Chapter 30
_Gerrit_ kon zijne oogen niet van haar afhouden. Hoe schoon was zij van nabij gezien! Hoe weelderig waren hare vormen; hoe doorschijnend haar blanke hals; hoe zuiver de omtrekken van haar gelaat en de lijnen van haar gestalte! Hoe liefelijk en helder klonk hare stem; hoe vriendelijk was hare spraak; hoe levendig waren hare bewegingen; hoe bevallig was de schoone _Clara_, in alles!
Juist maakte hij zich gereed haar, zooras zijne hartklopping eenigszins bedaard zou zijn, eens nader toe te spreken, toen de laatste der gasten verscheen en de opmerkzaamheid der geheele vergadering tot zich trok.
Het was een man, wiens leeftijd tusschen de vijftig en zestig in zweefde, wat hij evenwel gedeeltelijk ontveinsde door een valschen toupet boven een paar zeer blozende wangen rond te dragen. Het overige van zijn gelaat bestond geheel uit een wijde witte das met wuivende slippen, en groote slappe hemdsboorden. Hij droeg een ruimen zwarten rok, een blauwlakensche pantalon, een zeer ouderwetsch fluweel vest met nederdalende strepen. Het was de heer _Wagestert_, bij zijn vrienden voor een origineel bekend. Deze man had het, door kracht van originaliteit tot de in deze huichelende en huichelarij onderstellende, aanmoedigende en uitlokkende wereld, zeer benijdbare hoogte gebracht, dat men hem het recht toekende alles te zeggen wat hem voor den mond kwam, een recht waarvan hij dan ook rijkelijk gebruik maakte. Daarbij had hij iets zeer eigenaardigs in de wijze van zich uit te drukken; ja, zijn woordenboek verschilde geheel van dat van andere menschen, en hij placht te zeggen, dat het jammer was dat men, bij nieuwe uitvindingen, hem niet raadpleegde hoe de dingen heeten moesten. Zoo benoemde hij, om een voorbeeld te geven, het schoone geslacht geregeld met den naam van _appelbijtsters_, daarbij op overgrootmoeder _Eva_ zinspelende, en gaf hij den artsen nooit een anderen eeretitel dan die in het woord _tongkijkers_ lag opgesloten. Medicijnen en vrouwen waren zijn grootste antipathieën, en hij was gewoon te beweren dat hij zonder de laatste wel leven, en zonder de eerste wel sterven kon. Deze merkwaardige man leefde op kamers op de Nieuwe Haven, van een onafhankelijk inkomen en, niets omhanden hebbende, had hij--niet zoo zeer de luiheid als wel--de geestigheid dagelijks tot elf, twaalf uren op zijn bed te liggen en in deze gemakkelijke houding te lezen, te schrijven, en alles uit te voeren wat hem in den geest kwam. Hij was gewoon in persoon versche zalm te gaan koopen en eigenhandig in een netje naar huis te dragen. Hij had de leelijkste teef uit heel Rotterdam, en onderhield twee grijze katten, die door dezelve teef gezoogd waren. Op de sociëteit dronk hij nooit iets anders dan fachingerwater, aan zijn tafel nooit iets anders dan portwijn. Hij had een stok waarvan de knop, in de schaduw gezien, het portret van _Lodewijk_ den XVI_den_ vertoonde, en een horloge, onder welks glas een vlieg geteekend was, waarvan men zweren zou dat zij over de plaat liep; een universeel zakmes met honderd geriefelijkneden was zijn trouwe metgezel, en hij wist het soms zeer geestig te pas te brengen. In 't kort, niets was duidelijker of meer bekend, dan dat de heer _Wagestert_ een origineel was, en hij deed dan ook zelden den mond open, zonder de voldoening te smaken van den een of ander uit het gezelschap, waarin hij zich bevond, te hooren mompelen: "Die _Wagestert_ heeft"--of, zoo als de Rotterdammers van alle klassen zeggen, _heit_--"toch altijd wat raars".
De binnenkomst van dit humoristisch genie en de plichtplegingen, die hij jegens de gastvrouw en de gasten in het werk stelde, waren een soort van koddige parodie op de wijze waar dit gewoonlijk op geschiedt; en schoon de heer _Wagestert_ deze aardigheid bij alle gelegenheden herhaalde, zoo vond zij echter ook ditmaal genade in de oogen zijner bewonderaars.
Men was nog bezig er om te glimlachen, toen de knecht binnenkwam met de tijding dat de soep op tafel was. De heeren boden de dames hunne armen aan, met dien schoorvoetenden ijver, waarmee men altijd te werk gaat indien men niet recht weet aan wien het toekomt om de eerste te wezen, en de heer _Wagestert_, die, alhoewel alle "appelbijtsters" verachtende, echter zeer goed wist welke "appelbijtsters" er het liefst uitzagen, bood zijn geleide, op eene alweder kluchtige wijze aan _Klaartjen_ aan. _Klaartje_ had nooit tevoren een origineel gezien.
Men ging aan tafel, en het eerste, dat _Gerrit_ bemerkte, was dat de schikking der gasten hem allerweinigst aanstond.
Dan, hier is het de plaats een meewarig woord van beklag voor u te uiten, edelaardige menschenvrienden, die goed genoeg zijt nu en dan aan uwe vrienden diners te geven! Het is nog niet genoeg, dat gij bij alle poeliers rondzendt om een soort van gevogelte of een soort van wild, dat nergens te krijgen is; niet genoeg, dat gij u afslooft om de fijne schotels van het laatste diner dat gij bijwoondet, op zijde te streven en zoo mogelijk te overtreffen; niet genoeg, dat gij met eigen mevrouwelijke hand het blanc-manger bereidt of u de harde noodzakelijkheid oplegt, op een ongelegen uur uw rumgelei te proeven! Gij moet ook nog eene partij, op dat punt allerlastigste, allerkitteloorigste en alleronverdraagzaamste wezens, gij moet uwe gasten schikken! En wel zoo, dat zij alle naar hun zin en naar hun smaak gezeten zijn; en wel zoo, dat alle antipathieën gescheiden en alle sympathieën gespaard worden; en wel zoo, dat gij daarbij eene evenredige hulde aan ieders achtbaarheid en jaren brengt; en wel zoo, dat de jonge meisjes niet te hoog, en de oude vrijsters niet te laag zitten; en wel zoo, dat gij een "geanimeerd discours" verwachten kunt; en wel zoo, dat de rij bont, immers zoo bont mogelijk, zij! En als gij aan alle deze zoo zeer vervlochtene en verwikkelde (het woord dagteekent van 1830) verplichtingen poogt te voldoen en met de grootste nauwgezetheid altijd het lichtere aan het zwaardere hebt opgeofferd, dan komt de een of andere gast, indien niet uw eigen zoon of echtgenoot, die uwe schikking allerdolst vindt en zich over zijne plaats beklaagt. De roekelooze weet niet wat hij zegt! Dat hij eene andere schikking voorstelle, en hij zal zien hoe alles in de war loopt! Maar hij zegt het niettemin; dat is, hij overlegt het in zijn harte, en mokt en mort in stilte. Beklaagde hij zich nog maar altijd overluid: uwe verantwoording zou hem doen verstommen; maar neen, hij houdt zich overtuigd van uwe verkeerde bedoelingen, van uwe hatelijkheid, van uw lust om hem te krenken, te grieven, naar het hart te steken, en neemt die overtuiging met zich in het graf. De ondankbare! Hij wist niet voor welke jammeren gij hem bewaard hadt!
Voor _Gerrits_ moeder was de schikking bijzonder moeilijk geweest, door de omstandigheid dat het getal harer gasten oneven, en er een overscharige heer was. Noodwendig moesten er dus ergens twee heeren naast elkander zitten; de een moest natuurlijk haar zoon zijn, en de ander?... "De heer _Wagestert_", zult gij mogelijk zeggen, "die toch een vrouwenhater is". Dit zou ondertusschen een heel domme raad van u zijn, mijn lezer! Want het was juist daarom, dat de heer _Wagestert_ in alle gezelschappen tusschen twee dames geplaatst werd en alle mevrouwen elkaar het genoegen betwistten zijne zijde te mogen bekleeden; want wat is voor mevrouwen pikanter dan het gezelschap van een vrouwenhater? De heer _Wagestert_ zat alzoo tusschen mevrouw _Witse_ zelve en mevrouw _Van Hoel_. Maar het was niet dit, wat _Gerrit_ zoo verschrikkelijk ergerde. Evenmin dat mevrouw _Vernooy_ in het midden van den vriendenkring zat, tusschen den heer _Van Hoel_ en zijn vader, en zulks als "een pareltje in 't goud", als zij nederig aanmerkte. Maar dat hij aan 't lager eind van de tafel, vlak tegen hem over, zien moest de personage van _Hateling_, geplaatst... naast zijne moeder, zoover goed! maar ter andere zijde naast _Klaartje_, die aan zijn vaders andere hand gezeten was, dat was een ding, hetwelk hij mama niet vergeven kon, al had zij hem de drukke mevrouw _Stork_ toebedeeld aan zijn rechter-, en den hartelijken mijnheer _Vernooy_ aan zijn linkerhand; want omdat de laatste de goedigste was, was hem het lot te beurt gevallen, geen andere dame te hebben dan mevrouw _Van Hoel_, die ook, om de waarheid te zeggen, wel voor twee dames door kon gaan.
Het diner begon met dat geheimzinnige _Conticuere omnes_, waarmede alle diners aanvangen; de soep werd met stomme aandacht gegeten, alleen verpoosd door de opmerking omtrent de verandering van atmosfeer, te gelijkertijd aan de vier hoeken van den disch gemaakt, en eene kleine vroolijkheid door _Wagestert_ te weeg gebracht, die de schildpadsoep _pepersop_ noemde, hetwelk iets geheel nieuws was.
Het "verre de vin après la soupe" bracht eenige opschudding teweeg, daar meest al de dames hare gehandschoende handpalmen op hare glazen hielden, om te beletten dat de heeren de snoodheid hadden haar te schenken.
Eenige oogenblikken later had mevrouw _Stork_ de vrijpostigheid een glas water te vragen, hetgeen aan alle vrouwelijke leden der vergadering den moed gaf onmiddellijk hetzelfde verzoek te uiten.
Na afloop dezer ceremoniën werd het verkeer langzamerhand levendiger, luider en drukker.
Mevrouw _Stork_ bestormde _Gerrit_ met een zeer geënthusiasmeerd gesprek over allerlei boeken; over den Corsair van Lord _Byron_, de Notre Dame van _Victor_, de Gedenkschriften van _Walter Scott_, den Jocelyn van _Lamartine_, den Maltravers van _Bulwer_, en een aantal min of meer bekende romannetjes en novellen, die _Gerrit_ nooit had hooren noemen. Het eene was "haar charme", het andere was "de favori van wijlen mijnheer _Stork_!" Dit had zij 's nachts gelezen; dat, toen zij met _Stork_ haar toertje maakte; een ander had zij op de wandeling meegenomen; dit had zij aan eene vriendin uitgeleend, en dat wilde zij absoluut aan _Gerrit_ zelf uitleenen; over het een vroeg zij zijn oordeel; over het ander "wilde zij zijn oordeel volstrekt maar liever niet weten, omdat zij er in het geheel geen kwaad van hooren kon!" Met dit had zij "zooveel innige sympathie", en in dat; zij zei het met neergeslagen oogen en een treurigen zucht; "was zooveel dat op hare eigene omstandigheden sloeg" ...
Aan 's jongelings anderen kant zat de hartelijke _Vernooy_ zich te vermaken over _Gerrits_ kunde en belezenheid, blijkbaar in het beantwoorden van den waterval van woorden, die het molenrad van mevrouw _Storks_ tongetje om deed loopen, en fluisterde telkenmale mevrouw _Van Hoel_ zijne bewondering van "den knappen jongen", toe; al weder tot zijn niet gering nadeel in de schatting van die dame, die met onbegrijpelijk veel statigheid hare oogen over een gezelschap weiden liet, waaraan _zij_ naar haar inzicht den grootsten luister bijzette. En wanneer _Gerrit_ zijne oogen maar opsloeg, dan zag hij den mooien _Hateling_, die met den zoetsten glimlach tusschen zijne gladde bakkebaarden, een allerlevendigst gesprek voerde met de schoone _Clara_, en al zijne hoffelijkheid en oplettendheden over haar zat uit te gieten. Mevrouw _Witse_ zag met een welgevallig oog op _Hateling_ neder, die een groot gunsteling van haar was, en keek dan weer eens tot _Gerrit_ op, dien zij toeknikte "of hij niet extra goed _zat?_" waarop zij, daar hare stem hem niet bereiken kon om het hem rechtstreeks te vragen, aan _Hateling_ en _Klaartje_ begon te vertellen, dat zij _Gerrit_ niet beter had kunnen onthalen, dan door hem naast mevrouw _Stork_ te plaatsen, die een savante was, "dat 's te zeggen, geen eigenlijke savante, want zij was heel lief, maar een stille savante, die alle talen verstond, veel gezien had, en onbegrijpelijk interessant was". Dan schertste zij weder eens met _Wagestert_ over de slechtheid van de mannen en riep mevrouw _Van Hoel_ tot getuige, die ze ook "al heel slecht" vond. En intusschen vertelde mevrouw _Vernooy_ zoo veel liefs en goeds van _Klaartje Donze_, als zij ooit liefs en goeds van _Gerrit_ uit papa _Witses_ mond gehoord had; en de laatste was niet ongevoelig voor haar lief gezichtje. De heer _Van Hoel_ zat met een sceptisch en ironisch gezicht mevrouw _Stork_ gade te slaan, in zijn koopmanstrots zeer laag nederziende op al dat onzinnig gesnap, en sprak tusschenbeiden een wijs woord met _Witse_ en _Vernooy_, bij welke gelegenheid hij machtig veel, zoo aan het staats- als aan het stadsbestuur te berispen vond, en de wereld beklaagde, dat zij geene oogen had om er "die knappe menschen in te kiezen, die zich gaarne de moeite zouden getroosten alles op pooten te stellen".
Het dessert kwam, en mevrouw _Witse_ liet met zekeren nadruk de flesschen veranderen.
De heer _Vernooy_, in de goelijkheid van zijn hart, begreep dadelijk dat er een toost op den jongen candidaat wezen moest, maar hij was de man niet om toosten in te stellen. Wel is waar, hij was hier waarschijnlijk de oudste; maar hem docht, de eer kwam den hoogaanzienlijken _Van Hoel_ toe, die 't er, dacht hij verder, ook veel beter af zou brengen dan hij. Nu was het zeer zeker dat de hoogaanzienlijke heer _Van Hoel_ van dezelfde meening was, maar hij gevoelde geen zier lust of roeping tot de zaak; en schoon de gedachte aan den noodzakelijken toost ook in _Wagesterts_ hoofd opkwam, hij smoorde ze met de bewustheid dat hij "nooit toosten instelde en het weergasche gekheid vond", waarbij ook nog kwam dat hij de kunst _niet_ machtig was. Het was in dezen als met zijn geheele zonderlingheid, die in vele opzichten niets anders was dan het goed heenkomen zijner mislukte pogingen om met eenige gratie en goeden uitslag te handelen als andere menschen. Blooheid en onhandigheid hadden in een schoon, eendrachtig en zusterlijk verbond hem tot een vertreder van alle vormen en bespotter van alle beleefdheden gemaakt.
Een geschrikt paard slaat aan 't hollen, breekt den toom, en trapt den wagen stuk.
Het nagerecht werd gediend, en niemand sprak den toost uit. _Vernooy_ werd hoe langer hoe benauwder. Hij vond het onbeleefd en onbehoorlijk het te _laten_, maar als hij er aan dacht het te _doen_, brak het koude zweet hem uit. Twee of drie malen sloeg hij de hand aan zijn glas om het plechtig op te nemen, maar telkens liet hij het weer staan; ja, tweemaal hief hij het werkelijk op in de hand, maar bedacht zich, en verborg zijn voornemen onder het voorwendsel van mevrouw _Van Hoel_ een nietsbeduidende opmerking te maken omtrent de kleur van den wijn en het aangename van een puntig glas. Ondertusschen werden de omstandigheden al nijpender en nijpender. Mama _Witse_ begon met eene hooge kleur hare oogen ongerust te laten rondgaan, en maakte telkens kleine pauzen in haar gesprek. Verscheidene glazen waren reeds weder ledig, en alle flesschen aangebroken. Het _moest_ eindelijk. _Vernooy_ vermande zich, en met een bleek gezicht, een domig voorhoofd, en trillende lippen, zeide hij: "Vrienden, wij moesten eens een vol glaasje inschenken". Hoewel nu het gesprek in de laatste oogenblikken groote gapingen had gehad, waarin men de dessertmessen duidelijk hun werk had hooren verrichten, zoo was het oogenblik, waarop de goede _Vernooy_ deze inleiding maakte, allerongelukkigst gekozen, want _Wagestert_ had juist een appel uit een dessertmandje genomen en begon er de "appelbijtsters" als van ouds mede te plagen.
De goede man ontveinsde daarop zichzelven gesproken te hebben en wijdde veel aandacht aan het patroon van het tafellaken. Een oogenblik daarna vermande hij zich weer: "Vrienden!" zeide hij.
"Ik geloof dat mijnheer _Vernooy_ iets zeggen wilde," zei mevrouw _Witse_, over de tafel heenbuigende tot dat zij hem in 't gezicht kreeg; "niet waar, _Vernooy_?"
"Ja, _Keetje_," zei de hartelijke man, "ik wilde een glaasje brengen aan _Gerrit_, om hem nogmaals te feliciteeren met zijne bevordering tot candidaat. Ik heb geen kinderen, maar ik verheug mij zeer in 't geluk van mijne vrienden, die ze wèl hebben en er genoegen aan beleven. Met _Gerrit_ meen ik het goed, en ik durf zeggen, dat we dit allemaal doen. Dus _Gerrit_! van harte, man."
"_Gerrit_!"--"_Gerrit_!"--"_Gerrit_!"--"mijnheer _Witse_!" klonk het met allerhande stembuiging over de tafel; de glazen werden neushoogte opgelicht, en daarna gedronken.
"Mijnheer _Witse_!" zei ook _Klaartje_; maar 't was als of er iets spottigs in haar gezicht was, en haar compliment werd ook maar in 't voorbijgaan uitgebracht; want _Hateling_ had beweerd, dat hij aan de amandelen vanbuiten zien kon of het philippines waren of niet, en ten bewijze bood hij haar op een lepel een dubbelen aan. Zij nam een der tweelingen, en het verbond werd aangegaan tegen de eerste maal dat zij elkander weer zouden ontmoeten, "maar niet onder den blooten hemel".
"Welke toost met algemeene opgewondenheid gedronken werd!" zei _Wagestert_ koddig-deftig. "Niet waar, moeder _Witse_! Leve de volharding! _Gerrit_ studeert voor professor, doet hij niet?"
"Foei, mijnheer!" zei mevrouw _Witse_.
_Klaartje_ en _Hateling_ glimlachten.
Het pijnlijk oogenblik was voor _Gerrit_ spoedig voorbij en hij genoot een soort van vrede, toen mevrouw _Stork_ op den inval kwam dat hij "zeker wel heel mooi reciteeren kon, en of hij het niet eens doen wilde; 't was nu zoo'n goede gelegenheid".
Dit is meer beweerd. Als het geheele gezelschap verzadigd is van allerlei spijzen en wijnen, de sinaasappelen rondgaan en de amandelen gekraakt worden; als degeen die reciteeren zal een hoofd heeft als twee andere van benauwdheid en warmte, natuurlijke gevolgen van epulae lautae in groot gezelschap, en de toehoorders, gemerkt het gebruik van de gaven des wijnstoks en der vijf werelddeelen, zeer vatbaar zijn om op de golven der versmaat de haven van Morpheus in te drijven, dan heet men dat "een goede gelegenheid om eens te reciteeren". Ik weet niet hoe _Gerrit_ hier over dacht: maar dit wist hij, dat het te geener ure zijn zaak was, en hij verontschuldigde zich alzoo. Maar mevrouw _Stork_ sloeg hare blikken diagonaal over de tafel om mevrouw _Witse_ te hulp te roepen.
"Is _dat_ waar, mevrouw?" vroeg zij op den toon van het hardnekkigst ongeloof, "dat uw zoon nooit reciteert?"
Mevrouw _Witse_ verklaarde dat zij integendeel vond, dat hij het heel lief deed.
"Eigen verzen?" vroeg _Klaartje_.
En de belegering werd voortgezet met verdubbelden moed, en allen die het meenden of niet meenden vormden een koor, waarvan de inhoud was dat _Gerrit_ zou reciteeren. Deze bleef echter onverbiddelijk.
Mevrouw _Van Hoel_ was daarop de eerste om hem dit kwalijk te nemen en merkte met een lief lachjen aan: "dat dit zeker te min was voor een geleerde als _Gerrit_". Zijne moeder vroeg hem: "of zij de versjes niet eens halen mocht, die hij op zijn twaalfde jaar voor haar verjaardag gemaakt had". _Klaartje_ lachte, _Gerrit_ volhardde.
"Het mooiste vers," zei _Wagestert_, om er een wending aan te geven, daar de zaak ernstig werd, "dat ik ooit in mijn leven gehoord heb, is een vers van vier regels op _Beronicius_, die een groot dichter en, met permissie, een groote lap was."
"Och! en hoe was dat, mijnheer _Wagestert_?" vroeg mevrouw _Stork_, "hoe was dat?"
"Mevrouw," hernam _Wagestert_ zeer plechtig, "het was een grafschrift; een grafschrift op den grooten _Beronicius_, die in een moddersloot een plotselingen dood gevonden had. Het luidde aldus:
"Hier leit een wonderlijke geest; Hij leefde en stierf gelijk een beest; Het was een misselijke sater; Hij leefde in wijn en stierf in water."
Hoe geestig ook voorgedragen, dit meesterstuk van _Buizero_ had niet dat uitwerksel van vervroolijking, hetwelk de heer _Wagestert_ daarvan gaarne gezien had. Er moest dus nog een punt aan gemaakt worden, en _Gerrit_ was er het slachtoffer van.
"En weetje nu wel, mijnheer de candidaat in de beide medicijnen! wat het mooie van dit vers is?"
"Volstrekt niet!" zei _Gerrit_ met veel nadruk.
"Weetje dan niet welk een groote lofspraak het voor den overledene inhoudt?"
"Neen!" zei _Gerrit_, bijna overbluft door den zonderlingen man, voor wien hij wel wist dat men somtijds niet genoeg op zijne hoede wezen kon. Het geheele gezelschap verbeidde met gespannen verwachting.
"Niet?" zei _Wagestert_ eindelijk, nadat hij _Gerrit_ lang en strak had aangezien. "Niet? Dan zal ik het je uitleggen. Hierom, mijnheer de candidaat, omdat het bewijst, mijnheer de candidaat, dat de groote dichter _Beronicius_ bij leven noch sterven medicijnen gebruikt heeft."
Daarop nam hij zeer laconiek een handvol ulevelletjes, stak ze in zijn zak en fluisterde mama _Witse_ in: "voor me kindertjes".
Het geheele gezelschap lachte, vooral mevrouw _Van Hoel_, en het: "die _Wagestert_!" enz. was in volle kracht. _Gerrit_ had een driegulden willen geven voor een weerwoord, maar hij vond er geen, voor en aleer hij dien avond op zijn bed lag, zooals dat in dergelijke gevallen den snedigsten overkomen kan; en mevrouw _Stork_ leidde hem af, door hem te raadplegen over de hiëroglyphen van verscheiden Fransche ulevelpapiertjes, met kalveren, die _vos_, en heggen, die _est_ beteekenden, en in welker ontcijfering de mooie _Hateling_ oneindig veel knapper was dan hij.
Het laatste "tafellestje" (het woord is van _Hooft_), de gember, ging rond. Gember is eigenlijk een hatelijk eten; een ernstige wenk om heen te gaan. De dames stonden op, en de heeren volgden spoedig.
In de andere kamer ontstond onder de eersten een ijselijk krakeel, daar zij allen mevrouw _Witse_ wilden helpen in het schenken van de koffie; het werd echter bijgelegd, en de schoone _Hateling_ deelde de kopjes uit. Nu begaven zich de heeren, met het kopje in de eene en het schoteltje in de andere hand, in een zeer druk gesprek. Zij hadden den geheelen dag nog _zoo_ wijs niet gekeken.
"Nu of nooit!" dachten onze dagbladen, vlugschriften, verzen, en al dat moois in den jare 1831. Het werd echter _toen_ niet gedaan, en het is acht jaar later, zoo ver als 't voeten had, terechtgekomen. "Nu of nooit," dacht ook _Gerrit_ in den jare 1838, op dien gedenkwaardigen na-den-eten, daar _Klaartje_ bij den schoorsteen stond en een geborduurd haardscherm bekeek. Hij naderde haar met zoo veel vrijmoedigheid als hij verzamelen kon.
"Uw Buiten, juffrouw _Donze_, ligt, meen ik, aan den straatweg tusschen ..."
Daar keerde _Wagestert_, die aardigheden aan _Hateling_ stond te verknopen, zich kort om, stiet _Gerrit_ aan den elleboog, en de kop koffie, die hij in de hand had, vloog over het kleedje van grijs gros-de-naples, dat _Clara's_ lieve leden omgaf.
_Gerrits_ verlegenheid was verschrikkelijk. De dames vlogen toe, behalve mevrouw _Van Hoel_; er werden geen zakdoeken gespaard om het vocht op te nemen. Mevrouw _Storks_ mond stond niet stil van te beweren dat eau de cologne een panacé was tegen alle vlakken; mevrouw _Vernooy_ verhaalde een troostrijke legende van een belangwekkende vlak, die vanzelf verdwenen was; en verscheidene dames tegelijk vonden het gelukkig, dat het "nog al in de plooien" kwam. Mevrouw _Van Hoel_ voerde aan, dat champagne in 't geheel geen vlakken naliet, eene vertroosting, die hier minder te pas kwam; mevrouw _Witse_ maakte duizend verontschuldigingen voor haar zoon en voor haar koffie; een practisch vernuft ried _Klaartje_ de voorbaan achter te laten zetten; _Wagestert_ merkte aan dat zij "een lief souvenir" van mijnheer had; _Hateling_ zweeg met een triomfanten glimlach; mijnheer _Van Hoel_ sprak nog eens weer van distracties en van de Blaak; _Gerrit_ deed zijn best om een redelijk figuur te blijven maken. En de schoone _Clara_ zelve deed niets dan lachen over al de drukte en ontroering, en herhaalde honderdmaal "dat het niets was", met een gezicht, dat gelukkig geheel met deze lichtvaardige beschouwing van de zaak overeenstemde.
Evenwel, nadat alles tot rust kwam, had _Gerrit_ den moed niet zijn gedoodverfd gesprek over het Buiten aan den straatweg op te werken, en liet het veld aan _Hateling_ over.