Camera Obscura

Chapter 25

Chapter 253,534 wordsPublic domain

_Van huis, zondagavond._ _Surnumerair etc._

"Dat ziet op mij," zeide ik, het woord opnemende. "De heer _Van der Hoogen_ anticipeert op zijn vonnis; ik ben nu wel genoodzaakt te zeggen wat ik denk. De heer _Van der Hoogen_ heeft zich aan mij als een slecht voorwerp, een verachtelijk mensch doen kijken."

Ik deelde daarop zooveel omtrent de zaak mede als volstrekt noodig was, en verklaarde wat ik hem bij mijn bezoek van heden had opgelegd. "Gij ziet," zeide ik ten slotte, "dat hij zijn toevlucht tot onbeschaamdheid neemt."

"Daarom niet getreurd, onsterfelijke!" riep _Kegge_ uit. "Je hebt, dunkt me, royaal gehandeld. En nu, voort met den weledelgeboren heer _Van der Hoogen_! Ik ben een drilboor als zijn gele handschoentjes me ooit hebben aangestaan. En dan, dat hij altijd zijn mond vol had van groote hanzen!--Het zal _Henriette_ nogal spijten."

_Henriette_ antwoordde niet veel; maar mevrouw _Kegge_ sprak, met volmaakte miskenning van 't punt in geschil, de gewone toevlucht van onverstandige vrouwen:

"_Ik_ heb hem altoos een heel beleefd mensch gevonden. Hij heeft _mij_ nooit iets misdaan. _Ik_ kom er rond vooruit, dat het _mij_ spijt, dat hij niet meer komen zal."

"Allemaal gekheid!" hernam de heer _Kegge_. "Het eenigste is, dat er niemand is voor de muziek met _Henriette_. En _gij_ spreekt ook van heengaan, onsterfelijke!" voegde hij er bij, zich tot mij wendende; "dan zijn we weer geheel alleen. Ik heb graag een manskerel over den vloer, om mee te praten."

De heer _Kegge_ schoof zijn stoel voor den haard, institueerde eene langdurige poking, en bleef daarop in gedachten zitten. Op eens wendde hij zich tot zijn vrouw.

"Hoe oud zou _William_ nu al geweest zijn?" vroeg hij op wat zachter toon, dan waarop hij anders gewoon was zich te doen hooren.

"Eenëntwintig," antwoordde mevrouw _Kegge_.

Het oogenblik van treurig nadenken duurde niet lang voor den bewegelijken vader; maar wie zal zeggen, hoeveel smart dit enkele oogenblik in zich bevatte.

Een Groote Hans en Adellijke Heer. Besluit.

Maandag één ure, na den middag; indien men namelijk burgerlijk genoeg is het om twaalf uren middag te noemen; op dien dag en dat uur, stond ik op het bordes van het huis des heeren _Willem Adolf_ baron _Van Nagel_, lid van de ridderschap, en burgemeester van de stad, waarin al het bovengemelde moet zijn voorgevallen.

Het was een deftig huis, met een hardsteenen voorpui, waar de vader en de grootvader van den edelman insgelijks hun leven hadden gesleten, den roem nalatende, die meer was dan hun adelbrief, den roem van beminlijke menschen.

Een bedaagd bediende, in een stil en deftig livrei, opende de deur, liet mij in eene ruime zijkamer en vertrok niet eer om mij te gaan aandienen, dan nadat hij mij, geheel op de manier van een welopgevoed man, een stoel gereikt, en daarop naar het vuur gezien had.

De kamer had een eenigszins ouderwetsch, plechtig, maar toch comfortable voorkomen. Men zag aan alles, dat men bij iemand van goeden smaak was. Het behangsel was van rood trijpt, en desgelijks de canapé's en de stoelen. Op den grijsmarmeren schoorsteenmantel, waaronder, op een gepolijsten haard, een net gebouwd turfvuur brandde, stonden twee antieke vazen; en aan den wand hing, als eenige schilderij, het portret van een man, met den witten kraag en den met ruig bont omzoomden tabbaard der zestiende eeuw. Het gelaat was blozende, ofschoon het haar spierwit was, en in neus en mond was een sterke gelijkenis met den nog levenden erfgenaam van den eerlijken naam der _Nagels_ niet te miskennen. Er heerschte eene rustige waardigheid in de stoffeering van dit vertrek, die oogen en gemoed honderdmaal aangenamer aandeed dan de kleurige pracht bij de _Kegges_.

De heer _Van Nagel_ liet wel wat lang wachten, maar toen hij binnentrad was hij ook geheel gekleed. Hij heette mij terstond te gaan zitten, en vroeg met het welwillendst gelaat van de wereld, wie ik was en wat ik hem had mee te deelen. Ik maakte mij bekend.

"En betreft uw boodschap eene zaak, die volstrekt onder vier oogen moet behandeld worden?"

"Ik zou zeggen van neen," antwoordde ik.

"Wees dan zoo goed mij te volgen;" zeide de heer _Van Nagel_, die mijn naam misschien van de freule gehoord had, en vermoedde dat ik in het belang van de moederlooze _Suzette_ kwam.

Hij ging mij voor naar eene groote tuinkamer, wier ruimte evenwel in dit seizoen door een groot sineeschverlakt kamerschut was beperkt. Die kamer leverde alles op wat de ziel tot genoegelijke genieting van zichzelve stemmen kon. Er was eene aangename eenstemmigheid tusschen het lichte behangsel en de zware slepende damasten gordijnen, die allen tocht afweerden; tusschen de kleur van het breede vuurscherm bij den haard, en de kleur van het kleed over de tafel; tusschen alle deze dingen, en de beminnelijke uitdrukking van gelaat op het vrouweportret, dat boven de piano (zeldzaam voorrecht, op het rechte licht!) hong, en tusschen dat gelaat, en de edele en teffens zoo zachtaardige trekken van den baron en van de jonkvrouw _Van Nagel_.

Toen ik gezeten was, begon ik den eerbiedwaardigen edelman mijne zaak voor te stellen. Ik zeide hem dat ik mij tot hem wendde in het belang van een jong mensch, die eene ondergeschikte betrekking bij de stedelijke administratie had. Ik verhaalde hem hoe die jonge mensch door een samenloop van omstandigheden (bedelaarsstijl), gebrek aan gunstige vooruitzichten, en hoofdzakelijk ten gevolge van de listige bemoeiingen van een zijner superieuren, het voor hem noodlottig voornemen had opgevat om naar de West te gaan, en dat ik dat voornemen door tusschenkomst van zijn Ed. hoopte te verijdelen.

"Ziedaar het argument van uw boodschap," zeide hij glimlachende; "nu de expositie met naam en toenaam, als 't u belieft!"

Ik verhaalde hem, dat ik van zekeren _Reindert de Maete_ sprak.

"Een oppassende jongen!" merkte de heer _Van Nagel_ aan, zonder mij evenwel in de rede te vallen.

"Van zekeren _Reindert de Maete_," zeide ik, "wien men, en wel voornamelijk een zekere mijnheer _Bout_, die aan het hoofd schijnt te staan van het bureau, waarbij hij klerk is..." (de heer _Van Nagel_ zag zijne dochter veelbeteekenend aan) "de West-Indiën zoo schoon en voordeelig heeft weten af te schilderen, dat hij, vol ambitie, en gekweld door eenige teleurstellingen, het voornemen heeft opgevat er naar toe te gaan; ja, dat hier werkelijk al een begin van uitvoering had plaats gehad, daar de heer _Bout_ reeds voor hem, en met zijne toestemming, een engagement met zijnen (_Bouts_) broeder, die in Suriname eene plantage scheen te hebben, had aangegaan, die hem als eerlijk man verplichtte met de eerste gelegenheid te vertrekken...."

"En nu is uw verlangen," zei de heer _Van Nagel_ met voorkomende goedwilligheid, "dat ik den jongen _De Maete_ zijn ontslag weiger?"

"Hetzelfde!" antwoordde ik.

"Welnu!" zeide hij, "hij zal het niet hebben, mijnheer _Hildebrand_! Hij zal het niet hebben, _Constance_! "Wij laten onze kinderen niet weggaan op een aanbeveling van den heer _Bout_. Hebt gij ooit van een broer van den heer _Bout_ gehoord, die in de West zou zijn?"

"Nooit, papa!" antwoordde de freule.

"Welnu, mijnheer," hernam de baron, "wij kennen mijnheer _Bout_, en wij kennen den jongen _De Maete_. Wij zullen alles in orde brengen. Kent _gij_ de beide heeren?"

"Den heer _Bout_ zag ik een oogenblik. _De Maete_ heb ik nooit gezien."

"Zoo, zoo," antwoordde de heer _Van Nagel_; "nu, wees gerust. Ik zal de zaak onderzoeken. _De Maete_ zal niet naar de West-Indiën gaan. Eéne vraag, zoo het niet onbescheiden is: waarom beijvert gij u zoo zeer voor iemand, dien gij in 't geheel niet schijnt te kennen?"

Die vraag maakte mij verlegen, hoe vriendelijk de oogopslag ook mocht wezen, waarmede de baron op mijn antwoord wachtte.

"Mijnheer!" zeide ik, en ik geloof dat ik bloosde, "er is een dame in het spel; een jong meisje, dat belang stelt in den jongen _De Maete_, maar dat evenmin van den stap onderricht is, dien ik heden doe, als de jonge _De Maete_ zelf."

"Ik dacht het haast," zei de heer _Van Nagel_, glimlachende. "Nu, de zaak is er niet erger om, geloof ik."

Ik maakte eene beweging om heen te gaan.

"Wacht nog een oogenblik," zeide hij, en zou voortgegaan zijn, maar de knecht kwam binnen en diende den heer _Van der Hoogen_ aan. Onwillekeurig kwam de uitdrukking eener onaangename gewaarwording op het gelaat van vader en dochter beide, doch werd even spoedig onderdrukt.

"Zeg dat ik mijnheer nu niet zien kan; dat ik _en besogne_ ben."

"Mijn dochter," voer hij daarop tot mij voort, "heeft u gisteren, geloof ik, ergens ontmoet?"

"De freule was met mij in het huis eener treurende."

"Gij kent die juffrouw _Noiret_?"

"Ik heb haar een paar malen ontmoet, en ken haar uit de berichten van lieden uit den kring tot welken zij nu behoort."

"Zij maakt soms kleeren voor mijn dochter," ging de heer _Van Nagel_ voort, "en die is zeer over haar tevreden. Het is een bescheiden meisje, en zij heeft ondersteuning noodig. Weet gij iets meer van hare familie dan wij?"

Ik deelde hem alles mede wat ik wist, én voegde er bij, hoe _Suzette_ om haar allerliefst karakter algemeen bemind was bij degenen die het voorrecht hadden met haar omtegaan.

"Dat zei de dokter ook, niet waar, _Constance_?" antwoordde de beminnelijke man. "Ik dank u, mijnheer, voor de inlichtingen. Gij studeert te Leiden?" liet hij schielijk volgen, toen hij zag dat ik weder mine maakte van te vertrekken. "Blijf nog een oogenblik; ik heb u uitgehoord; nu moet ge niet ineens weggaan. Ik heb ook te Leiden mijn graad gekregen." En daarop begon hij eenige herinneringen uit zijn studententijd op te halen.

"Het is de aangenaamste tijd van 't leven, zegt men wel," zeide hij ten slotte, "maar zoo ondankbaar ben ik niet jegens mijn overleden vrouw en lieve dochter, dat ik dat toestem. En daarenboven, het doet nog meer goed zich in de wereld een Man te gevoelen, dan een Student. Ik hoop dat gij het ondervinden zult."

Na nog eenige algemeene gesprekken, waar ook de jonkvrouw deel aan nam, verliet ik deze woning, die mij als een verblijfplaats van zielsrust, verstand, en deugd was voorgekomen, vol dankbaarheid aan mijn gesternte, dat mij, in zoo weinige dagen onder zoo verscheidene daken, en met zoovele lieve en goede menschen in aanraking gebracht had, om mij in de overtuiging te versterken, dat beminlijkheid en voortreffelijke deugden niet het bijzonder eigendom van bepaalde standen der maatschappij zijn, maar aan alle gelijkelijk kunnen toebehooren; terwijl ongetwijfeld die mensch het gelukkigst is, die terdege weet wat en wie hij is, wat hij vermag, en wat hij wil, zonder zijn heil te zoeken in hetgeen buiten zijn bereik ligt, zich verzekerd houdende, dat hij in het geruste midden van zijn kring ruim zoo veilig is als aan den zoo kwetsbaren omtrek.

Mijn kleine rol was afgespeeld, mijn werk riep mij, en ik kondigde mijn vertrek aan. Drie dagen later werd ik weder wakker op mijne kamer in de Sleutelstad, en tuurde ik in mijn hoekspiegeltje om te zien of de Breestraat nog breed was.

Maar nu zullen diegene mijner lezers, die het geduld gehad hebben deze tafereelen te volgen, niet willen dat ik de pen nederleg, voor ik nog ten minsten iets vermeld heb omtrent het verdere levenslot der opgevoerde personen. Ik durf zeggen dat ik niet behoor tot de schrijvers, die er genoegen in scheppen, hunne lezers met teleurstellingen te plagen. Dit is onbehoorlijk, en schijnt mij toe met de beleefdheid te strijden, die den auteur in dubbele mate betaamt. Daarom zal ik pogen aan dezen natuurlijken wensch zooveel mogelijk te voldoen.

_Henriette Kegge_ is in het verleden jaar gehuwd met een kapitein der rijdende artillerie, dien zij, vrees ik, een weinigje op het uiterlijk genomen heeft, maar die gelukkig blijkt een zeer verstandig man te zijn, die haar karakter uitmuntend weet te vatten en te leiden, aan haar verstand en gaven eene goede richting te geven, en zelfs een zeer gunstigen invloed geoefend heeft op de houding der geheele familie, mijnheer niet uitgezonderd, die er tegenwoordig veel minder op uit is de groote hanzen en adellijke heeren naar de kroon te steken, ze in het geheel niet meer benijdt, en daardoor meer en meer hij hen in aanzien komt.

Mevrouw is, naar ik hoor, nog altijd dezelfde weinig sprekende en weinig bewegelijke dame; alleen heeft het sterven van een harer twee lievelingen haar eenige bange dagen gekost. Ik ben zoo gelukkig niet, mijne lezers te kunnen mededeelen of het Azor geweest is of Mimi.

De heer _Van der Hoogen_ heeft zich in het beheer van zekere aan zijne verantwoording toebetrouwde gelden zoo weinig charmant gedragen, dat hij het raadzaam heeft geacht op een goeden morgen zijn hotel in den beddewinkel voor goed te verlaten, tot niemands spijt dan van den beddemaker en zijne eegade, die een halfjaar kamerhuur en een aardig sommetje aan verschotten aan ZEd. te kort kwamen.

De Zoete Inval is nog altijd een degelijke koekwinkel, en tegen St. Nikolaas-avond zijn er nog immer prettige verguldpartijen. _Saartje_ is de verloofde van een hupsch jong mensch, die eene niet onbelangrijke zaak in manufacturen drijft. Ik recommandeer haar toekomstigen winkel aan het schoone geslacht. Het zal een lust zijn bij haar te koopen.

_Suzette Noiret_ werd, onder den titel van kamenier, een zeer bevoorrecht persoon bij de freule _Constance_. _De Maete_, door den baron in bijzondere bescherming genomen, is zeer spoedig ter secretarie opgeklommen en bekleedt nu den post van den heer _Bout_, die aan de gevolgen van zijne ongeregelde levenswijze is overleden. Hij is de gelukkige echtgenoot van de mooie _Suzette_, en ik heb een brief van de jonge lieden, waarin zij zich veel inbeelden van "verplichtingen aan den heer _Hildebrand_".

De baron leeft nog steeds met zijn dochter in dezelfde kalme en liefelijke stemming. Zij beide stichten zoo veel nut en doen zoo veel goed als zij kunnen; en de freule gaat met een hart vol liefde den tijd te gemoet, waarin de heer _Van Nagel_, die al zachtjes aan vrij oud begint te worden, haar hulp nog meer zal behoeven.

En de grootmoeder?... is niet meer onder de levenden. Volgens haar uitersten wil is zij op het kerkhof bij de Marepoort te Leiden, in het graf, waarin ook haar lieveling rust, bijgezet. Haar hond heeft haar niet lang overleefd.

En ik ontving uit haren naam een pakje, waarin het ringetje met den zakdoek, en in het Engelsch deze woorden:

"Gedenk aan den lieven _William_ en aan zijne Grootmoeder,

1840. _E. Marrison_".

'S WINTERS BUITEN.

Bij de dingen, die men, zonder veel nadenken, gewoon is bij zichzelven vast te stellen, behoort onder anderen de meening, dat het des winters buiten even onaangenaam is als des zomers louter gelukzaligheid. Menschen, die niet zonder opera's, concerten, en soirees leven kunnen, mannen, die behoefte hebben dagelijks de sociëteit te bezoeken, en vrouwen, die niet gelukkig zijn of zij moeten ten minsten eenmaal des weeks _groot toilet_ maken, mogen zich in dit denkbeeld vastzetten; maar voor stille huiselijke gemoederen, die van het bij uitstek wereldsche genoeg hebben en den cirkel hunner genoegens, hetzij die les hun zachter of gevoeliger is voorgehouden, zachtjes aan hebben leeren inkrimpen: voor hen is het er in den kouder tijd vooral niet minder genoeglijk dan in het warme seizoen; ja, geloof mij, indien ik u zeg, dat op het stille land de winter oneindig veel korter valt dan in de stad met al hare--_ressources!_ Daar toch maakt hij, met zijne voorhoede en nasleep van donkere dagen, een groot en langdurig jaargetijde uit, dat men door allerhande in 't oog loopende kunstmiddelen zoekt op te korten en door te komen; buiten daarentegen, is hij slechts de spoedige overgang van een gerekten herfst tot een vroege lente. Want hoe kort een tijd verloopt er tusschen het afvallen van het laatste eikenblad tot op het uitloopen van den voorlijksten kastanjeboom!

Als het twee dagen van de zeven hard waait, en twee andere dagen regent en hagelt dat het een weinig klettert, dan blijven de steelui binnen hunne muren, _ook zelfs_ gedurende de drie dagen van de week, die overblijven, waarop de zon bij tijden door de wolken breekt en allerliefst schijnt over de kwijnende natuur; want zij hebben van 's morgens af dat zij hun bed verlieten, tot twaalf uren toe, een nevel gezien, en weten niet welk mooi weer daar in het najaar gewoonlijk op volgt; en al weten zij dat ook, "zij gaan niet meer uit; zij kunnen niet meer op het weer aan"; zij durven niet zonder, zij willen niet mèt een regenscherm wandelen; hun, toch noodzakelijke, overjas valt hun te zwaar; en honderdmaal op een dag herhalen zij voor elkander de afgesleten opmerking, "dat zulk weer erger is dan een fiksche kou", en dat zij naar een vuurtje zouden verlangen om de nattigheid, en ook stellig stoken _zouden_, indien het maar November ware. Het is dan half October, en hun winter is formeel begonnen.

Met November komt het vuurtje, komen de tochtlatten met schapevacht, de lange avonden, de morsige straten, en de onstichtelijke koude in de groote kerken, met en benevens alle soorten van overkleederen. Dan volgt December, met de boa's en de moffen, en de almanakken (morgenrood en avondschemering, in onderlingen wedstrijd) en de St. Nicolaas, als het altijd te slecht weer is om uit te gaan, met een onverwachte sneeuwbui, die op éénen dag twintig nieuwe dameshoeden bederft, en de kleine nachtvorsten die doen rillen, niet van koude, maar van schrik. Het heilig kerstfeest, op het land zoo liefelijk, zoo eerbiedig gevierd, en zich zoo harmonisch aansluitende aan de vredige stilte, die het voorgaat en opvolgt, geeft in de stad het teeken voor drukte en gewoel en feestgejuich van allerlei aard; en na den ijslijken nieuwjaarsdag, waarop honderden verkouden worden, wordt een eerlijk huisvader overstroomd van concertprogramma's, die hem met een benepen hart de hoofden zijner op uitgaan beluste dochters tellen doen; en er is een onafgebroken spreken en handelen in de stad over danspartijen en comedies en soirees littéraires, en soirées musicales, en andere soirées, die noch het een noch het ander zijn, maar uiterst stijf en vervelend en akelig; en men verzadigt zich zoo over en te over aan de wintervermaken, dat men er in vier weken genoeg van heeft. En onderwijl regeeren de koude en de armoede, het ijs in de grachten, en de bedelarij op de sluizen. En nog twee volle maanden kijkt men mismoedig elken morgen op den thermometer, en telt men morrende het aantal "wintertjes" op. En eer men den neus buiten de poort steekt, moet er groen aan de boomen wezen; en eer men tevreden is over zijn kleine wandeling, moet het tenminste Mei zijn. Dat is dus een winter van half October tot de Meimaand toe. En dan heeft de steeman die buiten komt een gevoel alsof er eene plotselinge, eene eensklapsche verandering van decoratie gekomen is; want hij heeft niets van al die opwekkelijke toebereidselen gezien, die de natuur maakt, noch haar op den onderhoudende weg harer stille vorderingen mogen gadeslaan. Hij heeft al de vreugde gemist, die de buitenman gesmaakt heeft, toen zijn eerste kip begon te leggen en zijn eerste sneeuwklokje bloeide op den naakten en harden grond. Hij heeft de ganzen niet zien vertrekken, en de spreeuwen en de kieviten niet zien aankomen, noch ook, drie dagen voordat de wind zuiëlijkte, van zijn weerwijzen tuinbaas of grijzen pachter gehoord dat de wind zuiëlijken _zou_.

Die een Buiten heeft, en genoodzaakt of verstandig genoeg is er 's winters te blijven, staat des morgens met de zon op. Dat valt dan, wat den tijd betreft, nog al gemakkelijk, want ook de zon zelve is in dat jaargetijde niet zeer matineus. Maar laten wij elkander niets wijsmaken! Hierin staan steeman en buitenman gelijk, dat dit oogenblik het moeielijkste is van den geheelen dag. Want het bed is warm, de kamer koud, en de mensch lui; daarenboven kan het water in het lampet bevroren zijn, en de neiging om "zich nog eens om te keeren" is ons geslacht aangeboren. Maar heeft men eenmaal gezegevierd, dan heeft men buiten tenminste de zelfvoldoening de zon werkelijk te zien; terwijl gij, heeren en dames in de stad! alweder het reusachtig "_Manufacturen_" bij uw overbuurman lezen moogt, of het beknopter, maar niet minder tergend "_Schrijf- en Kantoor-behoeften_"; op zijn hoogst, indien uw overbuurman een logementhouder is, hebt gij het voorrecht uwe nuchtere blikken op te slaan tot het vergulde beeld van het lieve hemellicht zelf, met stralen van een duim dik en schele oogen. Benijdbaar, zoo gij op een gracht woont, en niets ziet dan het zwarte ijs, met hoopen asch en vuilnis, daar tot uw verkwikking op geworpen in het oogenblik dat gij uwe legerstede verliet; benijdbaar, zoo gij in een achterkamer huist, en over een smallen tuin tegen de donkere gestalten van hooge pakhuizen met gesloten blinden op moogt zien! Maar kom nu eens voor dit venster, dat op het oosten ziet, en zie, over het weiland heen, grijs van vederachtigen rijp, de koperkleurige kimme met die bloedroode schijf, half nog bedekt en half opgerezen, die als wij kerstmis gehad hebben een rooden wedergloed op de sneeuw zal werpen, duizendmaal mooier dan de beste bengaalsche vlam over de zangerige helden van het vijfde bedrijf eener opera, of over de heuvelen van doek in een ballet; of kijk, door het andere raam, naar het westen uit, en zie de groene sparren met een dun en tintelend weefsel behangen, en de statige menigte van eerwaardige dorre beuken (een kaal hoofd _is_ eerwaardig) daar achter, met de toppen in den nevel, die als zachte droppels langs de stammen leekt; die krijgen ook na kerstmis hun schitterend sneeuwkleed aan, willen wij hopen.--Dat is alles mooi, zegt gij, mijn waarde lezer! maar men kan toch den geheelen dag niet naar de zon en naar de boomen kijken; wat voert de buitenman uit? hoe houdt hij zich bezig? waarmede vermaakt hij zich?