Chapter 28
De candidaat tracteerde daarop zijn tafel op wijn; en na den eten kwam er een droski voor, en reed de candidaat met den vriend en nog een vriend naar den Deyl (het was in Februari) en dronk daar thee; en 's avonds had de candidaat den vriend van het zweetkamertje, en den vriend van den Deyl, en nog twee andere vrienden, en een kwart ankertje cantemerle op zijn kamer, en zat men voor de opgeschoven vensterramen (het was nog altijd in Februari) vele sigaren te rooken en vele verhalen op te snijden; en des nachts om één ure sprongen er kurken van champagneflesschen; en zaten twee der vrienden hoogdeftig te redetwisten over den besten regeeringsvorm, en traden twee anderen in een vergelijking van de Kantsche en Hegeliaansche philosophie, waarvan geen van beiden iets afwist, en stelde een vijfde een toost in op de harmonie tusschen de faculteiten. En 's nachts om twee uren waren de vrienden weggegaan, op den vriend uit het zweetkamertje na, die met kleine oogjes zat te luisteren naar een verhaal dat de candidaat hem met veel geheimzinnigheid en in diep vertrouwen deed: hoe hij hartstochtelijk verliefd was op een meisje, dat hij verleden jaar, op een voetreisje door Gelderland, op het terras van een klein Buitentje had zien zitten met een witte duif op haar hoofd; en hoe hij bij juffrouw _Schreuder_ toevallig een vrouweportretje had gezien dat op haar leek als twee droppelen waters, en hoe hij dat onmiddellijk gekocht had, en hoe of zijn vriend dat vond? Waarop de vriend van het zweetkamertje hem zwoer dat hij het aan niemand vertellen zou, uit vreeze van anders alle Geldersche meisjes, die kleine Buitentjes bewoonden en witte duiven hielden, op de spraak te zullen brengen. Maar daarop nam hij het ernstig, en stelde een toost op de lieve dame in, en de candidaat dronk dien met een traan in de oogen, en de vriend vertelde daarop dat ook hij dol verliefd was, maar dat hij ongelukkig in de liefde was, en dat dit al zijn derde verliefdheid was; waarop het uitkwam dat zijn eerste verliefdheid geweest was op een meisje in een kostschool, dat hij alle zondagen in de Fransche kerk zag, en zijn tweede op een meisje dat al in stilte geëngageerd was geweest, en dat deze derde verliefdheid zich de dochter van een gepensioneerd kolonel had tot voorwerp gekozen, die "gloeiend _tegen_ hem was" en hem niet luchten of zien mocht. En over drie uren trok de vriend de deur van het hôtel des candidaats achter zich toe; en des anderen daags 's morgens om acht uren werd de candidaat wakker met het zalige gevoel dien dag geen examen te zullen ondergaan.
Oudervreugde.
Met een geopenden brief in de hand en een glans van genoegen op het gelaat, begroette de heer _Witse_ zijne gade aan het ontbijt.
"Morgen komt onze candidaat thuis," zei de heer _Witse_.
"Onze wie?" vroeg mevrouw zijne echtgenoote.
"Onze student," antwoordde de heer _Witse_, "maar hij is nu candidaat. Hij schrijft mij dat hij zijn examen gisteren gedaan heeft. Het zal wel goed geweest zijn; daar ben ik niet bang voor."
"Wij beleven genoegen aan dat kind," zei mevrouw _Witse_, water op de thee schenkende. "Is het niet buitengewoon gauw, dat hij examen gedaan heeft?"
"Zeker, liefste, zeer zeker. Hij is pas vijfjaren te Leiden, en je moet denken, hij heeft drie jaar gebruikt voor zijn eerste examen...."
"Zijn pro-pae-deutisch, niet waar?" viel mevrouw _Wttse_ met deftigheid in, trotsch dat zij het moeielijke woord zoo goed had leeren uitspreken.
"Juist, mijn kind! Dat is een ding daar de meesten luchtig over heen loopen. Maar _hij_ heeft er zijn werk bijzonder van gemaakt. Hoor eens, hij kost ons daarginder een handvol geld, maar de medicijnen, heb ik altijd hooren zeggen, is een dure studie; en hij moet _niets_ verzuimen."
"Maar hoe lang zou hij er nu nog wezen moeten, nu hij candidaat is?"
"Wel, ik weet het niet. Hij wilde er graag de chirurgie en de obstetrie bij leeren, en dat zal nog wel wat tijd kosten. Maar wie weet waar hij dan ook geschikt voor is!"
"Zoo, zou je _dat_ denken?" vroeg mevrouw _Witse_, het mes, waar zij zich een boterham mee maakte, halfweg in het brood latende steken, en haar man strak aanziende.
"Alles is mogelijk, liefste!" antwoordde haar echtvriend, den brief nog eens inziende. En een blijde glimlach vertoonde zich op zijne wezenstrekken.
"Maar staan daar niet zekere jaren voor?" vroeg mevrouw weder, terwijl zij hare oogen zediglijk neersloeg, en met eene bijzondere oplettendheid haar boterham in reepjes sneed.
"Wat meenje?" vroeg de heer _Witse_, die hetzelfde meende als zijn eegade.
"Wel!" antwoordde de goede vrouw, de punt van haar mes met groote nauwkeurigheid beschouwende, "om zoo 't een of ander te worden."
"Wat een of ander, moedertje?" vroeg de echtgenoot lachende, en van verlangen brandende het groote woord, dat hijzelf niet uit dorst spreken, van de lippen van zijn wederhelft te hooren.
"Wel," antwoordde mevrouw _Witse_; "hoe oud was de jonge hoe-hiet-ie-ook-weer zoowat, toen hij professor wierd?"
"Tut, tut, tut!" antwoordde de heer _Witse_, terwijl zijne oogen van genoegen schitterden en zijn aangezicht zich zenuwachtig bewoog; "je moet zoo hoog niet vliegen, moedertje. Als hij maar een knap dokter wordt, dat is heel wel."
"Dat is ook zoo," hernam zijne vrouw, wie het speet dat zij zich zoo onvoorzichtig had uitgelaten; "het hoeft ook niet; ik zal heel tevreden zijn als hij maar gelukkig is in de praktijk. Wij mogen ook niet alles vergen."
"Wel neen!" zei de heer _Witse_.
"En daarenboven"--ging mevrouw voort--"wie weet of het goed voor hem zijn zou. Een professor moet immers zoo allerverschrikkelijkst studeeren?"
"Dat moet hij zeker, vrouwlief!" was het antwoord; "maar dat was voor onzen _Gerrit_ het minste."
"Ja, dat wil ik ook wel gelooven!" hernam de moeder van _Gerrit_; "maar toch, ik zei dat daar nu zoo, maar ik kan je eerlijk zeggen dat ik er nooit over denk."
"Je moet het nu weer zoo heelemaal niet weggooien!" antwoordde _Gerrits_ vader.
"Neen!" zei _Gerrits_ moeder; "dat nu juist niet."
"Het is meer gebeurd," zei _Witse_, zonder eigenlijk te weten wat dit beduidde.
"O ja; waarom zou het ook niet plaats kunnen hebben?" zei mevrouw.
"Men kan zich niet _meer_ appliceeren dan _Gerrit_," hernam _Witse_.
"En hij zou, geloof ik, wel veel geschiktheid hebben om te onderwijzen!" ging _zij_ voort.
"Dat geloof ik ook; en ik denk ook wel dat ze zulke jongelui in 't oog houden," voegde _hij_ er bij.
"Het zou een groot geluk wezen!" merkte _zij_ aan.
"Dat zou het zeker," verklaarde _hij_; "maar je kunt er niet op aan. Verdiensten worden niet altijd erkend. Net als met die prijsvraag."
"Maar hij had toch het accessit," zei de moeder.
"Hij had de medaille moeten hebben," zei de vader.
"De gekken krijgen de kaart," zei de moeder, die op eenmaal alles aan het geluk begon toe te schrijven.
"Het zou goed klinken!" zei de vader; "professor _Witse_!"
"Och kom, _Witse_!" zei de moeder, wier beurt het nu weer was om nederig te zijn; "vlei er je toch niet mee!"
"Dat _doe_ ik niet!" verzekerde haar echtvriend; "ik zeg maar dat het mooi klinken zou."
Er volgde een stilte; mijnheer tuurde in 't Handelsblad en mevrouw zette een boordje van een kous op; maar hun beider gedachten waren bij het professoraat van _Gerrit_, waarvan zij, elk voor zichzelf, zich overtuigd hielden, indien maar in dit ondermaansche ware verdiensten op haar rechten prijs werden geschat.
Een geruimen tijd bleef het gelukkige echtpaar in deze zoete overdenking verdiept. Daarop brak de heer _Witse_ het stilzwijgen.
"We moesten toch iets ter eere van den candidaat doen, dunkt me?" zeide hij.
"Dat heb ik ook al gedacht," antwoordde zijn eenstemmige dierbare.
"Een dineetje zou wel aardig zijn."
"Ja; wie al zoo? de _Vernooyen_, dunkt je niet?"
"Best; ik zal ze zelf gaan vragen; en dan de _Van Hoels_ vooràl. Vrijdag is nogal een goede dag."
"Maar we moeten volstrekt mevrouw _Stork_ hebben."
"Die kent _Gerrit_ in het geheel niet," merkte _Witse_ aan.
"Goed!" antwoordde zijn gemalin. "Voor _mijn_ rekening; zij zal hem wel bevallen; 't is een allerinteressantste vrouw. Weetje wel dat er bij _Vernooy_ een nichtje gelogeerd is? Dat is ook een vreempje. Nu; hoe meer hoe liever. Maar dan dienen er nog een paar heeren ook bij. De jonge _Hateling_?"
"Ik weet niet of _Gerrit_ wel heel _Hateling_-achtig is," merkte mijnheer _Witse_ aan.
"Hé, waarom zou _Gerrit_ niet _Hateling_-achtig zijn?" vroeg mevrouw; "'t is een heel aangenaam jongmensch, en ik vind het zoo'n knap uiterlijk; jongens, 't is zoo'n knap uiterlijk. Je moet denken: _Hateling_-achtig? Van wien van onze jonge menschen houdt _Gerrit_ nu eigenlijk? Sedert hij op de academie is, gaat hij met niemand van de Rotterdamsche jongelui meer om."
"Mij is 't wel," zei de heer _Witse_. "En zouden we _Wagestert_ ook niet vragen?"
"Wel zeker! _Wagestert_;" antwoordde zijn eegade: "dan zijn we sekuur dat het een vroolijk diner wezen zal."
Het diner-project was gereed; en hoewel het ter eere van _Gerrit_ was opgemaakt, was er echter bij de keuze der gasten weinig op zijn genoegen gelet. Tot verschooning zij gezegd, dat het oogmerk van dit ouderpaar veeleer was om met den knappen zoon te pronken, dan om den oppassenden zoon een genoeglijken dag te bezorgen.
De heer _Witse_ ging dien dag reeds vroeg uit om verscheidene bezoeken af te leggen. Hij deed het met den brief van _Gerrit_ in den zak, en gaf aan alle huizen, daar hij kwam, breed op van de ongehoorde kundigheden van zijn zoon _Gerrit_. Er zijn verscheidene wegen om een zoon of dochter ongelukkig te maken, en de heer _Witse_ had sedert lang dezen ingeslagen.
Om de waarheid te zeggen, het was 's mans zwakke zijde. De heer _Witse_ was een zeer welgesteld man uit den deftigen burgerstand en notaris van beroep. Hij had een heel goed en helder verstand en ook veel verworvene kennis; maar zijne denkbeelden omtrent de meerderheid van een gestudeerd persoon waren alleroverdrevenst. Men kon niet zeggen dat hij zijn zoon als kind bedorven of over het paard getild had, want hiertoe was hij te beredeneerd geweest; hij had den jongen _Gerrit_ eene zeer goede opvoeding gegeven en hem wèl onder den duim gehouden; maar zooras hij als student was ingeschreven, had hij de onbepaaldste hoogachting voor hem opgevat, in welke hoogachting de moeder zeer genegen was te deelen, daar de jongeling haar eenige spruit was. Haar kundige man, die algemeen om zijn helder hoofd geacht werd, geloofde _niets_ te zijn in vergelijking met een zoon, die ja, zich altijd zeer op zijne studiën bevlijtigd had, maar toch wellicht nog in vele opzichten beneden hem stond, vooral in punten waar het op een klaar inzicht en juiste onderscheiding aankwam. De beste zijde van 's mans overtuiging in dezen was, dat zij hem zeer liberaal denken deed over alles wat de studiën en bekwaamheden van _Gerrit_ kon uitbreiden en in de hand werken; _Gerrits_ bibliotheek was een van de beste die ooit een medisch student bezeten had, en dat hij, na zijn graad verworven te hebben, Berlijn en Parijs zien zou leed geen twijfel.
Meisjeskwelling.
_Klaartje Donze_ zat in de zijkamer van mijnheer en mevrouw _Vernooy_ in de vensterbank en maakte een schelkoord voor den aanstaanden verjaardag van haar vader, en hief tusschenbeide haar lief gezicht op, om eens op de Hoogstraat te kijken, maar keerde het meestal teleurgesteld weder af en tot haar werk.
_Klaartje Donze_ was een frissche, vroolijke, prettige Geldersche deerne, van nog geen achttien jaar. Zij had bruin haar, in vele lange krullen langs haar wangen nedervallende en voor het overige in een zware vlecht op haar hoofd saamgestrengeld, een sneeuwwit voorhoofd, groote, blauwe oogen met een heldere tinteling en vrijmoedigen opslag, blozende wangen, en een mondje zoo pleizierig geplooid, dat men niet wist wat men er liever van krijgen zou, een kus of een zoet woordje.
_Klaartje Donze_ was buiten opgevoed, had als kind alle jaren het eerste groen gezien, kippen, eenden en goudvisschen gevoerd, den kuifbal geslagen en, zoolang zij een pantalon droeg, schrijdelings op een hit gereden. Zij kende alle soorten van boomen onderscheidelijk, en wist daarenboven wat ze waard waren. Zij kreeg alle jaren te Paschen een pot-lammetje en hield op den zolder meer dan twintig duiven die uit haar hand aten. Zij groette de knapen van het dorp niet als "mannen" of "vrinden", maar als _Jannen, Henken, Koerten_, of hoe zij heeten mochten. Zij zag niet op tegen een beetje sneeuw of een beetje vorst, en had honderdmaal in haar jong leven in een regenbui zitten hengelen.
_Klaartje Donze_ was sinds eenige dagen bij oom en tante _Vernooy_ te Rotterdam gelogeerd. Zij was nog nooit in Holland geweest en had zich machtig veel van het logeeren in eene stad als Hollands tweede koopstad voorgesteld. De donkere Hoogstraat was haar zeker vrijwat tegengevallen, en ook wist zij niet dat keien en klinkers zóó vuil konden wezen, als die van Rotterdam bij slecht weer doorgaans zijn, wanneer het is (ik gebruik de uitdrukking van eene lieve Rotterdamsche zelve) alsof het waterchocolade geregend heeft. Een paar malen was zij uitgeweest. De breede Blaak met hare menigte van winkels, de Boompjes, en de vroolijke Wijnhaven, met hare schijnbaar door elkander gewarde schepen met kleurige wimpels en nommervlaggen, de deftige Leuvehaven, met hare statige huizen, bevielen haar nogal; maar het Nieuwe Werk vond zij de moeite niet waard een wandeling genoemd te worden, en de Plantage telde zij onder de omstreken van Gorkum. Meest behaagde haar het ruime riviergezicht op het Hoofd; maar oom _Vernooy_, die het haar deed genieten, vond het er te winderig en moest er den rug aan toekeeren, terwijl zij met een lachend gezicht den wind liet begaan, die de strikken van haar hoed deed plapperen tegen de luifel, en de tip van haar sjaal achter haar opdreef. Voor het overige liep zij met meer gerustheid achter de paarden in haar vaders stal, of onder de koeien op haar vaders weide, dan in het gedrang van eene Rotterdamsche straat, waar hooren en zien haar verging van de menigte van "óverrijwagens", die zij altijd meende dat het opzettelijk op hare teenen gemunt hadden. Meer dan akelig vond zij het, wanneer (als in de Kleine Draaisteeg geschiedde) de grond zich plotseling voor haar voeten opende, of smerige pakhuisknechts met rollende vaten haar gedurig noopten de toevlucht te nemen tot een of andere stoep, en als er van oogenblik tot oogenblik iets uit de lucht werd nedergelaten, dat _van onderen_ scheen genoemd te worden.
Haar oom en tante meenden het zeer wel met _Klaartjen_ en waren allerbeste, hartelijke menschen, die haar met veel nadruk te logeeren gevraagd hadden, bij gelegenheid dat zij hare ouders in den verleden zomer op een klein toertje naar Kleef een bezoek hadden gegeven; maar zij namen juist niet veel deel aan de vermaken der stad. _Klaartje_ had gehoord dat er te Rotterdam een schouwburg was, waar de Hollandsche en de Fransche acteurs uit Den Haag beurtelings het tooneel betraden, en niet minder dan drie concertzalen. Dien ten gevolge had zij zich voorgesteld dat deze établissementen machtig veel tot haar genoegen zouden bijdragen en haar op een gansch nieuwe wijze vermaken. Mijnheer _Vernooy_ was de goedhartigste koopman, die ooit op twee beenen liep, en zijne even goedhartige vrouw hoorde nooit een boos of onaangenaam woord uit zijn mond; hij was altijd even joviaal en opgeruimd, maar des avonds als hij zijn kantoor sloot, toog hij naar de sociëteit Amicitia en maakte daar zijn vast partijtje; daarop kwam hij met slaan van tienen thuis, en was dan weer even goedhartig en joviaal als toen hij uitging; maar van schouwburg of concert was intusschen niets ingekomen.
Deze teleurstellingen maakten evenwel de lieve _Clara_ niet neerslachtig. Zij bleef de haar eigene blijgeestigheid behouden, ofschoon zij nu en dan wel eens naar huis verlangde, al was het maar alleen om te weten of de duiven haar nog zouden kennen.
Nu zat zij in de vensterbank aan de donkere Hoogstraat, en dacht aan buiten, en keek dan weer eens naar de straat, en verwonderde zich over het aantal malen dat een lantarenvuller door de volksmenigte in het uitoefenen van zijn beroep werd gestoord. Het was omstreeks twaalf uren, en het koffiegoed stond op tafel.
Mevrouw _Vernooy_ kwam binnen. Zij was een dikke dame van een veertig jaar met een rozerood gezicht en eene belangrijke onderkin en die, als zij sprak, eene rij zeer groote witte tanden ontblootte. Zij droeg eene heele blonde toer onder hare muts, en was gekleed in eene schotschmerinossen japon met aanmerkelijke ruiten. Stilzwijgend zette zij haar sleutelmandje op tafel neer, en begon koffie te zetten.
"Nu, _Klaartje_," zeide zij, terwijl zij water opgoot, "er is goed nieuws. We hebben een prettig vooruitzicht tegen overmorgen."
"Tegen overmorgen, tante?" zei _Klaartje_, het schelkoord op de vensterbank neerwerpende en een vroolijk gezicht toonende.
"Ja," antwoordde mevrouw _Vernooy_; "raad eens wat?"
"We gaan naar de comedie."
"Neen kind! er _is_ vrijdag geen comedie."
"Naar het concert?"
"Mis, mis!" zei tante, en bang dat er nog meer vermakelijkheden van die soort in de weelderige verbeelding van haar nichtjen op zouden komen, voegde zij er bij: "we gaan uit dineeren."
"Uit dineeren," hernam _Klaartje_, een weinig ternedergeslagen; "en bij wie?"
"Ja, dat is het punt! bij wie?"
"Dat kan ik onmogelijk raden."
"Nu, ik zal 't je dan maar zeggen: bij de familie _Witse_. _Gerrit_ is overgekomen... Nu, _Klaartje_, bloos maar zoo niet."
"Lieve tante, ik bloos in het geheel niet," zei _Klaartje_, opstaande en in den spiegel kijkende, "ik heb immers den man nooit in mijn leven gezien!"
"Dat's goed; maar je hebt genoeg van hem gehoord," hernam tante met een lachje; "en hij interesseert je _wel_."
_Klaartje_ liet tante praten, en nam haar schelkoord weer op.
Inderdaad, het was alles behalve eene onwaarheid dat de lieve meid genoeg van den jongen _Witse_ vernomen had. Mevrouw _Vernooy_ was eene goede vrouw, ik geloof dit reeds te hebben opgemerkt; maar die juist niet gebukt ging onder overmaat van verstand. Zij had volstrekt geen kinderen, schoon haar welvarend voorkomen de spotternij had uitgelokt dat zij er wel gehad, maar ze even als _Saturnus_, heidenscher gedachtenisse, opgegeten had; en daar ze twee meiden hield, die nog daarenboven door een naaister, een werkster, en een oppasser ondersteund werden, was haar leven vrij gemakkelijk, liever nog: zij had niets te doen. Van lectuur hield zij juist niet bijzonder veel, behalve als zij ziek was, iets dat haar zelden gebeurde, en daar zij zich toch gaarne ergens mee vermaakte, had zij er hare zinnen op gezet te bestudeeren, welke menschen te Rotterdam en elders alzoo geschikt waren om tezamen in het huwelijk te treden. Veelal leidden deze berekeningen tot geen degelijk resultaat; maar nu een mooi nichtje te logeeren hebbende, kon ze niet nalaten haren in dit opzicht zoo speculatieven geest met deze bezig te houden, met het vaste voornemen de slotsom harer overdenkingen, indien mogelijk, te verwezenlijken. Na lang rondzoeken, reeds voordat _Klaartje_ gekomen was, en na haar in gedachten meer dan tienmaal telkens met een anderen bruidegom voor het altaar te hebben gebracht, was zij eindelijk stil blijven staan bij het denkbeeld dat de jonge student _Witse_ een geschikte partij voor haar nichtje zou zijn. Deze was een jaar of vijf ouder dan zij; zijne ouders bezaten een redelijk vermogen, en behoorden daarenboven tot hare beste vrienden, waartoe hoofdzakelijk medewerkte dat er niemand in de gansche Erasmiaansche stad gevonden werd, die geduldiger en liefderijker de lofredenen op den knappen zoon aanhoorde dan de heer en mevrouw _Vernooy_. Toen zij dit huwelijk alzoo bij haarzelve had vastgesteld, kon zij zich onmogelijk in de toekomst eenig geluk voor _Klaartje_ denken tenzij het werkelijk, eerst voor den burgerlijken stand voltrokken, en vervolgens door haar lievelingsprediker ingezegend was, en begon het ook langzamerhand tot de artikelen van HEd. geloof te behooren dat het in den hemel aldus was besloten. Zij twijfelde er dan ook geen oogenblik aan of _Gerrit_ zou tijdens het verblijf van _Klaartje_ wel eens overkomen en pijnigde zich met te willen uitspeuren hoe deze overkomst desnoods door te drijven zoude zijn. Ongedachtig aan de woorden van haar grooten tijdgenoot _Napoleon Buonaparte_ (van wien zij, in 't voorbijgaan gezegd, nog niet volkomen geloofde dat hij volkomen dood was), dat niets de harten zoo zeer bekoelt als de vurige geestdrift van anderen, was zij begonnen om dagelijks op zeer ongepaste oogenblikken, uit een open reden, den roem van den jongeling uit te meten, en gebruikte daartoe alle de lofredenen, die zij uit den mond van mijnheer en mevrouw _Witse_ had opgevangen; en daar deze met verwonderlijke eenstemmigheid op het punt van _Gerrits_ knapheid nederkwamen en inhielden hoe werkzaam _Gerrit_ was, en hoe verstandig _Gerrit_ zich te Leiden onder de jongelui gedroeg, en hoe gezien _Gerrit_ bij zijn professoren was, en hoe _Gerrit_ in alle wetenschappen thuis was, kreeg de blijhartige _Clara_ natuurlijk geen ander denkbeeld van den bewierookten jongeling dan dat van een ondragelijken pedant, een soort van wezen, 't welk in hare oogen wel het alleronuitstaanbaarste aller creaturen mocht geacht worden; weshalve zij zich wel gewacht had naar het uiterlijk van dezen onmensch te vragen, bij zichzelve vaststellende dat het niet anders kon of hij moest sprekend op den bleeken ondermeester van het dorp in haars vaders nabuurschap gelijken. Mevrouw _Witse_ had de dwaasheid gehad, zonder _Gerrits_ weten, daar hij zelfs niet vermoedde dat zijn goede mama dergelijke prullen bewaard had, afschriften te verspreiden van een paar versjes, die _Gerrit_ op zijn twaalfde jaar gemaakt had en die natuurlijk middelmatig waren, maar zooals verzen van kinderen meestal, in zulk een hoog ernstigen toon geschreven en zoo vol van dood en eeuwigheid, dat _Klaartje_, aan wie zij getoond waren, er in haar hart vreeselijk om gelachen had. Het vooruitzicht derhalve van met dezen wonderman aan ééne tafel te zullen zitten, wond haar volstrekt niet tot dien graad van opgetogenheid op, waar hare tante op gerekend had.
"Het zal zeker een heel feest zijn," ging deze waardige dame voort, om _Klaartje_ tot grooter verrukking te nopen; "_Gerrit_ is gepromoveerd."
"Hola, hola, vrouwlief!" viel de heer _Vernooy_ in, die juist binnentrad: "zoo ver is 't nog niet."
"Ja wel!" zei mevrouw _Vernooy_, die voor iedere afdinging bang was. "Ja wel, schatlief; hij is gepromoveerd."
"Waarlijk niet," antwoordde haar man, zich in zijn armstoel vlijende, "maar hij heeft een examen gedaan. Een heel groot examen. _Witse_ heeft me verteld dat het twee dagen geduurd heeft;--maar hoe het examen heette, dat ben ik vergeten. Zooveel is zeker: den eenen dag heeft hij een heel lijk ontleed, en den anderen dag heeft hij ... enfin! heeft hij weer wat anders gedaan, maar alles even knap."
"Ba," zei _Klaartje_; "een lijk."
"Hij heeft zeker de hoogste?" vroeg mevrouw _Vernooy_.
"De hoogste wat?" vroeg haar man.
"De hoogste ... och, hoe hiet het ook weer? Ik meen het hoogste, weetje, het allerhoogste; zoo veel als, zal ik maar zeggen, zooveel als primus op 't Latijnsche school. Hij was alle jaren primus. Weetje wat primus is, _Klaar_?"
"Neen, tante!" zei _Klaartje_, die het zeer wel wist, maar met een allereenvoudigst gezicht.
"Primus is," antwoordde tante op goelijken, onderwijzenden toon, "als men de hoogste is van zijn klasse, maar dan op 't Latijnsche school, weetje. Dan is er prijsuitdeeling in de Fransche kerk, en dan doen al de primussen gratiassen. Weetje wat een gratias is?"
"Neen, tantelief."
"Heden, weetje niet wat een gratias is?" vroegen mevrouw _Vernooy_ en haar echtgenoot tegelijk.
"Waarlijk niet."