Chapter 23
"O, dat maakt haar tegenwoordig zoo ongelukkig," voegde _Saartje_ er bij, met een traan in de mooie oogen, "en dan verwijt zij zich weer dat hare gedachten een oogenblik aan iemand anders behooren dan aan hare moeder."
_Henriette_ was dien geheelen dag bijzonder aangenaam en lieftallig jegens mij; zij had allerlei zoete oplettendheden aan tafel, prees mij verscheidene malen in het aangezicht, en gaf mij zelfs bij het doorbladeren van hare teekenportefeuille, uit een open reden, een allerliefste teekening op rijstpapier ten geschenke.
In het schemeruur bracht ik _Saartje_ thuis; en het lustte mij, daarna een kleine stadswandeling te maken, in dat bij uitstek drukke uur, waarin de werklieden en schoolkinderen naar huis gaan en de dienstmaagden hare boodschappen beginnen, hare minnaren toevallig tegenkomen, of elkander gewichtige mededeelingen doen omtrent de verschillende karakters van haar heer, haar mevrouw, den oudsten jongeheer, en de oudste juffrouw, bij welke gelegenheid de heer er altijd beter afkomt dan de mevrouw, en de mevrouw beter dan de oudste juffrouw, terwijl de jongeheer een van tweeën, òf een "akelig stuursch minsch", òf "een heertje" is. Ik heb dit uit mijn vroege jeugd overgehouden, dat ik gaarne de lichten in de winkels zie opsteken, en ook ditmaal stond ik nu eens stil bij een in het donker vooral zoo plechtig smidsvuur, waaruit de gloeiende bouten schitterend te voorschijn kwamen, om onder de slagen van den voorhamer eene horizontale fontein van vuur uit te spreiden, waarbij het zwarte gelaat van den smid fantastisch verlicht werd; dan weder boeide mij het wreedaardig schouwspel eener slachterij, waar de knechts, in hunne bloederige wollen kousen tot over de knieën reikende en met een ouden hoed over hunne blauwe slaapmutsen, zichzelven bijlichtten met een brandend smeerkaarsjen op gemelden hoed vastgekleefd, dat een tooverachtig licht in de opengehouwen koebeesten wierp, wier inwendige belangen zij verzorgden. De straatlantaarns waren nog niet opgestoken en zouden eerst twee uren later aanlichten, omdat het onmogelijk is dat een vreemdeling op een stikdonkere gracht in het water loopt, als het nog niet langer dan anderhalf uur stikdonker geweest is.
Het gebeurde dat ik, op zulk een donkere gracht, voortschrijdende zonder precies te weten waar ik mij bevond, op eenigen afstand twee personen ontwaarde, waarvan de een evenveel neiging toonde om den anderen te ontloopen, als de andere gezind scheen de eerste terug te houden. Naderbij komende zag ik dat gemelde personen tot verschillende kunnen behoorden, en daarop hoorde ik eene zachte vrouwestem, maar schor van zenuwachtigheid, duidelijk zeggen: "laat me los, mijnheer! of ik schreeuw".
Het leek mij toe, dat de mijnheer, tot wien deze bedreiging gericht was, en die een langen mantel droeg, van nature een vijand van schreeuwen was. Althans hij liet de persoon die gesproken had oogenblikkelijk los en verdween in een zijstraat. Ik had de stem herkend.
"Zijt gij het juffrouw _Noiret_? "Wie durft u aanraken? Laat ik u thuis brengen," sprak ik haar toe.
Het arme meisje kon niet antwoorden; zij beefde van het hoofd tot de voeten, en ik had moeite haar op de been te houden.
"Het is verschrikkelijk," snikte zij: "o indien gij zoo goed wilt wezen; het is ijselijk...."
Meer kwam er niet uit. Ik geleidde haar zwijgend tot naar den kleinen koomenijswinkel, waar zij haar kamertje had. In het voorhuis zonk zij op een bank neder. Het was er donker, want op de geringe nering kon geen licht overschieten. De vrouw uit den koomenijswinkel kwam naar voren loopen, met een baklamp in de hand.
"Och lieve help! wat scheelt de juffrouw? wat ziet ze bleek. Is de juffrouw verschoten? Ga gauw in 't kantoortje, juffrouw! Ik ga de kaars opsteken."
Zij ging heen om den blaker van juffrouw _Noiret_ te halen, en ik bracht die in een klein, van 't voorhuis afgeschoten kamertje dat zij mij als 't kantoortje had aangewezen en dat dien naam met recht verdiende, daar er niets te vinden was dan eene kleine hangoortafel, vier matten tabouretten, en een leelijk gezicht in een lijstjen aan den wand, voorstellende den held _Van Speyk_!
"Maar me lieve gunst, wat scheelt er dan toch an!" riep de koomenijsvrouw uit, toen zij den blaker van _Suzette_ aangestoken en haar eigen lamp, daar er geen twee lichten noodig waren, onmiddellijk daarop uitgeblazen had.
Ik liet haar een glas water halen. _Suzette_ dronk er een teugje van, en het glas klapperde tusschen hare tanden. Nog kon zij niet spreken. Het klamme zweet stond haar op het aangezicht.
"Maar me lieve gunst," begon de bezorgde, maar nog meer nieuwsgierige, hospita alweer, "dat's nou toch wel een raar geval. De juffrouw het 'et disperaat op 'er zenuwgestel. Wil ik naar de apteek loopen en een rooie schrikpoeier halen?"
"De juffrouw is aangerand," zei ik, "er loopt kwaad volk. Ik was er bijtijds bij; men wilde haar afzetten."
"Angerand!" riep de hospita uit; "ofzetten! Ja, 't is een ijselijkheid dat er geen werk is. En mijn _Kobus_ is ook nog bij de weg, die kennen ze dan ook nog wel anranden en ofzetten, ofschoon ie juist niet meer bij'em het dan zen zuiver orlozie, en _daar_ is een stevige kopere kast om; da's één geluk. Ja, ik heb al lang gedocht dat het niet pruisisch was hier in de stad. Der is _nog_ reis een winter geweest dat 'et zoo erg was. Et was in de tijd dat ik op alle dag liep van me derde. Maar toen braken ze in bij de lui en kwammen voor de lui der bed staan, met een armpie van een ongeboren kind. Daar zel meheer wel van gehoord hebben. En dan stakken ze zoo'n armpie in brand, en ze draaiden 't driemaal over de lui der hoofd om, en dan zeien ze, ja wat zeien ze ook? dan zeien ze: _die waakt, die waakt, die slaapt, die slaapt!_ en in die omstandigheid, wil ik maar zeggen, daar je dan in verkeerde, daar _bleef_ je ook in. Anranden! 't is wat moois in een kristenland! Gelukkig nog, juffrouw, dat ze je die japon niet of-hebben angerand; dat zou een leelijkerd wezen!"
En zij nam _Suzette_ een toegespeld pak af, dat deze nog altijd stijf onder den arm hield, en lei het voorzichtig op een der matten tabouretten.
"Breng het boven, moedertje," zei ik, "en laat ons even alleen, want ik hoop dat de juffrouw mij den persoon zal kunnen beschrijven; dan zal ik hem bij de politie aangeven."
"Beskrijven! Ja, dat gaat zoover as 't voeten het," antwoordde de klapper; "en weet je wat _Kobus_ zeit? ze krijgen er de verkeerde deur te pakken. Laatstleden varkemart hebben ze nog 'en jong gezel, een die hier, zel ik maar zeggen vreemd was, opgepakt. Der komt ommers altijd, op de varkemart hier zoo'n poffertjeskraam? Nou, hij mocht zoo bij die poffertjeskraam staan te kijken na die groote kopere schuttels en zoo; daar komt er een diender na 'em toe; die leest op 'en pampiertje, en toen kijkt ie 'em an. Nou; de jonge wist van de prins geen kwaad. Maar de diender zeit teugen 'em: jonge, zeit ie, ga jij reis effen mee. Ik dankje vrindelijk, man, zeit den ander. Maar het holp niet, want de diender zei: maatje, zeidie, kijk reis effen wat ik hier onder me jas heb. Nou, dat waren nies anders as van die duimskroefies, as meheer wel reis zel gezien hebben, daar ze een minsch mee vastskroeven, zel ik maar zeggen, dat ie geen vin verroeren kan. Nou, die mocht die man niet, dat ie mijn slacht. Zoo gezeid, zoo gedaan; daar holp geen lievemoederen an; hij _most_ en hij _zou_ mee. Maar toen ie vijf dagen had zitten brommen--hij was toch maar al die tijd uit zen werk, zie je--daar komt die zelfde diender, in zen hok, zel ik maar zeggen, of waar dat ie dan zat, en zeit dat ie maar stilletjes vort zou gaan. Maar hij zei, neen, zeidie, dat gaat _zoo_ niet. Want hij wou der verhaal op hebben, zie je meheer! Maar dat weten we wel; dat gaat zoo ver as 't voeten het. Zoodat ik maar zeggen wil, dat beskrijven niet veul ofdoet. Maar daarom zei _Kobus_ altijd, in die winter toen 't _nog_ reis zoo erg was: as _ik_ er eentje te pakken kreeg, ik zou 'em teekenen, dat ik 'em voor goed zou kennen..."
Ik herhaalde mijn wensch om met juffrouw _Noiret_ alleen te blijven. Zoodra de babbelachtige vrouw gegaan was, borst zij in tranen uit.
"Dit heeft hij mij in de hand gestopt!" riep zij uit; "verbrand het in de kaars."
En zij wierp een violetkleurig briefjen op de tafel, dat zij in hare zenuwachtige spanning geheel verfronseld had. Daarop zeide zij met eenen innigen afschuw:
"Foei, mijnheer _Van der Hoogen_!"
Ik nam het briefjen op.
"Mag _ik_ het bewaren?" vroeg ik haar. "Het kan mij te pas komen." Ik herstelde het in zijne vroegere gedaante, en stak in mijn portefeuille.
Toen _Suzette_ wat bedaard was, deelde zij mij mede, hoe zij sedert eenigen tijd overal door _Van der Hoogen_ vervolgd werd. Hij was immer op haar weg. Bij het gaan van haar kamer naar het hofje, en bij het uitgaan der kerk; ja, in de laatste week had hij een paar malen het hofje zelf tot zijn namiddagwandeling gekozen, onbeschaamd bij haar moeder ingekeken, en tegen haar, _Suzette_, geglimlacht. Zoo erg als van avond had hij het evenwel nog nooit gemaakt. Zij was uitgegaan om freule _Nagel_ een japon te passen, zonder hem nochtans te ontmoeten. De freule had haar bij het heengaan, met hare gewone vriendelijkheid, als _Suzette_ zei, de bescherming van haar lakei aangeboden; maar zij had het afgeslagen, daar zij niet had gedacht dat het buiten al zoo donker was. Ondertusschen was de avond op eens gevallen, en zij was nog geen twintig schreden van het huis van den heer _Van Nagel_, of zij hoorde reeds den stap van _Van der Hoogen_ achter haar, terwijl hij haar door zonderlinge geluiden op zijne nabijheid opmerkzaam maakte. Zonder op of om te zien had zij hare schreden versneld; in haren angst had zij gemeend hem te zullen ontvlieden door een zijstraat in te slaan; hij was haar ook daar gevolgd. Toen zij op de donkere gracht was gekomen, had hij haar om de middel gegrepen en haar eenige woorden toegesproken, die zij evenwel door den schrik niet verstaan had. Hij had haar daarop het briefjen in de hand gedrukt, dat zij zich, zeker werktuigelijk, had laten welgevallen. Daarop had hij haar willen kussen, en had zij de woorden uitgesproken die ik gehoord had.
Na deze mededeeling, en nadat zij geheel van den schrik zeide bekomen te zijn, ofschoon zij nog altoos bleekzag, verzocht zij mij dat ik haar verlaten zoude. Zij wilde zich door een der kinderen van haar hospita naar haar moeder laten brengen, die van niets weten moest.
Ik vertrok.
Op straat verdiepte ik mij in ernstige overleggingen hoe mij na dit alles te gedragen. _Van der Hoogen_ had mij sedert onze eerste ontmoeting niet willen bevallen, en ik had, op gelaat en manieren af, weinig gunstige vermoedens van hem opgevat. Dat hij het hof aan _Henriette_ maakte had ik terstond gemerkt en met leede oogen aangezien. Ik vreesde dat, indien niet louter haar geld, dan misschien haar geld, vermeerderd met haar schoon, den fat aanlokten, dien ik daarenboven voor een slecht sujet hield, dat haar ongelukkig zoude maken. Ondanks alle hare kuren, was _Henriette_ hiertoe te goed, en in gedachten had ik haar een man toegezegd, die haar door meerderheid in verstand verbeteren en eenmaal tot eene lieve vrouw maken zoude, tot welker vereischten zij toch waarlijk vele bestanddeelen bezat. _Van der Hoogen_ had mij, zooals de lezer zich herinneren zal, met een woord gezegd dat hij ook te Leiden had "geresideerd", en daar ik het geluk had in de Sleutelstad menschen van allerlei stand te kennen, had ik al spoedig omtrent ZEd. eenige berichten ingewonnen. Deze waren niet gunstig voor den charmanten uitgevallen en pleitten evenmin voor zijn gedrag als mensch, als voor zijne beginselen als ambtenaar.
Ondertusschen was hij dagelijks voortgegaan met de jeugdige te bestormen, die hem waarschijnlijk wel niet liefhad, maar jong en onervaren zich aan hare behaagzucht overgaf en aan den prikkel van het romaneske, waartoe zij eenige neiging toonde. Daarenboven kon men aan _Van der Hoogen_ eenige uiterlijke voorrechten niet ontzeggen. Het was nu tusschen hen beiden een _stille_ liefdeshistorie geworden, dat wil zeggen, zoo gevaarlijk als eene liefdeshistorie zijn kan. Het biljet in den ruiker had dit voor mij boven allen twijfel verheven. Ondertusschen had de charmante zich in het gebeurde met juffrouw _Noiret_ aan mij vertoond als een lage dubbelhartige bedrieger en avontuurlijke lichtmis, die het op het geluk en de onschuld van onervarenen en weerloozen toelegde, en ik verachtte hem in het diepst van mijn ziel. Ik begreep dat het mijn plicht was juffrouw _Noiret_ tegen alle verdere lagen te beschermen, en _Henriette_, om een versleten leenspreuk te gebruiken, van den afgrond terug te leiden, op welks rand zij in zulk slecht gezelschap omdoolde.
Waar ik eindelijk toe besloot zal het volgende hoofdstuk leeren.
Een hoofdstuk waarmee de auteur ijselijk verlegen is, omdat hij er zelf de mooie rol in speelt; iets dat hij wel weet dat hem in 't geheel niet past, maar dat hij toch voor ditmaal niet helpen kan.
_Hildebrand_, die door een samenloop van omstandigheden bestemd was om in deze geschiedenis een handelend persoon te worden, stond den volgenden morgen een half uur vroeger dan de vorige dagen op en liep met een gewichtig gelaat en groote stappen de kamer op en neer, eene beweging, die hij altijd aanneemt als hij over iets belangrijks of als hij over niets denken wil. Nu eens blikte hij veelbeduidend op naar de giftige pijlen aan den wand, dan weder overzag hij zijne heldhaftige houding in den spiegel, en eindelijk wijdde hij een groot gedeelte zijner aandacht aan de musschen, die in den tuin af en aan vlogen en elkander niet zelden onaangenaamheden toevoegden omtrent zekere kruimels en kleine korstjes brood, die reeds in dit vroege morgenuur hare hartstochten in beweging brachten.
Hij kwam daarop geheel gekleed aan het ontbijt, eene omstandigheid die niemand bevreemdde, daar het zondag was, ofschoon er op dien bijzonderen zondagmorgen juist niemand naar de kerk ging dan de oude mevrouw. Mijnheer verklaarde "veel van den godsdienst te houden, want wat zou er zonder godsdienst van de maatschappij worden!" maar hij kon "het geteem van de dominé's in _deze_ stad niet aanhooren"; voor mevrouw "tochtte het in de kerk al te verschrikkelijk"; en wat _Henriette_ betrof, zij ging wel, maar "zag er geen noodzaak in er sleurwerk van te maken".
_Hildebrand_ nam den schijn aan van naar de kerk te zullen gaan, en had evenwel voorgenomen het niet te doen. Hij herinnerde zich, niet zonder ingenomenheid met de hooge roeping die hij in zich gevoelde, het zeggen van _Fenelon_, in het treurspel van dien naam:
"Dit is mijn eerste plicht. Men dien' de menschlijkheid, En zing, daarná, den lof der Hemelmajesteit!"
Hij had zich den vorigen avond laten onderrichten waar de kamers van den heer _Van der Hoogen_ te vinden waren en moest ze in een der middelbare straten van de stad, boven een beddewinkel, zoeken. De heer _Hildebrand_ stapte er heen in de vaste overtuiging den heer _Van der Hoogen_ thuis te zullen vinden.
Daar hij zich evenwel tebinnenbracht dat de heer _Van der Hoogen_, die een post aan het bureau der registratie had, dagelijks reeds om tien uren in den morgen aan dat bureau verschijnen moest en dan nog wel tot twee uren na den middag druk werk had, kwam het hem niet onwaarschijnlijk voor, dat gemelde heer _Van der Hoogen_ des zondags een weinigje zou moeten uitslapen en dus hoogstdenkelijk nog op zijn bed zou liggen. Daarbij voegde zich misschien heimelijk een weinig innerlijke neiging om de onaangename boodschap, die het "dienen der menschlijkheid" in dezen medebracht, nog een oogenblikje uit te stellen.
Nu gebeurde het dat _Hildebrand_, op zijn weg naar den beddewinkel in de middelbare straat, een plein over moest, waarop een kerk stond, waaruit het gezang der geloovigen krachtig opsteeg; en hij gevoelde lust om ten minste nog een gedeelte van de godsdienstoefening bij te wonen.
_Hildebrand_ is geen voorstander van het laat verschijnen in het huis des Heeren. Hij begrijpt dat Gods Woord er geenszins voor niet wordt voorgelezen, en veel minder om als een demper te dienen op het gedrang om plaatsen en het geschuifel met stoven; maar wel moet hij bekennen dat het iets bijzonder plechtigs en indrukmakends heeft, zich op eenmaal van de stille straat in een hoofdkerk te verplaatsen, waar een groote schare reeds met ongedekten hoofde ter nederzit en, onder het statig intoneeren van het orgel, zijn lofzang als uit ééner harte opheft. De aanblik eener gemeente, vereenigd, ten minste uiterlijk vereenigd, in den dienst van God, heeft reeds op zich zelf eene ontroerende stichtelijkheid; en wij zijn er, geloof ik, zoo menigen goeden en christelijken indruk aan verplicht, dat het, al was het alleen daarom, de moeite waard is de les van den apostel te betrachten: "Laat ons onze onderlinge bijeenkomste niet nalaten".
't Hijgend hert,
zoo zong de saamgevloeide schare met de woorden van den Tweeënveertigsten Psalm:
't Hijgend hert, der jacht ontkomen Schreeuwt niet sterker naar 't genot Van de frissche waterstroomen, Dan mijn ziel verlangt naar God.
o Gij, die meent dat tehuis een "goede" preek te lezen--gij _leest_ gewis altijd _goede_ preeken, en krijgt niet dan _slechte_ te _hooren_?--o Gij, die meent dat tehuis een goede preek te lezen, en des noods een psalm er bij, even stichtelijk is als de openbare samenkomst; die het gebod des Zaligmakers om in de binnenkamer te bidden, tegen het bidden met de gemeente overstelt, hebt gij dan nimmer het hartverheffende gevoeld, dat het gezicht van zoovele menschenkinderen, uit alle standen, die met en rondom u hetzelfde lied aanheffen, hetzelfde woord van vertroosting aanhooren, en denzelfden Vader in de hemelen, in naam van denzelfden Verlosser, aanroepen, teweegbrengen kan?
Jammer dat de organist de kracht van den roep der gemeente tot God in een laf naspel liet verloren gaan.
Een eenvoudig man van hooge jaren stond op den predikstoel en sprak de gemeente naar aanleiding der opgezongen woorden opwekkelijk toe. Hij deed daarop een eenvoudig, ootmoedig, en recht _biddend_ gebed. "Een krachtig gebed des rechtvaardigen vermag veel", zegt _Jacobus_. Toen noodigde hij de gemeente andermaal tot een gezang; en nu werd er uit den Eersten Psalm aangeheven:
De Heer toch slaat der menschen wegen ga, En wendt alom het oog van zijn gena Op zulken, die, oprecht en rein van zeden, Met vasten gang het pad der deugd betreden; God kent hun weg, die eeuwig zal bestaan; Maar 't heilloos spoor der boozen zal vergaan.
Dit waren ook de tekstwoorden van den grijzen evangeliedienaar: "De Heer kent den weg der rechtvaardigen, maar de weg der goddeloozen zal vergaan." En met dit woord in het hart spoedde _Hildebrand_ zich naar _Van der Hoogen_.
"Op de voorkamer!" riep de vrouw uit den beddewinkel, haar hoofd uit een achterkamer stekende; "de trap op; de eerste deur aan uw linkerhand!"
_Hildebrand_ volgde die aanwijzing. De deur van de voorkamer stond halfopen, en hij bevond zich op het grondgebied van den charmanten. Deze echter was er niet.
De kamer was niet bijzonder charmant; zij was slecht gestoffeerd en alles behalve net. Een gemakkelijke leuningstoel was het beste meubel. Aan den muur hingen een paar prenten met _Robert Macaire_, en eenige vrouwenbeelden van de hand van kunstenaars, die zich bijzonder op het naakt schenen te hebben toegelegd. Boven den schoorsteen een schermmasker, schermhandschoenen en floretten, en de staart van een fazantehaan, dien _Van der Hoogen_ moest verbeelden eenmaal geschoten of gegeten te hebben. In den rand van den spiegel staken eene menigte invitatiekaarten, waaronder sommige van reeds zeer ouden datum. Op tafel stond een groote flacon met reukwater en lag een deeltje van _Paul de Kock_ opgeslagen. Er brandde een vuur in den haard, dat echter in het laatste halfuur slecht scheen onderhouden te zijn. Een onaangeroerd ontbijt stond op, en van de kook geraakt theewater onder de tafel. Dit beteekende dat de heer _Van der Hoogen_ waarschijnlijk nog in zijn slaapvertrek was. _Hildebrand_ hoopte dat de hospita hem zou aandienen.
Weldra kwam er ook waarlijk iemand de trap oploopen, maar het kon de hospita niet wezen, want _Hildebrand_ hoorde degelijke manslaarzen kraken. De boven komende persoon scheen een kleinen overloop over te gaan, en hij hoorde hem een andere deur opendoen. Daarop vernam hij eene stem, die uit de dekens scheen te komen en "wie daar?" riep.
"_Bout_," was het antwoord van den binnengekomene. "Lui beest, legje nog al op je bed?"
"Hei, hei wat," antwoordde _Van der Hoogen_, "'t is pas dag. Je moet bedenken dat ik zes dagen van de week voor dag en dauw op moet. Dat verhaal ik op den rustdag, man! D...rs, ik heb koppijn, hoor! Die wijn op de sociëteit is slecht."
Er volgde een gesprek daar ik niet alles van verstond, maar wel merkte ik, dat het op het laatst over iemand liep, die zij, "het zwartje" noemden; en spoedig daarop werd het _Hildebrand_ duidelijk, dat _Van der Hoogen_ zijn wedervaren met juffrouw _Noiret_ vertelde, waarvan de herinnering hem zoo veel genoegen scheen te verschaffen, dat hij in een geweldig lachen uitborst.
"Alles goed en wel!" zei daarop de persoon, dien _Hildebrand_ met den naam van _Bout_ had hooren benoemen, en die een zeer rauw en onaangenaam geluid sloeg, "alles goed en wel! maar je bent toch een handjegauw. Waarom nu niet nog een beetje gewacht, totdat de jongen goed en wel in de West is?"
"_Boutje_!" antwoordde _Van der Hoogen_, die in dit gezelschap zijn lievelingsterm charmant voor een minder onschuldigen scheen te moeten verwisselen, "het zwartje is zoo verd .... mooi."
"Kinderachtig!" hernam de ander; "een reden te meer om geduld te hebben. Ik heb uit louter vriendschap voor jou een halfjaar geijverd om den schimmelbek zin in de West te doen krijgen, en nu het eindelijk lukken zal, ga je niet je eigen drieguldens je glazen ingooien. Als de meid het immers vertelt, hebje gedaan."
"Geen nood!" antwoordde _Van der Hoogen_; "jongens kerel! ik heb haar zoo'n char..." (daar had hij zich haast versproken!) "verd... mooi briefje geschreven; er komt van wanhoop in, en van eene eeuwige teederheid. Je moest het lezen, kerel. En zóó was ze niet, of ze heeft _dat_ wel stilletjes aangenomen. En was die verd... kerel niet gekomen.... Maar zeg reis, gaat hij stellig naar de West?"
"Hij is er zoo verliefd op, als hij eerst wanhopig was, 'k ben d....rs," zei _Bout_; "hij leeft in de stellige overtuiging dat hij, binnen zes jaar, op zijn minst half zoo rijk weerom komt als mijnheer _Kegge_. Hoe maakt de dochter van dien blaaskaak het? _Henriet_; hiet ze zoo niet?"
"Patent, kerel, patent! Mooier dan ooit, en verliefd tot over de ooren. Weetje wat? zet terwijl reis thee voor me; ik kom zoo dadelijk bij je."
De heer _Bout_ kwam daarop naar voren, en _Hildebrand_ zag een gelaat, dat de uitdrukking van de grootste onbeschaamdheid aan die der hatelijkste geveinsdheid paarde. Zijne oogen hadden dien doordringenden, zinnelijken blik, die eerzame harten zoo bijzonder pleegt te stuiten. Hij was een buikig man van vier-, vijfendertig jaar, dragende een dichtgeknoopte blauwe jas, een glimmend geborstelden hoed, en gewapend met een dikken bamboesrotting. Hij stond verbaasd iemand in de voorkamer te ontmoeten. _Hildebrand_ maakte zich bekend, en verklaarde dat hij gekomen was om den heer _Van der Hoogen_ te spreken.
"En hebje al lang gewacht, mijnheer?" vroeg _Bout_ met gemaakte vriendelijkheid.
"Ik kom zoo op het oogenblik," antwoordde _Hildebrand_.
De waardige vriend schelde en bestelde ander theewater. De juffrouw gromde "dat het geen manier van doen was", en ging de trappen af met den theeketel. Eer zij nog terug was, verscheen _Van der Hoogen_.
Hij zag er alles behalve aantrekkelijk uit, met zijne lange haren ongekruld en woest over zijn bleek gezicht hangende, in een verschoten kamerjapon, op wollen kousen en versleten pantoffels.