Camera Obscura

Chapter 22

Chapter 223,885 wordsPublic domain

De hoornist blies zijn wangen op, zijn oogen uit, en zijn hoorn vol, tot algemeene verrukking der aanwezigen die van een hoorn hielden, ofschoon er verscheidene waren die met een wijs en veelbeduidend aangezicht beweerden dat het _Potdevin_ niet was, eene blijkbaarheid die ook door het programma voldingend werd uitgewezen. Het schoonste van 's mans spel scheen daarin te bestaan, dat het geluid van zijn hoorn op alle geluiden geleek, die gewoonlijk uit andere instrumenten komen. Nu eens knorde hij als een jichtige fagot, dan weder had hij al het rochelende van een vetten waldhoren, dan weder het door den neus pratende van een intriganten hautbois, of het uitgelatene van een opgewonden trompet, ja zelfs nu en dan iets van het gillende eener hysterische dwarsfluit; zelden maar geleek hij op hetgeen hij waarlijk was, een klephoorn; en eenmaal was het geluid zoo zacht en zoo verfijnd, dat ik, zoo ik niet de rijkgeringde vingers van den virtuoos had zien bewegen, waarlijk zoo gezworen hebben, dat er niets gebeurde. In zoo verre was het maar weer goed, dat de muzikant zichtbaar was. Ik vermaakte mij gedurende het spel machtig met het gadeslaan van een dik heer achter op het orkest, die den duizendkunstenaar had geëngageerd en allerliefste knipoogjes aan alle de leden rondzond, die tegelijkertijd moesten beduiden hoe heerlijk hij het vond, en vragen of zij het ook niet heerlijk vonden; en van een lang jong mensch dicht bij mij, met zwarte haren en bleeke wangen, die zijne oogen aandachtig toedeed onder het spel en de maat met zijn teenen sloeg, en dan weer een "hoe-is-het-mogelijk!"-gezicht zette en een schrikkelijken nood had om aan iedereen te vertellen hoe familiaar hij dien duizendkunstenaar kende, en hoe goed die duizendkunstenaar biljartte, en hoe 'n aangenaam mensch en van welk een goede familie die duizendkunstenaar was, en hoe die duizendkunstenaar enkel speelde omdat hij 't niet laten kon, en welk een duizendwondertje van een mooi snuifdoosje die duizendkunstenaar van een prinses had gekregen, en hoe hij zelf in eigen persoon op de repetitie van dien duizendkunstenaar geweest was, en hoe de duizendkunstenaar hem verhaald had, dat die eigen hoorn, daar hij op speelde, hem duizend gulden had gekost.

Nu had er een machtige beweging op het orkest plaats. Ik weet niet hoeveel lessenaars werden achteruitgeschoven. De kastelein van de concertzaal bracht met een gewichtig gelaat twee waskaarsen op de piano, en de heer _Van der Hoogen_ maakte haar open, plaatste de muziek er op, en schoof de tabouret er onder van daan. Al de heeren verlieten het orkest--uitgenomen de contrabassist, een oud man, die zijn bril op zijn voorhoofd schoof, en de paukenslager, die zijn handen in de zij plaatste--en kwamen achter ons in de zaal dringen. Daarop daalde de heer _Van der Hoogen_ af, om door _Henriette_ af te halen voorloopig aan zijne bestemming te voldoen. Zij zag zeer bleek, en ik verdacht haar van aan het obligaat op den hoorn juist niet veel gehad te hebben. De heer _Van der Hoogen_ nam haar bij den pink en leidde haar op. Zij maakte een compliment, zeer gracieus voor een liefhebster, zonder evenwel tot het diepe nijgen en het verleidelijk gezicht van een tooneelspeelster te komen, en nam daarop, onder een luid handgeklap en onstuimig voorwaarts dringen van de heeren, plaats aan het instrument; trok hare handschoenen uit, en de lieve handen zweefden over de toetsen.

De eerste maten hadden den indruk van de onrustige beweging van haar pols, maar langzamerhand herstelde zij zich; haar natuurlijke kleur kwam weder, en zij speelde alsof zij thuis was, met de haar eigene verwonderlijke vlugheid.

"Inderdaad, het was wonderlijk dat menschevingers dat doen konden!" fluisterde _De Groot_ mij in, nadat hij een weinigje van den schrik bekomen was, die het optreden van _Henriette_ den goeden man gekost had. "'t Is alsof zij aan draadjes zitten. Alles leeft wat er aan is. Kijk hier, ze gooit haar armen over mekaar, of 't zoo niets was. En ze slaat er goed op, ook!--Dat's verraderlijk," zeide hij, als zij, na lang met beide handen in de lage tonen te hebben gewerkt, zonder om te zien, plotseling de toetsen van den hoogsten octaaf een fikschen tik gaf. "Drommels nou! dat gaat per post; 't is als of je een goot hoort loopen."

De heer _Van der Hoogen_ stond, met een hoek van ten hoogsten honderd en dertig graden, naar de piano gebogen en maakte zich verdienstelijk met het omslaan der bladen; maar toen hij aan de laatste bladzijde was, nam hij voor goed eene hartvervoerende houding aan, met de eene hand op de piano leunende en de andere in de zijde zettende, terwijl hij zijne leelijke oogen verlokkend door de zaal liet weiden, of ze ook nog in 't voorbijgaan een hart of tien veroveren mochten!

Het stuk was uit. _Henriette_ stond op, en dankte met een stuursch gezicht voor het daverend handgeklap. De charmante bracht haar weer tot hare plaats en deelde in haar triomf. De oude _Kegge_ had tranen in de oogen, en de charmante drukte hem de hand. "Het was onbegrijpelijk charmant geweest!" _Henriette_ liet zich door mevrouw _Kegge_ de boa weder om den hals werpen, en speelde met het einde daarvan; daarop begon zij een gesprek met de kleine _Hanna_, zoodat de geheele wereld verbaasd stond over eene jonge dame, "die zoo voortreffelijk speelde, en zoo lief was met haar zusje".

De drukke finale der symphonie, waarin machtig veel gepaukt en machtig veel gebazuind werd, besloot de eerste afdeeling van het zooveelste damesconcert van het gezelschap Melodia, en de pauze begon.

Dat is niet het minst belangrijk gedeelte van een concert, als het dissoneerend vocaal het harmonisch instrumentaal voor een half uur afwisselt. De dames hebben dan ook altijd liever een nommer minder op het programma dan een _korte_ pauze, en zulks is niet te verwonderen, wanneer men bedenkt hoe veel praatziekte, hoe veel verliefdheden, hoe veel kunstgedienstigheid, hoe veel eerzucht, praalzucht en behaagzucht hier bijeenzijn.

Indien men eene wage had, op welker eene schaal men alle deze vergaderde ziekten en zuchten kon stapelen, en men lei daartegenover op de andere het muzikaal gevoel--ja, leg er het muzikaal gehoor maar bij!--deze laatste zou ongetwijfeld omhoog gaan.

En gewichtig voorzeker was dat oogenblik, waarop deze koopbeurs van beleefdheden en praatjes aanging en het hoffelijk gedrang begon; als de blonde en bruine hoofden, de veders en de bloemen zich ophieven, de sterren op de voorhoofden haren loop begonnen; en de eerst zoo regelmatige rijen van schoonen en moeders van schoonen, van "matribus pulcris filiae pulcriores" en omgekeerd, zich tot bevallige groepen schikten, waaruit vonkelende oogen straalden en vroolijke lachjes opgingen; als de dwarling van jonge heeren een aanvang nam, waarvan ieder zijn prima donna, zijne reine du bal zocht, de een met een glimlach, de ander met een sentimenteel gezicht, de derde met een kloppend hart, en de vierde met een opgestreken kuif; waarvan de een boos, de ander onnoozel en de derde kippig keek uit verlegenheid; waarvan de een, om te beginnen, zijn netten spreidde over al wat mooi was, en de ander in het wilde scheen rond te fladderen, maar om toch wat meer eklektisch te werk te gaan; terwijl de toovermacht van dezen moest berusten in een nauw vest, en gene een philtrum meende te bezitten in de gedaante van pommade à l'oeillet; daar de talisman van een derde in zijne handschoenen berustte; terwijl een enkele begreep, dat hij het meest zoude interesseeren door met een knorrig gezicht en een medelijdenden glimlach op al het gedraai en geworm neder te zien.

Ik deed mijn best om _Henriette_ te genaken, die in een kring van heeren stond, welke zij ten deele kende, ten deele nimmer geluid had hooren geven, maar die allen van deze gelegenheid gebruik maakten om haar iets aangenaams te zeggen. Iedereen was even verrukt, en de charmante week niet van hare zijde. Ik maakte haar mede mijn compliment, en liet mij daarop van hoeken tot kanten dringen, waarbij ik het voordeel had veel te zien en te hooren, dat mij voor dien avond belangrijk voorkwam.

"Ze zullen die juffrouw _Kegge_, hiet ze zoo niet? het hoofd wel op hol maken!" merkte een mevrouw van een zekeren leeftijd, met eene zwarte gazen toque, aan. "'t Is niet goed voor zoo'n jong ding."

En zij sloot haren mond zoo dicht, zoo dicht, alsof zij er van afzag den geheelen verderen avond iets meer in het midden te brengen.

"O, ik vind dat ze er allerinteressantst uit kan zien," sprak een jonge dame, in antwoord op het zeggen van een heer van middelbare jaren, dat juffrouw _Kegge_ heel mooi was; "maar van avond, dunkt mij, heeft zij haar beau jour niet."

"Kent u die familie _Kegge_?" vroeg een andere aan een jongen heer, en zij legde duizend pond nadruk op den naam.

"Vraag excuus!" was het antwoord, "ik weet niet anders dan dat de menschen rijk zijn.... Maar," ging hij zachter voort, "ze zijn volstrekt niets. Haar grootvader was hier ter stede een kruidenier of zoo wat, en haar vader...., die heeft fortuin gemaakt in de West."

"Ik vind ook wèl, dat men haar _dat_ aan kan zien," sprak een derde, die dit gesprek had gehoord, schoon zij er met den rug naar toe had gestaan, zelve een gelaat vertoonende, dat alles behalve ongemeen was.

"Ik hou niet van dat soort van oogen," hoorde ik aan eenen anderen kant, uit de mond van een jong meisje van dertig, die zeer flets uit haar eigene keek.

De freule _Van Nagel_ scheen zeer tevreden over het spel, maar liet zich over de speelster volstrekt niet uit.

Ik bewonderde onder de menigte van schoone vrouwen van middelbaren leeftijd eene die, met een allerbevalligst voorkomen en zeer innemende manieren, het voorwerp der algemeene belangstelling scheen te zijn. Al de heeren kwamen voor haar buigen, en al hunne vrouwen lieten zich, de eene voor, de andere na, bij haar brengen. De jonge dames deden hun best om haar te naderen, of wenkten haar met het daarbij behoorend lachend gezicht toe, dat het onmogelijk was. Zij gaf een soort van pleeggehoor. Meermalen poogde zij te gaan zitten, maar juist op het oogenblik dat zij er toe besloot, verscheen er weder altijd iemand om haar zijne beleefdheid te bewijzen; en ik bewonderde in stilte de goede gratie, waarmede zij zich terstond weder tot den nieuwaangekomene wendde en de onbeduidende gezegden, die vrij wel met de door al zijne voorgangers gehoudene gesprekken overeenkwamen, met verschen moed beantwoordde. Hare dochter, een meisje dat nog geen zestien jaren mocht hebben bereikt, was aan hare zijde, en scheen deze minzame bevalligheid reeds in hare mate te hebben overgenomen. Wat beider beleefdheid het aangenaamst maakte, was het eenvoudige en ongedwongene, het volkomen vrindelijke en opgewekte, dat haar eigen was en niet anders voortkomen kon dan uit eene lieve harmonische stemming des gemoeds en eene heldere tevredenheid des harten. Voor mij was het een waar genoegen haar gade te slaan, en ik kon niet nalaten met minachting te denken aan de valsche redeneering van een aantal zich noemende menschenkenners, die hoffelijkheid altijd voor willen doen komen als laagheid, en welwillendheid als huichelarij. Waarlijk, die echte humaniteit, die goede toon, die beleefde innemendheid, welke de blijken dragen van in overeenstemming te zijn met den geheelen persoon, die ze aan den dag legt, is te gelijk eene gave en eene verdienste, en ik wenschte wel, dat men algemeen gevoelde, hoe men de wetten der welwillendheid met de wetten der fijnste zedelijkheid en het meest kiesche gevoel in verband kan brengen. Al het misbruik, dat van haar gemaakt is door intriganten en hypocrieten, neemt niet weg, dat zij een der schoonste sieraden van het menschdom is, en een der verhevenste onderscheidingen boven het dierengeslacht doet uitkomen.

Ik vernam later dat deze bevallige vrouw eene dame was, wier huis bekend stond voor eene plaats, waar men zich nimmer verveelde, die niet slechts veel menschen zag, maar haar gezelschap altijd geheel bezielde en doordrong van de liefelijkheid haar aangeboren.

Den stroom volgende, werd ik nog voorbij vele paartjes gesleept, die werk van elkander maakten; ook langs schuchtere jongelingen, die zich verstoutten hun geheel onbekende dames noodelooze diensten te bewijzen, als daar zijn: boa's op te rapen, die nog niet gevallen waren, en sjaals over haar stoel te hangen, die ze nog niet noodig hadden; alsmede langs vele ophoopingen van jonge meisjes, die iedereen uitlachten. Hier en daar zat of stond eene oude dame stokstijf voor haar stoel, te midden van een jong geslachte, "inmobilis in mobili"; en herinnerde zich de dagen, dat ook zij mobieler was, of verbeeldde zich dat zij ook nu nog mobieler zijn konde, indien zij maar wilde; of verheugde zich, dat nu haar kinderen waren zoo als zij geweest was; of verklaarde dat de pauze nu eenmaal lang genoeg geduurd had.

Zoo kwam ik tot aan de deur, en nu bezocht ik ook de koffiekamer. Hier waren de standen meer dooreengemengd, en vooral onder de werkende leden vond men van alles. De muziek, het ijsvermaak, en het tabakrooken nemen allen aanzien des persoons weg. Hier werd hevig gerookt door allerlei soort van rookers. Er waren er die pijpen, er waren er die sigaren, er waren er die baai rookten; sommigen hadden al lang naar hun rooktoestel gesmacht, andere deden het alleen, omdat de rook der overige hun dan minder hinderde. Er waren er die het niet laten konden, en er waren er die het doen en laten konden allebei, en het daarom zoo veel mogelijk deden; verslaafden, en vrijwillige dienstknechten; en de kleine _Keggetjes_ drongen door de menigte heen, en hadden waarlijk ook ieder een sigaartje in den mond, ter zake waarvan hun vader lachte dat hij schaterde.

"Die juffrouw _Kegge_ speelt admirabel, niet waar?" zei een beschaafd heer, zijn viool weer uit de vioolkas nemende, om zich voor de tweede afdeeling gereed te maken, en omziende naar een groot liefhebber, een dik persoon, met een lomp uiterlijk, dien ik in 't orkest met een waldhoren gezien had.

"Ze speelt verdraaid vlug!" antwoordde die van den waldhoren.

"Veel smaak, veel smaak!" riep een wijs burgerheer, die een dwarsfluit blies.

"Smaak?" riep een klein heertje, dat zich juist aan een heet glas punch brandde, met een pieperig stemmetje, "smaak? geen zier smaak! al den duivel vlugheid, kunstjes, _brille_."

"Een mooie piano, niet waar?" hoorde ik in een anderen hoek, uit den mond van een werkend lid.

"Ja, en een weergasche mooie meid ook," antwoordde een honorair lid.

"Foei, oude snoeper, waar kijk je na?" zei de eerste spreker.

Zoo gaat het, wanneer gij op concerten speelt. Waarom laat gij het niet liever?

De tweede afdeeling bood niets bijzonder opmerkenswaardigs aan. Een welgemaakt officier der zware ruiterij trad in burgerkleeding met een wit vest op en zong een paar coquette romances, die beurtelings zeer laag en zeer hoog liepen en met een afwisselend kwaadaardig en snoeperig lachend gezicht gezongen werden, maar waarvan de toon en de inhoud zoomin overeenkwamen met zijn zware knevels als met de op-en-neder-gesten, die hij met het tusschen zijn beide handen uitgespannen blad papiers maakte. Voorts hadden wij nog een obligaat op de violoncel van een Duitscher met een plat hoofd en een gouden bril; en het concert eindigde, zooals een deugdzaam concert behoort te eindigen, met eene ouverture.

De zaaldeur werd opengezet, en de geparfumeerde dampkring door een gevoeligen tocht gezuiverd. De boa's en pelerines werden opgehaald. De cephaliden werden om die kopjes, die er lief mee uitzagen, vastgestrikt, of anders in de hand gereed gehouden, en de jonge heeren, die het er op gezet hadden de eene of andere schoone naar het rijtuig te geleiden met het stellige voornemen om dien nacht van dat geluk te droomen, zochten zich van stonden aan van een gunstig standpunt te verzekeren. De heeren, die vrouwen hadden, waren boos dat hunne rijtuigen zoo laat kwamen, en de heeren, die paarden hadden, maakten zich ongerust dat het hunne misschien lang zou moeten wachten; den jongen meisjes speet het, dat het hare zoo vroeg kwam; en enkele opgewonden jonge heeren spraken er van, dat het aardig zou wezen de concertzaal in een balzaal te veranderen, en hingen eene verleidelijke schilderij van deze gelukzaligheid op.

_Van der Hoogen_ was weder in ons midden en stond zoo dicht mogelijk tegen den linkerarm van _Henriette_ aangedrongen. Zij was allerliefst jegens hem, en schertste en lachte; maar toen de knecht met groot misbaar "de koets van mijnheer _Kegge_!" aankondigde, draaide zij zich eensklaps om en greep in een aanval van behaagzieke speelschheid mijn arm. Van dien oogenblik aan haatte mij de charmante. Zegevierend zag _Henriette_ om. Mijnheer _Kegge_, die haast maakte, volgde met mevrouw; _Van der Hoogen_ moest zich dus met de kleine _Hanna_ behelpen, naar welke hij zich heelemaal scheef moest overbuigen, tot groot genoegen van de dubbele rij van heeren en dames, tusschen welke wij bij het verlaten der zaal doortogen. Een charmante spitsroede.

Wij kwamen thuis. Er werd een buitengewoon souper aangericht. Tegen het dessert dook de heer _Kegge_ zelf in zijn wijnkelder en bracht zulk een menigte van allerlei merken boven, dat het hart mij van angst in de keel begon te kloppen. De charmante, die van de partij was, stelde een toost op de schoone pianiste in, en las daarbij een fransch extemporeetje van zijn eigen maaksel voor, waarin hij op eene charmante wijze over alle regelen der taal had gezegevierd. Hoofdzakelijk zeide hij, dat _Henriette_ een mooi meisje met bruine oogen, een engel, en eene godin der muziek was, en daarbij kwamen eenige opmerkingen omtrent uitgetrokken harten en op tonen drijvende zielen. Wij waren allen geheel bewondering, en mevrouw _Kegge_ niet het minst, hetgeen ongetwijfeld veel voor de zaakrijkheid van het gedicht pleitte, daar HEd. van de zes woorden er maar drie verstaan had. Mijnheer _Kegge_ dronk den dichter, en de dichter dronk den heer _Kegge_; en de heer _Kegge_ liet de kurken van champagneflesschen tegen den zolder springen; en de heer _Van der Hoogen_ sloeg met de platte hand op champagneglazen dat de wijn op nieuw begon te schuimen; en dit alles was ter eere van juffrouw _Henriette Kegge_.

Ochtendbezoek en Avondwandeling.

Des anderen daags vóór den middag werd de goede _De Groot_ aangediend en trad de kamer binnen verzelschapt van zijn lieve dochter, die een groote gunstelinge van den heer _Kegge_ was en in zijn huishouden goede diensten bewees. Dien middag zou zij met ons dineeren, en haar vader bracht haar zelf, omdat hij meteen zijne dankbaarheid wilde komen betuigen voor het introductiekaartje. Hij sprak met de grootste opgewondenheid over den avond van gisteren.

"Nooit in zijn leven had hij zoo iets moois gezien of gehoord. Dat was een rijkdom! Dat waren stukken muziek! Hij wist niet hoe het mogelijk was, dat een mensch zoo vlug op 't klavier wezen kon als nicht _Henriette_; en toen hij haar zoo had zien zitten, misschien was het zonde geweest, maar hij had gedacht, dat zij zoo mooi was als een engel uit den hemel."

_Henriette_ glimlachte en vergat, om het streelende der vergelijking, dat zij die voor ditmaal uit den mond vernam van een koekebakker. Zij begon daarop zeer vriendelijk naar juffrouw _De Groot_ te vragen en haar spijt te betuigen dat zij niet op de verguldpartij had kunnen komen; zij zou juffrouw _De Groot_ nog eens in persoon haar excuses komen maken.

"Neen maar, juffrouw... ik wil zeggen, nicht _Henriette_!" zei de goede man, "dat behoeft in't geheel niet. Uw bezoek zal haar welkom zijn, maar excuses! och, dat behoeft niet; dat weet neef _Kegge_ wel. Mijn vrouw heeft het ook volstrekt niet kwalijk genomen; dat moet u toch vooral niet denken!"

"Nu, neef _De Groot_"... zei _Henriette_ vriendelijk... en wie weet hoe lief zij zou geweest zijn? maar het woord bestierf haar op de lippen, want de charmante trad binnen en maakte wat ik zijn "compliments de coutume" noemde.

"Wel, juffrouw _Henriette_! Is de nachtrust goed geweest, na de fatigue van gisteren? Ik heb geen oog toe kunnen doen; ik was nog zoo geënthusiasmeerd van de muziek. Het was een charmante avond; de geheele wereld had zich dan ook perfect geamuseerd. De stad is van u vervuld!"

"Vleier!" zei _Henriette_, "maar ik weet," liet zij er op goedigen toon op volgen, "ik weet dat gij het goed meent."

En zij reikte hem de hand.

Hij nam die met vervoering aan en trok haar naar de vensterbank.

"Wie is die man?" vroeg hij, den goeden _De Groot_ van het hoofd tot de voeten opnemende.

"De vader van _Saartje_," antwoordde _Henriette_ bedeesd.

"o Ho!" zei de heer _Van der Hoogen_, die dat ook zeer wel wist hem den rug toedraaiende. En zijn lorgnet in het oog klevende bezag hij den ruiker bloemen, die in een sierlijke porseleinen vaas op een guéridon voor het raam stond.

"Wat een mooi bouquet, zoo laat in 't jaar!" merkte hij aan.

"Papa is zoo lief geweest het mij mee te brengen. Het heeft zijn beste dagen al gehad."

"Reiken de stelen allemaal wel goed aan 't water?" vroeg de charmante.

Hij stak, om zich daarvan te overtuigen, zijn hand diep in den ruiker, en toen hij die weder terugtrok, was het als of er iets violetkleurigs in achterbleef, dat naar de punten van een klein biljet zweemde.

De heer _Kegge_ was ondertusschen druk bezig met neef _De Groot_, die echter niet op zijn gemak was, aangezien Azor en Mimi het hem verbazend lastig maakten; en hoewel mevrouw _Kegge_ hem gedurig verzekerde dat het de liefste diertjes van de wereld waren, die nooit iemand leed deden, bevielen hem de steeds luider uitvallen en het gestadig pronken met hunne witte tanden zeer weinig. Zijn bezoek was slechts kort; hij groette mijnheer en mevrouw _Kegge_ allerhartelijkst, "juffrouw, ik wil zeggen nicht _Henriette_" zeer eerbiedig, en maakte ook een buiging Voor _Van der Hoogen_, die hem met een hooghartig "goeden dag" betaalde.

_Van der Hoogen_ ging daarop mijnheer en mevrouw _Kegge_ bezighouden, en _Henriette_ trad op den bloemruiker toe, haalde er het biljet uit en borg het in haar ceinture, evenwel zoo handig niet of ik bemerkte het volkomen; zij vermoedde dit, en kreeg een kleur. De kaketoe werd daarop haar toeverlaat. Zij hield hem een stukje beschuit voor.

"Wat zegt Coco dan tegen de vrouw?"

"Pas op, pas op!" riep de kaketoe, die blijkbaar in de war was. _Van der Hoogen_ vertrok spoedig daarop, en de dag had vooreerst weinig merkwaardigs meer. Grootmama liet naar Saartje vragen; zij bleef een uurtje boven, en kwam daarna met roode oogen beneden.

"Gij hebt de lieve oude vrouw wat gelukkig gemaakt!" fluisterde zij mij in.

Ik had gelegenheid in den loop van den namiddag de lieve blonde eens zoo goed als alleen te spreken, en spoedig maakte ik daarvan gebruik om het gesprek op haar vriendin _Noiret_ te brengen.

Zij verhaalde mij van _Suzettes_ onvergelijkelijke gehechtheid aan haar moeder, van hare voorbeeldelooze werkzaamheid, waardoor zij zooveel mogelijk in de behoeften van deze voorzag, van haar eigen schamel kamertje, en van alles wat haar om den wil harer moeder zoo zeer bekommerde. Ook deelde zij mij mede, dat er een knappe jongen in de stad was, een schrijver op een der stadsbureaux, die een dollen zin in _Suzette_ had, en dat zij geloofde, dat hij _Suzette_ ook niet ten eenenmale onverschillig liet; maar dat zij het voor zichzelve niet wilde bekennen, omdat zij meende dat de inwilliging van een dergelijk gevoel eene misdaad was tegen hare moeder; dat zij daarom dien jongeling altijd op een afstand hield en hem soms wel wat erg behandeld had, wat zeker tegen haar eigen hart was; en dat zij zich dat dezer dagen bijzonder verweet, nu zij vernomen had, dat hij, er aan wanhopende ooit hare genegenheid te zullen verwerven en toch ook vooreerst geen mogelijkheid ziende om haar een onafhankelijk bestaan te verzekeren, het plan had opgevat om zijn geluk in de West te gaan beproeven.