Camera Obscura

Chapter 26

Chapter 263,963 wordsPublic domain

Het is December; zijn hout moet gehakt, en hij gaat rond met zijn opzichter, om te zeggen welke opgaande boomen aan de beurt liggen en welk hakhout het kapjaar heeft bereikt. Ook is de jacht nog niet gesloten, en hij laadt "groote zes" op zijn geweer in plaats van "kleine", want het haas heeft, zoowel als gij, zijn winterpels aan, en als hij tot den donker toe de weitasch over den rechter- en den hagelzak over den linkerschouder gedragen heeft, en het overgehaald geweer in de hand, en een paar hazen en een paar houtsnippen voor zijn vrienden in de stad bovendien, dan eet hij als een wolf, en wèl zoo goed als gij, mijnheer, al gloeide uw kantoorkachel ook nog zoo, en al hebt gij u ook nog zoo geanimeerd op de beurs. Des avonds is hij veel te moe om zich te vervelen; hij maakt zich gemakkelijk met kamerjapon en pantoffels, en heeft het zeer druk over het haas, dat hij in "den looper" schoot en dat schreeuwde als een kind; het haas, dat hij vlak in de "kamer" schoot, en morsdood lag; en het haas, daar hij "de wol" heeft zien afstuiven, dat ook werkelijk over den "bol" buitelde, maar toen de beenen weer opnam, om hier of daar in een verborgen hoek te gaan liggen sterven; of wel, met het wagen van gissingen, waar dat haas mag zijn gaan "drukken", dat hij in de wijdte opgaan zag, en waar de snippen mogen zijn neergevallen, daar zijn geweer op geketst heeft. En zijn gezin en buren, om den haard vergaderd, hooren met belangstelling en welgevallen nog eens naar de oude jachtfeiten, van de drie hoenders met de twee loopen, en van de twee eenden in één schot!--Komen ook de boeren niet betalen en daarbij hunne huiselijke zaken openleggen? En komt de dominé niet om een partij te schaken? En schrijft gij zelf, daar binnen de muren, geen boeken genoeg voor hem? En krijgt hij niet tweemaal in de week een heel pak couranten, waarin hij tot zijn groote stichting leest van de bezoeken van koningen en prinsessen in de hoofdstad; van tabliers van diamanten en toiletten van goud; van acteurs die uitmunten in hun nieuwe rol; van groote, grootere, grootste, allergrootste, en extra allergrootste virtuozen; van stikvolle zalen, schitterende kapsels, en onvermengd kunstgenot; van plombeering van holle tanden, die hij niet noodig heeft, en "Source de vie, Levensbron" à f1,25 de doos, die hij nog beterkoop heeft op het land; met en benevens de harrewarrerijen over boeken-schrijven, waar hij zich niet aan bezondigt, vioolspelen, dat hij alleen tot zijn eigen genoegen doet, en de betuigingen van de redacteurs, dat het hunne gewoonte niet is datgene te doen, dat hij opmerkt dat zij juist in den geheelen stapel, dien hij vóór zich heeft, onophoudelijk gedaan hebben.

Hij heeft ook zijn feestdagen. Het zal bij voorbeeld Koppermaandag zijn; Koppermaandag, een dag, waarop de boekdrukkersgezellen bij u in de stad de deuren afloopen met eene fatsoenlijke bedelarij; laatste beroep op eene mildheid die reeds achtereenvolgens in de begeerigheid van diender, koster, stovenzetter, lantarenopsteker, brandblusscher, brandbezorger, torenwachter, knecht van 't Nut, en van wie niet al? heeft moeten voorzien. Wij kennen hier niemand in dat vak dan den boschwachter, die ons zijn groen almanakje komt aanbieden, en wien wij bij die gelegenheid de houtbrekers nog eens aanbevelen; want, om de waarheid te zeggen, deze, en de menigvuldige kraaien, zijn onze eenige winterrampen.--Maar ik wilde van Koppermaandag spreken. Dan hebben wij bij voorbeeld hier de groote houtveiling, een publieke feestelijkheid, oneindig vermakelijker dan eene groote parade, indien gij mij gelooven wilt.

Tegen tien uren, half elf, kom dan eens kijken! Dan komen al de boeren bij troepen door het bosch slungelen; een Kennemer boer heeft nooit eenige haast, tenzij op de Alkmaarsche kaasmarkt, als het er op aankomt eene goede plaats te "bedekken". Langzamerhand naderen zij allen, de een met de handen op den rug, en de ander met de handen in de zakken van 't wambuis, ter plaatse waar de parken nederliggen, en waar de opgaande boomen staan die, met een blutsje van de bijl en een nommer, ten doode zijn opgeschreven, en zoo onder de eersten als bij de laatsten wordt naar gading gezocht. Elk hunner verbergt zijn plan en drift om to koopen en zijne belangstelling om te zien onder het volmaaktste laconisme.

"Zoo _Jeepie_!" zeit de een; "mot jij ook een parrekie hebben?"

"Nou jæ, jongen! ik kom mær rais kaiken!"

"Nou"--de boeren beginnen bijna alle volzinnen met dit woord:--"Nou, der binnen zware parken genog bai; mær der is ook 'en partij die sluw [18] binnen, hoor."

"Jæ," zeit een derde, die plan heeft er verscheidene te koopen, "en eer je ze thuis hebbe!"

"Zoo, _Jan Spitter_, een paar nieuwe hutten [19] der op anëtrokken!" zegt een vierde tot den bezitter van dien naam, die zin in het eigen park eiken heeft, waar deze nota van neemt. "Nou, dat geet er op los hoorje! _Jan Spitter_, zel 't ons allemæl te kwæd maken."

"Erg mooi weertje," merkt een vijfde aan, die verrast wordt in het opkijken naar een boekoboom, daar hij het ophout van berekent. "Erg mooi weertje! mær der hangt nog veul wind an de lucht; ik mocht liever laien dat 'et wat droogde."

"Dat mocht ik net, broer," antwoordt een oud boertje, zijn pijp in de tondeldoos stekende en in een oogenblik de lucht met sterkriekende wolken benevelende.

"Daar bennen der nog zatter uit de stad ook, zie ik wel," merkt een armoedige boer aan, vreezende dat de steelui hem zullen overbluffen.

"Kaik hai met zen gepoeste laarsies," zegt een jong kerel met een bloedroode wollen das om, die het met gemelde steelui luchtiger opneemt. "Zoo bakkertje, je mot zeker weer een vaifie plokken?" [20]

De bakker zet een verlegen gezicht en neemt voor, zich te houden als of hij het niet gehoord heeft; maar bedenkt zich, haalt zijn tabaksdoos uit, steekt met een echte bakkersgulzigheid zijn aandeel er uit in de bleeke kaken, en antwoordt geestiglijk: "Motje _mijn_ hebben?"

Intusschen zit de eigenaar met de zonen van den huize bij den boschbaas om den haard, waar een boekeblok van de grootte van een osserib, van 't hout van verleden jaar, aanligt, afkomstig van een boom, die den boschbaas toevallig zoozeer is meegevallen, dat hij aan het ophout zijn geld waard was en hij den stam nog vrij had. Daar zitten dan ook de dorpssecretaris met zijn doornen stokje, groene wanten en grijzen kop, en de beambte uit de stad, ten wiens overstaan "de aanzienlijke partij hout zal verkocht worden". Een praatje, een kop koffie--daar gaat de bengel, en alles verzamelt zich bij nommer Een.

Nu worden de veilconditiën voorgelezen, met verschrikkelijke bedreigingen tegen degenen die niet contant, dat is binnen zes weken, betalen, de gaten niet behoorlijk dichten of bij het rooien honden in het bosch meebrengen; bedreigingen die, bij gebrek aan dwangmiddelen, de kracht hebben van vriendelijke verzoeken. Daarop vangt het gedrang en de drukte aan. Sommigen koopen in 't begin, omdat het "wel rais gaandeweg praiziger worden wil": anderen stellen het uit, in de hoop "dat het meeste volk zachies an of zel trekken" en de beste koopjes op 't laatst te doen zullen zijn. De secretaris doet zijn best om ten duurste te veilen, en de koopers om voor 't minste geld klaar te komen. Allerlei aardigheden worden over en weer gewisseld, en te meer naarmate de houthakkers lustiger met het vaatje rondgaan en de kleine stalletjes, die overal tusschen het gehakte hout zijn opgezet, meer te doen krijgen.

"Hadje nou je geld bewærd!" zegt de secretaris, met een ongeveinsde bewondering voor het perceel dat hij met het uiterste van zijn stokjen aanraakt, "jonges, jonges! wat 'en boomen! Dær kenje wel twee jær van stoken! Hoe veul voor dat parkie? Wie zet dat nou rais in voor twalef gulden? Al wou je maar zes geven? Niet allemaal te gelaik, kindertjes! Drie gulden; met je drieën wel," enz.

"Schai je der nou al uit?" heet het een oogenblik later uit den mond van denzelfden magistraat, tegen een boer die aan bod is en, zoodra hij hem aanspreekt, wegsluipt, uit vrees voor zijne bekende satire. "Schai je der nou al uit, _Jantje_? En dat voor een kerel, die _Jan Houtkooper_ hiet; 't is, jandoppie, skande."

"Nou, wie dut park koopt, die het et waif met de koekkraam en de flesch er op toe!" schertst hij alweder, als hij een perceel nadert, waarbij een vroolijke zoetelaarster, met een dikken schoudermantel om, hare handen zit te warmen aan de test, waar de boeren aan komen opsteken. "Deer geef ik zelvers zeuven gulden voor; zeuven en 'en kwart; en 'en half; en drie kwart; vol; eenmaal, andermaal: niemand meer as acht gulden? Voor dat knappe vrouwmensch? En 'en half;--zoo _Teunesie_, hebje niet genoeg an _ien_ vrouw, man?--Acht en 'en half; negen; eenmaal, andermaal; kan de brandewijn je niet verlaiën, maat? Nog 'en kwart; 'en half; negen en 'en half; eenmaal, andermaal, derdemaal--geluk er mee! Da's een koopie, maat. Hoe hiet jij?"

"_Jan van Schoten_."

"Zoo; hiet jij _Jan van Schoten_? Heb je dan te Schoten geen hout, maat?" En zich tot den boschbaas wendende: "'t Is hier 'edaan, baas! Weer motten we nou heen? Na dat stuk teugen 't land van _Sijmen_, niet waar? Kom an, kindertjes! Jonges, jonges, wat zou _Sijmen_ zeggen as we deer reis met zoo'n hiele bende op de pannekoeken kwammen? Dan mocht het waif den hielen dag wel deurbakken. Kom an: maar weer van veuren of an! Nommer honderdëndertig; wie geeft deer nou rais honderdëndertig gulden veur? Honderdëndertig centen, dat zal der veur 't begin beter na rooien," enz.

"Twee an bod? Wie het ierst esproken?"

"_Ik_ heb ierst esproken!"

"Hoe hiet jij?"

"Ik hiet _Piet de Wit_."

"Best hoor; ik zel zwart skraiven."

Ziedaar aardigheden, voorzeker niet van de allerfijnste soort, en die zeer verre onderdoen voor alle mogelijke rondgaande stads-bonmots en calembourgs, maar die uit een gulle, vroolijke stemming voortkomen en, in die stemming, op het boereland zeer goed opgaan, en opgaan zullen zoo lang, om den nekrologischen stijl te gebruiken, "zoolang boerenaardigheden in Nederland op hare rechte waarde zullen worden geschat".

Onder dit alles roepen de mannen en vrouwen en kinderen, die met drank, moppen, en smakborden den trein, het geheele bosch door, volgen en overal hunne draagbare tenten nederslaan, uit alle macht en alsof op ieder der aanwezigen de zedelijke verplichting rustte iets bij hen te verteren: "Wie 't zen beurt is!" "Je hebt al lang naar een slokje verlangd, buur!" "_Arie, Arie_, wat is je keel droog!" "Aventuur je 't niet rais? Zes der boven en twee der onder!" "Hier is _Keesje_, hier is _Keesje_! Je het _niet_ te betalen; hij betaalt de koekebakker ook niet!" En allen wenschen voor de zesenzeventigste maal "handgift" te ontvangen. En de kleine boerejongens dringen, met de kinderen van den dominé en van den chirurgijn en van het "groote huis", door de menigte in alle richtingen heen, om let te spelen of schuilevinkje achter de parken; of springen als jeugdige acrobaten van de eene stomp op de andere; of laten zich van den eigenaar van 't bosch op een schellingskoek tracteeren, daar hij hen, voor zijn rekening, zoolang naar heeft laten gooien, tot hij hem op niet meer dan een gulden te staan komt.

Bij den laatsten koop begint er al wat reuring te komen, en bij het laatste nommer--laat het een mager boompje wezen, dood in den top--wordt een vijfje opgestoken; en een manneken uit de stad, dat te opgewonden is om te cijferen, blijft er tot algemeene vreugd aan hangen. En de pret is uit, behalve voor den boschbaas en voor de magistraten, die bij de veiling hebben geassisteerd en op een stuk gebraden rundvleesch met grauwe erwten onthaald worden.

Maar het is in 't laatst van Januari, en uw barbier hangt u telken morgen verschrikkelijker tafereelen op van de duimen dik, die het in de stadsgrachten gevroren heeft. Nu komt ook gij met een volksfeest voor den dag, en verheft de borst trotsch op uw ijsvermaak. "Uw ijsvermaak!" ik neem er mijn hoed voor af, schoon ik niet van ijs houde en er liever buiten blijf, omdat ik zoo dol op het levende water ben. Uw Amstelkermis, o Amstelaren! Uw Maaskermis, o Rotterdammeren! "bieden een treffend schouwspel aan"; uwe courantiers kunnen er niet genoeg van zeggen; als gij wandelt, rijdt, harddraaft, kolft, biljart, bittert, en zelfs stookt op het ijs, waar zich alle standen aan hetzelfde vermaak overgeven, de hooggeborene in zijn polonaise en de watervoerder in zijn schippersbuis; als een akkoord van 't vereenigd gekras van duizend hollandsche en engelsche en friesche schaatsijzers de lucht vervult, terwijl de narretuigen rinkelen, en de zoetelaars met brandewijn van "negentig graden!" die pogen te overschreeuwen; als al de pracht van met bont gevoerde en gezoomde douillettes, pelzen en sjaals door de heldere winterzon beschenen wordt, en eene weelderige maatschappij haar grootsten rijkdom tegen de soberste karigheid der natuur schijnt te willen over zetten. Maar denkt niet dat wij buiten ook geen ijsvermaak hebben! Pret hebben wij, degelijke pret; en ik wenschte wel dat gij die ook hadt.

Ik onderstel dat gij zelf bezitter zijt van een of ander landhuis nabij een klein dorp; daar zult gij ook een ijsvreugd zien en, indien gij van kinderen houdt, zal zij u verrukken. De volwassenen versmaden dezen geringen plas; maar hier hebben wij den kleinen dikken _Wulbert_ met de mooie oogen, die zijn schaatsjes loopt halen, zoodra hij hoort "dat de jonge heeren er op mogen", en zijn nog kleiner broertje meebrengt, dat voor het allereerst begint te scharrelen. Alras verzamelt zich uit alle woningen een aardig troepje van boertjes en boerinnetjes, die elkander alle bij den naam noemen en zeer familiaar zijn met de jonge heertjes en jonge juffrouwtjes van de Buitens, die hunne schaatsen binnenskamers hebben aangebonden met groot rumoer, en die met roode bouffantes en even roode wangen zich in den stoet komen mengen. Daar stijgt de vroolijkheid ten top en het kleine grut glijdt, scharrelt, en zwiert, en draait door elkander, en valt op een hoop, en poeiert elkaar met sneeuw; en de jongens zitten de meisjes op hunne schaatsen na, en kapen ze de losse hoedjes van 't hoofd, zonder dat ze daarom nog verkouden worden, en rijden er in triomf mee rond op de punt van hun ijshaakjes; en de slee gaat heen en weder met een heele vracht kleine meisjes er in, en met een heele bende kleine jongens er achter, en zwiert bij het omdraaien "zoo verschrikkelijk!" dat zij het allemaal uitgillen. En dan zult gij, de landheer zelf, lust hebben om den zoetelaar te spelen, en de vroolijke jeugd te verkwikken met koek en een schijntje van brandewijn met suiker; en dan gaat er een vreugdekreet op; en de boerekinderen hebben nog nooit zoo iets lekkers geproefd, en de arbeider, die de baan geveegd heeft, wordt ook niet vergeten, en glist af en aan, met zijn bezem over den schouder, en maakt gekheid met de kleine deugnieten, en krijgt onverziens een sneeuwbal aan zijn ooren dat ze tintelen; en dan raakt de deugniet, die den sneeuwbal gegooid heeft, van de been, en schuift een heel end ver over 't ijs voort, en daardoor heeft een andere deugniet, die al tweemaal op zijn neus gelegen heeft, onuitsprekelijk veel genoegen. En dan komt er een scheur in 't ijs, "van de sterkte!" zoodat het kleine ventje, dat voor 't eerst op een paar verroeste ijzertjes staat en, met zijne dikke armen in een nauw buisjen in de lucht roeiende, zich de illusie maakt vooruit te komen, stilletjes afbindt; maar de mannen van een twee- of driejarige ondervinding spreken van balken die er onder komen; en het is alles drukte en gejoegjag en geluk; en al de jongens en meisjes weten niets prettiger dan dat het hard vriest en er morgen weer een duim dik ijs ligt in het gat dat heden gehakt is, waarvan zij u des morgens de bewijzen komen vertoonen op uw bed. De donkerheid alleen maakt een einde aan de vreugd, waarin het middagmaal slechts een kleine pauze teweegbrengt. Maar laat het maar lichte maan zijn, dan komt er nog menigeentje weerom, en wel eens een grooter slag van rijders ook, waar de andere wateren des avonds te ver-af of te vol gevaars voor zijn; en zoo ge geen lust hebt om mee te doen, gij kunt het zien, daar gij voor den haard zit, die de gezichten uwer lieve gade en schoone dochters verlicht met de vlammen van steenkolen, die vooral dan helder zijn, als gij er een splijt met de punt van de pook; terwijl het vertrouwelijk schemeruur een macht van zoete herinneringen medebrengt, een overvloed van gezellige praatjes uitlokt. En wellicht brengen u de gesprekken uwer huisgenooten op het een of ander schoon gedicht of belangrijk boek, dat uwe kleine boekerij versiert; en des avonds, als alles stil is in en om het huis, leest gij er uwen kleinen kring uit voor, onder het genot van een glas warme punch of streelende kandeel, en denkt er niet aan, hoe in dat zelfde oogenblik, in een der gehoorzalen van de hoofdstad, een jeugdig slachtoffer van zijne eigenliefde en van den secretaris eener geleerde maatschappij, in een zwart pak kleeren en met een bleek gezicht, wordt _opgebracht_ door een statigen stoet van achtbare mannen, om tusschen zes waskaarsen en voor een aanzienlijke schaar van heeren met en zonder ridderorden en mooi gekleede dames (ik meen "geachte vrouwenschaar"), eene verhandeling te lezen die verveelt, of een dichtstuk dat al te akelig is, van een man die bij vergissing met zijn zuster trouwt, of van een juffer die zich dood treurt op een toren.

Wilt gij nog een andere tegenstelling? Ja, vergun er mij nog ééne; gij houdt misschien niet van tegenstellingen; maar laat ik u nog op deze ééne onthalen; zij zal treffend zijn. Maar nu verbeeld ik mij u weder als steeman, en gij woont in Amsterdam of te 's Gravenhage.

Het is in het laatst van Februari. In uwen kring, in uw cercle, in uw sociëteit, hoe wilt gij? misschien wel in uw huis, heeft zich, onder al de _over_sluieringen der étiquette en _ont_sluieringen der caquets, een droevig drama ontwikkeld. De schoone _Emmeline C._ was op alle de feesten van dezen winter "reine du bal". Zij werd gefêteerd; zij werd geadoreerd. Hare moeder was trotsch op haar; zij was trotsch op zichzehe. Op de soirée van mevrouw v. W. ontmoette haar de jonge _Van Staten_ en maakte "onbegrijpelijk veel werk van haar". Op het concert van--noem eenen onovertrefbaren uit de tienduizenden onzer dagen!--was het in het oog loopend hoe hij om haar heen fladderde. Op het bal ten uwen huize (waar men zich zoo allercharmantst geamuseerd heeft, lieve mevrouw!) en op al de casino's, week hij nauwelijks van hare zijde, was onbegrijpelijk "aux petits soins", en men heeft zijn oogen zien vonkelen als tijgeroogen als zij met een ander walste. Deze jonge _Van Staten_ had een zeer innemend uiterlijk, zeer goede uitzichten vóór zich, en een zeer respectabele familie achter zich; wat wonder zoo zij ten laatste, door een weinigje te boudeeren, weten wilde wat hij voorhad! Wat doet het monster op de laatste soirée, die hij met haar bijwoont? Hij ziet haar nauwelijks aan; met een stijve buiging vraagt hij haar ter nauwernood hoe zij vaart; als zij, op aller aandrang behalve de zijne, zich aan de piano zet en zingt, ziet zij hem, in den spiegel, die daarboven hangt, geabsorbeerd in een gesprek--met een andere schoone? Neen; met heeren, met een geleerde, met een diplomaat. En, een oogenblik later, neemt hij de kaart op voor eene bejaarde dame, die, daar een andere bejaarde dame en twee bejaarde heeren het haar in 't omberen te lastig maken, hem verzocht heeft haar eens af te lossen. Den geheelen avond geen woord, geen blik van hem voor de schoone _Emmeline_; en den anderen dag het gerucht door de stad, dat zijn engagement met de freule E. te X., dat reeds sedert dezen zomer gehangen moet hebben, er dóór is.--Het hart der arme _Emmeline_ is gebroken ... neen! vergiftigd. Van dezen oogenblik af is de gansche wereld haar geveinsdheid en mommerij, en het geheele mannengeslacht louter valschheid. Echter wil ook zij een mom dragen en evenzeer veinzen. Maar kan zij het weren dat al hare vriendinnen haar in hare bijeenkomsten beklagen, en dat zij, weken lang, onder den titel van "het meisje dat infaam behandeld is", de toevlucht wezen moet der kwijnende conversaties op fluweelen sofa's en der levendige tête-a-têtes bij marmeren schoorsteenmantels en in vertrouwelijke vensterbanken?

Maar nu zie ik mijn buitenman een bezoek brengen bij een zijner boeren, en met hem nederzitten bij diens namiddag-koffie-en-boterham, in gezelschap van een koopman die, met een hoog, langwerpig pak op den rug, op den boer reist, en in diepe stilte tegen zijn koffie blaast, terwijl de vrouw en de meiden zich bedenken of er ook wat noodig is. Maar de oudste dochter is naar de stad, en mijn buitenman, die gaarne over de jonge deernen praat, acht de gelegenheid geschikt om te vragen:

"Wel _Jantje_! heb ik het al, of heb ik het mis, dat je dochter trouwen in het hoofd heeft?"

"Nou, heerschop!" is zijn woordenrijk antwoord, "de lui willen zoo _veul_ zeggen; 't zou er kwed uitzien as we 't alles leuven wouwen; ik zel niet zeggen dat ze niet rais deur een borst is ansniejen; maar trouwen, zel ik mær zeggen: nien! dat laikt er niet nee."

"Heije je nou al bedocht, _Trijntje_?" vraagt de koopman.

"Nou jæ," zeit _Trijntje_: "geef me een kloentje zwart garen."

"En main, 'en stuk of vier heinsknoopies," zeit de vrouw.

"Ik had verleden najaar al gehoord dat ze met een vrijer te kermis geweest was," zegt mijn buitenman, die niets van dien aard gehoord heeft.

Maar de boer en de vrouw nemen bedenkelijke gezichten aan, die te kennen willen geven dat er te veel dak op 't huis is, en de landheer vindt het gepast zijn gesprek te veranderen.

"Hebje daar een potlammetje?" zegt hij, op een klein zwart dier wijzende, dat op de vuurplaat geknield ligt, naast een dikke kat, rood en zwart geplekt.

"Och jæ," zeit de vrouw; "we hebben twee lammetjes van dat ooi, ien witje en ien zwartje, dat dan dut is. Maar 't iene het ie zóó dat 'et 'eboren was likt en opgnapt, maar het zwartje het ie leggen leten; en ie wou 't niet leten zuigen ook, of we mosten hem vasthouen; en nou leten we 't dan mær zoo drinken uit 'n trekpotje. 't Is mær het akelekst dat het overal veuligheid doet."

"Jæ," herneemt de boer, "en mot meneer de kalven niet rais kaiken?" En mijnheer staat op en volgt hem naar het hok daar zij zich bevinden.

"Kaik hier; der zijn der drie; twee kuitjes en ien bulletje; dat iene kuitje is van daag 'ekomme. Leelijk haar, niet waar meheer!"

"Hij is al heel zwart."

"Hielkendal, meheer! Maar weetje wat _ik_ zeg? Je mot gien beest om zen haar verachten; ik denk dat 'et niet past, en dat je der gien zegen op hebbe kenne, zel ik mær zeggen. Je heb mense, die zijn er zoo keurig op, kaik! maar ik zeg dat 'et niet past; en ik zel dat zwarte kuitje anleggen, zoo goed as dat bonte. En weetje wat _ik_ denk? 't is nog beter as 'en hiele witte, want die worden dan skrikkelek van de vliege plaagd, en ze zam ook erg kouwelek; gunder steet er iene, die het een rond jær met 'et dek 'eloopen."

"Maar as 't nou eens een _rood_ kuitje was?"

"Jæ, _dan_ most 'et weg; die brandrooie mag ik niet," zegt de philozoische boer, die geen beest om zijn haar wil verachten, maar wien dit vooroordeel te machtig is. En plotseling het vroeger gesprek weder opnemende, gaat hij ten overstaan van de twee kuitjes en het eene bulletje, die hij beurtelings op zijn hand laat zabberen, voort: