Camera Obscura

Chapter 32

Chapter 323,805 wordsPublic domain

Ik weet niet of de te dezer gelegenheid voor 't eerst aan 't licht gebrachte opstellen beter of slechter dan de andere zijn. Maar het zou mij verwonderen, daar alle te zamen de voortbrengselen zijn van een zelfden geest en tijd. Veel is er in het geheele boekdeel, dat ik u thans voor de derde maal aanbied, dat ik nu anders zou gevoelen, beschouwen en voorstellen; veel dat _le mérite de l' à-propos_ verloren heeft. Maar ik geef het zooals het is en voor hetgeen het is. _Il faut juger des écrits d'après leur date_ blijft een treffelijke spreuk. Indien ik op dit oogenblik gelegenheid of genegenheid had om denzelfden vorm van schrijven te gebruiken, ik zou meenen tot iets belangrijkers, iets geestigers verplicht te zijn; en vooral tot iets dat van een dieper menschenkennis en vruchtbarer levensbeschouwing getuigde.

Indien ik daartoe onvermogend ware, ik zou moeten zeggen: ik heb een dozijn jaren te vergeefs geleefd.

Waarde vriend, er heeft, sinds ik u voor de eerste en tweede maal het meerendeel dezer minbeduidende opstellen opdroeg, al vrij wat plaats gehad in en rondom ons. Het leven is ons sedert eerst duidelijk, ja, wij mogen wel zeggen eerst _bekend_ geworden, en op onderscheidene wijzen werden wij bij den ernst des levens en bij onszelven bepaald. Het is wel eens bang geweest daarbinnen en donker daarboven. Er hebben tranen gevloeid, van wier bitterheid onze vroolijke jeugd, ondanks al haar verbeeldingskracht, geen denkbeeld had. Gelukkig indien wij vreugden en ook vertroostingen hebben leeren kennen, waarvan de kracht en de zaligheid in onze jonge harten niet was opgeklommen. Zij zijn er; en Diezelfde die ons onze vroolijke jeugd schonk, heeft ze te zijner beschikking, en geeft ze aan die ze behoeft. Danken wij Hem, die ons een hart gaf om _alles_ te gevoelen, een hart waaraan niets menschelijks vreemd bleef, en dat ook voor het goddelijke niet onaandoenlijk is. Ook in dien speeltijd van onzen geest, dien dit boekdeel ons herinnert, stonden wij nu en dan stil, als op een aanraking met het hoogere, met het hoogste. De tijd is gekomen om daaraan geheel ons hart over te geven en, bij het waarachtige licht, alles en allen, maar allereerst onszelven te zien. Neen, het is de vraag niet meer van _spelen,_ maar wel van wederom _kinderen te worden._ En daar is een _kind zijn_, waarin alleen de kracht, de wijsheid, en de vreugde van den man gelegen is.

1 October 1851.

LAATSTE BIJVOEGSEL.

(Zevende Uitgave.)

En nu--het is gedaan! Deze Zevende druk zal onder uwe oogen niet komen; gij zult dien niet opnemen met dien genoegelijken glimlach, die u zoo eigen was, en waarmede door u elke nieuwe uitgave van dit boekdeel werd ontvangen en begroet.

Die oogen zijn voor goed gesloten. Geen mensen zal dat beminlijk gelaat meer zien. Onze boeken, onze personen, onze "vertooningen", onze werkelijkheden--het is alles voor u voorbijgegaan. Vriend mijner vroegste jaren en, het gansche leven door, steeds meer mijn vriend! Vriend en Broeder! Gij zijt mij van het hart gescheurd. Het graf is tusschen ons.

Ach, welk een dag, als ik u op dat ziekbed vond, dat binnen tweemaal vierentwintig uren uw sterfbed wezen zou! Nog had ik eenige hoop. Uw hoofd was zoo goed. Gij waart nog zoo dezelfde in spreken en vragen. Vier dagen later stond ik bij de voor u geopende groeve.

Nooit zal ik die begrafenis vergeten. Neen, ik had mij niet vergist, beste kerel: toen ik, onder al de vrienden mijner jeugd, u de eerste plaats in mijn hart gaf. Ik had niet te veel gewaagd, toen ik, voor nu reeds meer dan dertig jaren, in deze bladen, bij het geheele Vaderland een zoo gunstig denkbeeld van u poogde in te boezemen, als mij, zonder al te zeer in uwen lof uit te weiden, maar eenigszins mogelijk was. Het zegel is er op gezet. Allen hebben, voor en na, u den man bevonden, dien ik in u gezien en aangeduid had, en gij zijt zoo hartelijk bemind en oprecht beweend ten grave gedaald als weinigen stervelingen mag gebeuren.

Het was een der eerste dagen van April; een vroege zondagmorgen. Wij brachten u buiten de stad op het kerkhof van het bekoorlijk Ubbergen. Hoe heugde het mij, dat ik het met u bezocht had, voor achtentwintig jaar, toen dat graf voor 't eerst was opengegaan, om dat dierbaar kind, dien lieven jongen, te ontvangen, over wiens verlies uw hart nooit geheel heeft opgehouden te bloeden!--Nu was het nog zoo stil op straat, de meeste menschen nog in de rust. Maar de geringe luidjes langs den Voerweg waren op, en kwamen, als wij voorbijreden, aan het open venster en in de deur, en keken zoo bedrukt, en schudden zoo weemoedig het hoofd; want daar _ging_ die goede beste dokter, die er in die vijfendertig jaren zoo velen geholpen, en zoo velen, die hij niet helpen kon, met zijn hartetaal en deelnemend gezicht vertroost had, en die ook "voor _ons_ menschen" zoo goed was geweest!

Buiten de poort sloot zich, ongenoodigd, een lange, lange reeks van rijtuigen met deelnemende vrienden aan. Rondom het graf verdrong zich een dichte schaar; menschen van allerlei leeftijd, stand, denkwijze, betrekking op u. Zoo vele aanwezigen, zoo vele bedroefden. Van uwe medebroeders in het menschlievend gild der artsen ontbrak er niet een. Maar _wie_ van uwe vrienden, die erbij kon wezen, wilde er ontbreken?--Ook gij drongt door de menigte heen, om te zien waar hij gelegd werd, en liet de paarden de paarden, trouwe voerman, die hem zoo menig-menigmaal naar zijn buiten-patiënten gereden hadt en ook thans in functie waart! En dikke tranen rolden in uw bakkebaarden.

Vele hartelijke woorden werden gesproken. Woorden van smart, van liefde, van hoogachting, van dank, van troost, van gebed. Drie diepbewogene stemmen heb ik gehoord. Ook ik sprak een woord. Wat ik zeide weet ik niet meer, maar wel wat ik gevoelde. Nog gevoel ik het.

Toen ik, vier weken later, dat plekje nog eens bezocht, was het Mei geworden en alles groen. Men had mij gezegd dat langs den weg naar Ubbergen de nachtegaal reeds overvloedig te hooren was; maar ik bevond het op dien morgen niet alzoo. Basterdnachtegalen, Bram! waar wij het mee deden en zoo gaarne de echten in hooren wilden, als er geen echte waren; basterdnachtegalen, anders niet'! Maar als ik bij uw graf stond en mijn eenzaam hart vol werd--daar hoorde ik op eenmaal den echten! Daar hief hij aan, luid en klaar, met die lange uithalen--, met dat krachtig georgel, dat niemand hem nadoet. Het scheen mij een lied te uwer eere, vriend van gezang, vriend van schoone natuur en van al wat schoon was en welluidend! Vriend in alles van het _echte_!

Rust zacht, dierbare Broeder! Gij hebt in uwen Heiland geloofd. Bij Hem hoop ik u weer te zien. Uw beeld rust in mijn hart. En zoet is mij de gedachte dat, zoolang dit boek in Nederland gelezen worden zal, ook uw naam in Nederland niet zal worden vergeten.

1 Juni 1871.

In Memoriam Abrahami Scholl van Egmond. M D. _Nat_. IV Oct. MDCCCX _Denat_. XXXI Mart. _MDCCCLXXI_

·

Multis ille bonis flebilis occidit, Nulli flebilior quam mihi.

_Hildebrand_.

VERSPREIDE STUKKEN VAN HILDEBRAND.

Vooruitgang [23].

Klein, klein kleuterken. Wat doe jij in me hof! Je plukt men al de bloemkens of En maakt het veel te grof.

_Oud Deuntje_.

Spoken! O, ik heb allen eerbied voor ons beter licht; maar het spijt me razend, dat er geen spoken zijn. Ik wenschte er aan te gelooven, aan spoken en aan toovergodinnen! O, moeder de Gans, lieve Moeder de Gans! laarzen van zeven mijlen! onuitwischbare bloedvlek op dien noodlottigen sleutel! en gij, stroom van rozen en paarlen uit den mond der jongste dochter! hoe verkwiktet gij mij in mijne jeugd! Mijn grootmoeder kon de historie van Roodkapjen al zeer goed vertellen. 's Zaterdags-avonds, als zij haren bijstand kwam verleenen bij het vouwen van de wasch; alvorens zij dat gewichtige werk aanvaardde, in het schemeruur; en de kleinste zat op haar schoot en speelde met haar zilveren kurketrekker in de gedaante van een hamer. Hoe blonken hare oude oogen, als zij den wolf nabootste, op het oogenblik dat hij toebeet! Zekerlijk, "Vader _Jacob_ en zijne kindertjes" is een heel mooi boekje; "de Brave _Hendrik_" is allerbraafst; maar ik had toen een afkeer van al die geschriften, op wier titel prijkt "voor kinderen", "voor de jeugd"; en wat betreft titels als: "Raadgevingen en Onderrigtingen", zij waren mij een gruwel. Als kind begreep ik de nuttigheid van het nuttige niet zoozeer. Maar ik had een mooie uitgaaf van Moeder de Gans: half Fransch, half Hollandsch; zonder omslag, zonder titel, en al de bladzijden boven en beneden als een jachthond behangen. Van de poëtische zedeleer aan het eind van ieder verhaal, cursief gedrukt, begreep ik niets. Maar ik begreep het verschrikkelijke van het "Zuster _Anna_, zuster _Anna_! ziet ge nog niets komen?" en dan het wrekend zwaard van den opgedaagden broeder! o, Die Blauwbaard, die verschrikkelijke, die gruwelijke, die heerlijke Blauwbaard! Was mij zijne geschiedenis de schoonste der geheele verzameling: toch was ik er eenigszins bang voor. Als ik bet boek in handen nam, draaide ik er omheen, met een zekere begeerige schuwheid, als eene mug om de kaars. Eerst las ik al het andere; eindelijk viel ik op den vrouwenbeul aan, beet toe, en verslond zijne historie. Mijn ademlooze belangstelling, mijne bleeke wangen, mijn kippevel, mijn omzien naar de deur, mijn hevig schrikken als er in die oogenblikken iets van de tafel viel of iemand binnenkwam, dat alles staat mij levendig voor den geest, en ik wenschte, o ik wenschte, dat ik dat alles nog zoo voelen en genieten konde! Gelooft gij dat die tijd verloren was? dat zulk een uur niet tot mijne vorming medewerkte? dat het mijne verbeeldingskracht niet uitzette, sterkte, en haar voedsel gaf?

En nu--waar mijn Moeder de Gans van die dagen gebleven is, weet ik niet [24]. Mijn jongere broers en zusters hebben er nooit zooveel werk van gemaakt. Ik heb ze nooit in hunne handen gezien. De kinderen onzer dagen lezen allerhande nuttigheid, geleerdheid, vervelendheid. Zij lezen van volwassenen, die zij niet begrijpen, en van kinderen, die zij niet zouden durven navolgen. Eerst van engeltjes in jurkjes en broekjes, die hun spaargeld aan een arm mensch geven, op het oogenblik dat zij er speelgoed voor dachten te koopen; later van groote mannen, naar hun begrip versneden en pasklaar gemaakt [25]. En dan worden zij altijd _leerzame jeugd_ en _here kinderen_ genoemd. Men weet niet dat, ofschoon menig volwassene wenscht kind te zijn, er geen kind ter wereld is, dat zich gaarne dien titel hoort geven. Het verstandige woord van _Van Der Palm_ tot de jeugd: "Ik wil u niet vernederen, maar opheffen" [26], is voor de meeste kinder-auteurs een onbegrepen wenk. En wie wil altijd leerzaam en lief heeten? Kinderen zijn er te bescheiden toe.

Doch dit alles verandert. Onze kleine morsbroekjes zijn anticipaties op volwassen menschen. Voor hen bestaat, van moeders schoot af, geen enkel vroom bedrog, geen enkele wonderbaarlijke jokken meer. Moeder de Gans is veracht; zij weten, dat al wat zij vertelt onmogelijk is, dat er nooit katten geweest zijn, die spreken konden, dat er geene moei ter wereld uit een pompoen eene koets kan maken: zij weten, dat St. Nicolaas niet door den schoorsteen komt; dat "wie aan den zwarten man gelooft, van zijn verstand beroofd is!" dat alles natuurlijk toe moet gaan, met handen gemaakt, of voor geld opkocht worden.--Het is mooi, het is verstandig. Het is beter.

En toch geloof ik, dat het geheel afsluiten dier bovennatuurlijke wereld, het volstrekt beperken der kinderlijke begrippen tot het gebied van het physiek-mogelijke, zijne kwade zijde heeft, en in menige jeugdige ziel den grond legt tot een later scepticisme, rationalisme, of ten minste tot een zekere koelheid voor eene menigte van zaken, die anders op het gemoed plegen te werken. Waarlijk, men maakt der jeugd te veel indrukken onmogelijk. Onze kleine mannetjes zijn al te verstandig, al te wijs. Zij leeren te veel op zinnen en zintuigen vertrouwen, en dat wederspannige van te willen zien en tasten, alvorens aan te nemen, blijft. Gij leert uwe kinderen vroeg van een "Lieven Heer" spreken, die alles ziet en hoort: ijver dan ook niet te zeer tegen die verhalen der kinderkamer, met welker indruk een dergelijk geloof veel beter strookt, dan met dien van uwe volksnatuurkunde, vroegtijdig ingeprent. Maar gij vreest, dat uwe kinderen bang, vreesachtig, lafhartig, zullen worden. Eilieve! indien dat in hun bloed of in hunne zenuwen is, zullen zij het toch worden; zoo niet voor spoken, dan voor beesten, voor dieven, voor struikroovers. Eene kinderziel _wil_ hare verschrikkingen hebben. Het wonderbaarlijke--hoe verlokkelijk is het! Of is het uzelven niet een genoegen, spook- en wondergeschiedenissen te lezen! Ik voor mij lees Swedenborg liever dan _Balthazar Bekker_. Gij doorbladert de _Mille et une nuits_ met genoegen; een onzer eerste mannen leest ze sedert onheugelijke jaren dagelijks. Gij gaat tooverballetten zien; gij zijt de vrijwillige dupe van eenen _Faust_, eenen _Samiël_, en een _Cheval de Bronze_. Het bovenzinnelijke, het onbegrijpelijke streelt u. Welnu, die trek is bij uwe kinderen nog grooter. Laat der jeugd dan hare wonderen! Aan haar al het schitterende der schatrijke verziering, aan haar Brisemontagne, aan haar de Schoone Slaapster, aan haar de Rijstebrij-berg en Luilekkerland; voor u de flauwe, dorre, ware werkelijkheid; voor u onze kleine groote mannen, onze wakende leelijken, en onze arme wereld, waar men niets omniet beeft! Dat is eerlijk gedeeld; of zoudt gij willen, dat kinderen zoo wijs zouden zijn als gij kinderachtig zijt?

Dichters, schrijvers, schilders onder ons! Gelooft gij niet, dat gij veel, oneindig veel, aan uwe minne, uwe kindermeid, uwe grootmoeder verschuldigd zijt? Hebt gij u zelven wel niet eens betrapt op een indruk in de kinderkamer ontvangen? Kunt gij u niet voorstellen, dat de schoone wereld uwer idealen dáár is aangelegd, dáár allereerst bevolkt--en zoudt gij tegen het opkomend geslacht wreed kunnen zijn?

Zooveel voor de kinderen. Maar inderdaad, ons aller lof is droeviger geworden, sedert men zoo vlijtig aan het opdekken der waarheid is gegaan. De verziering is meestal mooier; het bedrog minder vervelend, _l'Heureux temps que celui de ces fables!_ riep _Voltaire_, en het ware te wenschen, dat hij het wat beter gevoeld had, de leelijke spotter! hij zou er zoovele niet uitgekleed hebben. Hij zou niet medegeholpen hebben aan het afbreken onzer schoone luchtpaleizen, aan het verwoesten onzer heerlijke dorado's. Arme tijden. In plaats van wonderdieren en wonderkrachten--natuurlijke historie en physica; in plaats van tooverij--goochelboeken. Wat heeft de poëzie al niet verloren! Geen vogel feniks meer, zich in zijn ambergraf van geurig hout verbrandende en uit zijn asch herlevende; geen salamander meer, in het vuur ademende; geen palmboom meer, te weliger groeiende, naarmate hij meer gedrukt wordt. In spijt van het Engelsche wapen, geen eenhoorn meer. Geen vliegende draak, geen basiliscus. Monsieur le Baron _De Buffon_ en andere liefhebbers van zijn stempel hebben al deze geslachten uitgeroeid; dreiging en moord blazende tegen alle illusiën, is het alsof zij eenen grooten maaltijd van al deze gedierten hebben aangericht. Het zou een schoon onderwerp voor een belangrijken roman kunnen zijn: _Nera, of de laatste der Zeemeerminnen._ De familiehaat tusschen het geslacht der Natuuronderzoekers en dat der geheimzinnige Zeebewoonsters kon er treffend in geschetst worden. En wat zijn wij op een aantal punten beter dan onze vaderen onderricht! De padden zijn niet vergiftig, en hebben geen diamant in het voorhoofd (het was anders eene schoone allegorie, eene moreele waarheid); de walvisch is geen visch, en _Jona_ heeft in een haai gezeten; de ooievaars dragen hunne zwakke ouders niet, als _Aeneas_, op den rug; de olifanten gelijken meer op menschen dan de apen; men moet niet gelooven dat de jakhalzen de prooi voor den leeuw opsporen;--dit alles hebben die heeren ons geleerd, en voor al de schoone wonderdieren, die zij ons hebben weggenomen, gooien zij ons eenige ellendige verdroogde Mammouthen en Ichthyosauri en Mastodonten naar het hoofd, waarvan wij àlles gelooven moeten wat zij ons verkiezen te vertellen. Ik betwist het nut dier wetenschappen niet. Maar maken ze ons het hart niet koud? De schoone natuur blijft nauwelijks schoone natuur, als men haar zoo koelbloedig geclassificeerd en geanatomiseerd heeft. Sla ze op, die boeken der natuurlijke historie, met hunne klassen, orden, familiën, geslachten, soorten, met hunne natuurlijke en kunstmatige stelsels, hoe dikwijls zult gij er tevergeefs naar een vroom en hartelijk woord van bewondering en verrukking zoeken. Waarlijk, men heeft de wonderdoende natuur te veel ontcijferd, te veel met passers, ontleedmessen, tabellen en vergrootglazen nageloopen.

_Göthe_ (of een ander, maar ik meen, dat het _Göthe_ was) sprak uit mijn hart, toen hij mikroscopen en vergrootglazen met zijn banvloek trof. Ons oog, dacht _Göthe_, of die andere, ons oog en ons schoonheids-gevoel zijn slechts ingericht en geschikt om de schoonheid dier wereld te begrijpen, die onder het bereik onzer zinnen valt. Daarom moeten wij onszelven het onrecht niet doen, ons in eene wereld te begeven, waar wij geen zin, geen medegevoel voor hebben, die ons, aan andere afmetingen gewend en voor andere vormen ingericht, leelijk moet voorkomen. En inderdaad, daar is voor mijn gemoed iets ondankbaars, iets onbescheidens in, in het bezit der groote aarde, nog datgene te vervolgen, wat buiten onze heerschappij ligt; eene nieuwsgierigheid, die wij dan ook gewoonlijk met walging, afschuw of ontzetting boeten. Of gevoeldet gij niet een akelig mengsel dezer drie gewaarwordingen, toen de oxygeen-mikroscoop u de verschrikkingen van een droppel water vertoonde en sidderen deed voor de afgrijselijke gedrochten, die er zich in bewogen? Voor mij, het geluk van des morgens met een blij gelaat mijn lampet aan te grijpen en het heldere frissche water op mijne handen te gieten, heeft veel van zijne bekoorlijkheid verloren, sedert ik het klare vocht als het voermiddel dier afschuwelijkheden heb leeren aanschouwen; sedert ik niet kan nalaten aan die monsters te denken met schorpioen-staarten en meer dan griffioen-klauwen gewapend, die er elkander in bestrijden [27]. Lieve medemenschen! welke is uwe gewaarwording, als gij bedenkt, dat gij bij iederen tred duizend moorden begaat, bij iederen zucht duizend heirlegers verplaatst, met iedere ademhaling gansche benden inademt; dat de kus der min er duizenden verplettert; ja wat meer is, dat gij in iedere porie uwer huid eene gastvrijheid uitoefent, waarbij die van _Hatem_, wiens tent honderd poorten had, niets is? Ik voor mij wenschte niet te weten, dat ik zoo overgoedertieren ben. Waarlijk, vrienden! dat alleven is niet uit te houden. Bedenkt het toch! Misschien heeft er op dit oogenblik een tornooi plaats in de hoeken van uw mond of een veldslag op den zoom van uw oor. Misschien mejuffrouw! viert het uitschot der oneindig kleinen een bacchanaal op uw smetteloozen hals; misschien hooggeleerde! gaat er een rei van dartele ijdeltuitjes ten dans in de plooien van uw kin!--Ba! het is afschuwelijk! Hoe dit gebroed afgeschud? Hoe dit krioelend heelal ontloopen? Helaas! aantrekkingskracht en middelpunt-schuwende kracht--de onverbiddelijke wetenschap zegt het--beletten het u. Zalige tijd, toen gij het niet wist! Toen kondt gij in uwe gedachten schoon, zuiver, _alleen_ zijn. Maar gij hebt van den Boom der Kennis gegeten, en zijt uzelven een afschuw geworden. Ik voor mij geloof dan maar liever aan de "Edammer Seemaremin!"

Ziedaar voor de natuur. Hoe ging het met de geschiedenis? Ook dáár moest, tot in kleinigheden toe, de waarheid, de koude waarheid, hardnekkig vervolgd worden. Ik keur goed, dat nieuwe onderzoekingen aan een _Sardanapalus_ recht laten wedervaren en veranderingen maken, niet minder gewichtig dan die van den _Médecin malgré lui_, als hij het hart van de linker- naar de rechterborst verplaatste--maar, bij voorbeeld! De ton van _Diogenes_ is een klein hutje geworden: alsof de grootste ton niet ruim zoo aardig was als het kleinste hutje ter wereld. Van de wolvin, die _Romulus_ en _Remus_ zoogde, is een gemeen vrouwspersoon gemaakt. _David_ was zoo klein niet, en _Goliat_ niet zoo heel groot. Men bedoelt het Hebreeuwsche, als men van _Erasmus_ zegt, dat hij twaalf jaren oud was, eer hij het A. B. C. machtig was; de pannekoeken die czaar _Peter_ te Zaandam at, waren zoo'n gemeen gebak niet, en zijn scheepstimmeren was juist niet veel. En dan al die steden, gesticht door mannen, die nooit op die plek zullen geweest zijn, en al die mooie gezegden, die zoo mooi niet waren en waar iets anders mede bedoeld was; en dan die heerlijke gezangen, welke geen dichter gehad hebben; en dan die bekrompenheid om getallen te rectificeeren! _Leonidas_ verdedigde Thermopylae wel met slechts driehonderd Spartanen, maar daar waren nog andere honderden bij, dat geen Spartanen waren; in plaats dat _St. Ursula_ met elf duizend maagden den marteldood onderging, onderging zij dien met geene elf duizend maagden; wat en hoeveel waren het dan?--En dan dat uitlachen als wij medelijden hebben, b.v. met _Tasso_ en _Petrarca_, door te zeggen, de een had het zoo hard niet te Ferrara, en de andere _was_ niet zoo heel verliefd!--Zie, indien een geestig schrijver gezegd heeft, dat de historie niets anders is dan eene fabel, waaromtrent men overeenkomt, waarom zijn er dan zoo vele spelbrekers, die ons met een hatelijken glimlach overal iets ontnemen, iets veranderen, iets verbroddelen?--Ik geloof dat dit alles nuttig is,--maar ik zou er bij kunnen schreien--Eilieve! geef mij dat kleine boekjen eens aan! dáár, van den rand dier canapé. Ik dank u. "Daer was eens een Koning en eene Koningin ..."

Nog iets. "Weet ge wat mij verbaast? Dit: dat, terwijl onze tijd er zoo op uit is, om alle vorige geschiedschrijvers en overleveraars beschaamd te zetten voor het minste krulletje dat zij te veel of te scheef gemaakt hebben, diezelfde eeuw alles in het werk stelt om hetgeen onder hare oogen gebeurt zooveel mogelijk opgesierd en mooigemaakt tot de nakomelingschap te brengen, Wij, die op al wat nu geschiedt medailles slaan, op alles oden maken, al het tegenwoordige ten breedsten uitmeten en zoo pittoresk mogelijk voorstellen; wij, die in de bewondering van ons-zelven schrijven en zingen en alles als in het vuurwerk onzer opgewondenheid zetten; wij, die aan alles wat het onze is eene romaneske, eene ridderlijke tint geven;--wij nemen de goede voorgeslachten zoo ernstig te biecht en vallen hun zoo hard, omdat zij hier en daar de Helden en de Wijzen wat in het _Held- en Wijze- zijn_ geholpen hebben, omdat zij hier en daar een lichtje, een bloempje, een pareltje, een gordijntje hebben aangebracht! ... Het is onbillijk.

"Daer was eens een Koning en eene Koningin, die so bedroeft waren," enz.

Het Water

Neen, ik kom van mijn denkbeeld terug dat er, in spijt van _Newton_ en _Herschel_, eene verandering in ons wereldstelsel zou hebben plaats gehad. Mijn barbier had er mij bijna toe overgehaald. "Die komeet van _Halley_", had hij wel tienmaal gezegd, "is niet pluis geweest!"--en toen nu de winters wegbleven, en het in Italië kouder was dan bij ons; toen de Meimaanden Novemberweer meebrachten, toen ik zaterdags vóór Paschen (en het was een late Paschen, van 't jaar) over den straatweg narde, en op oudejaarsmorgen laatstleden drie bloeiende viooltjes plukte--toen begon ik in den man met den langen blauwen jas en de zilveren oorringetjes, die altijd iets te scheren en altijd iets te praten weet, geloof te stellen, en ik zei met hem: "die komeet van _Halley_ zal het hem gedaan hebben".