Camera Obscura

Chapter 34

Chapter 343,756 wordsPublic domain

Maar wilt gij weten, wat _ik_ bespottelijk, wat _ik_ ergerlijk vind? Het zijn uwe wapenborden, uwe grafnaalden, uwe eerzuilen in de kerk; uwe lofverzen op stof en assche, onder het oog van God en in Zijn heilig huis op aarde, geschreven. Het zijn de tropeeën van dwazen trots, wereldsche ijdelheid, nietigen rijkdom, verwaande wetenschap, bloedigen oorlog, dáár te pronk gesteld, waar ootmoed en eerbiedigheid zich met gebukten hoofde voor het oog des Heeren stellen. Het is de hulde, vaak overdrevene, altijd dáár misplaatste hulde, in het huis ter eere Gods gesticht, toegebracht aan alle soort van verdiensten. Waarlijk, het is een vreemd, een (laat ik het zeggen!) belachelijk schouwspel, die bonte rij van allerlei deugden en gaven, in het heiligdom geloofd, geprezen, en vergood. Het zijn de deugden en gaven van den krijg, der geleerdheid, van het kabinet, der kunst, der nijverheid, gehuldigd in de overblijfsels van menschen van allerlei neiging, allerlei gedrag, allerlei geloof en ongeloof. O! het belgt mij niet, dat de gemeente, aan wie het oordeel niet toekomt, hun allen gelijkelijk een plaats ingeruimd heeft in hare kerk; maar dat zij er liggen als zondaren!--niet als groote mannen, niet met den titel van _naturae se superantis opera_, niet onder de uitgebreide vleugelen der faam, niet onder de brallende uitspraken van tijdgenooten en vereerders, maar in stille afwachting van het oordeel Desgenen, "die weet wat er in den mensch is!"--Wilt gij de namen uwer grooter mannen beitelen en vergulden, omlauweren en omstralen; wilt gij hun standbeelden oprichten, zuilen stichten; wilt gij hunne deugden voor de nakomelingschap vereeuwigen, de jeugd door hun doorluchtig voorbeeld en de eer die hun weervaart, prikkelen: naar de openbare plaatsen, naar de academiepleinen, naar de raadhuizen, naar de trappen der paleizen, naar de schouwburgen, naar de markten, met uwe vereering! Hier--is het heilige grond. Ontbindt uwe schoenzolen! Hier geene namen, geene lofspraken geuit, dan die den Hemel welgevallig zijn! Hier wordt alleen God en zijn Zoon geprezen, en in Hun naam geroemd. Wilt gij hier zuilen oprichten, doet het zoo vaak de Heer u uit groote benauwdheden redt, in groote gevaren behoedt: "Eben Haëzer; tot hiertoe heeft ons de Heer geholpen". Maar--hier geene menschvergoding! hier God alléén en het geloof!

Ik weet dat onze protestantsche leer het kerkgebouw niet als heilig doet beschouwen, maar ik weet ook, dat onze christelijke ootmoed ons, in zijn omtrek vooral, de praalzucht behoort te verbieden. Ik weet, dat onze strenge toepassing van het "God te aanbidden in geest en in waarheid!" uit voorzichtigheid, in aanmerking nemende de menschelijke zwakheid, niet duldt dat wij voorstellingen van _Christus_ en zijn daden op aarde in onze bedehuizen ophangen; maar veel minder voegen er die beelden, welke er de aandacht van Hem afleiden en bij eigen grootheid stil doen staan. Neen, niets, niets moest de éénheid van doel in het heiligdom breken; alles moest op God wijzen--alleen op God! [28]

Maar ofschoon dit aloude misbruik (zoo als het in mijne oogen _is_) niet geheel met het begraven in de kerken heeft opgehouden, het is er toch aanmerkelijk door gefnuikt. Wij allen zullen onder den blooten hemel rusten, en wat men op ons graf moge schrijven of oprichten, het zal geen gemoedelijk kerkganger ergeren. Welnu, dat denkbeeld heeft ook veel schoons, veel zoets, veel zaligs: te rusten in een liefelijke streek, te midden der natuur, die wij bemind hebben, in een zacht graf, waar rondom het alles bloeit en groent, waarover de zwoele winden waaien, waarover de heerlijke sterren van den nacht schijnen!

Ik kan evenwel niet zeggen dat de hoog romaneske begraafplaatsen onzer dagen mij altijd evenzeer aanstaan.

Vele zijn veel te zwierig, veel te bloeiend, veel te gekunsteld, veel te rijk, te overladen met dichterlijke zinnebeelden. De dood is arm, en heeft zijne eigene poëzie. Waar de natuur de begraafplaats schilderachtig maakt, is het wèl; waar de kunst het doet, verraadt het de menschelijke zucht om alles op te schikken te zeer. Het verschilt als een wilde bloem en een gevlochten krans. Niet bij iedere zerk moet een roos geplant zijn; niet over ieder graf een treurwilg weenen. Doch dáár staan zij geheel gereed, om op de dooden te wachten. Het zijn hier niet droefheid en liefde, die ze bij de rustplaats van het voorwerp harer vereering planten: het is het overleg van den aanlegger, die weet hoe het behoort, die ze elken doode als voor bestemt, en op liefde en achting vooruitloopt.

Mij bevallen onze oude dorpskerkhoven nog altijd het best, en misschien te beter omdat zij zoo weinig van hoven hebben.--Onze oude dorpskerkhoven; zonder een verwaande spreuk of een heiligen tekst, die in ieders hart vanzelf opkomt, op het hek; zonder kunstmatigen opschik, zonder weelde, zonder van buiten aangebrachte dichterlijkheid, waar de doodenschaar een breeden kring om het huis Gods slaat, in welks omvang het "gij zijt stof!" gepredikt wordt en welks toren ten hemel wijst, verkondigen zij dood en opstanding met meer waarheid, meer ernst, meer nadruk, meer onversierde welsprekendheid! Zij zijn _natuur_; geen _smaak_! Het hooge gras, de zonder opzet opschietende bloem, de eenvoudige gedenkteekenen; het armelijke van het geheel komt overeen met de gedachten, die mij daar vervullen. Geene begrafenisplechtigheid werkt ook zóó zeer op mijn gemoed, als die, zooals ze bij ons op het platte land plaats heeft. Dan luidt de oude dorpsklok uit den toren, en de kleine optocht komt langzaam nader. Geene beambten, geen noodiger met een gewichtig gezicht; alleen de bloedverwanten, de vrienden, de buren. Geen ander rijtuig dan de wagen, die den overledene gediend heeft om voor zich en de zijnen het eerlijk onderhoud te winnen, voert hem nu ten grave, en deze wordt getrokken door zijn geliefd paard, den deelgenoot van zijn arbeid. Met het gezicht in de groote zwarte huik verborgen, zitten de vrouwen op de kist zelve. Bij het graf spreekt de leeraar, aller vriend, een kort woord; de kist wordt neergelaten; de naaste betrekking werpt er de eerste aarde op; en den eerstvolgenden zondag gaat hij over dat graf ter kerke, waar hij woorden van troost hooren zal. Want in den kleinen kring eener landgemeente heeft men bevrediging voor elks behoefte.

Uit dit alles ziet men wel, dat ik juist niet veel gevoel voor ceremoniëele begrafenissen, lange rouwslepen, _magna funera_! Het is dikwijls akelig zulk een mommespel te zien, met aangetrokken rouwkleedij en aangetrokken treurige gezichten. Maar het begraven van stadswege, zooals dat reeds hier en daar plaats heeft, is toch een koud denkbeeld. Neen, de buren, de buren moeten begraven; geen daartoe aangestelden die, als op hoog bevel, uwen dierbare, als ware hij publiek eigendom geworden, komen opeischen en weghalen, terwijl de gewoonte hun verbiedt eenige deelneming ook maar voor te doen. Maar zóó ver gaat de koelbloedigheid in sommige plaatsen, dat indien gij arm zijt en niet hebt om uwen vader, of uwe moeder, of uwe dierbare vrouw, of uw lief kind eene eerlijke begrafenis te geven, men u niet van de kosten ontheft, zonder op het rouwlaken met groote letteren het verwijt te schrijven: "_Van de Armen_". Dat is toch wat heel hard, en neemt de gansche weldaad terug!

Ik sprak met een woord van het rouwdragen; ik wilde te dezer gelegenheid mijne denkbeelden daaromtrent blootleggen. Ik weet wel dat men somtijds, uit aanmerking van de bekrompen omstandigheden waaronder men een groot gezin nalaat, de bepaling maakt dat niemand het zwarte kleed zal aantrekken. Maar waar deze, of eene andere nog geldiger reden niet bestaat, o mijne vrienden! maakt, bid ik u, die bepaling niet. Laat het nooit eene gril wezen, die gij denkt dat u fraai staat, nooit een gekozen partij worden, waar gij niet van wilt terugkomen. Gij weet niet, hoe gaarne men over dierbare betrekkingen rouwt; hoe zoet het is eenen geliefden doode voor het oog der wereld deze geringe hulde te brengen! Honderd vertoogen over de nietigheid der uitwendigheden, honderd bewijzen dat het rouwkleed _niets_ bewijst, honderd voorbeelden van huichelaren die het ontwijdden, van lichtzinnigen wie het verveelde, nemen niets weg van het zacht weemoedig gevoel waarmee de hartelijk bedroefde het aantrekt! En o, ik weet, op den bodem uws gemoeds _is_ die wensch, dat men uw dood niet onopgemerkt voorbijga, dat men het niet te veel zal achten iets voor uw nagedachtenis te doen. Maar uw verstand weerspreekt dien? Weest dan zoo hardvochtig verstandig niet,--weest natuurlijk, eenvoudig, menschelijk, en ten minste niet wreed jegens anderen. Ziet! ik wenschte, dat al die philosofen-, al die studenten-ideeën maar één hoofd hadden, om ze met een enkelen slag van de wereld te doen verdwijnen!

Het dorpje O. is zoo weinig uitgestrekt, dat het zelfs geene Kerk heeft, maar welk vlek is zoo klein, dat het geene begraafplaats behoeft? Dáár is zij een lieve zandige heuvel, vanwaar men op bosschen en hoven nederziet, en in de nabijheid blinken de witte duinen. Enkele bewoners van de naburige stad hebben er graven. Daar bracht ik mijn eerste offer aan den dood. Daar legde men een mijner vroegste en beste vrienden weg. Ik was toen achttien jaar oud. Het was een heldere dag, en de zon scheen liefelijk op het vredig landschap en het kleine kerkhof. Het geheele tooneel staat in al zijne bijzonderheden mij nog levendig en helder voor den geest. Met eenige der naaste betrekkingen en nog een vriend van den overledene, wachtte ik er het lijk op. Nog zie ik den voorsten drager de kist tegen den heuvel optorsen. Toen werd zij op de planken gezet, en daarna voorzichtig nedergelaten op die eener zuster--almede eene jeugdige doode, die eene zelfde kwaal ten grave had gesleept! Het was geen kuil; het was een grafkelder. Van dat oogenblik af heb ik iets tegen grafkelders. Mij dunkt, ze zijn zoo kil! De moederlijke aarde klemt zich niet om den doode, opdat hij zijn stof met het hare vermenge, maar hij blijft aan zichzelven overgelaten; dit geeft onaangename voorstellingen. Ook begraaft men den doode niet; veeleer bergt men hem weg. De zon wierp hare heldere stralen in den geheelen kelder, en de witte kist met hare koperen ringen glinsterde in haar licht. Maar weldra schoof men den zwaren steen op de opening, en het licht werd langzamerhand uit dat somber verblijf uitgesloten. Ik weet wel, dat het dit was dat mij bijzonder aandeed, en dat ik met belangstellende aandacht de zwarte schaduw verder en verder over het deksel sluipen zag, totdat zij de laatste lichtstreep had verzwolgen. Maar het moest zoo zijn. Toen ik het graf verliet, had ik een vreemd gevoel. Het was mij duidelijk dat ik aan eene droevige plechtigheid had deelgenomen, maar dat ik _hem_ had zien begraven, dien ik zoo zeer geacht en bemind had, bij wiens ziekbed ik zoovele nachten had gewaakt, dien ik na zijn dood zoo dikwijls beschouwd had, zooals hij daar lag, rustig uitgestrekt, met blij moedigen glimlach en effen voorhoofd; dat hij nu in dien donkeren kelder lag, voor altijd weg uit mijne oogen... het was mij wonderlijk.

Nooit bezoek ik dat kleine dorp, of ik bezoek dat graf. Nooit geleid ik iemand in den omtrek van dien stillen heuvel met blauwe zerken en groene zoden, of ik wijs hem dien aan en zeg--"dáár rust een mijner vrienden; hij was een goed mensch".

Ik eindig zoo als ik begon: "Mijne vrienden, men zal ons allen begraven!" O dat wij allen, als deze, dezulken bij ons graf vergaderen die ons betreuren; dat ons aller nagedachtenis in zegening blijven moge! Zoo slape ons stof in den schoot der aarde, totdat de groote en ontzaglijke dag des Heeren komt!

1837.

Eene Tentoonstelling van Schilderijen.

Mijn vriend _Baculus_ heeft een klein boekje geschreven, waarin hij over het verval der kunst klaagt en een weinigje knort! Als oorzaak van dit haar verval geeft hij voornamelijk op, dat zij buiten haar doel is geplaatst, dat zij niet op haren rechten prijs geschat wordt. De kunst is een meisje, dat leelijk wordt bij gebrek aan aanbidders. Hij bewijst u dat de kunst in het geheel niet meer wordt aangebeden, maar wel te kijk en te koop gezet, als iets bijzonders en aardigs, als eene curiositeit. Hierin nu is dunkt mij veel waarheid, en het staat in zijn boekjen in sierlijk Fransch te lezen. Inderdaad, het komt mij meer en meer voor alsof de groote kunst zoo ingekrompen was, dat men met haar als met een dwerg op de kermissen rondreisde. Gij begrijpt dat dit leventje haar zekere kwade gewoonten doet aannemen en haar in hare eigene oogen vernedert. Ook is zij sedert lang niet vrij te pleiten van allerlei laaggeboren ondeugden en neigingen. Zij is van tijd tot tijd vrijpostig en onbeschaamd, ophakkerig en driest. Zij houdt van bonten opschik, schreeuwt drie tonen te hoog, en is nu en dan wel eens wat heel los in den mond; daarbij heeft zij iets wreedaardigs en koelbloedigs gekregen.--En wat denkt gij nu van de tentoonstellingen van schilderijen? _Baculus_ ijvert er geweldig tegen en, als men de dingen een weinigjen uit de hoogte beziet, is men het zeker met hem eens; maar dan loopt men gevaar van fantastisch te worden, zooals de lieden van het onderzoek zeggen; daarom laat ons uit de laagte opkijken [29], en dan zullen wij toestemmen dat de jaarlijksche expositiën groote en veelzijdige _nuttigheid_ hebben. Maar het is vervelend altijd over nuttigheden te praten; duizend "lezers" doen dit maandelijks in duizend lezingen; en voor een liefhebber der schilderkunst is één uurtjen in eene zijkamer met een portret van _Kruseman_ of eene zee van _Schotel_ alleen gelaten, ruim zoo aangenaam als de aanblik van die gansche zaal vol goud en glans, waar de kunstgewrochten in lagen opgestapeld zijn, en waarin de kleuren van den regenboog dooréénschemeren als die der zijden draden in de weerschijnen sakken onzer grootmoeders.

Of welke speldeprikken (neen, dolksteken!) denkt gij, dat eene voor kunstschoon vatbare ziel zich voelt geven, als zij een kaarslicht van _Schendel_, voorstellende een ouden bedelaar (levensgrootte) met een kandelaar in de hand, hangen ziet tusschen twee grasgroene landschappen van ik weet niet wien, met duizend boomen, die elk zoo groot zijn als de kaars van den grijsaard, en daarboven misschien een ruiker van _Bloemers_, geflankeerd door het portret van een gouden huzaren-officier en de mislukte afbeelding van een opengesneden kabeljauw met bijhebbend gezelschap van roggen en mosselschelpen?

En echter verzuim ik niet de tentoonstelling te bezoeken, en kan ik er met innig genoegen uren doorbrengen. Eerst maak ik den toer van de schilderijen en doe er zooveel wetenschap op als noodig is om in de gezelschappen te redetwisten over "het mooiste van allen", vast besloten het met de vrouw des huizes of de liefste dochter eens te zijn; om vervolgens de Haagsche en de Amsterdamsche tentoonstellingen onderling te vergelijken, waarbij de plaats waar ik mij bevind mij altijd het oordeel helpt vellen; om daarna de portretten van mijnheer en mevrouw A, B, C, en het geheele alphabet te roemen; echter sterk volhoudende dat zij volstrekt niet geflatteerd zijn, en eindelijk des noods met de jonge dames te lachen over het slechte toilet van deze of gene, die, verbeeld u! verkozen had in het groen te worden voorgesteld, terwijl zij toch "zoo _heel_ blond" is, en den heeren in te fluisteren, dat zij voor die groene japon te weinig goed heeft gebruikt; aan al hetwelk ik ten laatste de kroon opzet door de volkomene ontleding van een zeer slecht stuk en de uitvoerige beschouwing van dat kleine stukje "daar ik wel een uur bij had kunnen stilstaan, zoo klein als het was!"

Maar dan keer ik mij, vermoeid van kleuren en tinten, verguldsel en vernis, dooreengewarde nommers en nagekomen stukken, tot de beschouwing dergenen, die met mij opgekomen zijn om te zien wat er al zoo in een jaar tijds is op het doek gebracht. Van de gladde, zachte, gepolijste gezichten in lijsten, tot de menschelijke troniën in hoeden; van de _tableaux de genre_ aan den wand, tot de _tableaux de genre_ op den vloer; en uren lang zou ik kunnen besteden in de natuurbeschouwing van dien af- en aanvloeienden stroom van kunstbeschouwers. Het verwondert mij dat er geen schilders nederzitten om studiën te maken. Ik heb er eene geheele verzameling van schilderijen opgedaan. Zie hier eenige nommers van mijn catalogus.

N_o_. 1. _Een Teekenmeester, zijn eigen werk beschouwende._

Het is een kort, tenger mannetje, min of meer grauw van tint, met kleine, grijze oogen en een scherpe kin. Bij het binnentreden overziet hij de zaal in de vier richtingen met een kennersoog, en geen stap gaat hij verder alvorens hij zijn bril heeft opgezet. Hij is gekleed in een vettigen, versleten zwarten rok en dito pantalon. Een lederen stropje van eigen maaksel knelt om zijn hals, en hij draagt een katoenen overhemd, op de borst fijntjes geplooid. Hij vergoedt het volslagen gemis van handschoenen door de buitensporige lengte van de opslagen zijner roksmouwen, die hem tot het tweede lid der vingeren komen. In het voorhuis reeds heeft hij den catalogus opengeslagen en naar binnen omgevouwen. Hij heel _Aegidus Punter_. De P. blinkt op de bovendrijvende bladzijde. Hij is nu bezig, met een zekere handbeweging, alleen den teekenmeesters eigen, een volslagen potlood met een lange, scherpe punt uit zijn kamizoolzak op te delven. Wilt gij meer van hem weten? O! het is niet moeielijk in hem een dier ongelukkige martelaars der kunst te onderscheiden, "die miskend worden", en wier schitterende gaven alleen waardeering vinden bij de jonge dames die hunne voorbeelden copiëeren. Het ontbreekt hem aan aanmoediging en tijd, anders werd hij een van de grootste schilders van het land. Dan had hij een ridderorde, dan ging hij naar Italië, dan kwam hij in de nieuwe uitgaaf van het groot Schilderboek!... Maar niemand let op hem. Hij gelooft somtijds dat hij een te stipt christen, een te nauwgezet burger is, om een schildersnaam te maken. Voor het overige, wanneer hij over de kunst spreekt, gebruikt hij de woorden: toon, kracht, geest, warmte, vergelijkende tint en wat dies meer zij, zoo dikwijls als de doorluchtigste van het gild. Zijne voornaamste verdienste bestaat in de edele onverschrokkenheid waarmede hij zich aan alle genres waagt. Hij teekent kerken, hij teekent historie, hij teekent landschap naar de natuur; hij vervaardigt, zoo gij het verkiest, uw portret in waterwerf of crayon; hij doet al wat gij wilt. Maar hij maakt jaarlijks één schilderijtje, dat hij naar de tentoonstelling zendt. Het maakt de bewondering uit van zijn vrouw, van zijn meid, van al zijn kweekelingen, en van al de leden van het kunstlievend gezelschap daar hij lid van is.

Maar altijd wordt het slecht geplaatst, allerslechtst geplaatst! Hij ziet in de commissie een schandelijk komplot, tegen zijn opgang en belangen saamgespannen. Hij leest den Konst- en Letterbode, hij leest het Handelsblad: nooit is er melding van zijn stuk gemaakt. O! welke zoete droomen droomt hij den eersten nacht nadat hij het heeft ingepakt en met een uitvoerig adres verzonden! Het zal de verbazing van alle beschouwers uitmaken! _Teylers_ museum zal het willen aankoopen; de Prinses van Oranje zal het moeten bezitten; een liefhebber zal aanbieden het met goud te beleggen! Groote schilders zullen hem zijn penseel benijden; vreemdelingen zullen naar de plaats zijner woning komen reizen "om den grooten _Punter_ te zien"; en wanneer hij hun dan, zoo eenvoudig en nederig als hij is, in zijn simpel zwart rokjen en op zijn hooge schoenen, de deur zal openen, en zij vragen: "is de groote _Punter_ te huis?" welk een triumf zal het zijn, te zeggen: "dat ben ik zelf, mijnheer! om u te dienen!"--Helaas, zijn stukje komt weerom--het is niet in aanmerking gekomen.--Eens, eens--de waarheid eischt van den geschiedschrijver dat hij het vermelde--ééns scheen het in aanmerking gekomen te zijn. Eene dame van rang en liefhebberij had er een kunstkooper last op gegeven. De kunstkooper schreef aan _Punter_, en _Punter_ schreef aan den kunstkooper. Hoeveel woordenstrijd had deze briefwisseling tusschen juffrouw _Punter_ en haar waardigen eega gekost, als het haar voorkwam dat hij te zedig was in het bepalen van den prijs, en zij hem toescheen voor een eersten keer wel wat inhalig te wezen! Eenige dagen duurde het eer hij een tweeden brief ontving. Reeds wisten al zijne jonge juffrouwen en de geheele stads-teekenschool dat het stukje van meester _Punter_ was "aangekocht voor een kabinet"; reeds had men er hem in zijn kunstlievend gezelschap mee gelukgewenscht; reeds had hij vol ijver en hoop een nieuw stukje begonnen. Het zou ditmaal in den smaak van _Ostade_ zijn. Twee passediezende boeren met de echt Ostadische korte pijpjes, en den eeuwigen wingerdtak belet vragende door het venster. De eene geheel spel; de andere half bierkan!--Hij zou er het dubbel voor vragen van hetgeen zijn eersteling had opgebracht; en zijne vrouw zou een kerkboek krijgen, met een gouden slot. Zoo zou hij langzaam opklimmen tot de hoogste hoogte; zoo was het _Frans Hals_, zoo _Van Dijck_, zoo _Rembrandt_ gegaan.--Maar, o slag des noodlots! Daar brengt hem de koelbloedige post een brief.--Men had zich in het nommer vergist. De kunsthandelaar is beleefd genoeg vergeving voor deze onachtzaamheid te vragen. Vergeving voor deze onachtzaamheid! Wat onachtzaamheid? Neen, hij vrage veeleer vergeving voor een der verschrikkelijkste grieven, die men een eenvoudig burgerman kan aandoen! vergeving voor een dolksteek, die een van blijdschap zwellend hart doorboort; voor een mokerslag, die honderd der schoonste luchtkasteelen doet ineenstorten! vergeving voor een zedelijken en schilderlijken moord!--Ziedaar een enkele bladzijde uit de geschiedenis van dit klein, tenger mannetje. Verbaast het u thans, dat zijn rok zoo kaal, zijn gelaat zoo geel, zijn mond zoo droevig geplooid is, dat hij de opgewektheid verliest zijne sluike haren éénmaal in de maand te doen knippen? Zie hem daar nu weder op de tentoonstelling. Zijn stukje--het is ditmaal eene keukenmeid, die een koperen emmer schuurt--zal wel weer slecht geplaatst zijn; zeker te hoog of te laag voor menschelijke beschouwing. De vorige maal was het alsof het zijne bewonderaars onder de engelen zocht: nu zal het misschien in de diepte zijn nedergestort. _Flectere si nequeo Superos, Acheronta movebo!_ zucht hij niet, want hij verstaat geen Latijn. Zijn vader was een rijtuigschilder, beroemd om zijn blinkend en nooit barstend vernis; maar de zoon had te veel _"zenie"_ om bij dat vak te blijven. Hij vorscht met schijnbare onverschilligheid de plaats uit, aan zijn meesterstuk beschoren. Het schikt nogal, wat de hoogte betreft; maar in dit hoekjen is immers weer niets geen licht op den koperen emmer! Ach! de geheele wereld gaat er ook voorbij. Nutteloos staat deze Apelles op de wacht; zoomin de tripjes als de voet van zijn keukenmeid worden beoordeeld! Niemand zegt iets van den koperen emmer, waarvan zijn vrouw immers had betuigd, dat zij meende er haar muts in te kunnen opzetten! Als de bewegelijke rij der toeschouwers, "die toch waarlijk bij erger prullen stilstaat", tot _zijn_ werk is genaderd, schijnen zij plotseling gezicht en spraak verloren te hebben.

Stillswijgen is een Vloeck die meer bijtt als quaed-spreken.