Veldin!" zei hij vriendelijk: "je mot klimmen, man Ze hebben de stoppels nog niet noodig; in 't duin is nog genoeg te grazen." En hij wendde zich links.
"Mot je boven wezen, _Teun_?" vroeg een man, die ook al op bleek te zijn en plotseling te voorschijn kwam, met een grijs buis met jachtknoopen, een stok in de hand, en een hoed, met een groenen band er om, op.
"Ja, _Jantje_!" antwoordde de jager; "ze zijn nog te druk bezig op de geest."
"Je spreekt een waar woord," zei de oppasser van het Berger Bosch, want die was het. "Wil je niet reis opsteken?" voegde hij er bij, hem minzaam zijn pijp voorhoudende.
"Dankje, _Jantje_!" hernam _Teun_; "'k heb van daag me tabak nog niet verdiend. Je bent er al vroeg bij. Heb je een strooper op 't spoor, of hoe zit het?"
"Neen, maat!" antwoordde de oppasser. "Ik ga op Schoorldam af; ik mot te Alkmaar wezen, en ik rij met _Jaapie_ mee. Een gelukkige jacht!"
"Dankje, hoor!" zei de ander. En, van den hond gevolgd, naderde hij het duin en maakte zich een weg door het kreupelhout, nat van den mist, waaruit duizend nietswaardige mosschen verschrikt opvlogen, en klom naar boven.
Toen hij den top des heuvels onder zich had, zag hij op het dorpje terug. De zon begon de kim te bereiken en wierp reeds hare eerste stralen uit. De najaarsmist begon te blinken van al die kleurige tinten, die het doen schijnen alsof de regenboog op aarde is afgedaald; het kruis op de torenspits begon te glimmen, en de droppels, die aan de punten der dichte bladeren beefden, namen hunne dichterlijke gelijkenis op schitterende juweelen aan. Zijn oog zocht het plekje, waar _Sijtjes_ stulpje zich onder het geboomte verschool. Niets bewoog zich daar, en ook in geheel het dorp was alles nog in stilte begraven; een enkele haan kraaide; een enkele hond kroop langzaam uit zijn hok te voorschijn; maar geen menschelijk wezen bewoog zich. Alleen zag hij, op het rechte pad naar Schoorldam, den jachtoppasser, die zijnen weg met haastige schreden vervolgde.
"Alles slaapt nog," zei _Teun_ de Jager tot zichzelven, "en _Sijtje_ is zeker ook weer ingesluimerd. Zouën ze allegaar droomen?"--"Gekheid!" vervolgde hij; en haalde zijn veldflesch te voorschijn; en, zich houdende alsof hij den hond toedronk: "Komaan, Veldin! den eerste zen dood!"
Daarop spande hij de beide hanen van zijn dubbelloop, en begon het jachtveld af te treden.
In geheel Schoorl en Bergen was geen beter jager dan _Teun_. Hij behoorde tot die weinige gelukkigen die zoo goed als zeker van hun schot zijn. "Weet je wel, waar 't an houdt," had de oude _Krelis_ eens gezegd, daar hij voor _De Roode Leeuw_ met eenige boeren op de bierbank zat en _Teun_ voorbijkwam, beladen met een zwaren jachtbuit; "weet je wel, waar 't an houdt, dat _Teun_ de Jager, als er twee hoenders opgaan, de een vóór hem en de ander achter zijn rug, ze toch allebei neerleit?"--"Omdat ie een dubbeld geweer het," had men geantwoord.--"Mis, maat!" had _Krelis_ gezeid: "omdat ie een dubbelde kerel is." Vandaar, dat _Teun_ de Jager ook nimmer klaagde over al die tegenwerkende omstandigheden in de vier elementen, waaraan een aantal jagers het alleen toeschrijven, als zij platzak thuiskomen, en zelden breed opgaf van hazen of patrijzen, die hij wel niet thuisbracht, maar waarvan hij zich toch overtuigd hield dat zij in een of andere onnaspeurlijke krocht aan hunne wonden zouden moeten overleden zijn.
De teug, het voor een jager zoo welluidend getik der hanen van zijn geweer, de blijde zonneschijn, schenen _Teun_ de Jagers somberheid te verdrijven en hem moed in te boezemen; de omstandigheid dat hij het jachtveld werkelijk bereikt had wekte zijnen geest op. Veldin sprong wakker voor hem uit en begon al spoedig zeer gewichtig met den neus langs den grond te snuffelen.
"De hond begint nou al te werken," zei _Teun_; "dat zel goed gaan."
Ook duurde het niet lang, of een schuchter haas sprong op. De twee schoten vielen, het een na het andere. De hond sloeg aan; het haas was vrij.
"Wat duivel nou!" nep _Teun_ de Jager, en smeet het geweer neder. Verbaasd zag hij den langoor na, die nergens gekwetst was en, van den hond vervolgd, de vlakte dóórrende, tot hij aan de andere zijde van een duin verdween, waar Veldin hem woedend en met een onafgebroken kort keffen nazat, maar telkens grond verloor.
Hij floot den hond terug en laadde op nieuw.
"Ik dacht wel, dat ik ongelukkig wezen zou," riep hij uit. "Nou, 't was maar een haas! Zacht, Veldin!" En hij vervolgde zijn weg.
"'t Was maar een haas," zei _Teun_ de Jager; maar wat wilde hij dan? Laat ik u iets van _Sijtje_ vertellen, en gij zult het begrijpen.