Chapter 24
"Gij hier, mijnheer _Hildebrand_?" zeide hij bij het inkomen.
"Ik had een boodschap aan u," antwoordde de toegesprokene.
"Charmant, charmant!"
"Mijnheer zal u misschien alleen willen spreken", merkte de waardige _Bout_ aan; "dan ga ik nog een kerkje knappen; de kerk zal toch wel al aan zijn?"
_Van der Hoogen_ lachte schreeuwend om deze geestigheid.
Maar kan er ook iets grappigers bedacht worden dan met de kerk te spotten?
_Bout_ vertrok.
"Je moet me eerst wat laten besterven," zei _Van der Hoogen_ geeuwende en een ei slurpende; "het is gisteren wat laat geworden op de sociëteit, en mijn keel is wat rauw van den chambertin."
"Ik heb niet veel te zeggen, mijnheer _Van der Hoogen_!" zeide _Hildebrand_, vast besloten om maar in vredes naam met de deur in huis te vallen, en vooral niet rouwig wegens het vertrek van den achtenswaardigen _Bout_.
"Het moet u niet verwonderen, mijnheer! als het huis van de familie _Kegge_ u eerstdaags wordt ontzegd ..."
De charmante werd, van bleek, vaal en zag _Hildebrand_ verbaasd aan. Hij wist volstrekt niet hoe hij het met hem had.
_Hildebrand_ maakte van deze gelegenheid gebruik om in éénen adem voort te gaan: "De heer _Kegge_ zal eerstdaags weten, wie gij zijt, mijnheer! Uw dubbelzinnig gedrag zal hem bekend worden. Hij zal kennis dragen van de lagen, die gij aan de onschuld legt, terwijl gij zijn dochter het hof maakt."
De heer _Van der Hoogen_ wist zijne verlegenheid niet beter te verbergen, dan door in lachen uit te barsten. Hij begon daarop aan zijn. derde eitje, en antwoordde op een onverschilligen toon:
"Wie zegt dat ik aan zijn dochter het hof maak?"
"Ik!" antwoordde _Hildebrand_ zonder te aarzelen; "ik, mijnheer! ik, die u deze gansche week bespied heb; ik, die weet dat gij violette briefjes in haar bloemruikers stopt; ik, die ook weet dat gij bij donkeren avond met violette briefjes over straat loopt, om ze argeloozen meisjes in de hand te wringen; ik, mijnheer! die ook weet welke slachtoffers de heer _Van der Hoogen_ elders heeft gemaakt, en die zorgen zal, zooveel in mij is, een dergelijk lot af te keeren van menschen daar ik belang in stel."
De heer _Van der Hoogen_ deed zijn best om nog luider te lachen, wipte met zijn stoel achterover, en riep uit:
"Een charmante klucht! En mijnheer _Hildebrand_ is alzoo dénonciateur van dit alles?"
"Hij kan het worden," ging _Hildebrand_ voort, die nu eenmaal op gang was; "als ik de stad verlaat zal ik den heer _Kegge_ waarschuwen. Maar eerst wilde ik uzelf dit komen aanzeggen. Ik wilde met open kaart spelen, opdat gij weten zoudt uit welken hoek het u aankwam, als men u bij den heer _Kegge_ met stugheid ontving, of misschien wel de deur wees!"
"De heer _Kegge_ zal laster van waarheid kunnen onderscheiden," zeide de heer _Van der Hoogen_ met een geveinsde bedaardheid.
"Daarvoor heb ik dit bewijsstuk," antwoordde _Hildebrand_, het briefje aan juffrouw _Noiret_ toonende; "men kent uw hand; een biljet vol van de schandelijkste propositiën aan een eerbaar meisje, dat als zij ze gelezen had, reeds meenen zou onteerd te zijn. Het zou mij niet moeilijk vallen uit uwe vroegere 'residentie' meer dergelijke briefjes op te dagen. Maar dit eene is genoeg."
_Hildebrand_ stak het paarse papiertje weder met bedaardheid in den rokzak.
De heer _Van der Hoogen_ stond op. "En wie zijt gij, mijnheer?" voer hij uit, maar lang niet op den toon, die bij zulk eene vraag gepast had: "En wie zijt gij, mijnheer! om mij op mijne eigene kamer de les te komen lezen? Ik houd u voor een...."
"Geene beleedigingen!" zei _Hildebrand_, insgelijks oprijzende, en hij voegde er bij: "Uw opstaan verschrikt mij evenmin als deze floretten."
De heer _Van der Hoogen_ ging weer zitten.
"Gij spreekt van de les lezen!" ging _Hildebrand_ voort. "Uw naam en faam, uw positie in de stad, het is alles in mijne hand. Ik ken uw afkomst, mijnheer _Van der Hoogen_, weinig strookende met de airs, die gij u geeft; ik ken uw vroeger gedrag, uw gedrag in deze plaats; ook uw gedrag als ambtenaar, en uwe nieuwste machinatiën om personen te verwijderen, die u in den weg staan. Neem u in acht!"
"Gij wilt mij ongelukkig maken," gromde de heer _Van der Hoogen_ tusschen de tanden.
"Ik wil uwe beteren voor ongelukken behoeden," hernam de ander. "Hoor hier: ik verklaar mij in de eerste plaats voor den beschermer van juffrouw _Noiret_. Naar haar zult gij geen vinger meer uitsteken. Haar zult gij nooit, niet één enkel woord, meer toespreken, zelfs niet groeten. Indien ik ooit verneem dat gij haar tot eenigen den minsten overlast zijt, zal de geheele stad weten wie gij zijt, van den baron _Van Nagel_ af tot uwe hospita toe. Voorts zult gij uwe bezoeken bij den heer _Kegge_ verminderen en er van afzien eenigen invloed op zijne dochter te willen oefenen. Zoo ras ik iets verneem dat daarmede strijdt, komt dit biljet onder de oogen van mijnheer _Kegge_. Nu zal ik alles laten zoo als het is. Deze twee dingen, mijnheer _Van der Hoogen_! Denk er om!"
"Het is wèl!" zeide hij binnensmonds; en, alsof deze 't helpen konden, stiet hij de ledige eierdoppen op zijn bord aan duizend gruizelementen.
_Hildebrand_ vertrok, en was duizend pond lichter dan toen hij de trap opkwam.
Het hofje. De heer van der Hoogen af.
Het was heerlijk weer, en ik had niet veel lust mij terstond naar huis te begeven; ik verkoos liever nog eerst een stadssingel langs te wandelen. Wanneer men te Leiden studeert, heeft men eene zekere voorliefde voor stadssingels. Verfrischt door de heldere lucht en den koelen wind, kwam ik de poort weder binnen, en begaf mij naar huis.
Het ongeluk scheen _Suzette Noiret_ te vervolgen.
Niet ver van den Zoeten Inval kwam ik _Saartje_ tegen. Zij liep zeer haastig en met gebukten hoofde; en naderkomende, zag ik dat zij er uiterst verschrikt en ontdaan uitzag en bitter weende.
"Wat scheelt er aan, _Saartje_?"
"Ach!" riep zij uit, "laat mij schielijk voortgaan. Juffrouw _Noiret_ ligt op sterven!"
"Wat?" zeide ik, hevig ontzet met haar voortstappende en aan _Suzette_ denkende, "en ik heb haar gisteren nog gesproken!"
"Dat kan ook wel zijn," antwoordde zij; "gisteren was zij nog heel wel. Maar vandaag heeft ze plotseling een overval gekregen. Ik was in de kerk, en moeder was thuis bij de kleintjes. _Suzette_ heeft oogenblikkelijk om moeder gezonden; en nu kom ik, gelukkig en wel, uit de kerk, en daar hoor ik dat de goede juffrouw _Noiret_ misschien nu al dood is; zij is gelaten, zegt vader, en er is geen bloed gekomen, en de dokter heeft haar opgegeven. Wat zal de arme _Suzette_ beginnen?"
Zij snikte luid.
Ik ging met haar naar het hofje.
De zoogenaamde Moeder van die inrichting, een deftige gewezen keukenmeid, met een zeer laag jak en grooten witten halsdoek, stond in de poort met eene oude vrouw te praten, die een zwarten schoudermantel droeg, en duidelijk hoorde ik de woorden: "Zoodat ik je nou maar raai er dadelijk werk van te maken, want anders is een ander je alweer vóór; je gaat nou maar in-mediaat naar de heeren, en zegt: compliment, en dat nommer negen fikant is..."
"En dan?" vroeg de vrouw met den zwarten schoudermantel.
"Dan mot je je beurt afwachten," zei de moeder.
Die van den zwarten schoudermantel strompelde heen.
"Hoe is 't met juffrouw _Noiret_?" vroeg ik aan de moeder, alsof ik van dit gesprek niets begrepen had.
"Afgeloopen!" zei de moeder, haar hoofd schuddende. "Och ja, ze heeft het daar zoo passies afgelegd; 't zel nou net een klein ketiertje geleden zijn. 't Is een heele omstandigheid: zóó gezond, en zóó dood. Gisteren ging ik haar deur nog voorbij, en ze knikte nog teugen me, ik loof zelf dat ik nog an haar raam getikt heb, en nog gevraagd hoe ze voer. Ja wel! want ze zei nog teugen me: Heel wel, moeder! Neen, tòch niet, dat was bij _Trijntje_. Och ja, dat zeg ik, een mensen kan der gauw uit wezen!"
Wij gingen voort. Een der bestjes die op het hofje woonden, stond met een zwart duifjeskiepje bij de pomp; zij zag naar ons om, toen wij haar voorbijgingen, haalde de schouders op, en schudde het hoofd.
"Ze is uit den tijd!" zei de oude best, schudde nogmaals het hoofd, en ging voort met water op haar aardappeltjes te pompen.
Wij traden het huisje van juffrouw _Noiret_ binnen. Door een klein portaaltje, met platte roode steenen geplaveid, kwamen wij in het eenige vertrek, dat hare woning, en die van eene lange reeks van oude vrouwtjes vóór haar, had uitgemaakt. Het was een klein kamertje, met matten belegd, en waarin een schoorsteen was, waaronder zij tegelijk haar potje kookte en zich verwarmde. De meubelen bestonden in eene voor het vertrek zeer groote hangoortafel, een matten stoel of vier, en een groot bureau, waarop in het midden een geel theeservies met roode landschapjes stond geschikt, geflankeerd door een rond en een vierkant verlakt presenteertrommeltje, op hun kant gelegd. In een hoek van dit vertrekje stond de ladder, waarmee men naar het zoldertje opklom, waarop de bedeeling turf en hout gestapeld was, die des winters aan de hofjesvrouwtjes werd uitgereikt en, benevens eene wekelijksche uitdeeling van aardappelen en een potje boter, dit hofje tot het voordeeligste maakte van de vele hofjes waarop de stad zich beroemde. Aan den witten muur hingen een paar silhouetten, waarvan het eene dat van een predikant scheen te zijn, en verder eenig huisraad, dat geene andere plaats hebben kon. Op tafel lag een kwarto bijbel, en een fransch gezangboek; in welk laatste de goede vrouw nog dien eigen ochtend had zitten lezen; haar bril lag tusschen de bladen tot een blijk waar zij gebleven was. Voorts was die tafel nu overdekt met allerlei glazen, lepels, kopjes en zoo voorts, die men in het oogenblik van ontsteltenis gebruikt had. Een sterke geur van Hofmansdruppels kwam ons tegen. Op den stoel, waarop juffrouw _Noiret_ het laatst had gezeten, lag nu haar witte poes, in een gemakkelijke kringvormige houding, op het groene saaien kussen te sluimeren.
Aan het hoofdeneinde der bedstede, waar de gordijnen van waren toegeschoven, zat _Suzette_, doodsbleek, en met het hoofd in de hand. De goede juffrouw _De Groot_ stond vóór haar, met een vol glas water, en poogde haar te bewegen nog eens te drinken.
_Suzette_ hief het hoofd treurig op, greep het glas aan, en nam werktuigelijk eene kleine teuge. Toen zag zij ons strak aan. Zij reikte mij de hand:
"Ik heb mijn wensch," zeide zij: "het _was_ bij dag."
_Saartje_ hield zich schuw op een afstand en was geheel van haar stuk. Zij snikte hevig en viel op een stoel bij de tafel neer. Juffrouw _De Groot_ poogde vruchteloos haar iets te doen gebruiken.
Toen zij eindelijk wat bedaarde, wilde zij de doode zien. _Suzette_ schoof het gordijn half open, en ik zag een mooie oude vrouw in hare kalme ruste. Het heldere zonlicht dat door het venster binnendrong, wierp een schuinschen straal op een aangezicht, dat meer en meer van den doodsnik begon te bekomen. De oogen waren gesloten en ingezonken; eenige weinige grijze haren kwamen onder het mutsjen uit, en glinsterden als zilver in den zonneschijn. Hare dorre handen lagen plechtig saamgevouwen op haar borst. _Saartje_ knielde bij haar bed; blozende jeugd bij het beeld des doods. Zij legde haar lief handjen op de hand der overledene, maar schrikte van de koude. Ze had nog nooit een lijk gezien. Toch vermande zij zich weer, en streek met hare zachte vingers langs het gerimpeld voorhoofd. Daarop barstte zij in een hevig jammeren los!
"O! Dat ik ook naar de kerk moest wezen! Had ik u nog maar één oogenblikje levend gezien, lieve juffrouw _Noiret_, een enkel woordje van u gehoord!"
"Dat hebben wij geen van allen, lief kind!" zei haar moeder, hare oogen met haar voorschoot afvegende.
"Neen," zei _Suzette_ met een hartdoordringende stem; "geen van allen."
_Saartje_ schoof het gordijn weer toe.
"Arme _Suzette_!" riep zij uit, haar om den hals vallende, "wat zult _gij_ beginnen!" En zij snikte zoo luide, dat haar moeder haar tot zich nam en zeide dat zij zich een weinig matigen moest, want dat zij _Suzette_ "nog naarder maken zou".
"Ik wenschte dat _ik_ zoo schreien kon, juffrouw _De Groot_!" zei de ongelukkige bedaard; en weder nam zij hare vorige houding aan, met het hoofd in de hand.
De doove buurvrouw kwam binnen. Het was een lange, schrale vrouw, die het bovenlijf met een grooten hoek voorover droeg. Zij had mede een zwart kiepjen op, droeg een zeer lang sitsen jak, een groot wit schort, en een kalminken rok. Zij zette een klein schoteltje, met een hord toegedekt, op de tafel.
"Is buurvrouw ziek?" vroeg zij op dien kennelijken doffen toon aan dooven eigen.
"Ja!" zei juffrouw _De Groot_, luid sprekende, "buurvrouw is heel erg."
Juffrouw _De Groot_ had echter niet luid _genoeg_ gesproken.
"Dan mot ze maar wat eten," hernam de oude, en het schoteltje opnemende, ging zij naar het bed. "Je mot wat gebruiken, buur; kijk, hier heb ik wat gestoofde peertjes voor je." En zij wilde het gordijn openschuiven.
Juffrouw _De Groot_ hield haar bij den kalminken rok terug.
"Neen!" schreeuwde zij zoo hard zij kon, "buurvrouw zal niet meer eten. Buurvrouw is overleden."
"Zoo!" zei de doove, het hoofd op en neder bewegende, alsof zij het volmaakt verstaan had, "slaapt buurvrouw? Zoo, zoo; dat is goed! dat wist ik niet.--Ik zag den dokter binnengaan," vervolgde zij tot mij, "en ik docht, daar is zeker wat an de hand. Wat schort buurvrouw eindelijk?"
Ik slaagde er in haar aan 't verstand te brengen, dat buurvrouw _niets_ meer schortte.
"Dat is de derde buurvrouw," zei juffrouw _Samei_, want zoo heette de doove, "die ik verlies, en altijd aan dezelfde kant, in _dut_ huisje. De eerste was _Engeltje Bovenis_; die was drieënzeuventig, en potdoof; ik ben ook wel wat hardhoorend, weet u. De andere was juffrouw _De Ruiter_, die de koffiekan over der been liet vallen, zoodat ze der nooit van opëkomen is; en dut is nou de derde; 't was een goeie vrouw, een beste vrouw; maar wel een beetje eenzelverig. Och heer! is ze dood; ik docht nog zoo: kom an, een gestoofd peertje, daar placht ze anders nog wel van te houën."
De klink van de deur werd weder opgelicht, en binnen kwam een vrouwelijk wezen, wier oogen, gelaat, en geheele houding de innigste, de hartelijkste deelneming vertoonden; het was freule _Constance_.
Er zijn schepselen in de wereld, die de bestemming om ongelukkigen te troosten daarin hebben medegebracht, en opdat men ze kennen zou, heeft de natuur het vermogen tot troosten in onmiskenbare trekken op hun gelaat uitgedrukt. Tot deze wezens behoorde de freule _Constance_.
Met eene niet in het minst hardvochtige, maar beminnelijke kalmte, trad zij binnen en groette ons. Zij ontdeed zich daarop terstond van haar hoed en bont, en het gaf iets veel vertrouwelijkers haar in deze sobere woning zonder dien tooi te zien. Toen trad zij op _Suzette_ toe, die altijd even stroef het hoofd op de rechterhand deed rusten. De jonkvrouw greep haar bij de linker.
"Ik heb van uw ongeluk gehoord, lieve juffrouw _Noiret_!" begon zij, met een zachte en hartdoordringende stem: "Ik kom eens met u schreien; gij weet dat ik ook geen moeder meer heb."
Het valt lichter van eene weldadige ontroering, dan van eene groote en verpletterende smart te weenen. _Suzette_ barstte in tranen uit, en kuste de handen der freule. Ook aan de lange zwarte pinkers van deze hingen heldere droppels. _Saartje_ drong zich tegen de beide vrouwen aan, en in haar oogen blonken, door de tranen heen, de innigste toeneiging, en de diepste eerbied voor de troosteres.
Dat was eene lieve, eene hartontroerende groep. Lijden, medelijden, en lijdenstroost, in een zachte en liefdevolle omhelzing vereenigd. Ik noodig onze schilders uit, daar hunne krachten eens aan te beproeven, als zij een oogenblikje willen uitrusten van mannen die pijpen rooken, en vrouwen die groente hebben gekocht.
"Een engel van een mensch!" fluisterde juffrouw _De Groot_, en een traan viel op de tang, waarmede zij, op den in de verwarring half uitgedoofden haard het vuur poogde te herstellen.
"Wie is die dame?" vroeg de doove op haar gewonen luiden toon.
Ik poogde het haar te beduiden; maar het was mij niet mogelijk.
"Ik kan je niet verstaan!" zei ze; "maar dat weet ik wel, dat het lang duren zal, eer de rijkdom bij _Pleuntje Samei's_ laatste leger komt om te huilen;--maar ik heb ook wel hooren zeggen, dat juffrouw _Noiret_ van geen lage kom-of was."
Dit gezegd hebbende stond de oude op, en begaf zich naar haar eigen cel.
De dokter kwam om naar _Suzette_ te zien en voor haar te zorgen, nu de eerste schok voorbij was. Zijn gelaat luisterde op als hij freule _Constance_ zag.
"De freule reeds hier?" zeide hij; "het kon niet beter. Gij moet onmiddellijk gegaan zijn, freule _Nagel_!--Ik beveel u _deze_ patiënte aan," voegde hij er bij; "voor bedroefden zijt _gij_ de beste dokter die ik ken."
Hij schreef een ontspannenden drank voor, en verliet ons, om wie weet welke andere ellende te gaan aanschouwen!
Het is opmerkelijk hoe gretig de mindere klasse is om met een lijk te sollen. Het is een stuk van liefhebberij. Al is iemand zijnen betrekkingen ook _nog_ zoo lief: nauwelijks heeft hij den adem uitgeblazen, ja, somtijds zijn er niet dan zeer bedriegelijke proeven genomen omtrent het werkelijk doodzijn van den dierbare, of het lijk moet van top tot teen ontkleed en in het doodsgewaad gehuld worden, en het "heerlijke" bed weggehaald, om daarvoor den harden stroozak in plaats te geven. En ik heb bij lijken gestaan, die aldus waren afgelegd, van personen die men nog geen uur te voren dood op hun stoel had gevonden.
De Moeder van het hofje kwam dan ook met een allergewichtigst gezicht binnen en, moeder _De Groot_ op zijde nemende, hield zij haar voor, dat men niets heiligers te doen had dan juffrouw _Noiret_ te "ontweiden." "Juffrouw _De Groot_ kon daartoe over _haar_ beschikken: _zij_ was er niets akelig van. Ook wist zij heel goed waar het doodgoed van juffrouw _Noiret_ lag."
Juffrouw _De Groot_ beweerde evenwel dat het geen haast had; maar de Moeder van 't hofje stond er toch op, dat het vóór den nacht geschiedde. "Want het was maar om het bed, weetje! En dan, juffrouw _Noiret_ had zoo'n kostelijke sprei, altijd bij winterdag, en die had ze zeker nu ook weer op 't bed?" En zij ging kijken of het zoo was...
"Het _is_ de sprei," zei ze bedenkelijk tegen juffrouw _De Groot_; "als je der nog toe reseleveert, mot je me maar laten roepen."
"'t Is wèl," zei juffrouw _De Groot_, en de Moeder vertrok, om door het gesloten venster heen, met de doove buurvrouw een luid gesprek aan te knoopen over de noodzakelijkheid om juffrouw _Noiret_ af te leggen, en over haar kostelijke sprei.
"Wat _had_ de Moeder?" vroeg _Suzette_, weemoedig opziende, toen zij vertrokken was.
"Niets, lieve!" zei juffrouw _De Groot_: "ik zal voor alles zorgen. Bekommer u over niemendal."
"Men moet moeder met rust laten," hernam _Suzette_; "niets aan haar veranderen... voor dat ze..." Meer vermocht ze niet.
Weder liet zij het hoofd aan het hart der freule zinken, die haar liefderijk ondersteunde, en haar daardoor het meest versterkte, dat zij haar toeliet te weenen.
_Saartje_ kon niet langer blijven; het huishouden vereischte haar terugkomst. Ik vertrok met haar. _Suzette_ reikte ons beurtelings de hand. _Saartje_ kon geen woord uitbrengen; en _Hildebrand_ was zoo sprakeloos als _Saartje_.
Wij kwamen in den Zoeten Inval. De oude _De Groot_ was in de ziel bewogen. Ik bleef nog langen tijd bij die goede menschen over het ongeluk van juffrouw _Noiret_ in gesprek. _Saartje_ vertelde mij heel veel van de doode, en hoe lief zij hare dochter had gehad, en hoe die dochter haar aankleefde, en gaf duizend kleine trekken van de teederheid en aanhankelijkheid op, waarmede deze moeder en deze dochter elkander het leven hadden veraangenaamd.
Zie; moeder _Noiret_ was zoo goed als op haar stoel doodgebleven, als zij haar gezangboek had dichtgeslagen; de beroerte, die hare zwakke levenskrachten in een half uur tijds vernielde, had reeds in het eerste oogenblik hare spraak verlamd; maar zij had die niet noodig gehad om _Suzette_ iets te vergeven vóór zij henenging; en haar zegen--zij gaf haar dien gedurende haar leven dagelijks!
Wij spraken ook over den jongeling, dien de vertwijfeling aan eene vereeniging met _Suzette_ naar de West-Indiën dreef. Ik verlangde zijn naam te weten. _Saartje_ deelde mij mee dat zij hem den vorigen avond nog gesproken had, en dat zijn plan nu onwrikbaar vaststond, zoodat hij het ook nu aan haar ouders had geopenbaard; en nog eenige omstandigheden daaromtrent, die in een volgend hoofdstuk aan den dag zullen komen. Ik zweeg opzettelijk van het gesprek, dat ik op de kamer van _Van der Hoogen_ mijns ondanks beluisterd had.
Ik kwam tehuis.
"Zóó lang heeft die kerk toch niet geduurd, onsterfelijke!" riep de heer _Kegge_ mij toe, toen ik de kamer binnentrad. "Wij zitten pal op u te wachten. Een zondag is een vervelende historie, maatje! Lag er maar sneeuw, dan konden we tenminste narren. Jongens! mijn pantervel! Hoe zouden de adellijke heeren en groote hanzen er naar likkebaarden. Maar zeg, onsterfelijke! ik sta beschaamd als ik weet waar je zoo lang geweest bent."
Ik deed verslag van mijn bezoek op 't hofje.
_Kegge_ kreeg alweer een traan in de oogen. Maar hij zei:
"Drommels! dat was een naar akkevietje voor je. Het zal daar een algemeen gegrijn gegeven hebben. _Hanna_, _my dear!_ daar moet wat aan gedaan worden, hoor! 't is duivels jammer voor dat meisje. Stuur haar het een of ander."
"Wil ik haar een gebraden kuiken zenden?" vroeg mevrouw _Kegge_ goedhartig.
"Allemaal gekheid!" riep de heer _Kegge_ uit. "Ze heeft immers geen honger. Stuur haar een paar bankjes, dat zal beter welkom zijn; een dooie is een duur ding voor zulke menschen."
_Henriette_ had zich afgewend en stond kwansuis naar haar kaketoe te kijken. Ook zij had vochtige oogen.
Neen! dacht ik, zonderling mengsel van hardvochtige grilligheid en gevoel! gij waart toch veel te goed voor een _Van der Hoogen_! En indien gij freule _Constance_ tot moeder of tot zuster hadt, gij zoudt een heele lieve _Henriette_ kunnen worden.
In het schemeruur poogde _Henriette_, langs allerlei zijdelingsche wegen, te weten te komen, hoe ik over haar en _Van der Hoogen_ dacht. Ik ontdook hare listen, daar ik voorgenomen had mij dezen dag nog volstrekt niet uit te laten. Des avonds wachtte men _Van der Hoogen_, die meest alle zondagavonden bij de familie doorbracht. Mijnheer, die de hoop gekoesterd had nu eens een partijtje te zullen kunnen omberen, was knorrig dat de derde man uitbleef, _Henriette_, die ongetwijfeld het meest verwonderd was dat hij niet verscheen, hield zich groot, en merkte aan, dat hij misschien eene andere uitnoodiging had, en dat zij "'t ook heel goed vond dat hij er geen gewoonte van maakte om nu ook _alle_ zondagen te komen".
Wij brachten den avond door met platen en teekeningen te bezien, waarvan de heer _Kegge_ een mooie verzameling had, die echter zonder smaak of oordeel gerangschikt was, en zeker veel te duur betaald.
Tegen tien uren verscheen er een voiletkleurig briefje. _Henriette_ werd rood, en hield zich overtuigd dat hier misverstand heerschte, toen de knecht het aan haar vader overhandigde; en als deze het openbrak zag zij hem strak in de oogen.
Toen de heer _Kegge_ het gelezen had, nam hij er zeer beleefd zijn mutsje voor af:
"Ik ben een lijk," verklaarde hij, "als ik er iets van vat!" Daarop vervolgde hij met zekere plechtigheid: "Mevrouw _Kegge_, geboren _Marrison_, mejuffrouw _Kegge_, en mijnheer _Hildebrand_, hoort, bid ik u, eens aan wat dit geschrift behelst:
_WelEdelgeboren Heer!_
Dat is primo een leugen!
_Sedert gij in uw huis personen admitteert, die mijn goeden naam pogen te be..._
_te be_-wat? Sakkerloot, dat's een drommels woord--_te bezwalken en te belasteren, zie ik mij genoodzaakt van het genoegen af te zien om hetzelve verder te frequenteeren._
_Ik heb de eer te zijn,_
_WelEdelgeboren Heer,_ _UWEdelgeborens Dienstw. Dienaar,_
_P. G. van der Hoogen_.