Chapter 27
"Nou kaik, je bent best onderricht ook, hoor! En ze had 'er zinnen wel op 'em steld ook, zei ik maar zeggen; maar ik en 't waif hadden gien erge zinnighaid in de borst, en deerom is er dan ook niet van komme; want _Hil_ is 'en erg best maidje, kaik, dat lijkt erniet nee; 't is me stiefdochter, mær of was 't men aigen, 't kon niet beter zain; en de miester zait dat hai er nooit zoo ientje zien hadde, en zoo erg gnap, zei ik nou mær zeggen, in 't gien deer hai der inleerd het; en et waif zait dat _Hil Zoo_ erg best is voor skrobben en skuren en keezen, en zoo hielkendal gnap in 't werk, dat 'n best waif zoudie er an had hebbe. Maar jæ, 'k miende den nou, zel ik mær zegge, dat ze zoo'n best maidje is, om reden dat ze 't zoo in iene hielkendal uit 'er hoofd 'zet hadde. 'k Zaide: _Hil_! zaid' ik, das nou iens veur de fiedel met _Hain_, mær je weete, dat 'et veur 't lest is ook. Nou, ik zag ze wel, dat ze erg zuinig keek; mær ik dæn of ik 't niet bespeurde; en 't ierst dat ie weer weter veur der dreege, zag ik dat zem gnap op zai douwde, en 't leek wel dat ze zaide: Vær wil hielkendal niet van je ofweete. Mær zoo as dat geet, meheer; 't laikt wel, zei ik mær zeggen, of je niet van mekær of kenne, as je't iens op mekær begrepen hebbe; 't was met main en _Geesie_, dat nou de vrouw van _Tak_ is, krek al ien, in me jonge taid, meer ik was er vær veul te skræl van skaiven, en nou heb ik an _Marijtje_ 'en erg best waif. Nou, mær ik zagge den wel, dat 'et met _Hil_ en _Hain_ niet goed of zou komme, en ik zaide teugen 't waif: Waif, zaide ik, je kent 'et nog wel rais anzien, mær as 't nee _main_ zin geet, dan mot de borst weg. Mær de vrouw miende dat ie zoo erg best in 't werk was, en dat we hem niet allienig wegzende mogge omdat ie rooms kattelijks is, want dominé hadde zaid dat we drægzæm met de roomse wezen motte, en 'et waif het bij de miester weund, en die weet 'et den erg best, en die zaide ook zoo. Mær ik zeg: nou _Marijtje_, de borst _mot_ weg, zeg ik; of je nou hoog of leeg danse, de borst mot _nag_ weg; want ik bin allan baas bleven in 'et huis, en dat weet 'et waif ook wel; en deerom, toen ik allan zaide: de borst _mot_ weg, zaide 't waif: wel nou, leet ie geen, as jai denke dat 't veur _Hil_ der best is; en zoo is ie 'geen ook."
"En wat zei _Hil_ er wel van?" vraagde de landheer, die als hij uw laatste romans gelezen heeft, o heeren uit de stad! denken moet dat het meisje ten minste eenige teringen gezet heeft.
"Wèl nou, deer wil ik den ook wel leuven dat je _Hil_ voor wezen mot om zoo te doen as zai dæn. Ik speurde in de beginne wel dat 'et er niet an en stond, mær ik zaide: _Hil_, zaide ik teugen der, nou, leg niet te knaizen ook, maidje, want de borst _is_ ienmæl weg, en hai _blaift_ weg. En kaik, ze is weer an 't keezen 'geen, en op melkerstaid onder de koeien, krek of niks beurd wazze!"
En de houten klink wordt opgelicht, en de heldin der historie verschijnt, het helder voorhoofd met het schoone mopje beplooid, het gele jakjen aan, een hengelmand onder den arm, en vroolijkheid en schalkheid in de blauwe oogen; en de landheer geeft haar een vriendelijk kneepjen in de wang, en zegt:
"Zoo _Hil_, ik zei daar net tegen je vader, dat je zoo'n knappe meid wordt en dat het me verwondert dat je nog niet aan 't vrijen bent."
"Vrijen meheer?" zeit _Hil_, "ik weet niet wat ik liever dee"! En ze huppelt haastig voorbij, en doet haar moeder bescheid op de boodschappen, en helpt den reizenden koopman in het opladen van zijn pak, en vraagt hem lachend of hij wel weer zou kunnen opstaan, als hij er mee voorover viel.
"Zou je me helpen, _Hil_," vraagt de koopman met een smeekend oog, "as je me zag leggen?"
"Deer zou ik rais over denken!" zegt de vroolijke Hil. "Dag _Doris_! Wel thuis, meet! Val mær niet, hoor! En _as_ je valt, _Doris_! al is 't ook nog zoo leet in den evend ...."
"Nou; wat dan?" vraagt de koopman met een sentimenteelen lach.
"Kom den hier, hoor; den zei 'k je ophelpen. Dag DORISbuur!"
De maand Maart is in 't land, met hare gehate afwisseling van sneeuw, storm, en regen. De geheele stad hoest en proest en vraagt met verontwaardiging hoe zij aan den onverdienden naam van lentemaand komt. De buitenman vraagt het niet, want voor hem is zij rijk aan bemoedigende verschijnselen, aan bewijzen van nieuw leven en nieuwe kracht der natuur. Als hij in de heldere dagen of op de heldere uren van den dag, zijn esschen stok opneemt en rondwandelt, ziet hij alom de braakakkers vervuld met deftige schapen en vroolijke lammeren, die op de stoppels grazen; ziet hij den ploeg drijven door de stoppels van andere, die dit jaar hun vrucht zullen moeten opbrengen. In zijn vijvers zijn de eenden gekomen, die een nest zullen bouwen onder de lage takken van den sparreboom aan den oever; de hazelaars bloeien; zijn moestuin wordt sedert vrouwendag in orde gebracht, en weldra zullen zijn doperwten worden gelegd; nog een veertien dagen, en de stier begint rond te gaan, en de merels zingen luide en heerlijk in zijn nog dor hout. Eer de maand ten einde loopt, zijn hem de eerste kievits-eieren gebracht en is zijn bloemkool reeds gepoot; en nauwelijks is de wispelturige April daar, of de ooievaar laat zijn lange pooten op zijn dak nederkomen; zijne perziken beginnen te bloeien; zijn violenbed is blauw; zijne kuikens komen uit; een lichtgroen waas spreidt zich over zijne boomen, en de donkergroene garst schiet op zijne akkers op; de bloesem der wilde kastanje meldt zich reeds in den knop; en den 18_den_ of uiterlijk den 19_den_, verkondigt de blijde nachtegaal met een helder georgel en een schellen slag dat hij daar is om het lied der lente te zingen. Iederen morgen hoort hij aan zijn ontbijt nieuwe berichten van boomen, die reeds geheel groen zijn, en op iedere wandeling ontmoet hij nieuwe bloemen. In den tuin vertoont zich reeds de groene hoop des zomers boven de aarde; de wilde tortels en blauwe duiven vliegen af en aan door het geboomte, met dwarse takjes in de roode bekken; de zwaluw scheert over het water en vliegt een stal binnen, om zijn nest op te hangen boven de ruif; het jonge vee loeit reeds in de weide, en de melkkoeien zullen met den eersten Mei kunnen worden uitgezet.... En des zondags zijn de wegen vervuld met wandelaars uit de stad, die al die schoone wonderen komen bezien, en waaronder zich een enkele vertoont, die reeds een witte zomerbroek heeft aangetrokken, in de zalige overtuiging dat hij een rechte primula veris is.
GERRIT WITSE.
Studentenangst.
De goede stad Leiden heeft binnen den omtrek van hare deels nog staande, deels tot wandelingen geslechte wallen, twee territoriale schoonheden, die men niet genoeg roemen kan, te weten de Breestraat, welke naar uitwijzen van oude oorkonden en van de adressen van brieven van alle tijden, vroeger Breedestraat moet geheeten hebben, en het Rapenburg, door de ramp van 't jaar Zeven zoo befaamd, "leggende", volgens _Orlers_, "langs eene breede straete, een schoon breed water, met hooge ende groote schoone lindeboomen ter wederzijden beplant ende besettet, onder denwelcken het in den zomer seer vermaeckelijcken te wandelen is". Dit Rapenburg is aan beide zijden zeer net betimmerd, en men vindt er schoone huizen, die het vermogen en den kolossalen smaak onzer vaderen eer aandoen. Deze omstandigheid neemt echter niet weg dat er eenige zeer leelijke en zeer mismaakte gebouwen worden opgemerkt; onder welke vooral uitmunten 's rijks Museum voor natuurlijke historie, de academische Bibliotheek en de Hoogeschool zelve; want het lands- en stadsbestuur schijnen edelmoediglijk te hebben besloten, de verfraaiing en opsiering der stad voortaan aan den smaak der respectieve inwoners over te laten, evenals het gouvernement de belooning der menschenredders aan de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen. Het laatstgenoemde gebouw, staande en gelegen op den hoek der Nonnensteeg, levert de niet onaardige vertooning op van een oud klooster met moderne vensters, door een nieuwmodische barrière afgesloten, en op welks dak zich eene mede niet onaardige verzameling van duivenhokken en peperbossen vertoont, die den hoogdravenden naam van toren en observatorium dragen. Inderdaad wekt het bovenste gedeelte van het gebouw eene fiere gedachte aan den voortgang van kunsten en wetenschappen en aan de oneindige vorderingen van den menschelijken geest op, terwijl de dikke muren en gewelven daaronder de kuische nagedachtenis der Witte Nonnen in zegening houden. Welk een in 't oogvallende omkeering bracht de loop der tijden hier te weeg! Te zelfder plaatse waar de schuchtere nieuwelingen, bedeesd en op twee gedachten hinkende, voor het altaar traden, voor hetwelk zij eenmaal met een blijmoedig en kalm hart de wereld en hare begeerlijkheden moesten vaarwel zeggen, zouden in latere tijden de rampzalige _groenen_, in vertwijfeling aan alle aardsche grootheid, nederzitten; waar de eerbare rij der gesluierden, van hare stiftsmevrouw voorgegaan, den plechtigen koorzang aanhief, zou later eene zwartgetabberde rij de zitplaatsen bezetten en een gedegend doctorandus, _ex auctoritate rectoris magnifici_, tegen de gansche wereld de stoute stelling volhouden dat artikel honderd en zooveel van het wetboek volstrekt niet in strijd is met artikel honderd en zooveel, of wel, dat men onbillijk is indien men alle kinderkwalen zonder onderscheid aan de gevaarlijke liefhebberij van tandenkrijgen toeschrijft, of anders, dat een ooggetuige beter de historie schrijven kan dan iemand die bij "hooren zeggen" leeft, en somtijds ook wel, dat men Hebreeuwsch moet kennen om de hebraïsmen in het Nieuwe Testament te kunnen opsporen en beoordeelen. Lang zoude ik deze tegenoverstelling van het Eertijds en Thans nog kunnen volhouden, indien ik niet te vreezen had voor onnauwkeurigheden, die Leidens vele oudheidkundigen mij nimmer vergeven zouden. In het kort: al wat men vroeger hier gezien en gehoord heeft is veranderd en vernieuwd, behalve het Latijn, dat veeleer verouderd is en, tot den echten toon van _Cicero_ teruggebracht, zijne classiekste vormen met wonderbare smijdigheid leenen blijft, en zal blijven leenen tot in het laatste der dagen, aan iedere wetenschap der wereld, hetzij de Romeinen daar eenig begrip van hebben gehad ofte niet.
Als men het ijzeren hek dóór en het plein óver gaat, dat naast het eerwaardig gebouw een uitgebreidheid van tien passen beslaat, treedt men, door een hooge poort, welker posten met vele convocatiebriefjes beplakt zijn, een breede gang binnen, waar men op het stille uur (het tweede na den middag) waarop deze geschiedenis aanvangt, niemand tegenkomt; stijgt men dan aan het einde een ruime steenen wenteltrap op, en gaat men, boven gekomen, linksom en rechtuit, zoo komt men aan eene verhevenheid van twee trappen, en ook deze beklommen hebbende en de deur openende, die men vlak voor zich ziet, zoo bevindt men zich in een klein vertrek met witte muren en een houten vloer, waarin men een tafel, een paar stoelen, met en benevens een verroeste kachel en toebehooren gewaarwordt.
Dit weinig gezellig vertrek draagt den ondichterlijken naam van het _zweetkamertje_; en zeker niet ten onrechte. Hier toch is een soort van vagevuur, waarin elk, die de zaligheid van een examen of promotie wenscht te smaken, een poostijd verblijven moet, alvorens hij tot het genot dier hemelvreugd wordt toegelaten. Belangrijke plek gronds! In dit kleine kamertje, o mijne lezers! hebben alle groote mannen, die aan de Leidsche academie zich ooit door stalen vlijt en onafgebroken arbeidzaamheid den doctorshoed verworven hebben, om naderhand de wereld met hunne _doctrinae praestantia_ te verbazen en te verrukken; in dit kamertje hebben zij allen, _incredibile dictu_, zich eenige oogenblikken _klein_ gevoeld. Ja, daar heeft de kloeke verdediger uwer rechten, die nu, zonder blikken of blozen uw partij met volzin op volzin van louter kracht ter aarde werpt, een oogenblik het hart in de keel voelen kloppen, op het denkbeeld dat professor die of die het hem niet vergeven had dat hij zoo slecht college had gehouden, en zich wreken zou door strikvragen. Daar heeft die arts, die nu zoo stoutmoedig doortast in uwe maag en ingewanden, menig droppel zweets gelaten, als hij bedacht dat zijne professoren zoo veel meer wisten dan hijzelf. Daar heeft die dikke rector, aan wien uw oudste zoon niet dan sidderend zijn thema vol heele en halve fouten overgeeft, eenmaal zelf gebeefd, uit vrees dat men een anderen dialoog van _Plato_ op zou slaan dan dien waar hij het best in thuis was. En daar heeft ook _Hildebrand_, uw onderdanige dienaar, een koude rilling over zijn rug voelen loopen, als zijne verbeelding speelde op al wat gevraagd zou _kunnen_ worden!
Het eigenaardige van dit vertrek is dat de patiënt het binnentreedt met een witte das, een wit gezicht, en een zwart pak kleederen, en gevolgd wordt van eenige vrienden in négligé, met cloaks, rottingen, petten en honden. De patiënt gaat op de tafel zitten, en de vrienden loopen heen en weer. De patiënt fluistert, en de vrienden spreken luid. De patiënt beweert dat hij er in zit, en de vrienden beweren dat hij gek is. De patiënt verlangt naar het oogenblik om binnen te komen, maar hij geeft voor, dat hij hoopt nog lang buiten te blijven. De vrienden wedden dat hij den eersten graad zal krijgen, en hij wedt dat de tweede zijn deel zal zijn. De patiënt heeft op dat oogenblik een onbepaald respect voor iedereen die den titel van hooggeleerde voert en beschouwt de faculteit als een "raad van louter goden"; de vrienden beweren dat het gewone menschen zijn. De patiënt houdt het er wel degelijk voor, dat zij van het crimineele beginsel uitgaan om de academische graden aan geen onwaardigen te verkwisten; en de vrienden beweren, dat zij alleen in de wereld gekomen zijn om een jong mensch er door te sleepen. De patiënt herinnert zich heimelijk allerlei spookgeschiedenissen van ongelukkigen, die door hunne verlegenheid of door rancune van examinatoren zijn gedropen; en de vrienden halen alle mogelijke anekdoten op van sluwe vossen, die hunne examinatoren een rad voor de oogen gedraaid hebben of een aardigheid gezegd bij het krijgen van simpliciter. In 't kort: de patiënt doet hier alle mogelijke kennis op, die hem, als hij morgen of overmorgen of over een maand een ander patiënt in de bange ure bij moet staan, zal te pas komen; en de vrienden debiteeren alles wat zij totaal vergeten zullen hebben, telken reize als ook zij op hunne beurt in 't geval komen van in het zweetkamertje de ootmoedigste oogenblikken huns levens te slijten.
De persoon nochtans, dien ik mijnen lezers wilde voorstellen, voldeed in zoo verre niet aan de formaliteiten, die in deze rampzaligste aller folterplaatsen gevorderd worden, dat hij die, verzeld van slechts een enkelen vertrouweling, binnentrad. Hij had de zeldzame kracht bezeten niemand buiten dien vertrouweling deelgenoot van zijn examen-geheim te maken, den pedel verzocht het verraderlijke briefje _ad valvas academicas_ niet aan te plakken, en degenen die er achter gekomen waren dat hij gisteren zijne demonstratie (hij was medicus) had gedaan, omtrent het uur van het examen misleid.
Het was een jongeling van een niet ongunstig uiterlijk, ofschoon men volstrekt niet zeggen konde dat hij schoon was, en de witte das en gedrukte stemming, waarin de omstandigheid waar hij in verkeerde hem bracht, konden niet gezegd worden hem te flatteeren. Hij was van eene gewone grootte, maar de vriend, dien hij medebracht, kon geacht worden klein te zijn; een nadeel, hetwelk hem niet belette er op dit ogenblik vrij wat aannemelijker uit te zien dan de examinandus. Zijne bruine oogen hadden een schalken blik, en zijn vroolijk gezicht en de vlugheid zijner bewegingen staken wonderlijk af bij den bedrukten ernst van hem, die in dit droevig kamertje gekomen was om zich op de zenuwschokkende examenschel voor te bereiden.
De examinandus zette zich naar het oud en wettig gebruik op de tafel neder, en keek op zijn horloge. De deur stond wijd open, en hij genoot een onbelemmerd uitzicht op de kamer der facultas medica.
"Vier minuten over tweeën. Toch nog te vroeg," zeide hij mistroostig.
"Wis en zeker te vroeg," zei de kleine, "maar je hebt mijn raad ook niet gevolgd."
"En wat was je raad dan?" vroeg de ander verstrooid, en naar de trap ziende; want hij hoorde daar eenige beweging op, en was nieuwsgierig of het prof. _Sandifort_ dan wel prof. _Macquelin_ zou zijn, die het eerst verscheen.
"Mijn raad? Lieve hemel! dat je op je bed hadt moeten blijven tot één ure, en geen enkel boek meer inzien."
"Neen, dat's ook maar gekheid," zei de ander, die op dit punt gedecideerd scheen te zijn; zeker ten gevolge van de ondervinding van dezen huidigen dag, daar hij met radeloozen angst nu dit, dan dat dictaat had opgeslagen, van het eene boek de inleiding nog eens had doorgelezen, en van het andere het register nog eens had bestudeerd.
"Vervolgens hadje moeten ontbijten; op je gemak, weetje?" ging de kleine voort.
"En een glas madera drinken?" vroeg de grootere.
"Neen, jongen, dat weet ik niet; je mocht reis aan het doorslaan raken," antwoordde de kleine.
"Doorslaan is goed," zei die van de pijnbank.
"Ja, dat kan er naar wezen," zei die van den vloer. "Je moet altijd denken dat het Latijn is."
"Dat 's één geluk!" sprak die van de witte das; "ik wou niet dat het Hollandsch wezen moest; een stommigheid in 't Hollandsch is zoo dubbel stom."
"Dat is waar," hernam die van den zwarten strop, "maar je dient primo Latijn te kennen; en ik voor mij, heb me meer op me moedertaal toegeleid, weetje. Maar jij hebt nog al een aardig Cicero'tje in je mond zitten, dat's zeker! Maar wat ik zeggen wou: je hadt je niet moeten aankleeden vóór tweeën."
"Maar hebje _Macquelin_ al," zei de lijder.
"Je wou wel dat _Broers_ een operatie te doen had," zei de ziekentrooster.
"Mijnheer _Broers_ is al lang binnen," zei de pedel, en die brave kwam met een kwitantie van de college-gelden.
"_Gerritje, Gerritje_, wat zit je der in," ging de getuige voort.
"Wel een beetje!" antwoordde de gedaagde.
"Neen, niet een beetje!" vervolgde de kwelgeest, "maar machtig veel, man! Maar als je _mij_ vraagt of je ooit bang genoeg wezen kunt, dan moet ik zeggen: neen, kerel! Want, weetje, je hebt toch maar slecht college gehouden; en dan, dat je reis gezeid hebt dat de osteologie zoo'n droog ding is! Denkje niet dat dat overgebracht is?"
Het slachtoffer deed een poging om te glimlachen, maar hij had geen genoegen.
"En daarenboven," ging Jean qui rit voort, "wat het ergste is: het is bekend genoeg dat je een stommeling bent."
"Je steekt er den gek mee," zei Jean qui pleure, "maar waarlijk, ik weet er minder van dan je denkt. Maar wacht reis; daar gaat de schel!"
Nog één oogenblik, en het slachtoffer sprong van de tafel, volgde den pedel, die hem de deur der medische faculteitskamer ontsloot, en trad met een bescheiden tred en lichte buiging voor zijne beulen; maar de tuchtknaap dribbelde met een luchtigen pas achter hem aan en zette zich op de harde bank der toehoorders, vrij wat meer op zijn gemak dan het slachtoffer op den gladden stoel der examinandi.
Drie kwartier daarna werd er weder gescheld, en de jongeling moest buitenstaan. Bedaard trad hij met zijn satelliet de kamer uit; maar zoo ras de pedel de deur achter hem sloot, sprong hij een voet hoog en drukte de hand zijns vriends in toomelooze opgewondenheid. Hij was een ander man; er was licht in zijn oogen en vroolijkheid om zijn mond.
"Hoe is 't geweest?" vroeg hij aan zijn vertrouweling.
"Minnetjes," zei de ander.
"Leelijkerd!" riep de geëxamineerde uit, hem in den arm knijpende.
"Ik verlies mijn fijne flesch!" hernam de toehoorder; "'t zal mooi wezen als je den tweeden graad haalt."
"'k Wou ik hem al had," zei de zwartrok, en opnieuw betrok zijn aangezicht.
Weer ging de schel. De pedel trad de kamer deftig binnen, en kwam de kamer deftig weer uit. De gedaagde ging zijn vonnis hooren.
"Maak je geen illusie!" fluisterde de vleier hem in.
Met een schijnbaar hoogst kalm gelaat wachtte de geëxamineerde de uitspraak af. De decanus sprak verscheidene Latijnsche volzinnen uit, maar hij hoorde ze zonder ze te verstaan; hij wachtte slechts op één woord; en dat woord kwam: _summâ cum laude_.
"Heb ik het niet gezegd?" zei de vriend, die gezegd had dat hij zich geen illusies maken moest, als zij samen de trap afstormden, met vrij wat meer geweld dan zij die waren opgestegen.
"Ik had er een heimelijke hoop op," zei de man, die een fijne flesch verwed had dat hij "den tweeden" zou hebben.
"Ik kan wel zien dat het goed afgeloopen is," zei de hospita, toen de candidaat thuis kwam en de trappen opvloog om zich te verkleeden en een brief aan zijn vader te schrijven. "Ik kan wel zien dat het goed afgeloopen is," zei ze tot den vriend, die beneden wachten bleef om vervolgens hem in triomf naar de sociëteit te voeren; "ik heb de heele week al gedocht, meheer mot zeker een examen doen!--En meheer heit toch vast simma cum laudis?"
"Ja, juffrouw!" zei de ander, "daar kon je wel zeker van zijn, ofschoon mijnheer er nooit heel gerust op was.
"Nou, niet waar?" zei de juffrouw, "'t Is een best heer, en knap ook; maar weetje wat 'et is? hij het geen forducie op zen zelvers; en as het dan teugen een examen loopt, dan kan die zoo melankerliek zijn; net als meneer _Possel_, die u zeker nog wel gekend het, dat kleintje, dat was óók zoo. Als dat een examen doen most: ik en me man, we hebben menigmaal teugen mekaar gezeid, hij kan wel in een oortjes doosie; hij _wist_ zijn dingen wel, daar niet van; maar de schrimpeljeuzigheid, weet u. Ik ben altijd maar blij als U bij meheer komt, want hij is anders zoo'n vroolijk mensch, net as meheer ook; maar in _die_ dagen is het dan onnoozel!"
De candidaat kwam beneden en werd door de hospita "wel gefiliciteerd". Daarop toog het tweetal naar de sociëteit, en ook daar regende het gelukwenschen, want de candidaat was algemeen bemind. Slechts werd zijn vreugde verbitterd door een paar jongelui, die ook van een candidaats zwanger gingen, en hem vermoeiden met informatien: hoe _die_ en hoe _die_ vroeg, en of _dat_ weten wilden, en _daar_ diep intraden: op alle welke vragen de candidaat niets anders antwoordde dan dat het hun mee zou vallen.