Camera Obscura

Chapter 31

Chapter 313,674 wordsPublic domain

De speeltafeltjes werden gezet en er vormden zich drie partijtjes. Mevrouw _Stork_ verklaarde zich een hartstochtelijk liefhebster van omberen, "een charmant mooi spel"; mijnheer _Van Hoel_ zei met al de bedaardheid van iemand, die het dagelijks doet, dat hij er ook wel van hield; en _Gerrit_ moest de derde man zijn.

De rest van 't gezelschap verdeelde zich aan twee bostontafeltjes. Aan het eene vertoonden zich _Gerrits_ ouders, met mevrouw _Van Hoel_ en mijnheer _Vernooy_; aan het andere zaten mevrouw _Vernooy_, _Klaartje Donze_, _Wagestert_ en _Hateling_.

Mevrouw _Storks_ hartstocht voor het omberspel scheen min of meer hare bekwaamheid te overtreffen; althans er was eene zekere onevenredigheid tusschen deze twee vereischten, die den heer _Van Hoel_ kennelijk hinderde. HEd. redeneerde machtig veel onder het spelen, en niet zelden gebeurde het dat zij al pratende een of andere kleinigheid over het hoofd zag. Zij had eene geheimzinnige wijze van de kaarten door hare hand heen en weer te schuifelen telken reize als zij moest opspelen, en het kwam wel voor dat, als de heeren heel lang op de beslissing hadden zitten wachten, zij plotseling de gewichtige vraag opperde, wie van hun beiden ombre was; ook scheen er ten gevolge van haar weduwtranen iets in hare oogen te zijn dat haar het kenmerkende tusschen een heer en eene vrouw soms niet duidelijk deed onderscheiden; soms had zij ook de aardigheid haren maat de slagen zonder naspeurlijke reden af te nemen, of den ombre de geestige verrassing te bereiden van aan het einde van het spel een kaart op te spelen van eene kleur daar zij vroeger in gerenonceerd had; en dat alles onder het mededeelen van gewichtige anecdotes omtrent voles die zij gemaakt en lichte sans-prendres die zij gewonnen had, en het uiten van smaadredenen op alle andere spelen, die, bij omberen vergeleken, zoo simpel waren. _Van Hoels_ welwillendheid was in een gestadigen strijd met zijn achting voor het plechtig omberspel. Hij was zeer ernstig en stroef, en als hij zich onmogelijk weerhouden kon eene aanmerking te maken, dan richtte hij zich tot _Gerrit_ als wrijfpaal. "Mijnheer _Witse_, je moet nooit troef uitspelen, of je moet er in dóórgaan," "mijnheer _Witse_! je moet altijd..." Maar _wij_ kunnen geene lessen uitdeelen, lezer, en _gij_ zijt even onschuldig als _Gerrit_.

Aan het bostontafeltje met mevrouw _Van Hoel_ heerschte een ander gebrek. Mijnheer en mevrouw _Witse_, schoon voor het overige altijd in de beste harmonie levende, konden namelijk op het gevaarlijk stuk van des duivels prenteboek niet best te zamen overweg, en namen het elkander geregeld eenigszins kwalijk als zij een spel verloren, waarin zij malkaars whist geweest waren; bij welke gelegenheid de goede _Vernooy_ altijd als scheidsman door mevrouw _Witse_ werd in den arm genomen en altijd beweerde dat zij onmogelijk anders had kunnen spelen, en dat _Witse_ ook onmogelijk anders had kunnen spelen, en dat hij het zelf was, "die ongelukkig zoo vinnig tegenzat". Deze waardige man was eigenlijk een van de weinige schepselen, die voor het kaartspel geschikt zijn, en wien het in 't geheel niet schaadt het te plegen. Het wond hem niet op, het verveelde hem niet, het verbitterde hem niet, hij kon tegen zijn winst, hij kon tegen zijn verlies, hij bleef er vroolijk en, wat alles zegt, "geheel dezelfde" bij.

Wat het derde partijtje betreft, daaraan werd de hoogste toon gevoerd door _Wagestert_, die niet, zooals _Vernooy_, naar den ouden stijl, de klaveren uit aardigheid _klavooren_, de harten, uit dito, beurtelings _harsens_ of _hartzeer_ noemde, en bij ieder hachelijk spel beweerde "dat het zoowel vriezen als dooien kon",--neen, de heer _Wagestert_ was veel origineeler en obstineerde zich de poppen nooit anders dan bij hare bijbelsche namen te noemen: _Sara_, _David_, _Esther_ enz. Maar _Hateling_ schermde er zacht fluisterend tegen _Klaartje_ met zijn "malheureux au jeu, heureux en mariage" tusschen, en speelde haar de slagen toe, en was haar winst met een teeder gevoel in de oogen, en hielp haar op het bostonkaartje kijken, en kwam zoo dicht bij haar aangezicht, dat haar mooie krullen zijn wang en bakkebaarden aanraakten, en prees mevrouw _Vernooys_ verstandig spelen, en mevrouw _Vernooy_ was verrukt van den lieven, hupschen, gezelligen _Hateling_, die zoo recht geschikt was om uit eten te gaan!

Het laatste toertje werd bepaald; de mooie zijden beurzen kwamen voor den dag. Mevrouw _Stork_, die het niet wist, maar aanmerkelijk verloren had, had de edelmoedigheid al de fiches door elkander te gooien; aan de andere tafeltjes oordeelde men dat niemand iets gewonnen had.

Men stond op.

Nog eenmaal waagde _Gerrit_ zich aan _Klaartje_, en vroeg haar naar de ligging van haar Buiten; hij vertelde haar, hoe hij er voorbijgekomen was, en haar had gezien. "Hij deed toen een voetreis."

"O!" zei _Klaartje_, "een voetreis; een geleerde reis zeker, mijnheer _Witse_?"

Hij kon niet antwoorden; tranen van spijt sprongen hem uit de oogen.

"Is dat _uw_ boa, juffrouw _Donze_?" vroeg _Hateling_, haar met dat kleedingstuk naderende, en hij wierp het haar over de gladde schouderen.

De gasten vertrokken.

Nog ééne folteering wachtte _Gerrit_.

"Waarom wou je nu niet reciteeren?" vroeg zijn mama, toen alles tot rust was.

"Omdat ik het niet kan, mama!" was zijn antwoord.

"Och," zei de oude _Witse_, "wij zullen er maar niet over spreken; maar het is een miserabel ding. De menschen zeggen allemaal dat je knap bent; en wanneer er iemand is, dan ben je altijd stil en ingetrokken. _Wij_ merken er het minste van. Ik kon duidelijk aan mijnheer _Van Hoel_ zien, dat hij dacht: is dat nu die knappe _Witse_?"

"Ja, _Gerrit_! het is _niet_ pleizierig," voegde mama er bij. "Daar hadje nu mevrouw _Stork_. Het mensch heeft waarlijk geen moeite gespaard; ze heeft je op alle manieren aangepakt! Het is een knappe vrouw, eene heele bijzondere, knappe, vrouw"--zij drukte afzonderlijk op elk dezer woorden--"en je waart zoo strak als een pop."

"Mevrouw _Stork_ liet me niet aan 't woord komen, lieve moeder!" zei _Gerrit_ met een flauw lachje.

"Nu vriend! dat is ééns, maar nooit weer," zei papa; "ik bedank er voor; wat hebje aan je geleerdheid, als je ze niet toont?"

_Gerrit_ ging dien avond naar zijn kamer, en weende over zijne geleerdheid. "Ik wenschte wel," zei _Gerrit_, de deur op het nachtslot gooiende, "ik wenschte wel dat ik een stommeling was."

Dokters lief en leed.

Twee jaren later zat de jongeling dien wij als Med. Cand. verlaten hebben, als Med. Doctor in eene Geldersche stad aan het ontbijt. De kamer, die hij hier gekozen had, was nog zoo veel mogelijk op den voet van een studentekamer ingericht; het eerwaardig gelaat van den grooten _Hufeland_, dat te Leiden met een paar spelden aan 't behangsel was vastgemaakt geweest, had intusschen een zwaarmoedige lijst gekregen, maar het gevilde menschebeeld, den doctoren zoo aangenaam, hing ook hier, als wedergade van die zekere tabel, waarop men in zachte overgangen den Apollo van Belvédère in een kikvorsch veranderen ziet.

Maar waar was het vrouwebeeldje, dat zoo sprekend op _Klaartje Donze_ geleek? Lang had hij het te Leiden nog voor zijne oogen gehad; maar daar de vriend van het zweetkamertje, die in het geheim was, het hem over de schoone met de duif op 't hoofd lastig maakte en zekere Rotterdamsche herinneringen hem daarbij een kleur in 't aangezicht joegen, was het zachtjes aan naar het achtervertrek verhuisd, zonder op te houden hem ook daar somwijlen een blos op de wangen te brengen.

Twee jaren verliepen; _Gerrit_ werd ouder en, zooals hij meende, wijzer. Hij zag vele andere meisjes, en het ontbrak niet aan kleine verliefdheden voor een dag, of een week, of een maand.

De schoone _Clara_ geraakte op den achtergrond. Te Rotterdam kwam zij niet meer. Mijnheer en mevrouw _Vernooy_ werden schaarsch door hem bezocht. Haar naam werd zelden genoemd. Het portretje geraakte, bij andere kunstvoorbrengselen, in een portefeuille.

Heden echter, daar wij den dokter aan zijn ontbijt vinden, zien wij de herinnering aan het bevallig meisje weder bij hem opgewekt. Vóór hem ligt een brief van den vriend uit het zweetkamertje, die hem meldt, dat hij het hart van den kolonel vermurwd heeft, en zijne schoone dochter, in spijt van zijn knevelbaard, getrouwd. Hij kan niet nalaten er bij te berichten, dat de vooroordeelen bij den krijgsman tegen zijn persoon, bij nader inzien, toch zoo sterk niet geweest waren, als hij zich in het eerst wel verbeeld had.

"Hij ook al getrouwd!" mompelde _Gerrit_, "een zoekend advocaat. Wat heeft hij een vrouw noodig? Maar ik, die zoekend dokter ben--ik behoorde lang gehuwd te wezen. Welk dokter krijgt een degelijke praktijk, zoolang hij niet een degelijke vrouw heeft?"

Een degelijke praktijk. Hij had nog zoo goed als in het geheel geen praktijk. Maar zooveel temeer collega's. (Nog gisteren was er een kers-versch van de Utrechtsche hoogeschool gearriveerd.) Hij had geen praktijk, maar zooveel temeer tijd, dien hij _toch_ niet in zijne geliefde boeken mocht doorbrengen. Of moest hij niet op straat gezien worden, alsof hij iets te doen had? Moest hij niet beleefd zijn en bezoeken afleggen, alsof niets hem beter smaakte? Zoowel als zijn patent betalen, alsof hij zijn patent verdienen kon?

Eén geluk was er voor _Gerrit_ als hij aan huwen dacht. Vele jonge doctoren verkeeren in het volgend troosteloos dilemma: zij hebben eene vrouw noodig om praktijk, en zij hebben praktijk noodig om een vrouw te krijgen. Maar _Gerrit Witse_ was bemiddeld. De heer notaris had akten genoeg gemaakt in zijn leven, om zijn zoon het doen opmaken der gewenschte huwelijksakte mogelijk te maken, al was het ook dat zijne keuze viel op een meisje, dat behalve haar deugd en haar schoonheid niets ten huwelijk bracht Had _Klaartje Donze_ iets meer? Was _Klaartje Donze_ reeds gehuwd? Hij wist het niet. Maar waarom dacht hij nu weer aan _Klaartje Donze_?

Het sloeg negen uren. _Gerrit_ kleedde zich, en begaf zich naar het militaire hospitaal, waar hij, bij gebrek aan eigen praktijk, het een voorrecht achtte het ziekenbezoek van den chirurgijn majoor te mogen bijwonen, en van daar naar de weinige zieken in achterbuurten en stegen, die hem door een ouden collega welwillend waren opgedragen. Hij hoorde met het uiterste geduld hunne vreemdsoortige klachten aan, loopende over "geruusch, zuzelingen en drilligheden in den kop, knoeperingen in den hals, stiktens in de long, draaiingen van het hart, water over hetzelve hart loopende, watergal, koekeren van winden", en wat dies meer zij, met en benevens "loopende wurmen, vliegende jichten, en stijgende moeren".

Toen weder naar huis. "Zijn er ook boodschappen?" Antwoord als gisteren: "Neen".

Daarna moest de oude collega bezocht en verslag afgelegd worden van de opgedragen patiënten. De oude collega was een man van een zeventig jaar, die op zieken en gezonden gromde, en daardoor veel ontzag onder beiden had. Zijn taal scheen orakeltaal, zijne recepten werden als sibyllijnsche bladen op prijs gesteld, en zulks vooral door de artsenijmengers, die den ouden dokter afgodeerden. In gevallen, die eenigszins ernstig waren, schreef hij er gewoonlijk vijf in de vierentwintig uren. De jonge dokter kon het hem moeielijk naar den zin maken. Reeds verkorf hij het grootendeels door de militaire praktijk in het hospitaal bij te wonen. De bloedzuigers hadden des geleerden grijsaards sympathie in geenen deele.

Voor ditmaal echter bleef het schrollen op de _"non missurae cutem",_ dat zich anders dagelijks herhaalde, achterwege.

"Ik heb hoofdpijn," zei de oude collega, "en het lijden hindert mij vandaag. Wees zoo goed in den achtermiddag een buitenpatiënt voor mij te bezoeken; de dochters van vrouw _Sijmens_, te Sprankendel. Een mooie wandeling. Gij kunt met de koelte terugkomen. De meid is zwaar ziek."

De opgedragen taak was _Witse_ niet onaangenaam. Sprankendel was een schilderachtig gehucht, te midden van lachende heuvelen, terzijde van den grooten weg gelegen. De wandeling derwaarts mocht een groot uur kosten. Na zijn maaltijd genuttigd te hebben, aanvaardde hij ze welgemoed. Hij zou het buitenverblijf voorbijgaan, waar hij eenmaal de schoone _Clara_ had zien zitten, met de duif op 't hoofd.

Het geschiedde. Maar nooit scheen een buitenverblijf zoo uitgestorven als dat waar hij thans zoo gaarne leven gezien had. Het was een warme dag; niemand waagde zich op het terras, door een brandende zon beschenen. Aan den ganschen voorgevel waren alle zonneschermen zorgvuldig gesloten. Eenige witte duiven zaten onbewegelijk op het dak en schitterden in het felle licht. "Ziedaar de duiven," zeide _Witse_, "maar waar is de schoone? Misschien logeert zij weer bij de eene of andere tante, waar de een of andere _Hateling_ haar het hof maakt; misschien, wie weet het? staat zij op het punt zoo'n wezen te trouwen. Arme vrouwen, die het ongeluk hebt een mooi gezicht te hebben! Welke strikken spant men uw geluk! Gij meent dat men u liefheeft met al de oprechtheid, al de kracht, al den eenvoud eener eerste liefde, en ondertusschen..."

Ondertusschen zat het onschuldig voorwerp dezer misanthropische bespiegelingen hoogst waarschijnlijk aan een goeden maaltijd.

_Witse_ moest weldra den straatweg verlaten om het schoone Sprankendel op te zoeken. De kleine beek, daar het gehucht zijn naam naar droeg, wees hem het naaste pad tusschen de vruchtbare heuvelen. Nu eens verschool zij zich als een nietsbeduidende sprank bijna geheel onder overhangende struiken en onkruid; maar dan kwam zij weder dartel en helder te voorschijn, met niet weinig drukte van een hooger grond afdalende. Eindelijk bereikte _Witse_ den oorsprong, waar het water zachtkens uit het zand opwelde, en een kleine kom vormde, waaruit zich verscheidene spranken in onderscheiden richting over gladde keisteenen een weg baanden.

Een jeugdig echtpaar scheen dit plekje, schaduwachtig en koel, tot eene rustplaats te hebben uitgekozen. De bevallige jonge vrouw, op het gras nedergezeten, hield een vroolijken krullebol op den schoot, die tegen de waterbellen en schuimkrinkels lachte; de jeugdige man, met een glimlach op de lippen, zag beurtelings naar moeder en zoon.

"Ziedaar het geluk dat ik verlang," zuchtte _Witse_.

Een zijpad bracht hem bij de weduwe, wier dochter zijne zorgen behoefde. Het was haar eenig kind niet. Zij had nog eene dochter, die met de nu zieke haar bijstond in het wasch- en bleekwerk, dat voor een gedeelte in haar onderhoud voorzag, en daarenboven een zoon die voerman was en het drietal koeien verzorgde, dat zij op de omgelegene heuvelen weidde. Het was een dier gelukkige huisgezinnen, die geen vreemde hulp behoeven, waar nimmer gebrek is, maar ook nimmer overvloed, en zuinigheid en werkzaamheid onontbeerlijk zijn.

Voor de deur vond onze arts de oudste dochter, een beeld van gezondheid, bezig een dier groote koperen melkkannen te schuren, die in heuvelachtige streken op het hoofd gedragen worden.

"Hoe gaat het met _Barte_?" vroeg hij haar.

"Oolik, dokter; oolik," zei de deerne, haar voorhoofd met het buitenste van de hand afvegende. "Heeroom is er bij."

En zij vervolgde haar taak. In zulke huishoudens moet zoolang mogelijk alles zijn gang gaan. Slechts den hoogeren standen is het vergund zich aan hunne zieken te _wijden_.

_Gerrit_ trad binnen. Op bevel van den ouden dokter was het volslagen donker in de ziekekamer. Op _Witses_ verzoek om "een beetje licht te maken," rees een kleine gestalte, die voor een stoel op de knieën gelegen had, op en stiet een luik open. _Witse_ trad inmiddels voor de hooge en benauwde bedstede, waarin de zieke lag.

Het was onmogelijk in haar eene jonge dochter van nauwelijks achttien jaar te herkennen. Nog voor weinige dagen was zij het evenbeeld harer gezonde zuster, en zoo vroolijk als zij mooi was. Maar nu lag zij machteloos uitgestrekt, met een bleek gelaat, dat akelig afstak bij de gitzwarte haren, die ordeloos uit haar mutsje te voorschijn kwamen; hare wangen waren gansch geslonken, haar ingevallen oog half gesloten, hare lippen zwart als inkt.

"_Barte_," sprak _Witse_ met een nadrukkelijke stem. De zieke opende de oogen, en staarde den vreemden dokter met verbazing aan.

Hij nam haar bij de hand. Die hand was droog als leder.

De pastoor en de broeder stonden verslagen bij de bedstede, wachtende op hetgeen de dokter zeggen zou. De moeder lag weder op de knieën voor een stoel, den rozekrans in de handen, dien zij sedert drie dagen niet had terzijde gelegd.

De pastoor schudde het hoofd.

"Zou ze sterven?" vroeg de broer, die een kerel als een boom was, en barstte in tranen uit, als hij het woord van sterven uitte.

De moeder zag op, en staarde strak en angstig naar den dokter.

"Wij hopen van neen," zei _Witse_, "maar ga van het bed. Gij benauwt de zieke."

Nogmaals schudde de pastoor het hoofd.

"Zou ze sterven, heer pastoor?" vroeg de broer andermaal.

"Bij God zijn alle dingen mogelijk," troostte de geestelijke. Maar ook ditmaal schudde hij het hoofd. De goede oude hield van _Barte_.

_"Frustra cum morte pugnabis,"_ zei hij tot _Witse_.

_"Exspecto crisin,"_ antwoordde deze. "De ziekte is nog niet op haar hoogst. Doch, doe gij uw plicht," voegde hij er zachtjes bij.

De moeder vloog op. Het doodvonnis van haar dochter was getekend! Zij gaf een gil en ijlde de deur uit. _Gerrit_ ijlde haar na.

Hij vond haar aan de voeten van eene jonge dame, die juist uit een hittewagen gestapt was en de leidsels nog in de hand hield.

"Mijn kind, mijn kind!" riep de ongelukkige vrouw, de knieën der jonge dame omarmende. "Mijn kind is dood!"

Hare stem verzwakte, hare handen gleden naar beneden, haar hoofd zakte doodsbleek op den grond.

"Help deze vrouw, dokter!" zei _Klaartje Donze_. "Zij ligt van haarzelve. Is haar dochter gestorven?"

"Neen, juffrouw _Donze_," stamelde _Gerrit_ ontroerd. "Haar dochter is niet dood. En zoo _Mieke_ mij helpen wil hare moeder op te tillen, en _Gillis_ uw paard mag bezorgen..."

Dit laatste was niet noodig. "Laat maar los, _Mieke_!" sprak _Klaartje Donze_, die een traan in de oogen had, maar geen oogenblik hare bedaardheid had verloren. En zij bracht zelf haar klein paard bij het hek, waaraan zij het vastbond.

Intusschen droeg _Witse_ met behulp van _Mieke_ de verstijfde moeder naar een ander vertrek, waar zij haar op een bed nederlegden. _Clara_ volgde hen op den voet.

"Wat moet er gedaan worden, mijnheer _Witse_?" vroeg zij.

"Drink een glas water, juffrouw _Donze_!" sprak _Gerrit_, gelukkig dat zij hem herkend had; "en laat dit meisje het ook doen. Wees zoo goed de kleeren van de oude vrouw los te maken. Laat haar azijn ruiken, zoo die er is, er wrijf haar de polsen en de slapen van het hoofd. Zie dat gij haar een teug water ingeeft." En hij begaf zich op nieuw aan het leger van _Barte_.

Na eenige oogenblikken kwam hij terug. _Clara_ lag op hare beurt geknield, en hield de hand der oude vrouw zachtjes in de hare. Deze was een beetje bijgekomen, en zag het schoone meisje met een naamlooze uitdrukking van dankbaarheid en liefde aan.

"Ik weet immers, vrouw _Sijmens_," zei _Klaartje_, "dat gij den moed niet verliezen zult. _Barte_ is nog niet opgegeven--en de goede God is almachtig."

"Wij moeten allen voor één God verschijnen," zei de oude vrouw, er aan denkende dat _Klaartje_ niet roomsch was.

"En tot een zelfden God bidden," antwoordde _Clara_, "en door een zelfden troost getroost worden. Wat zoekt gij, vrouw _Sijmens_?"

"Mijn paternoster," zei de oude vrouw. "Ik had het zoo even nog."

"Als gij bidt," sprak _Klaartje_, "laat het zijn in een vast vertrouwen op de macht en de liefde van God. Zulk bidden zal u versterken, vrouw _Sijmens_, en God zal het verhooren. Gij weet hoe gevaarlijk _mijn_ moeder geweest is, en zij is nu weer zoo frisch en gezond als ikzelf. En _Barte_ is zooveel jonger."

"Het was een bloem op aarde," zei de oude vrouw, en een glans van vergenoegen kwam op haar gelaat. Daarop betrok het weer. "Te denken," zeide zij, "dat ik haar bij haar vader onder de groene boompjes brengen moest ..."

"De dokter zegt dat er nog hoop is, vrouw _Sijmens_! Als gij den moed verliest, doet gij zonde," zei _Klaartje_, een paar groote tranen afwisschende.

De dokter bevestigde het.

"Kom aan, _Mieke_," zei de oude vrouw, zich vermannende, "doe mijn jakje dicht; ik ga bij _Barte_."

"Maar gij zult u goed houden, niet waar, vrouw _Sijmens_?" vleide _Klaartje_.

"Komde _gij_ nog eens weer?" vroeg de moeder.

_Klaaktje_ beloofde het. Het was nu haar tijd om te vertrekken. _Gerit_ hielp haar het paard losmaken. Met een wip was zij in het rijtuig. _Gerrit_ reikte haar de leidsels. Daar reed zij heen.

Maar nog even hield zij haar paardjen in, dat zulks kwalijk genoeg scheen te nemen en met zijn kop trok en schudde, als van zoo kribbig een hitje te wachten was.

"Dokter," zei _Klaartje_, "hoe laat komt gij morgen bij de zieke?"

"Reeds in de vroegte, juffrouw _Donze_," was het antwoord.

"Zoudt gij, terugkomende, even op Wildhoef willen aankomen, om te zeggen hoe het gaat?" vroeg zij blozende.

"Zonder twijfel," betuigde _Gerrit_, volstrekt niet voor haar onderdoende.

En zij liet het hitje weder opschieten, dat een sprong deed, waarvan _Gerrit_ schrikte.

"Geen nood!" zeide zij, "wij kennen malkaar." En het hek van de werf uitdraaiende, op eene wijze, die geen Amsterdamsch koetsier haar zou verbeterd hebben, liet zij het vurig paardje zijn hart ophalen aan den zandweg en draafde heen.

"Zal de dokter blieven na de stad te riden?" vroeg _Gillis_.

"Dank u," zei _Witse_, "ik wandel liever?" En nog eens de beschikkingen herhalende, die hij gegeven had, nam hij de thuisreis aan.

Zijn eerste werk was een hoogen heuvel te beklimmen, of hij _Klaartjen_ ook nog kon gewaar worden. Dit gelukte. Rustig zat zij achter haar lustig paardje, dat zij meesterlijk regeerde en eerlang vergunde in den stap te komen. Met een onuitsprekelijk welgevallen sloeg _Gerrit_ haar gade. "Welk eene ontwikkeling in dat meisje!" riep hij uit; "welk een kloekheid! Zulk een vrouw zou me lijken, verlegen en linksch als ik altijd ben. Zooals ik haar daar nu zie..."

Maar het hitje sloeg een bijdehandschen zijweg in; echter niet dan na grooten lust geopenbaard te hebben om een tegenovergesteld pad van nabij in oogenschouw te nemen. _Klaartje Donze_ was voor heden niet meer te zien. Maar morgen...

_Cetera desunt._

1840.

BIJVOEGSEL DER DERDE UITGAVE TOT DE NAREDE EN OPDRACHT AAN EEN VRIEND.

Bijna twaalf jaren zijn verloopen en de toegezegde "Nieuwe Vertooningen" [21] verschenen niet. Wel lagen, reeds op het oogenblik der toezegging, eenige schetsen gereed, maar het _spelen_ met de Camera Obscura, waardoor ze tot een boekdeel zouden zijn aangegroeid, moest ophouden. De tijd van het _incidere ludum,_ waarvan mijn motto gesproken had [22], was met nadruk daar. Ik kon voortaan mijn instrument beter gebruiken.

Sommige mijner vrienden beweren dat ik er sedert niet of weinig aan gehad heb; andere meenen dat het mij nog altijd goede diensten gedaan heeft. Zoo dit laatste het geval mocht zijn, blijft het met te meer nadruk: _nec lusisse pudet._

Intusschen heeft eene te groote belangstelling de uitgevers tot een derden druk van _Hildebrands_ boekske verleid, en zij wenschten; het woord blijft natuurlijk geheel voor hunne rekening; zij wenschten dien te verrijken met hetgeen zij maar al te wel wisten dat nog in de sedert lang geslotene portefeuille voorhanden was. Had hij moeten weigeren? Dan zou het toch waarlijk geweest zijn: _lusisse pudet._