Camera Obscura

Chapter 35

Chapter 353,760 wordsPublic domain

Zijn eigen onafgebroken aandacht wekt zelfs niemands opmerkzaamheid op.--"En daar moesten zij dan die lijst nog om beschadigen!" zucht hij--"die lijst van twaalf gulden tien!" Want het verguldsel had een knauw gekregen, doordien het nog nat was geweest toen hij zijn tafereel inpakte en, een maand te vroeg, verzond. Troosteloos verwijdert hij zich, om in stilte zijn gemoed te koelen aan het portret van dien poedelhond, wiens rechteroor misteekend is. Maar, daar is het alsof hij iets hoort in den hoek van _zijne_ schilderij. Inderdaad! Eene jonge welgekleede dame en een dito jonge heer staan er in eene gebukte houding op te turen. Zoo schijnt dan nog iemand dit der moeite waardig te achten! Zie, hoe lang vertoeven zij! het zijn zeker liefhebbers, ontegenzeggelijk kenners!--Maar welk een onderdrukt gelach, nu zij er afstappen? Gerechte hemel! zij trekken een gezicht alsof zij het vroolijkste _Jan-Steentje_ gezien hadden in plaats van zijn eerbare keukenmeid, en nog even vangt hij de woorden op: "het heeft meer van een hond".--Dat verwijt geldt, arme kunstenaar! het katjen op uw voorgrond, niet veel grooter (ik beken het) dan een schaap van het kleinste ras! Het katje, waarvoor uw eigen poes tot model verstrekte; het katje, dat gij uitteekendet des avonds, terwijl uwe teedere gade uw slaapmuts warmde op haar stoof! En (tot overmaat) daar hoort hij diezelfde jonge lieden hunne bewondering uitgillen over dienzelfden poedel, wiens rechteroor misteekend is!--"Het is," zeggen zij, nota bene!--"het is alsof hij leeft."

"De naam is alles," zucht hij, en kijkt op zijn zilveren zakuurwerk, het zilveren zakuurwerk van zijn eerzamen vader, den rijtuigschilder, beroemd door zijn blinkend en nooit barstend vernis. Het uur is geslagen, hij moet les geven. Ga heen, ongelukkig martelaar! ga heen naar de jongejuffrouw C. en vertel haar voor de honderdste maal "dat zij toch hulplijnen moet zetten"; zij heeft het weder vergeten, en nu staat de geheele anjer scheef; ga heen, en bedenk u onderweg nog eens of gij u wel wagen zult aan die voorstelling van de heldendaad van _Van Speyk_, waar ook al voorstellingen genoeg van zijn. Vervolg uwe lessen van uur tot uur en van dag tot dag! Met een weinig meer talent zoudt gij misschien, met een weinig minder, zeer zeker gelukkig zijn.

N°. 2. _Een familietafereel._

Het is een mijnheer en eene mevrouw van middelbare jaren, en een jongeheer en eene jongejuffrouw in den bloei der jeugd, en een kleine jongen van zeven jaar daarbij. Ik beschrijf u hunne kleederdracht niet: er is weinig opmerkenswaardigs aan. Het zijn menschen uit den deftigen middelstand, goede lieden, niet Haagsch, maar kleinsteedsch gekleed. Ik sla een blik op de wezenstrekken. Mijnheer ziet, dunkt mij, een beetje knorrig. Vraagt gij de reden? Deze menschen komen eigenlijk zoo pas uit een naburige stad met een calèche aangereden, waarin zij met hun vijven hebben gepakt gezeten. Mijnheer heeft drukke zaken, waarbij zijn tegenwoordigheid slecht gemist kan worden; hij ziet tegen alle uitstapjes op, als tegen zoovele bergen, en hij houdt daarenboven niet van rijden. Maar mevrouw wilde zoo "dolgraag" de tentoonstelling zien; al de mevrouwen zagen die. In een zwak oogenblik, hij moet het bekennen, had hij het haar beloofd. Ik meen wel, aan den avond van een dag, dat hij geen lust gehad had menschen te zien. Ook waren de kinderen nooit in den Haag geweest, en het Haagsche Bosch--"het was zoo heerlijk!" Vroeg in den morgen kwam het rijtuig voor. Het was tamelijk mooi, ja! het was mooi weer! Maar zoodra de paarden het Haagsche Bosch, "dat zoo heerlijk was", hadden bereikt--of het spel sprak--scheen het dat donkere wolken den hemel betrokken! en nòg was het Paleis van Prins _Frederik_ niet in het gezicht of de stortregen kwam neder!--In het plan stond, dat men op het Tornooiveld, in den Doelen, af zou stappen en zich eerst behoorlijk en op zijn gemak verkwikken. Mijnheer is gesteld op zijn leefregel. Maar men heeft geen regenscherm! En dan--de straten!--Men vindt dus beter dadelijk op de tentoonstelling aan te rijden. Van dat de eerste zwarte wolk was komen aandrijven en de eerste rimpel op papa's voorhoofd bespeurd is, heeft mama alles in het werk gesteld om het gesprek levendig te houden. Zij was onuitputtelijk in het verhalen van de genoegens, die zij in hare jeugd in dit "eigenste Haagsche Bosch" gesmaakt had. Maar bijna geen woord is er gesproken sedert de eerste vochtdruppel viel en het "daar hebben wij het al!" van de lippen van het achtbaar hoofd des huisgezins geklonken heeft. Mevrouw, die de reis heeft dóórgedrongen, het jonge meisje, dat haren vader met haar "vooruitgebabbel" over dat feest heeft verveeld, en de jongeheer, die gezworen heeft dat het mooi weer zou blijven, voelden zich als het ware verantwoordelijk voor iederen regendrop, die viel, vallen zou, of zou kunnen vallen, en ongerust zagen zij elkander aan. "Kom aan dan maar!--de tentoonstelling!" had papa gezegd, toen het rijtuig stilhield en de familie werd uitgepakt. Maar in de stemming, waarin ZEd. verkeerde, viel het hem nogal tegen dat hij voor ieder persoon van zijn gezin een catalogus te koopen had, alleen de kleinste uitgezonderd. Maar mevrouw!--Haar triomfante blik roept mij toe: "wij zijn er!" en het beminnelijkst lachje vervangt, zoodra zij zich in het lokaal gevoelt, den angstigen trek die in de volle calèche om haren mond speelde. Ondertusschen is deze lieve familie nu véél te vroeg gekomen. Daar is nog bijna niemand. Dit valt de nog wel eenigszins wereldsche dame tegen; niemand om gezien te worden! niemand om hare lieve dochter te zien! Het is waarlijk een mooi gezichtje en, mij dunkt, het gelukkigste van alle; een ongemaakte vreugde verschijnt op haar gelaat, nu zij de bonte rijen van tafereelen overziet. Maar zij had zich toch alles veel grooter en veel mooier en veel treffender voorgesteld. Tien zulke zalen, duizend meesterstukken! Zij telt pas zestien jaren.--Mijnheer haar broeder is een jaar ouder, en dus in dien lieven leeftijd, waarin men meent voor iets goeds te zullen gehouden worden, wanneer men den schijn aanneemt van iets kwaads dat men niet is. Hij heeft al de kenteekenen, al de bewegingen van een recht lastigen wijsneus, en schijnt nog in twijfel te hangen wat hij liever wezen zal, een fat of een lomperd. Hij verbeeldt zich kunstkennis te hebben en is, om daarvan proeven te geven, gestadig in de contramine. Al de stukken die zijne goede moeder opgetogen doen staan van verrukking, acht hij "infaam geschilderd, slecht van kleur, dwaas van gedachte, plat, zonder diepte", kortom rechte bokken van ongerechtigheid, die hij met al de fouten van alle slechte schilderijen belaadt. Zijn zuster dwingt hij tot de bewondering van grove, wilde, breedgepenseelde studiekoppen van bandieten en ijzervreters "daar genie in zit", en die haar volstrekt beter moeten bevallen dan het liefste heiligbeeld der wereld. Hij is altijd een schilderij of wat vooruit, zoekt ter sluiks de nommers op in den catalogus, en toont dan zijne meerderheid over zijn vader door hem in strikken te lokken en tot dwaze weddenschappen te verleiden over den waarschijnlijken schilder van dit of dat tafereel, van wien de gedrukte letter hem den naam heeft doen kennen; en na hem bewezen te hebben dat hij dien aan zijne lichtvalling, of aan zijn behandeling, of aan zijn stoffeering, of aan zijne ordonnantie kent, laat hij den goeden man, die toch al niet wel gemutst is, van tijd tot tijd een ongelukkige figuur maken. Mevrouw heeft een treurig gebrek aan ordelijkheid in hare beschouwing. Nu is zij in dit gedeelte der zaal, maar plotseling verplaatst zich hare nieuwsgierigheid naar het tegenovergestelde; nu eens wordt zij door deze of gene uitblinkende verf aangetrokken, dan weder verlokt door haar aangeboren zucht om gelijkenissen op te merken. "Zie toch eens, lieverd! vinje niet, dat dat jongetje veel van ons _Pietje_ heeft?" Het tafereel, waarvan ze spreekt, is de voorstelling van een lief kind, met het hoofd voorover gebogen op den ruigen kop van een patrijshond, en door een onzer eerste meesters geschilderd; een recht serafijnen gezichtje waarmee ik, in het voorbijgaan, de moeder gelukwensch. _Pietje_--het is een zevenjarig jongetje, dat ik u nog niet beschreef--_Pietje_ is een ongelukkig wicht, door de engelsche ziekte mishandeld, met een groot driekant hoofd, en bleek, zeer bleek! In zijne fletse oogjes schemert maar eene flauwe levensvonk. Ik weet niet recht of hij een zakdoek bij zich heeft. Maar aan zijn kleedij is smaak, noch kosten, noch tijd gespaard. De kinderen van onze dagen worden allerdichterlijkst, allertheatraalst uitgedost. Eene vierkante uhlanemuts met een gouden kwast siert zijn jeugdig hoofd, en een schotschbont kieltje, waarvan de breede plooien door een nog breeder verlaktlederen riem met een onmatigen gesp worden in toom gehouden, en waar de ruiten zoo groot van zijn, dat de rug van het schaap volmaakt een gevierendeeld wapenbord vertoont, begraaft zijne tengere ledematen. Een fijngeplooid kraagje, dat hem in de ooren prikt, wordt naar hetzelfde stelsel van inperking te keer gegaan in iedere buitensporige golving die het zou kunnen aannemen, door een dasje van turkschgele zijde, zeer uitvoerig gestrikt. Een wit engelschlederen broekje, tot groote zielesmart van mama aan de treden der calèche bij het uitstappen vuil gemaakt, omkleedt zijne kromme beentjes, eindigende in witte kousjes en lage schoentjes. "Vinje niet, lieverd! dat dit jongetje veel van ons _Pietje_ heeft?" vraagt de moederlijke moeder. Maar hoe groot is hare ontzetting, nu zij, opziende naar een antwoord, niet haren echtvriend gewaarwordt, maar wie weet welk een groot Haagsch heer, met een ridderorde en een knevelbaard! "Excuseer, mijnheer!" en met een kleur als vuur ijlt zij weg, en sleept nu haren wettigen gemaal voor de beeltenis van den lieven jongen, "die zooveel van _Pietje_ heeft".

Zoo heeft men een geheel uur gesleten. Mijnheer meent dat het lang genoeg is; de wijsneus beweert dat er niets "eigenlijk moois" is; de jonge juffrouw heeft een dollen zin opgedaan om met een blooten hals en een gouden ketting geportretteerd te worden; en mevrouw vindt dat men niet weg moet gaan "eer men de Haagsche menschen nog eens gezien heeft." Het rijtuig, dat intusschen weer voorgekomen is, zal daarom nog wat wachten. Maar de Haagsche menschen komen nog niet; de _beau monde_ zou nog niet _kunnen_ komen. Men slentert nog een half uurtje, en ziet, de zon breekt door! Men moet van het goede weer gebruik maken om naar het Haagsche Bosch te gaan, "dat zoo heerlijk is". De familie vereenigt zich bij den uitgang. "Heden mijn tijd!" zegt mevrouw, "daar hebben we het stukje van _Ko_ nog niet gezien! Dat moesten we toch nog eventjes opnemen."--"Och laat dat stukje van _Ko_ nu maar rusten!" zucht mijnheer. "Het zal wat wezen!" merkt de wijsneus aan. Maar mevrouw durft de moeder van _Ko_ niet onder de oogen komen, tenzij ze het stukje van _Ko_ gezien heeft. _Ko_ nu, is een neefje van de familie, een bedorven kind dat niet onaardig teekent, weshalve zijn moeder besloot dat hij moest schilderen; en toen hij iets dragelijks voortbrengen kon, besloot zij al verder, dat hij iets naar de tentoonstelling zenden moest. "O zijn koetjes! me dunkt dat ze zóózoo zullen gaan bulken!" En nu de zaal weer binnen! En nu zoekt mijnheer in den catalogus, en mevrouw in den wilde, en de dochter in schijn, en de wijsneus in het geheel niet naar het stukje van _Ko_. Het stukje van _Ko_ is nergens te vinden. "Hoe groot zou het zoo wat zijn? Zeker niet zoo heel groot." Eindelijk vindt men een stukje met koeien, van _Ravenzwaay_ of een ander,--"ja dat zal het wezen; dat is wel zoo wat in zijn manier"--en liever zonder den catalogus op te slaan, uit vrees van uit den droom geholpen te worden, sleept mijnheer de familie nu mede, volmaakt tevreden over het stukje van _Ko_. Daar gaan zij heen. Het is ondertusschen weer begonnen te regenen. Het geheele luchtruim schijnt uit grauw papier gesneden. Daar gaan zij heen--om het Haagsche Bosch te zien, "dat zoo heerlijk", en in het Scheveningsche Badhuis te eten, "dat zoo voornaam is", om daarna huiswaarts te rijden: mijnheer, met de zekerheid, dat hij morgen dubbel zal moeten werken; mevrouw maar half tevreden, omdat zij zoo weinig menschen gezien heeft; de zestienjarige, met den hopeloozen wensch in het hart om met een blooten hals en een gouden ketting te worden geportretteerd; en de wijsneus, veroordeeld om den geheelen weg over met den kleinen Schotschen engel op zijn knie te zitten.

N_o_... Maar neen, ik stap van de nommers af; ik weet niets vervelenders en ontrustenders dan getallen; ik geloof, dat zij u in sommige omstandigheden de koorts op het lijf jagen. Ik sluit dus mijn catalogus en noodig u liever, u met mij te verplaatsen te midden van dien bonten hoop van bezoekers, nu het uur _du bon ton_ geslagen heeft, en het vol wordt in de zaal. Welk een gefluister! welk eene drukte! welk een gedrang! Maar een zacht, een beleefd gedrang, een gedrang van zijde en fluweel! Zie deze oude barones, geleund op den arm van haar zoon, den kamerheer. Zij is blij dat ze boos kan zijn omdat er nog altijd eenige burgerlieden in de zaal zijn gebleven.--Zie deze brillante modemaakster, met haar valsch goud en geplekt zijden kleed, zich de airs gevende van eene freule, en nu eens met een radde Haagsche tong, dan eens in slecht Fransch, de schilderijen ruim zoo luidkeels beoordeelende als de hoogste hooggeborene.--Aanschouw dat lieve burgermeisje, slachtoffer van de eerzucht haars broeders, die schrijver is bij een ministerie en alzoo een bril en veel fijner laken draagt dan zijn vader uit den lintwinkel. Hij wilde volstrekt niet vóór het _fashionable_ uur naar "de expositie", en nu leeft zijn lief zustertje, dat zich wel naar hem schikken moest, in gestadige angsten, en durft zich niet in het gedrang wagen, en heeft de vermetelheid nauwelijks om zich voor het beeld van die "oude vrouw, den Bijbel lezende" te plaatsen, waarvan zij zoo veel heeft hooren spreken; zij bereikt het eindelijk, maar beschouwt het niet dan met een schuchteren blik en gereed om de vlucht te nemen voor de eerste groote dame die er haar lorgnet op schijnt te zullen richten. Ach! zij gevoelt zoo diep en zoo dikwijls dat zij maar "een juffertje" is. Tot haar groot geluk redt haar de komst van haar broeders chef uit al de pijnlijkheden dier folterzaal.

Geef u de moeite den blik van stomme bewondering dezes eenvoudigen, van onverschilligheid dezes onbeduidenden, onderling, en met het oog van verachting dezes veertigjarigen jongelings, "die zóó veel gezien heeft in zijn leven en op zijne reizen", te vergelijken. Let op dezen rampzaligen Narcissus, gelukkig door zijn bont vest en zijn stroogele handschoenen, die, op den knop van zijn rotting zuigende, zichzelven voor eene zeldzame vereeniging aller mannelijke schoonheden houdt, die de dames meer belangstelling vergt dan al de portretten van geleerden en cavalerie-officieren en zeemannen in de zaal, en waardig is in al de bochten, waarin hij zich wringt, te worden afgebeeld om de bewondering aller tentoonstellingen uit te maken. De onbetaalbare levende ledeman! Sla uw oog op dezen geaffaireerden bezoeker, neen doorvlieger van de zaal, wiens gewichtig gelaat het telkens luider uitgilt "dat hij wel wat anders te doen heeft dan schilderijtjes na te loopen;"--op deze jonge dame, die zelve schildert en, met een tuyau in de hand, niet rusten kan vóór zij de stukken van haren lievelingsschilder "genoten" heeft, "dan is haar de rest onverschillig;"--op dien student, die sterven zal, zoo er niet spoedig iemand komt, aan wien hij vertellen kan dat hij de laatste _Ausstellung_ te Dusseldorf heeft bezocht.--"Maar wie is die jonge mensch," vraagt gij, "met dien lagen, breedgeranden hoed, die wilde haren, dien dikken stok, dat heele korte jasje, dien wijden, geruiten pantalon?"--Gij meent een schilder, een jong schilder. Gij vergist u; het is de vriend van iemand, met nog lager, nog breeder geranden hoed, met lange, maar schoone, gekrulde haren, met een nog dikker, maar ook mooier stok, met een nog korter, maar fluweelen jasje, en nog bonter pantalon. En _die_ iemand is een schilder. _Deze_ is zijn _alter ego_, zijn onafscheidelijke, zijn jakhals, zijn bewonderaar, zijn namaaksel, zijn overdruk, zijne schaduw. Hij wandelt met den schilder, hij ontbijt met den schilder, hij doet keertjes te paard met den schilder, hij gaat met den schilder naar den schouwburg, hij rookt, hij zwetst, hij biljart met den schilder; alleen, hij schildert met den schilder niet. Dagelijks kunt gij hem in deze zaal vinden; want hij is een hartstochtelijk bewonderaar der schilderkunst en der schilders. Indien gij op dezen afstand het woord _artiste_ op zijn voorhoofd meent te lezen, zult gij hem tot den gelukkigsten der stervelingen maken. "Ook is _zijn_ schilder hem menig idee verplicht, en zoo hij wilde... ja zoo hij wilde!"

Zult gij nu nog vertoeven, totdat de laatste laatsten _du beau monde_ verschijnen, die de zaal door huns gelijken bijna ontruimd vinden en, tot hun groote wanhoop weder volgeloopen met "gepeupel", dat reeds gegeten heeft--? Of willen ook wij nu maar heengaan, uit vreeze, dat deze of gene onderzoeker òns uitteekent, als caricaturen van onverdragelijke leegloopers, die zich het voorkomen van opmerkers geven?--

1838.

De Wind.

Het stormt buiten. Hoort gij het, mijne vrienden? het stormt. De wind is verschrikkelijk: vlaag om vlaag; hij loeit om uw dak, hij fluit door iedere opening, door elken doortocht. Hij schudt uwe deuren en vensterramen. Het is noodweer. Zegt niet: "laat ons opstoken en bijeenschikken, en eten en drinken, en zóó luid spreken dat wij den wind niet hooren." Het is epicurische lafhartigheid. Gelijk gij bij zacht en liefelijk weer den blik wel duizendmaal uit het venster werpt en, de vriendelijke natuur in al haar rustig schoon aanschouwende, telkens uitroept: "het is heerlijk!" zoo ook past het u op een dag als heden, althans een enkele maal naar den orkaan te luisteren, zijn woeden aan te zien, te denken aan de algemeene beroering, en te zeggen: "het is ontzaglijk!" Dit, dunkt mij, betaamt een man. Zij, die het niet willen--ik vreeze dat zij de stormen des levens met dezelfde kleinmoedigheid zullen zoeken te ontduiken. Neen, zij zeker zijn het niet, die in rampen en verschrikkingen, in onheil en nood, zich van hun toestand overtuigen durven, of in den storm des tegenspoeds het hoofd opsteken en zeggen: "hier ben ik!" Zij sluiten hunne oogen voor het gevaar; zij schuwen het in te denken; zij sterken zich het hart, noch oefenen hunne zielskracht; zij hebben geen nut van hun leed; het zijn bloodaards. Laten wij naar den storm luisteren.

Die wind, die ontzettende wind! Van waar komt hij? Werwaarts gaat hij henen? Vergeefsche vragen, door zijn krachtigen adem medegevoerd en verstrooid! De onzichtbare, de geweldige, de alomtegenwoordige, de reus der geheimenis! Hoog, hoog boven de aarde, om de lenden der bergen worstelt, woelt, en geeselt hij; door rotsspleten en spelonken waart hij rond met snerpend geloei; in den diepen afgrond gromt hij; in de eenzame woestijn, waarin geen geluid gehoord wordt dan het zijne, drijft hij het zand te hoop; door de wildernis wandelt hij om, met luidruchtig geweld;--en de onmetelijke zee,--is hij niet grooter dan zij? haar broeder, haar ontzaglijke speelgenoot, haar woedende bestrijder!

De onafhankelijke: hij waait werwaarts hij wil. Als gij hem uit het oosten wacht, verheft hij zich in het noorden. Gij gelooft, dat hij sluimert in het zuiden--ziet, hij staat op in het westen! Hoe spoedig is hij ontwaakt, hoe ijzingwekkend is zijn kreet, hoe onweerstaanbaar zijn aanval! De sterke: soms is hij speelsch en dartel; maar wee! wee! als het hem ernst is; want eer hij den kampstrijd aangaat, is zijn triumf verzekerd. Het woud gaat hij door, als door _Sanheribs_ leger de slaande Engel des Heeren. De wateren woelen, zieden en branden. Hij ontbloot de beddingen, hij smakt de steenrots van haar voetstuk. De gelederen der golven breekt hij door, en speelt met haar schuim als waren het witte vederen, haren gehelmden kruinen afgerukt. Te vergeefs zoo de zee zich opheft als een bezetene, dol van woede, bruisende van toorn. Hij grijpt haar aan, en schudt haar tot zij machteloos en stuiptrekkende nederstort--en wie zich aan haar borst vertrouwden, wie zich waagden op hare gevaarlijke diepten... Heere! behoed hen! zij vergaan.

Krachtige stem der natuur! Hoe schokt gij de harten der menschen! Alle geluid van het onbezielde is door u, levende stem der lucht! Gij spreekt; de echo der bergen, de schoot der wateren, het dichte loover antwoordt u. Maar gij, gij overschreeuwt die allen. Wel moogt gij de stem des Heeren heeten. Voorzeker neen: geen ontgrendeld rotshol, geen gonzende knots, geen losgelaten vleugelpaard, geen adelaar met klappende wieken bracht u voort: gij zijt de stem des Almachtigen. Zijn Geest is een adem, een aanblazing, een krachtig ruischen. Woest was de baaierd, woest en ledig; geen orde, geen onderscheiding, geen licht, geen geluid. De duisternis zweefde over den afgrond. Alles stil en levenloos. Maar een krachtig, een zwoel, een vruchtbaarmakend windgeruisch ging over de diepte. Het was de adem Gods broedende [30] over de wateren. Zij sidderden op die aanraking; die siddering was leven. De stilte was gebroken. Sinds dat oogenblik gingen van God uit scheppende kracht, orde en leven!--In het suizen van den avondwind behaagde het Jehova den eersten zoon des stofs te verschijnen; en uit den wervelwind sprekende tot _Job_, leerde hij hem sidderen voor de mogendheid zijner almacht. Hoort gij dit plechtig geloei? Welnu! zulk een gedruisch vervulde het gebouw, waar de discipelen bijeenzaten op den Pinksterdag; het was Gods Geest, op aarde nederdalende in het ruischen "als van eenen geweldigen gedrevenen wind".

Maar dit symbool der kracht Gods, zoo onzichtbaar, zoo geducht, is het ook niet een schaduw zijner weldadigheid? Ziet, nu is hij geweldig en verpletterend; maar hij is toch geen woestaard, alleen uitgaande tot verdelgen! Als alles doodsche stilte is; de zon brandend; de korst der aarde gespleten; het geboomte verschroeid; het pas opgeschoten veldgewas schraal en met stof bedekt; als de kanker der vertering in stilte voortvreet, en de stinkende damp des verderfs hevelt uit het lauw moeras--dan verheugt zich de dood in een rijken oogst. Maar, in de verte ziet gij een wolkje, niet grooter dan uw vuist, en het is als hoordet gij den slagregen reeds ruischen; want de bode des Heeren is opgestaan, de breedgewiekte wind, die het in een oogwenk tot u zal brengen. Hij komt, de afgebedene, de gezegende. Voor zich henen drijft hij den pestwalm, die om uwe hoofden zweefde, en onder zijne wieken voert hij mede de trezoren der vruchtbaarheid en des bloeis, der gezondheid en der kracht. Hij vernieuwt het gelaat des aardrijks. Hij vaagt het stof af van den oogst; de sluimerende groeikracht wekt hij op uit hare bezwijming. Verkwikkend gaat hij om, en deelt frissche teugen uit van welvaart en van leven.