Chapter 29
"Gunst, weetje dàt niet?" ging de tante voort; "het is een bedankje voor den prijs. Ik ging altijd met mevrouw _Witse_ mee, als het prijsuitdeeling was; maar het heette dan eigenlijk promotie. Jongens, _Gerrit_ deed het zoo mooi; maar me hart kon kloppen als hij op moest komen. Ik heb lang geweten wat de rector dan zei: hoe was 't ook weer?"
"Ja," zei _Vernooy_, "hoe was 't ook weer? _Acide_ _Witse_..."
"_Et excipe pryzia_," viel de gedienstige echtgenoote in. "Ja _Klaar_, ik ken ook me Latijn. Weetje nog wel van op één na den laatsten keer, _Vernooy_?"
"Wel zeker!" antwoordde deze met rustigheid, ofschoon al de verschillende keeren voor zijne herinnering vrij verward dooreenschemerden.
"Hij was de langste van al de jongens!" ging zijne gade voort. "O, het stond zoo grappig; één zoo'n lange jongen onder al die kleine. Maar hij was ook de eenigste die een rok aanhad. En de nieuwe handschoenen; weetje wel, _Vernooy_?"
"Ja," zei _Vernooy_ met een lief lachje, dat hij niet wist thuis te brengen, "met de nieuwe handschoenen."
"Ze droegen toen," vervolgde zijn wederhelft, "van die heele gele handschoenen; dat herinnerje je nog wel, _Klaar_! _patte de canard_, weetje? Nu, die had _hij_ ook aan; wat stond het hem lief; als zoo'n eerst fatje! Maar je kondt goed zien dat ze nieuw waren; met zulke platte toppen, je weet wel!"
"Ja, zulke lange platte toppen," lachte _Vernooy_. "Ja, wat gebeurde er ook weer met die handschoenen?"
Dit was gewaagd. De heer _Vernooy_ bouwde op de enkele, hoezeer wel eenigszins opgevijzelde, vermelding van een paar eendepootgele handschoenen de vermetele onderstelling dat zij waarlijk een historische rol hadden gespeeld, terwijl zij niets dan een lijdelijk sieraad waren geweest, volstrekt niets dan een lijdelijk sieraad, voor den jongenheer _Witse_.
"Hoe meenje dat, _Vernooy_?" vroeg zijne gade met bevreemding. "Er gebeurde niets mee, voor zooveel ik weet."
"Ja wel!" antwoordde de gemaal, bloedrood wordende en zijn kopje uitdrinkende om zijne verlegenheid te verbergen: "jawel, er gebeurde iets met die handschoenen. Liet hij ze niet zoo gek vallen of zoo? Ja, daar staat me iets van voor."
Tante had gedurende deze flauwe herinnering altijd door ongeloovig het hoofd geschud. "Nu, dat weet ik dan niet," zei ze daarop; "dat weet ik dan niet; ik weet wèl dat het mooi was om hem te zien; ik kon er niets van verstaan, dat voelje, _Klaar_, want het was alles Latijn... of was het ook Grieksch, _Vernooy_?"
"Ja," zei _Vernooy_, zijne wenkbrauwen veel beduidend samentrekkende: "als ik mij wel bezin, geloof ik dat het Grieksch was."
"Nu, dat doet er niet toe. Ik mocht het graag zien. Dan wees hij met zijn handen op de tafel, waaraan de ... hoe hiet het ook weer? zaten."
"Curatoren," vulde _Vernooy_ aan.
"En dan lei hij zijn hand op zijn hart, en dan stak hij ze rechtop; want er kwam van den hemel in; en alles zóó netjes, zóó knap, en zóó gracieus..."
"En alles met handschoenen _patte de canard_?" vroeg het schalke _Klaartje_.
"Alles met handschoenen _patte de canard_," ging tante voort, in haar goelijken ijver om haar nichtje door alle mogelijke woorden, wenken, en tafereelen voor den jongen _Witse_ te interesseeren; "het was een lust om te zien. Verscheiden menschen zeiden dat _hij_ 't het mooist van allen deed. Het ging ook zonder een woord te haperen."
"Maar wat was het ook weer met die handschoenen?" prevelde _Vernooy_; "me dunkt toch..."
"Och kom!" zei mevrouw, bevende dat die gedroomde handschoenenhistorie nog eene schaduw werpen zou op de bevallige schilderij, die zij van _Gerrit_ als knaap had opgehangen; "je verwart het met wat anders. Er was heusch niets van. Ik weet _wel_ dat we gelachen hebben om dien kleinen jongen, die zoodra hij het boek in zijn hand had, zich omdraaide en naar zijn plaats ging, en de heele gratias vergat."
"_Dat_ zal het geweest zijn," zei de goedhartige echtgenoot, die blijde was iets te kunnen aangrijpen dat zijne onvoorzichtige herinnering overschaduwde. "Ja, ja, die kleine jongen; ik zie hem nog duidelijk vóór me."
"Maar zeg, tante," vroeg de Geldersche zoo naief als zij kon, "mijnheer _Witse_ heeft _nu_ toch geen prijs gekregen, wel?"
"Wel neen, kind! aan de academie--wel foei! Of het zou een medaille moeten geweest zijn," liet zij schielijk volgen, om ook van deze wending partij te kunnen trekken; "heb je _daar_ ook van gehoord, _Vernooy_?"
"Neen," zei _Vernooy_, "neen, dat's 't geval niet--men krijgt bij zoo'n gelegenheid een graad."
"Nu, juist, een graad; daar wilde ik je hebben. Naar dat woord heb ik daareven gezocht. _Gerrit_ is zeker van den hoogsten graad, niet waar?"
"Zeker, zeker," zei de heer _Vernooy_; "ja, wel zeker. Ja, dat heeft hij ook geschreven."
De lezer weet beter; maar _Vernooy_, die gaarne iedereen en vooral zijn vrouw zooveel mogelijk gelijk gaf, verzekerde dit uit den overvloed van zijn goedig hart, ex merâ conjecturâ. Dat evenwel deze bijzonderheid, in de schatting der eenvoudige _Clara_, den genadeslag gaf aan den persoon van _Gerrit Witse_, dien zij zich nu onmogelijk anders voor kon stellen dan als den verwaanden wijsneus met de gele handschoenen van de promotie, spreekt vanzelf en wordt door een ieder gevoeld die aan neuswijze knapen en gele handschoenen een hekel heeft. Lang had zij zich goed gehouden; maar nu moest zij eens met blijkbare ironie spreken.
"Nu," zei _Klaartje_, "ik verlang ijselijk om dat wonder van geleerdheid toch eens te zien."
"Zieje wel, dat je toch wel verlangt," antwoordde haar tante, die het alweer ten besten opnam. "Daar bloosje alweer. Nu zulje me toch niet weer opstrijden dat je niet bloost, meisje. Wat zeg jij, _Vernooy_? bloost ze niet _razend_?"
"Allerverschrikkelijkst," antwoordde _Vernooy_. En zeker, het moest allerverschrikkelijkst wezen, indien de goede man, die een slecht gezicht had, het konde opmerken; vooral wanneer men bedenkt dat _Klaartje_, in de schaduw van een overgordijn, met den rug naar het venster zat, en dat wel naar een venster in de Rotterdamsche Hoogstraat, straat waarin, naar het getuigenis der oudste Hoogstratenaars, de zon nog nooit geschenen heeft.
"_Klaartje_," zei oom, die wel van plagen hield, "je moet oppassen, meid! dat hij niet met je hartje strijken gaat, hoor!"
"Dat heeft geen nood, oom."
"Nu, ik ben benieuwd wat daar nog van komen zal," zei tante; "bewaar het goed, kind!" En zij hoopte dat deze vermaning voor het jonge meisje zooveel zeggen zou als: Werp het den jongeling hals over kop voor de voeten.
In dat geval stond de kans zeer slecht, want _Klaartjes_ tegenzin had zich hoe langer hoe vaster geworteld.
"Zoo'n wijs heer zal op mij niet letten!" zei _Klaartje_ overluid, "en ik ben ook tegen zooveel geleerdheid niet opgewassen." In stilte dacht zij: "Al was hij zoo wijs als _Salomo_, hij zal er bij mij niet aan hebben; ik zal den verwaanden gek mijn rug toedraaien."
Zoo onschadelijk was de koppelliefhebberij van tante _Vernooy_.
Vrienden-hartelijkheid.
De dag van het groote feestmaal ter eere van _Gerrit Witse_, Med. Cand., die, als den lezer uit onze schets gebleken is, ten opzichte zijner verdiensten zoo geheel anders dan zijne ouders was gestemd, was aangebroken.
Het was omstreeks drie uren na den middag, dat de jongeling bezig was zijn toilet te maken. Was het dat hij tegen de pleizierigheid van dezen dag als tegen een berg opzag, te welker gelegenheid zijne ouders waarschijnlijk tot walgens toe met hem zouden wenschen te pronken? Was het dat hij zich het geeuwende schrikbeeld der verveling voorstelde, waarmede hij zou hebben te worstelen in een kring van menschen, waarvan de meeste hem onverschillig lieten en de overige hem ergerden? Was het een dezer gewaarwordingen afzonderlijk, of was het wellicht een aangenaam mengsel van beide, dat hem in het werk des kleedens zoo langzaam deed voortgaan, en hem nu en dan een aanmerkelijke poos deed verwijlen met een kleedingstuk in de hand, of doelloos uit het raam staren of, zonder vermoeid te zijn, op een stoel nedervallen, met al de verschijnselen van het levensverdriet?
Eene sierlijke inleiding, opzettelijk geschreven om u van de ware oorzaak af te Leiden. Deze was geene andere dan dat zijne gedachten met een voorwerp vervuld waren, verre verheven boven het geurig stuk zeep of het schoone overhemd, of de satijnen das, die hij beurtelings in de hand nam. Hij had dien morgen het Leesmuseum bezocht. Wanneer hij zich voor een dag of wat in zijn vaderstad bevond, was het Leesmuseum, waar de oude heer _Witse_ ook lid van was, steeds zijne toevlucht. Daar stelde hij zich altijd weer voor, dat hij zijn tijd op een aangename wijze zou kunnen doorbrengen, ofschoon de uitkomst hem meestal teleurstelde. Met gespannen verwachting trad hij er op de leestafel toe, maar bemerkte meestal tot zijn smart dat die tafel, behalve de Lloyds-list en de Oost-Indische Courant en het Heerenboekje, niet anders vertoonde dan hetgeen hij te Leiden gewoonlijk dan reeds gelezen had; hetzelfde nommer van de Letteroefeningen, met hetzelfde aantal steken op "de jonge dichters" (ik meen "dichtschool"), en dezelfde zeer huiselijke beeldspraak van "ongare kost, keurige schotels, goed gekruid, sterk aangezet" en wat dies meer zij; denzelfden Gids, met dezelfde beweringen omtrent het ongepaste dat Holland graven en ridders gehad heeft, omtrent den bloeitijd van _Jan_ (een alias, dien hij ons voor de Hollandsche natie opdringt) en het leelijke van de rhetoriek, met en benevens dezelfde citaten uit het vorig nommer; hetzelfde Leeskabinet, met denzelfden groenen omslag, en dezelfde Boekzaal der Geleerde Wereld, met een versjen op de begrafenis van Ds. die en die, en op het vijftigjarig bestaan van Ds. zoo en zoo. Dan keerde hij zich tot de nieuw uitgekomen boeken. Ook van deze had hij er reeds, dank zij den gedienstigen zorgen van één _Van der Hoek_ en een half dozijn _Hazenbergen_, vele gezien, en de andere schenen hem te lijvig toe, om in zoo weinige dagen klein te krijgen. Meestal kwam het daarop neer, dat hij dan toch maar de voorreden van een paar Fransche nieuwtjes ging zitten lezen, waarin de schrijver beweerde dat hij met zijn geweten was te rade gegaan, om een zeer zedeloos, met zijn kunstgevoel, om een zeer smakeloos boek te schrijven. En zoo was hij dezen morgen verdiept geweest in het lezen van de voorrede van _Victor Hugo's_ Ruy Blas.
Deze voorrede, hoe sluitend en klevend, bondig, krachtig en boeiend de redeneering ook zijn mocht, was niet zóó, of zij liet hem wel éénige oogenblikken los, om zijne oogen te laten weiden, nu eens over de Beursbrug, dan eens over de Blaak die, door een aardig zonnetje beschenen, er nog al heel opwekkelijk en pleizierig uitzag. En op eenmaal (ik zal het maar kort maken), daar ziet hij duidelijk de schoone, die hij in "het paradijs van Nederland", als de blinde _Moens_ zingt, met de witte duif op het hoofd had gezien; de schoone, die hij slechts eenmaal had aangeblikt, en die hij volstrekt niet kende, 't geen een reden te meer was geweest om gestadig over haar te denken, ja! te mijmeren, ach! te dwepen.
Ik zal niet zoo vermetel zijn te beweren dat het boek hem uit de handen viel, want daar behoort nog ongelijk meer toe; neen! maar hij wierp het neder; hij wierp het neder, hij nam zijn hoed, hij trok zijn handschoenen aan, vloog de trappen van het Leesmuseum af, stormde de deur uit. De schoone, van de Beursbrug komende, was de Blaak opgegaan en had zich dus rechts gekeerd. Zal hij haar nawandelen? Neen; hij kent al het onaangename van de luifels der hoeden. IJlings slaat hij den hoek om, ijlt de Gapersteeg door, draaft langs de Wijnstraat, galoppeert door de Posthoornsteeg en komt, bedaard en met een gezicht alsof er niets gebeurd was, de Blaak weder opwandelen. Zij is het waarlijk. Ja, dat vroolijke gezicht, die vriendelijke mond, die speelsche uitdrukking van oogen! Hij groet haar. Hemel en aarde! zij heeft hem teruggegroet. Een paar huizen verder staat hij stil, en tuurt haar lieve houding na, en bewondert met een verliefd oog haar vluggen gang. Zij steekt de Houtbrug over; hij staart haar na totdat zij in de Keizerstraat verdwijnt. Nu stuift hij weder voort en naar het Museum terug, de trappen op; daar ligt Ruy Blas nog; werktuigelijk neemt hij zijn vorige houding aan en het boek op. Dat was verbijstering. Hij had haar moeten nagaan, moeten weten waar zij bleef. Hij keert op zijne schreden terug, de Houtbrug over, de Keizerstraat door. Hij ziet haar niet meer; haar spoor is uitgewischt. Verliefder dan ooit en op zichzelven ontevreden, loopt hij de geheele stad door en tuurt in alle ellewinkels, of hij het groenzijden wintergewaad ook weer te ontdekken krijgt, dat hem zoo hevig heeft aangedaan, of een hoed van bruin satijn, met een enkele struisveder, die de plaats bekleedt waar hij weleer de witte duif heeft zien nederzitten, die hij zoozeer heeft benijd. Te vergeefs! Nergens, nergens, voor geen venster is zij te zien, de schoone... ja! hoe heet zij? Hij weet er niets van, en lacht over zijn dwaasheid. Zoo keert hij huiswaarts.
In deze stemming vinden wij hem op zijn kamer. Maar neen! Er is een straal van hoop in zijne ziele opgegaan. De berekeningen van een mensch in _Witses_ toestand zijn stout. Er was bij den heer en mevrouw _Vernooy_ een jong meisje gelogeerd, een nichtje, welker naam hij niet kende; den naam der schoone Geldersche kende hij evenmin!... Dat was een punt van overeenkomst. Zij kon het zelve wezen; en _indien_ zij het ware, het was hem meer waard dan de eerste graad bij alle mogelijke examina.
Onder zulke gedachten geraakte hij eindelijk gereed, nadat hij reeds eenmaal zijn das uitvoerig had omgestrikt, eer hij zijn overhemd nog aanhad, en later zijn rok had aangetrokken, voor hij nog eerst het noodige laagje gelegd had met zijn satijnen vest.
Hij kwam beneden. Er waren reeds gasten aanwezig. Hij hoorde hunne stemmen in de zijkamer. Met een kloppend hart opende hij de deur.
"Daar hebben we onzen candidaat!" riepen papa en mama tegelijk. De candidaat boog zich voor mijnheer en mevrouw _Van Hoel_.
Mijnheer en mevrouw _Van Hoel_ waren menschen van omstreeks vijftig jaren, waarvan ze er vijfentwintig in den huwelijken staat hadden doorgebracht. Zij behoorden tot den deftigen koopmansstand en ZEd. was wat men een man van gewicht noemt. Hij keek op de sociëteit zeer ernstig en als zeer veel macht hebbende rond, en was er op straat zeer op gesteld dat men hem groette; eene eer die hem, het fortuin dat hij gemaakt had in aanmerking genomen, ook ten volle van de geheele wereld toekwam. Mevrouws toon en deftigheid hadden met den aangroei van haar eegaas vermogen gelijken tred gehouden en zij was eerst een pretentieuse, daarna wat men eene _heele_ vrouw noemt, en nu bijna ongenaakbaar geworden. Het waren zeer oude kennissen van mijnheer en mevrouw _Witse_; en toen beide echtparen nog jong waren, zagen zij elkander bijna dagelijks, hielpen de dames elkander hare japonnen knippen en gingen de heeren te zamen uit visschen. Deze overdreven hartelijkheden hadden echter gaandeweg opgehouden, naarmate, om een platte uitdrukking te gebruiken, de _Van Hoels_ de _Witses_ waren over het hoofd gegroeid; maar toch kon er nog nimmer een belangrijk feest gevierd worden bij een van de beide familiën, of zij noodigden elkander over en weer; zij waren voor elkaar een noodzakelijk kwaad. De oorzaak der verkoeling moet echter niet alleen in de uitbreiding van des heeren _Van Hoels_ vermogen gezocht worden; nog eene andere kleine omstandigheid had daar schuld aan; want, gelijk de heer _Witse_ zoo had ook de heer _Van Hoel_ een eenigen zoon, en het is wel bekend dat er niets doodelijker is voor vriendschappelijke betrekkingen dan kinderen, vooral als zij volwassen beginnen te worden. _Witse_ had een knappen, oppassenden jongen, den roem van alle scholen, en daarna een sieraad der academie; terwijl de zoon van mijnheer en mevrouw _Van Hoel_ een eigenzinnige domkop was, waar niets van was te maken, en die zich, tot jaren van onderscheid gekomen, al spoedig als een losbol onderscheidde en naar de Oost was gezonden, omdat men niet wist wat er hier mee uit te richten. Zoo kwam het bij, dat mijnheer en mevrouw _Van Hoel Gerrits_ natuurlijke vijanden waren geworden. Zoo kwam het bij, dat de heer _Van Hoel_ nooit een brief van zijn zoon ontving, waarin deze, als bewijs hoe goed het geld, dat zijn vader hem moest overmaken, geplaatst werd, breed opgaf van het telkens verbeteren zijner vooruitzichten en van de bewonderenswaardige stappen, die hij tot zijne fortuin maakte, of hij haastte zich dit op de sociëteit Amicitia luidkeels mede te deelen, en zulks liefst aan het tafeltje naast dat, waaraan de heer _Witse_ zich in 't Handelsblad verdiepte, met bijvoeging, "dat men niets beters doen kon dan zijne kinderen naar de Oost te zenden, en niets dwazers dan ze te laten studeeren, waardoor ze niet dan eene zeer late carrière maakten; daar hadje bij voorbeeld de jonge doctoren!" Zoo kwam het bij, eindelijk, dat er nooit of nimmer een wilde studentenpartij, een klein straatgeruchtje of iets dergelijks had plaats gehad, niet noemenswaardig in vergelijking van het groote landgerucht dat het daarna maken moest, of mevrouw _Van Hoel_ kon het niet langer uitstellen mevrouw _Witse_ eens een bezoek te brengen, bij welke gelegenheid zij haar dat nieuws mededeelde, met vele verzuchtingen haar beklagende dat zij nog in de onzekerheid was of haar zoon er al of niet was bijgeweest, en "maar hopende, hartelijk hopende, dat dit het geval niet mocht geweest zijn; hij was _hier_ wel voor een knappen, heel knappen, braven jongen bekend; maar men kon het toch nooit weten! En te Leiden!... Och, de jongelui werden er zoo spoedig bedorven."
De candidaat boog zich voor mijnheer en mevrouw _Van Hoel_.
Na de gewone begroeting, waar nu ook nog een compliment met het volbrachte examen bijkwam, waarbij de heer _Van Hoel_ den hartelijken wensch voegde dat dit een stap nader mocht zijn tot eene spoedige promotie en eene briljante praktijk, en waarbij mevrouw de vriendelijkheid had het deelnemend beklag te voegen, dat de meeste menschen "een _ouden_ dokter verkiezen", zeide de heer _Van Hoel_, die, met de armen op den rug, de panden van zijn rok splijtende voor het vuur stond en den binnenkant zijner handen door de vlammen liet koesteren: "ik heb, geloof ik, mijnheer _Witse_ van morgen ontmoet?"
"Mij, mijnheer?" vroeg _Gerrit_ verbaasd; "ik weet met dat ik de eer gehad heb ..."
"Neen, dat merkte ik," hernam de heer _Van Hoel_ met een schamper lachje, en schuins uit naar _Gerrits_ moeder ziende, "'t was op de Blaak;--maar ik merkte wel dat je _mij_ niet scheent te bespeuren."
"Inderdaad, ik heb u niet gezien," antwoordde _Gerrit_ kleurende.
"Och, die jonge _geleerden_," merkte mevrouw _Van Hoel_ aan, hare handen vouwende en hare nieuwe cabretten handschoenen tusschen de vingers aandrukkende, "Och, die jonge geleerden zweven zoo in een hooger sfeer, dat ze geen mensch meer gewaar worden."
"Dat kan wel eens een enkelen keer gebeuren, nietwaar, _Gerrit_?" viel zijn mama daarop in, die een hoogere sfeer voor haar zoon nog al een geschikt departement vond.
"Liever niet," zei _Gerrit_; "het komt op de Blaak zoo weinig te pas."
"Ja!" antwoordde de heer _Van Hoel_, de schouders met gemaakten ernst ophalende; "het is hier maar een _koopstad_; daar moeten we ons nu maar mee behelpen."
"Zoo meen ik het toch niet," hernam _Gerrit_ al weder, nu eerst bemerkende dat de heer _Van Hoel_ aan 't gifzuigen was.
De deur ging open. _Gerrit_ zag verlangend om. Er trad geen schoon meisje binnen, maar een jongeling die, naar _Gerrits_ smaak, alleen een schoonheid had kunnen genoemd worden, indien hij een meisje geweest ware. Hij was een van die "mooie mannen", op wie de jongelingen misschien veel meer jaloersch zijn dan de jonge dochters verliefd. Zacht, zwart, krullend haar, een spierwit voorhoofd, een fijn wit en rood, blinkende oogen, en behaagzieke bakkebaarden waren zijn deel. Kracht en majesteit was er in 's mans gelaat met, zelfs geen hartstocht, en evenmin in zijn gestalte, die tot de zwak apollinische behoorde. Het was de heer _Hateling_, een jong mensch van goeden huize, die op kamers woonde en aan een der voornaamste kantoren van Rotterdam den handel bestudeerde. Deze jongman was iemand, die volmaakt berekend was voor zijne plaats achter een lessenaar en voor zijne plaats op een diner; dat is: hij kon goed cijferen, en goed praten. Overmaat van verstand of smaak bezat hij niet, maar hij "las toch nooit Hollandsch", eene omstandigheid, die altijd een hoogen dunk van beide geeft. Hij was een spotter met al wat studie heette of, zoo als hij het noemde, "zoo hoog vloog". Voor het overige, daar zijn toestand als eenloopend gezel medebracht dat hij gaarne uit eten ging, had hij den goeden weg ingeslagen om veel uit eten te worden gevraagd; en daar hij veel uit eten gevraagd _werd,_ was hij ook een volleerd dinerganger, en wist hij uitmuntend hoe hij het aan moest leggen om bij zulke gelegenheid te voldoen.
Terwijl deze Narcissus nog bezig was zijn compliment te maken, kwam er, met veel schutterigheid en eene zeer verhitte kleur, eene dame binnentreden van een jaar of zesentwintig, die een zwarte japon droeg om te toonen dat zij bedroefd was, en een zeer blooten hals om te toonen dat zij alle behaagzucht niet had afgelegd. Zij was noch mooi, noch leelijk, zeer blond en zeer druk. 't Was mevrouw _Stork_, de jonge weduwe van een man, dien zij aan de tering verloren had. De heer en mevrouw _Witse_ waren eerst onlangs met haar in kennis geraakt; zij maakte derhalve allerhartelijkst, allerbevalligst, en allerinnemendst haar compliment voor mijnheer en de "lieve mevrouw". Daarop werd ze aan de _Van Hoels_ voorgesteld, waarop zij terstond met een allerliefst lachjen en mooien mond met tanden vroeg: of zij van de familie van mevrouw _Van Hoel_ te Utrecht waren, die zij het pleizier had 't kennen, en dat een aller-allerliefste vrouw was. Toen wendde zij zich weder tot de heeren _Witse_, en plaagde den ouderen, en zei allerlei aangenaamheden aan den jongeren, met al de vrijmoedigheid eener getrouwde dame en met al de behaagzucht eener ongetrouwde. Nog had deze nauwelijks al de aanwezigen gegroet, of wederom ging de deur open. Mevrouw _Vernooy_ trad binnen; gevolgd van _Klaartje Donze_.
Eene siddering ging over _Gerrits_ hart; eerst werd hij bleek, en toen hoog rood; want zij was het, de schoone Geldersche, de jonkvrouw van zijne gedachten!
Met een goelijken knik aan den ingang van de deur en een nog goelijker lach drukte de heer _Vernooy_, die nu ook volgde, _Gerrits_ hand. "Hartelijk, hartelijk, man!" riep hij uit. "Je bent nu candidaat, heet het zoo niet?"
"En zeker met al de graden?" vroeg mevrouw _Vernooy_, minzaam glimlachende.
"Ja," zei mevrouw _Witse_, het hoofd blijmoedig opheffende: "daarvoor was geen zorg, maar hij wilde 't niet schrijven. Nu, 't is nogal een knappe jongen, vindje niet? We beleven pleizier aan ons _Gerritje_."
"_Gerritje_," die door deze lofrede al weer een tamelijk kinderachtig figuur maakte, rees niet in de achting van _Clara_, wie hij echter, wat voorkomen en uiterlijk betrof, niet was tegengevallen, ja, zoo zeer meeviel, dat zij er inwendig boos om werd. Neen! dacht zij; geen voet achteruit! Dat hij er redelijk uitziet, bewijst niets tegen zijn pedanterie. Pedant moet hij wezen.
_Gerrit_ had haar zeer beleefd gegroet, en de dames hadden het zeer druk met de vreemde. Zijne moeder scheen terstond zeer nieuwsgierig te zijn om te weten hoe het haar in Rotterdam beviel en, hoe hare familie in Gelderland voer, ofschoon er dan hier tot nog toe geen sterveling was, die wist of zij een vader en moeder, broer of zuster bezat, al dan niet. _Klaartje_ antwoordde op alles met een onbedeesd en vroolijk gezicht.