Chapter 21
Ik vond de familie _Kegge_ reeds bijna aan het souper. _Van der Hoogen_ deelde er in, en maakte op walgelijke wijze het hof aan _Henriette_, die al de aantrekkings- en afstootingskunsten eener handige coquette (het is een aangeboren gave) in werking bracht. Men vermeed in 't bijzijn van ZHWG. van "de _De Grooten_" te spreken, en eerst toen hij vertrokken was, vroeg men hoe ik mij geamuseerd had. Ik gaf een gunstig antwoord, maar trad in geene bijzonderheden, omdat ik voor geen geld ter wereld de onschuldige vreugde der _De Grooten_, _De Rieten_, _Dekkers_, _Hupstra's_ en zoo voorts, door eene juffrouw _Henriette Kegge_ wilde hooren bespotten.
De Grootmoeder.
Toen ik den volgenden morgen na het ontbijt de bibliotheek binnentrad, zat daar de oude dame in een ruimen lagen leunstoel met roodlederen zitting en rug, die waarschijnlijk tot de stoffeering van haar eigen kamer behoorde, bij het vuur. Eene kleine tafel was daarbij aangeschoven, en daarop lag een Engelsche octavo Bijbel, waarin zij ijverig las. Zij hield daarenboven een breiwerk in de hand.
De schoone lange-hond zat weder naast haar stoel en keek oplettend tot haar op. Werkelijk volgde hij met zijne goedige oogen iedere beweging van haar hoofd en hand, als zij van den Bijbel naar haar breiwerk keek om de steken te tellen, of een blad omsloeg.
Van alle personen, die het huisgezin uitmaakten, kende ik deze het minst, daar zij nooit dan bij het middagmaal verscheen en na afloop daarvan onmiddellijk weer vertrok. Was het alleen dáárdoor dat zij mijne belangstelling prikkelde, of was het ook door haar deftig, stil, en ingetrokken voorkomen, de weinige, korte, verstandige, maar dikwijls wel wat harde woorden, die zij sprak, en de verknochtheid van haren schoonen langen-hond? Hoe het zij, ik hoopte hartelijk, dat zij een gesprek met mij zou aanknoopen.
Zij scheen mijn binnenkomen niet bemerkt te hebben, en terwijl ik mij nederzette en mijne boeken opensloeg, hoorde ik haar half overluid de schoone plaats van _Paulus_ oplezen: "For we are saved by hope: but hope that is seen is not hope: for what a man seeth, why doth he yet hope for? But if we hope for that we see not, then do we with patience wait for it" (Rom. VIII. 24, 25).
Zij schoof den Bijbel een weinig vooruit, en leunde met den rug in haar stoel, als om daarover na te denken; zachtjes herhaalde zij de woorden "then do we with patience wait for it".
Plotseling bemerkte zij dat ik mij in het vertrek bevond.
"Gij zult mij vandaag moeten dulden, mijnheer!" dus begon zij; "mijn kamer wordt schoongemaakt, en dan ben ik gewoonlijk hier."
"Gij leeft een zeer eenzaam leven, mevrouw!" antwoordde ik; "drukte zal u misschien hinderen."
"O neen!" hernam zij, met een luide stem; "ik ben sterk genoeg. Mijn hoofd is zéér sterk; _ons_ menschengeslacht is zoo zwak niet. Maar ik ben niet meer geschikt voor gezelschap; ik ben te somber, te ernstig geworden. Ik zou hinderen; ik zou vervelend zijn. Dit boek," zeide zij, op haren Bijbel wijzende, "dit boek is mijn gezelschap."
Zij zweeg eenige oogenblikken, en streelde den kop van haar hond met de bruine hand. Daarop hief zij zich weder een weinig in haar stoel op.
"Gij zijt hier nu reeds een paar dagen, mijnheer _Hildebrand_," hernam zij; "en de aanleiding tot uwe kennismaking met de familie is van dien aard dat... Zeg mij eens, heeft men al eens met u over den lieven _William_ gesproken?"
"Het spijt mij, mevrouw! dat ik u ontkennend moet antwoorden. Neen! men heeft met mij nog geen woord over _William_ gewisseld."
"Heb ik het niet gedacht!" riep zij uit, hare handen in elkander slaande en een diepen zucht loozende, die in een droevigen glimlach overging: "ik wist het wel; ach, ik wist het wel!"
Zij zag treurig haar hond aan, die, als verstond hij hare klachten, zijn voorpooten op haar schoot legde en zijn kop tot haar aangezicht ophief, om haar te streelen.
"En toch is hij nog geen drie jaar dood, Diaan!" zeide zij, den poot van den hond aanvattende: "de lieve _Bill_ is nog geen drie jaar dood. Ik wil wedden," voegde zij er met nadruk bij, "dat de hond hem nog niet vergeten heeft."
Eenige oogenblikken zat zij in een gepeins, waar ik haar niet in durfde storen.
"Hij was mijn oogappel!" barstte zij uit, "mijn lieveling, mijn uitverkorene, mijn schat!"--En toen bedaarder: "hij was een lieve jongen; niet waar, mijnheer _Hildebrand_?"
"Dat was hij," zeide Ik.
"En toen hij wegging," ging de grootmoeder voort, "was het alsof het mij werd ingefluisterd dat ik hem niet weer zou zien; en Diaan hield hem bij zijn mantel terug. Niet waar, Diaan? _Bill_ had niet moeten weggaan. Hij had moeten blijven, moeten oud worden in plaats van de vrouw.--En als hij dan volstrekt had moeten sterven, dan had ten minste zijn grootmoeder hem de oogen moeten toedrukken. Wie heeft het nu gedaan?..."
Wat deed het mij goed aan het hart, haar te kunnen zeggen, dat ik het zelf was geweest!
"Inderdaad?" vroeg zij met een zachten lach. "Ik benijd u." En zij zag mij aan met een langen en strakken blik.
"Dezen zakdoek," ging zij na eenige oogenblikken zwijgens voort, op den foulard wijzende, dien zij om den hals droeg, "liet hij bij het afscheid liggen. Hij ging de deur uit, maar kwam nog weer terug om hem te halen. De arme jongen had hem wel noodig, want ik kon hem in zijn tranen wasschen. Ik wischte zijn oogen af en wilde den doek behouden. Die doek en deze brieven zijn mijn eenige troost!"
Zij sloeg haar Bijbel op verschillende plaatsen op, en toonde mij de brieven, die zij van _William_ ontvangen had en in dat boek bewaarde. Zij nam er eenen op en tuurde een poosje op het adres.
"Hij schreef een mooie hand; deed hij niet?" zeide zij, en reikte mij den brief toe.
Ik las het adres. Het luidde: "Aan Mevrouw E. _Marrison_."--"E.M." Dat waren de voorletters die op den ring gegraveerd stonden, dien hij mij op zijn sterfbed gegeven had. E.M.! Ik had aan dien ring een ganschen roman geknoopt; in die letters den naam van een lief, jeugdig meisje gelezen, dat haar jong hart reeds vroeg voor _William_ geopend had! Maar hoeveel aandoenlijker was dit pand eener eenvoudige genegenheid tusschen grootmoeder en kleinkind! Schoon ik anders den ring niet droeg, had ik hem toch dezer dagen aangetrokken. Ik nam hem van mijn vinger.
"Deze gedachtenis," zeide ik, "gaf hij mij op zijn sterfbed. Hij beval ze mij aan als iets dat hem heel dierbaar was."
Het gelaat der oude vrouw helderde op; en nu voor het eerst schoten er tranen in die oogen, die tot nog toe zoo strak gestaard hadden.
"Mijn eigen ring!" riep zij uit. "Ja! ik gaf hem dien voor den neusdoek; heeft hij hem altijd gedragen?"
"Tot weinige uren voor zijn dood!"
"En zeide hij, dat hij hem heel dierbaar was? De lieveling! Heeft hij zijn laatste krachten nog gebruikt om dat te zeggen? En waren zijne laatste gedachten ook bij zijn grootmoeder?--Zie je wel, Diaan!" zeide zij tot den hond; "het is het ringetje van de vrouw, dat de lieve _Bill_ gedragen heeft. Hij heeft ons niet vergeten, Diaan! en wij _hem_ niet--ofschoon dan ook.... Ach mijnheer!" ging zij voort, "mijne dochter was in 't eerst zoo hevig bedroefd; maar zij gevoelt niet _diep_; zij was de laatste, de eenige overgeblevene, maar niet de gevoeligste van mijn kinderen. Ook had zij zoo veel kinderen over. Maar ik, ik had mijn hart op _William_ gezet. Hij droeg den naam van zijn grootvader, mijn eigen braven _William_! Hij was altijd zoo eenvoudig, zoo lief, zoo teer, zoo aanhalig voor mij. Het was een _lieve_ jongen! Wat doen wij hier zonder hem, Diaan?"
Weder volgde een korte pauze.
"_Kegge_ is een goed mensch!" ging zij voort. "Hij is goed, hij is hartelijk, hij is week. Maar hij is vol valsche schaamte; hij wil nooit met een traan gezien worden. Hij verdrijft zijn beter gevoel door luidruchtigheid. Toen hij _Hanna_ trouwde, was zij een speelsch kind, die met zes jonge honden door de plantage liep. Hij heeft haar niet ontwikkeld, niet geleid; zij ziet hem naar de oogen, zij richt in alles zich naar hem; onder zijn invloed durft zij niet anders zijn dan _hij_ zich voordoet. Somtijds ben ik hard tegen _Kegge_, en daarom leef ik liever alleen. Hij verstaat mij niet. En dan! dat er nooit, nooit een woord over den lieven _William_ gesproken wordt!--Maar _wij_ spreken van hem, niet waar Diaan?" en zij streelde hem zachtkens over den kop: "wij spreken van hem. Hij was zoo goed voor den hond, en de hond had al zoo vroeg met hem gespeeld. Als ik lang naar den hond kijk, is het als zag ik den kleinen _Bill_ nòg met hem spelen..."
Zij nam den ring weder op.
"Ik zal hem u weergeven, als gij weggaat," zeide zij; "maar laat mij hem nog een paar dagen houden."
"Houd hem uw geheele leven, mevrouw!" riep ik haar toe. "Gij hebt er de grootste en teederder rechten op dan ik."
En ik reikte haar de hand.
"Mijn geheele leven!" antwoordde zij: "ik wenschte wel dat dat niet lang ware. Ik ben niet geschikt voor dit land. Mijn vader was een Engelschman, maar mijne moeder een Westindische van ouder tot ouder, eene inboorlinge. De lucht is mij hier te laf, de zon te flauw. Zoo gij wist wat het mij gekost had de West te verlaten! Maar mijn eenig kind, en het graf van mijn kleinkind trokken mij hierheen. Ook wilde men mij niet alleen achterlaten. Ik mocht niet blijven in het huis, waar ik _William_ vóór mij had gezien; ik moest afscheid nemen van de plekjes, waar ik hem had zien spelen, waar hij op zijn klein paardje voor mijne oogen had rondgereden. Ik zou zijn graf wel eens willen zien. Ik verlang om naast hem te slapen in den vreemden grond..."
Diaan, die zijn kop weder weemoedig in haar schoot gelegd had, hief dien langzaam op, en zag haar droevig aan. Er lag een vraag in zijne oogen:
"En wat zal er dan van Diaan worden?"
Een Concert.
De belangrijke dag, waarop (zoo als de charmante gezegd had) al wat in de stad smaak had, en ik voeg er bij, lid was van het concert Melodia, stond verrukt te worden door het spel van mejuffrouw _Henriette Kegge_, de mooie dochter van den rijken West-Indiër, was gekomen.
De piano was vroeg in den morgen ter concertzale gebracht om te acclimateeren, en de heer _Van der Hoogen_ was er zelf heengegaan om haar te ontvangen; ja, hij was zelfs eenigszins martelaar van die gedienstigheid geworden, daar de kastemakersgezellen, die het stuk hadden overgebracht, bij het strijken, een der pooten op 's mans likdoren hadden doen neerkomen, dat hem "alleraffreust!" zeer had gedaan.
Papa had aan het diné zich een paar malen onderwonden op te merken dat zijn dochter toch wel wat bleek werd, als er van het concert werd gesproken, iets hetwelk trouwens maar zeer weinig het geval _niet_ was; maar zij wilde 't volstrekt niet bekennen en zou er eindelijk zelfs boos om geworden zijn.
Na den eten begon men dadelijk toilet te maken, en tegen half zeven kwam de schoone _Henriette_ beneden. Zij droeg een zeer lage japon van gros-de-naples, van een zeer licht bruinachtig geel, en had een snoer volkomen gelijke kleine paarlen door haar lokken gevlochten; verder droeg zij geene versierselen hoegenaamd.
Mama _Kegge_ was veel schitterender. Haar klein hoofd zwoegde onder eene groote toque met een paradijsvogel. Een gouden halsketting, die het dubbel kon wegen van dengenen dien zij altijd droeg en waarmede zij, geloof ik, ook sliep, hing over hare schouders, en haar japon was vooral niet minder dan vuurrood.
De kleine _Hanna_ was gelukkig in 't wit, maar lag ook al aan een gouden ketting. De beide jongens zagen er uit als gewoonlijk; maar dat zij ieder een cylinderuurwerk op zak hadden, dat zij geen van beiden konden opwinden, en waar slechts een van beiden zoo wat half en half op kijken kon hoe laat het was, scheen mij toe niet overnoodzakelijk te wezen. Trouwens, indien zij er maar gelukkig mee geweest waren, ik had hun die uurwerken, als speelgoed, gaarne gegund. Maar zij waren reeds volkomen blasé op het punt van dat moois.
"Ben je er niet héél blij mee!" vroeg ik aan den oudste.
"Wel neen we!" antwoordde de jongste.
Mijnheer _Kegge_ wilde volstrekt met slaan van zevenen vertrekken, maar _Henriette_ stond er op dat men niet gaan zou voor kwart óver zevenen.
De charmante kwam nog eens aangedraafd en was charmanter dan ooit. De mouwtjes van den bruinen rok, dien hij droeg, waren nog korter dan van zijn groenen; de overgeslagen manchetten nog polieter en nog meer gesteven; zijne handschoenen nog geler; zijn vest vertoonde in rood en zwart een schitterend dessin op een reusachtige schaal; hij zette zijn lorgnet in den hoek van het oog, om een overzicht van _Henriette_ te nemen.
"Om voor te knielen!" riep hij uit. "Allercharmantst! Mevrouw _Van Kegge_, je hebt eer van je dochter!"
En daarop huppelde hij weder heen om de familie in de zaal op te wachten en te zorgen dat de plaatsen niet in bezit genomen werden "want het zou criant vol zijn"!
_Henriette_ liep heen en weer door de kamer en sprak nu en dan met den kakatoe om hare gerustheid te toonen, welke gerustheid niettemin eenigszins werd tegengesproken door een herhaald en ten laatste wel wat overtollig kijken op de pendule, die eindelijk op kwartier over zevenen stond. Het rijtuig wachtte, en wij reden ter muziekzaal.
De charmante stond in den gang ons op te wachten en bood zijn arm aan mevrouw _Kegge_ aan; ik volgde met _Henriette_, en het luid gezwatel van stemmen, dat den stormwind der muziek voorafgaat, liet zich hooren. De komst van de familie _Kegge_ maakte eenige opschudding onder de jonge heeren, die achter in de zaal stonden en die door den heer _Kegge_, naarmate hij hen passeerde, zeer luidkeels begroet werden. Over 't algemeen sprak ZEd. een toon of wat te hoog en te bar voor een publieke plaats.
"_Van der Hoogen_! waar moeten de dames zitten? Ik hoop wat vooraan. _Henriette_ moet zoo'n lange wandeling niet maken, als ze spelen zal. Hier, dunkt me. Op deze drie stoelen. _Henriette_ op den hoek; mama in 't midden; en de kleine kleuters dáár."
Toen keek hij triomfantelijk rond om te zien welk een uitwerking deze onafhankelijke taal op de groote hanzen en adellijke heeren, die rondom stonden, maken zouden.
Men zat. Een aantal lorgnetten geraakte in beweging om de mooie juffrouw _Kegge_; een aantal hoofdjes van dames, die in een zeer druk gesprek gewikkeld waren, draaiden zich van tijd tot tijd naar haar om, zonder evenwel den schijn te willen hebben er werk van te maken haar gade te slaan. Sommige keken verbaasd van de toque van mevrouw; andere lachten in haar geborduurden zakdoek om de drukte van mijnheer; een paar stieten elkander aan wegens de charmantheid van den charmanten.
"Is freule _Nagel_ hier óók?" vroeg hem _Henriette_, haar donkere boa een weinigje latende zakken. In de laatste dagen had zij veel aan de hooggeborene gedacht.
"Nog niet," antwoordde hij, het lorgnet uit zijn oog latende vallen alsof het een groote traan geweest ware; "nog niet, maar zij komt ongetwijfeld. Gisteren nog maakte ik een visite bij den baron. _Van der Hoogen_, zei ze, ik languisseer naar morgenavond! Ei zie, daar komt ze juist. Zij zal hier in de buurt komen; charmant! charmant!"
De dame, die hij hierop als de freule _Constance_ uitduidde, werd binnengeleid door een oudachtig edelman, met een bijna kaal hoofd, maar dat aan de slapen nog versierd werd door eenige dunne spierwitte krullen, die aan zijn kleurig gelaat een zeer belangwekkend voorkomen bijzetten. Zij zelve was eene schoone jonge vrouw van omstreeks zes- of zevenentwintig jaren. Nooit zag ik edeler voorkomen. Heur haar was van een donker kastanjebruin en op de allereenvoudigste wijze gekruld en gevlochten. Haar hoog voorhoofd ging over in een eenigszins gebogen neus en maakte daarmee de schoonst mogelijke lijn. Groote lichtkleurige oogen werden door lange zwarte pinkers, die er iets buitengewoon zachts en ernstigs aan gaven, omzoomd en de zuiverheid harer donkere wenkbrauwen was benijdenswaardig. Haar mond zou iets stroefs gehad hebben, indien niet de vrindelijkheid van haar doordringend oog dit had weggenomen. Zij was middelmatig groot en hield zich volkomen recht, behalve dat zij niet den hals, maar het hoofd misschien een weinig gebukt hield. Haar kleed was van een lichtgrijze kleur, en een kleine mantille van zware witte zijde met zwanedonzen rand rustte met veel kieschheid op hare lage en netgevormde schouders. Waarlijk, dit was het gelaat, het oog, de houding, noch het gewaad van eene jonkvrouw, die gezegd werd ziek te zijn naar de maraboes van juffrouw _Kegge_ en te smachten naar een concertavond.
Zij koos haar plaats een paar rijen vóór de zitplaatsen van onze dames, en hoewel de heer _Van der Hoogen_ deze omstandigheid in 't vooruitzicht charmant genoemd had, geloof ik dat zij hem toch min of meer gênant voorkwam; immers hoe gaarne hij die ook zou hebben willen ten toon spreiden, toen hij de freule _Van Nagel_ (en hij moest wel!) zijn compliment ging maken, bleek ons weinig of niets van die gemeenzaamheid waar hij zoo hoog van had opgegeven. De freule beantwoordde zijn diepe buiging met een stijven groet, die hem op een allerakeligsten afstand hielden, voor zoo ver ik bemerken konde, kwam er in de weinige woorden die zij hem ten antwoord gaf, veel van mijnheer, maar niets van _Van der Hoogen_, noch van languisseeren of iets dergelijks. Het was duidelijk dat de charmante haar eerbiedelijk op _Henriette_ opmerkzaam maakte, maar zij was te beleefd om bepaald om te kijken, en eerst veel later, toen de heer _Van der Hoogen_ was heengegaan om zijn viool te stemmen, want hij was werkend lid, wendde zij haar schoon hoofd even om en wierp een blik op _Henriette_, die mij juist influisterde dat die freule _Nagel_ zeker wel een jaar of dertig tellen moest. De kleine _Hanna_ had ook reeds hare aanmerkingen op de aanwezigen, en was bijzonder geestig op het punt eener bejaarde dame, die zij vond "dat er dol uitzag; met die bayadère van gitten."
Nu werden er een paar slagen op de pauken gehoord, en daarna trad, pratende en lachende, en zulks te meer naarmate zij met die opkomst eenigszins verlegen waren, dat mengsel van virtuozen en dilettanten op, hetwelk gewoonlijk op een dames-concert zijne krachten samenspant om aller harten te betooveren, plaatste zich achter de respectieve lessenaren, en begon die vervaarlijke, snerpende, krassende kattemuziek uit te voeren, welke aan ieder muzikaal genot noodzakelijk schijnt vooraf te moeten gaan. Het gedruisch in de zaal hield op; ieder schikte zich op zijn gemak. De heeren, en daaronder ik, deinsden meestal, op een enkel jong mensch na, die zich op 't poseeren en fixeeren toelei (daar waren onweerstaanbare oogen en alles veroverende tailles!), naar den achtergrond der zaal terug, en alles was doodstil. Daarop verhief de orkestmeester zijn ebbenhouten stafje, en de symphonie begon. Natuurlijk de zooveelste van _Beethoven_.
Wel mocht _Goethe_ [17] zeggen, dat de gedaante van den muzikant het muzikaal genot altijd verstoort, en dat ware muziek alleen voor 't oor moest wezen; en ik deel in zijn denkbeeld dat al wat strijkt, blaast, of zingt, ambtshalve, onzichtbaar zijn moest. Niets is zeker leelijker dan een gansche menigte manspersonen met dassen, rokken, en somtijds épauletten; manspersonen met zwart haar, blond haar, grijs haar, rood haar, en in 't geheel geen haar, en met allerlei soort van oogvertrekking en aanmonding, zich te gelijk te zien vermoeien en afwerken achter een overeenkomstig getal houten en koperen instrumenten, totdat ze bont en blauw in 't aangezicht worden, alleen om een effect teweeg te brengen, zoo weinig evenredig aan, zou mogelijk iemand zeggen, maar gewis zoo weinig gelijksoortig met de middelen. Eene geestige vrouw zeide mij eens dat zij honger kreeg van de lange streken van een strijkstok; maar wat krijgt men niet van het op- en nedergezweef van een vijfentwintigtal strijkstokken en van al de bewegingen van wangen, armen en handen, die een vol orkest maakt? Waarlijk, er moest een scherm voor hangen. De stroom van geluiden moest als uit eene duistere stilte tot ons komen, of wij moesten allen geblinddoekt toeluisteren. Maar wat werd er dan van de toilettes en van onze mooie oogen?
Ondertusschen zou ik _Goethe_ tegen moeten spreken, indien hij beweerde dat de zin des gezichts volstrekt niets met de muziek te maken heeft; want ik moet mijnen lezeren de gewichtige bekentenis doen dat ik de muziek, in het afgetrokkene, waarlijk _zie_; en ik twijfel niet of zijzelve zullen met eenige opmerkzaamheid op hunne gewaarwordingen en inspanning van ziel hetzelfde ontdekken. Er zijn tonen en samenkoppelingen van tonen, die zich aan mijn oog voordoen als spattende vonken, dikke en dunne strepen, kromme spelden, slangen en kurketrekkers; als bliksemschichten, liefdestrikken, krakelingen, varkensstaarten, waterstralen en ziegezagen, en ik zie de mogelijkheid om een geheel muziekstuk, voor mijn gevoel bevredigend, in figuren op te schrijven. Die dit niet begrijpt, verzoek ik te beseffen dat hij in eene eeuw leeft waarin hij al zulke dingen behoort te begrijpen; en indien hij kerkhistorie heeft gestudeerd, gedenke hij aan de Hesuchasten, die zoo lang op hun maag staarden, tot zij haar van een geheimzinnig licht omschenen zagen.
Drie der gewone onderdeelen van de symphonie waren afgespeeld, toen ik mij zachtkens op den schouder voelde tikken. Ik zag om en bemerkte den arm en het gelaat van den goeden koekebakker, die van zijn introductiekaartje gebruik had gemaakt, maar te verstandig was bij deze gelegenheid zijn neefschap te laten gelden, en dus geen notitie van de familie nam. Rijke familiën met arme bloedverwanten! och of alle neven zoo bescheiden waren! Maar de meesten gillen, hun neefschap luidkeels uit, en laten zich door niets afkoopen.
"Moet nu nicht _Kegge_ er niet aan?" fluisterde hij mij met een vergenoegd gezicht in 't oor.
"Wel neen!" antwoordde ik, "nog in lang niet."
"Ik verzeker u van wel!" hernam hij: "of dat rooie papiertje moet jokken. Kijk, ze staat de vierde, en we hebben al drie stukken gehad."
De goede _De Groot_ had een der onderdeelen van de symphonie voor een obligaat op den hoorn genomen.
Ik onderrichtte hem omtrent die dwaling, en hij betuigde dan ook al gedacht te hebben: "Wat merk ik dien hoorn weinig!"
De man met den hoorn verscheen op zijn beurt, geheel in 't zwart en met lange haarlokken, blinkende van pommade. Hij maakte een stroeve buiging en zette een gezicht als of hij ons allen verachtte. Dit stond hem evenwel leelijk, want hij verdiende dien avond een goede handvol geld, en schoon ik weet dat de kunst onbetaalbaar is, zoo ben ik toch van oordeel dat men voor geld en een goede ontvangst ten minste een beleefd gezicht zou kunnen overhebben. Nu staken de kenners het hoofd op, en legden de hand aan de oorschelp, en riepen Ssss... Sst, als de jonge dames fluisterden, die daarop haar zakdoek aan den mond brachten, waarop de oude dames boos omkeken. Vooral de heer _Kegge_ was in dit Sst-roepen zeer overvloedig en men kon het op zijn aangezicht lezen dat hij zich in dezen volmaakt onafhankelijk gevoelde, ook van alle mogelijke "groote hanzinnen en adellijke dames."