Camera Obscura

Chapter 20

Chapter 203,798 wordsPublic domain

"Heb ik u niet gezegd, mama! dat mijnheer zin in _Saartje_ heeft?" sprak _Henriette_ lachende; maar daarop nam zij de zaak ernstig; "ik zou haar inderdaad zéér verplichten!"

"Goed," zei ik, "en als 't mij bevalt, blijf ik er, in plaats van juffrouw _Henriette_, hoe slecht de ruil ook wezen moge. Ik heb niets tegen vergulden."

"Vergulden!" riep de vader uit, geheel verrukking dat de zaak zoo geheel ten genoegen van de dochter geschikt was, "wel, ik kan je zeggen dat _ik_ het nog met pleizier doen zou. Ik wed dat grootmama er nog schik in zou hebben...."

"Ik hou niet veel van verguld!" sprak de oude dame.

Om te bewijzen dat eenvoudige genoegens ook genoegens zijn; en voorts iets droevigs.

De verguldpartij zou uiterlijk te half zes aanvangen, en tegen dat uur begaf ik mij op weg naar de woning van den koekebakker _De Groot_ of, zooals _Henriette_ altijd zeide, van "de _De Grooten_". Zij was vrij verre van het huis van den heer _Kegge_ gelegen, en ik ging op de, voor een stadgenoot waarschijnlijk zeer heldere, maar voor een vreemdeling zeer ingewikkelde aanduidingen van den heer _Kegge_ af.

Plotseling bevond ik mij in eene donkere steeg, aan welker einde een hel licht als uit den grond opkwam, voor welk licht zich eene duistere massa met zekere golving scheen te bewegen. Naarmate ik verder ging, hoorde ik stemmen, die mij toeschenen van jonge knapen te zijn, uit deze massa voortkomen. Geheel genaderd, zag ik een op alle manieren op en over elkander liggenden stapel jongens, die door een kelderraam, waaruit het licht kwam, het oog hadden op de bewegingen van een meester koekebakker en zijne gezellen, die in hunne witte linnen pakjes alzulke schoone wonderen kneedden, duimden, schikten en bakten, als welke _Henriette_ versmaad had verder te volmaken. Ik stond een oogenblik stil en verlustigde mij in de belangstelling dier straatjongens, die waarschijnlijk geen beter aandeel in de genoegens van Sint Nicolaas hebben zouden, dan dat zij de lekkernijen zagen toebereiden, die hun begunstigder broederen gelukkig, of, zooals maltentige menschen beweren, ziek zouden maken.

"Nou, wat weerga, jongen, laat main ook reis kaiken," zei de een, en ondersteunde zijn begeerte met eene heftige beweging der ellebogen.

"Doppie, _Jan_! dat is een mooie!" riep een ander, "da's zeker 'en Jan Klaasen!"

"Ben je mal, jongen?" riep een derde; "'t is 'en waif!"

"Nou as dat 'en waif is," merkte een vierde aan, "dan mag ik laien dat _Piet_ in de' kelder valt."

"Hou je ellebogen vóór je, _Gerritje_; ik waarskou je, hoor!"

"Pas op, _Pietje_! of je holsblok gaat de bakkerij in."

"Kaik; ie doet den oven open; is 't men een vuurtje?"

"Wat doet die dikke nou weer? Hij doet meel an zen knuisten!"

"Wel nou, mot 'et deeg dan an zen vingers blaiven hangen? Jij bent ook een mooie...."

"Wacht 'en beetje! da's een kokkerd,--die kost wel 'en daalder, hoor!"

"Hoor je _hem_? Je zoudt er wel kommen met 'en daalder."

"'En daalder op je oogen."

Deze en dergelijke waren de gesprekken van de kunstbeschouwers voor het raam van dit atelier.

Op den hoek van 't huis hing een groot uithangbord, waarop de bekende geschiedenis van den Zoeten Inval stond afgebeeld, en daar onder "H. P. _De Groot_. _Alle zoorten van koek en kleyngoed_." Ik trad den winkel binnen, en er was zulk een verward geluid van vrouwestemmen in een belendende kamer, die door een glazen deur met een groen horretje daarop uitzag, dat ik duidelijk bemerkte dat de partij aan den gang was, en ik mij nogmaals luidkeels moest aanmelden eer er iemand opdaagde.

De glazen deur ging open, en het mooie _Saartje_ verscheen, met een hooge kleur, als iemand die uit een zeer druk gesprek of uit eene zeer warme kamer komt.

"U alleen, mijnheer _Hildebrand_?"

"In plaats van uw nichtje _Kegge_, lieve juffrouw! ik kom haar bij u verontschuldigen."

"Maar u zal toch binnenkomen?"

"Een oogenblikje."

_Saartje_ opende de deur op nieuw, om mij in te laten, en ik overzag de schare.

Daar zat, in al de glorie van een bloedkoralen halsketting, bloedkoralen oorbellen, bloedkoralen doekspeld, en zelfs van een ring, met een zeer grooten ronden bloedkoraal aan den vinger, juffrouw _Mietje Dekker_, de dochter van een deftigen kleedermaker, en aan hare zijde, met een groote doodvlek op haar wang en een koperen gesp als een vierkante zon op haar buik, _Keetje de Riet_ uit den kruidenierswinkel. En daarnaast _Pietje Hupstra_, wier vader het gewichtig ambt van deurwaarder bekleedde, en die zich verbeeldde dat niets losser en bevalliger stond dan een rozerood tissuutje door een ringetje gehaald. Dan had men er _Truitje_ en _Toosje_, de twee telgen van den heer _Opper_, voornaam metselaar, waarvan de eene in 't openbaar een hoed met steenen bloemen en de andere een dito met houten pluim droeg, maar die in dezen huiselijken kring zich gelukkig gevoelden in het hoofdsiersel, de eene van een blauwe, de andere van een roode céphalide, in de stellige overtuiging dat er op dit ondermaansche geen bevalliger of modieuzer damescoiffure kon bestaan. Voorts het magere _Grietje van Buren_, die de oudste van de gevraagde partij was en een- of tweeëndertig jaren tellen mocht; zij leefde "in otio cum dignitate" van een kleine lijfrente, haar door eene oude vrijster gemaakt, bij wie zij iets meer dan kamenier en iets minder dan gezelschapsjuffrouw was geweest. Zij droeg een mutsje met een smal kantje, en een toertje aan twee kleine trosjes rozijnen niet ongelijk. Ook zag ik _Bartje Blom_, wier vader een deftige spekslagerij had, en die zelve een groote, zwarte duimelot aan haar middelsten vinger droeg, omdat zij zich ongelukkig aan gemelden vinger had verwond, bij welke kwetsuur "de kou" gekomen was. Ter afwisseling, _Suzette Noiret_, dochter eener weduwe, die op een hofje woonde, en van de Fransche gemeente was. Deze had een allerliefst, beschaafd en net besneden uiterlijk, en wedijverde, in het bruin, met het blonde _Saartje_, waarnaast zij gezeten was. En eindelijk, aan het hooger einde van de tafel, moeder _De Groot_ zelve, een dame van een veertig jaar, in eene zwarte zijden japon gekleed en dragende een muts met eene belangrijke hoeveelheid wit lint opgesierd, die groot en breed genoeg was, en toch ongetwijfeld slechts een schaduw vertoonde van het hoofdtooisel dat zij op den vijfden december dragen zou.

De herhaling van mijn boodschap maakte veel sensatie bij juffrouw _De Groot_, die gehoopt had met _nicht_ _Henriette_ te pronken; het speet de vergaderde juffers ook recht, zooals zij zeiden, schoon ik mij overtuigd hield, dat het wegblijven van zulk een _dame_ voor menig harer een pak van 't hart was. Een algemeen gefluister, dat door de dames twee aan twee werd uitgevoerd, volgde, waaruit zich eindelijk de solo van _Grietje van Buren_ ontwikkelde, met de betuiging, "dat het jammer voor juffrouw _Kegge_ was; zoo reis vergulden, dat was altijd nog reis aardig".

"Ik hoop," zei juffrouw _De Groot_, "in de aanstaande week, de kleine neefjes en nichtjes der ook nog reis op te nooden. Dan vraag ik zoo wat klein grut."

"Maar dan zalje ook zulke effetieve stukken niet laten werken," merkte juffrouw _Van Buren_ aan, haar penseel indoopende en een lange streep goud op den wimpel van een oorlogschip klevende.

"'t Ziet er wel prettig uit," zei ik zelf; "ik watertand om het ook reis te doen. Mag ik eens effen van de partij zijn?"

Dit voorstel bracht een schaterend gelach en groote vroolijkheid te weeg, die evenwel nog vermeerderde, toen men zag dat ik het waarlijk meende.

Tot de edele kunst van vergulden, ook wel, met eenen bij alle koekebakkers voor beleedigend gehouden naam "plakken" genoemd, zijn vier dingen noodig, als: de koek die verguld moet worden, het verguldsel zelf, een nat penseel, en dat gedeelte van een hazen- of konijnenvacht, hetwelk jagers de pluim, en gewone menschen den staart noemen, en dat in dit bijzonder geval dient om het opgelegde goud aan te dringen en vast te drukken. Om alles geregeld in zijn werk te doen gaan, zat aan het eene einde van de tafel het lieve _Saartje_, die de verschillende sinterklaaskoeken uitdeelde, welke de bewerking moesten ondergaan: vrijers, vrijsters, schepen, paradijzen, dagbroers, ruiters, rijtuigen, allen meestal van de eerste grootte; terwijl aan het tegenovergestelde einde moeder _De Groot_, die ook de thee schonk, boekjes bladgoud in breeder en smaller reepen knipte, om daarvan ieder behoorlijk te voorzien, de tafel met kopjes met water bezaaid was, en elk der genoodigden met een penseel en een konijnepluimpje was uitgerust. Men voorzag ook mij hiervan, en bij ieder materiaal of instrument, dat ik in handen nam, proestte men 't uit van 't lachen en ging een kreet van verbazing op.

"'t Is zonde!" betuigde _Mietje Dekker_.

"Heb ik van mijn leven?" informeerde _Keetje De Riet_.

"Die stedenten hebben alevel altijd wat raars," fluisterde die van de roode céphalide.

"Menheer doet het heusch!" verklaarde die van de blauwe.

"'k Ben benieuwd hoe dat af zal komen," zei _Grietje Van Buren_.

"Wat menheer breekt mag menheer opeten, niet waar, juffrouw _De Groot_?" vroeg _Bartje Blom_, die het goed met mij scheen te meenen.

Maar _Suzette Noiret_ en _Saartje_ wezen mij terecht en deden 't mij voor.

Nu moeten mijne lezers, die misschen laag op de schoone kunst van koekvergulden neerzien, niet denken dat de gezegde kunst zoo heel eenvoudig en gemakkelijk is. Ja, een vierduits varken kan een ieder beplakken; een streepje voor den grond, en een ruitje op zijn lijf, dat kan een kind! Maar deftige vrijers en vrijsters van vierëntwintig stuivers netjes te vergulden, tot de plooitjes van den kraag en de ruitjes van den breizak toe; een Eva bij den boom op te sieren, geen enkel appeltje (want het is een appelboom geweest) te vergeten, en de bochten van de slang niet hoekig te maken; een geheel oorlogschip met gouden reepen op te tuigen en de schietgaten netjes af te zetten, zooals juffrouw _Van Buren_ deed, en een koets met paarden, als juffrouw _De Riet_, die het zweepkoord zoo natuurlijk wist te doen kronkelen of het een gouden kurketrekker was, dat is iets anders. Het is gemakkelijk gezegd: 't is maar koekvergulden! maar ik verzeker u dat koekvergulden en koekvergulden twee is, en dat er bijvoorbeeld een hemelsbreed onderscheid was tusschen den vrijer, dien _Toosje_, en den vrijer, dien _Truitje_ had uitgemonsterd, zoodat _Toosje_ zelve moest bekennen dat ze niet wist hoe _Truitje_ die parapluie zoo natuurlijk kreeg; waarop de vrijer van _Truitje_ dan ook rondging, en het geheele gezelschap eenstemmig verklaarde, dat het waarlijk was als of die parapluie leefde.--Ik voor mij kan u als eerlijk man betuigen dat mij; nadat ik eerst mijne krachten aan den zadel van den ruiter, dien juffrouw _Noiret_ onder handen had, beproefd, en mij van haar omtrent de hoofdgeheimen der kunst had laten onderrichten; dat mij, zeg ik, een koude rilling door de leden ging, toen er een groote, majestueuze dagbroer voor mijne eigene onbijgestane verantwoording werd gelegd. Eén ding kan ik niet nalaten hier ten algemeenen nutte op te merken. In het koekvergulden is vooral van het uiterste gewicht de juiste hoeveelheid water, die men op de plaats penseelt, waar men het goud op wil doen kleven; want neemt men die te gering, zoo wil het niet kleven, en doet men het te nat, zoo wordt het verguldsel dof. En wat is er nu aan een doffen dagbroer?

Spoedig was men het er over eens, dat ik het al heel mooi begon te doen; ik hoop niet dat men grootspraak zal achten, wat ik gaarne aan de zachtmoedigheid der critiek toeschrijf; en weldra lette men er niet meer op. Ook werd het gesprek gedurig levendiger. _Mietje Dekker_ met de bloedkoralen, _Keetje de Riet_, en _Pietje Hupstra_ hadden het heel druk met juffrouw _De Groot_ over "fripante sterfgevallen in de Haarlemmer krant; drie onder mekaar in den bloei van 't leven, en twee door een ongelukkig toeval". Voorts spraken zij van "pinnetrante kou, fattegante reizen, en katterale koorsen". Zij roerden ook het teeder onderwerp van "vomatieven, en opperaties", en kwamen van lieverlede nog eens op den vinger van _Bartje Blom_. "Zij moest er toch niet te luchtig over denken." De een zei, zij moest er den meester bij halen, maar de ander beweerde dat zij er den meester _niet_ bij moest halen; en zulks om de duchtige reden, dat er een meester was geweest, die den duim van den neef van haars zusters man "verknoeid" had. De een wilde haar vinger pappen, omdat de kou er bij was; een ander ried zoete melk aan om er den brand uit te trekken; een derde, kennelijk onder den invloed van den genius der plaats, achtte niets zoo heilzaam als koekebakkersdeeg. En _Bartje Blom_ dacht er over hoe zij deze verschillende raden het best zou vereenigen. Daarop maakte _Grietje van Buren_ zich van den boventoon meester en vertelde het gezelschap wonderen van de gierigheid van de freule _Troes_, van wie zij hare lijfrente had. "Ik kan je zeggen, mensch, als er zoete appelen zouen gegeten worden, gaf ze der vierentwintig uit, en dan moest de meid de pan binnenbrengen als ze ze geschild had, en dan telde ze na of der--hoeveel is 't ook weer? viermaal vierentwintig?--als 't viermaal vijfentwintig was, dan was 't net honderd; dat 's vier minder; dat's zesennegentig;--of der zesennegentig vierdepartjes waren, en als ze dan op tafel kwamen, nog eens." Waarop die van de blauwe en roode céphalides hare uiterste verbazing te kennen gaven. _Bartje Blom_ vroeg of het waar was, dat de freule enkel zoo rijk was geworden, door in haar jeugd al de spelden en naalden, die zij bij den weg vond, op te rapen en te verzamelen? En ik nam de gelegenheid waar om verscheidene anekdoten van befaamde Engelsche gierigaards te verhalen, die bij al mijne kennissen hadden uitgediend, maar die hier nog eens gaaf opgingen, zoodat men mij zeer aardig begon te vinden, maar tusschenbeiden ook aanmerkte, "dat ik er maar wat van maakte".

Juffrouw _Noiret_ was niet zeer spraakzaam, en ik bracht haar doorgaande stilheid in verband met een weemoedigen trek om den mond, die mij deed onderstellen dat zij niet gelukkig was.

_Saartje_ was allerliefst en, schoon het geheele gezelschap in beschaving vooruit, ook hier volkomen op haar plaats, en enkel eenvoud. Zij liep gedurig af en aan, om ieder van het noodige te voorzien; maar _Grietje van Buren_ begon haar veelbeteekenende oogen toe te werpen en op eene mysterieuze wijze toe te lachen, waarvan de zin was dat zij haar met mij plaagde, tot groot genoegen van al de anderen. Evenwel kreeg _Bartje Blom_ ook haar beurt, daar men haar laatst, bij het uitgaan van de kerk, zoo vriendelijk had zien groeten tegen een zekeren _Kees_; maar zij wendde de scherts af, door haar op die van de roode céphalide over te brengen, die laatstleden kermis met denzelfden _Kees_ in 't paardespel geweest was; en die van de blauwe céphalide werd opgeroepen om te getuigen dat het tusschen haar zuster en _Kees_, "ja, ja! wel zoo wat koek en ei was, als men zegt"; waarop die van de roode zeide, dat die van de blauwe wel zwijgen mocht; waarop _Grietje van Buren_ aanmerkte, dat ieder zijn beurt kreeg; waarop _Bartje Blom_ uitriep: "Nu, nu _Grietje_; ik vertrouw jou ook niet! je gaat tegenwoordig zoo dikwijls naar Amsterdam; ik denk dat daar ook wat zit!" waarop _Grietje_ verklaarde, dat _Bartje_ een ondeugd was.--Ik merkte op dat _Suzette Noiret_ door niemand werd geplaagd.

Om een uur of half acht kwam er een groote ketel anijsmelk binnen, die door al de dames "déli" gevonden werd. Daarna kwam de schepper en boetseerder van al de koeken kunstgewrochten, die wij zaten op te luisteren, even uit de bakkerij opdagen, en keek eens of men wat vorderde. Het was een ordentelijke, goedhartige, vroolijke man, die er heel veel pleizier in had, toen _Bartje Blom_ hem knipoogend vertelde, dat _Toosje_ en _Truitje Opper_ vast wel voor zeven gulden gebroken en opgegeten hadden, waarop _Toosje_ aanmerkte dat zij, _Bartje_, wel zwijgen mocht, daar zij zelve een heel oorlogschip in haar zak had gesmokkeld; waarop de koekebakker dreigde, dat geen van de dames de deur uit zoude komen, voor hij zelf haar zak had geïnspecteerd. Toen verhief zich de vroolijkheid tot uitgelatenheid. _De Groot_ stopte een klein houten pijpje, dat hij in de hand had, en daalde weder ter bakkerije.

Met slaan van negenen kwamen er drie stevige, opgeschoten knapen, goedige bollebuizen, met hun besten rok aan, en boorden tot over de ooren. De een was een broer van _Pietje Hupstra_ en schreef op 't stadhuis; de ander was een broer van de juffrouwen _Opper_ en voor 't kastemaken bestemd; en de derde, een broer van _Keetje de Riet_, ondermeester op een Hollandsche school; het doel van hunne verschijning was geen ander dan hunne zusters en al wie zich verder aan hunne bescherming zoude willen toevertrouwen af te halen en thuis te brengen.

Nu zei juffrouw _De Groot_ dat men maar uit zou scheiden, want dat het toch altijd gekheid werd "als de heeren er bijkwamen," en er werd besloten dat men nog gauw een pandspelletje doen zou. Men koos daartoe, nadat het geheele verguld-atelier als zoodanig was opgeredderd, "alle vogels vliegen," en ik heb nooit zooveel onschuldige vreugde bij malkaar gezien als toen de oude juffrouw _De Groot_ een dromedaris wilde laten vliegen. _Bartje Blom_ werd met "den vogel struis" verstrikt, en er ontstond verschil over de vleermuis, van welke de ondermeester _De Riet_ beweerde "dat hij niet vloog, maar fladderde". Hoe dit zij, hij verbeurde pand, en al de heeren verbeurden pand, en _Saartje_ verbeurde pand, en wij verbeurden allemaal pand.

Toen werd _Grietje van Buren_ verkoren om al de panden te doen lossen, en werden de bloedkoralen armbanden en de bloedkoralen speld van _Mietje Dekker_, met en benevens het tissuutje van _Keetje de Riet_, en een "lodereindoosje" van haarzelve, en een vingerling van de oude juffrouw _De Groot_, en een pennemes van den ondermeester _De Riet_, en een ménagère van _Bartje Blom_, en een horlogesleutel van den kastemaker _Opper_, en een huissleutel van den klerk _Hupstra_, en een beurs van mijzelven, en al wat verder ter tafel was gebracht, in HEd. maagdelijken schoot geworpen; daarover werd een zakdoek gespreid, en nu begon het roepen van: wat zal diegene doen, van wien ik dit pand in de hand heb?

Ik spreek niet van de moeielijke en wonderspreukige dingen, die wij tot het terugbekomen onzer kleinoodiën moesten ten uitvoer brengen; als met vier pooten tegen den muur oploopen, een spiegel stuk trappen, den zolder zoenen, en dergelijke; noch van zoete penitentiën, als daar waren: hangen en verlangen, de diligence, de put, de klok, het bijenkorfje, en andere, waarbij machtig veel gekust en evenveel gegild werd. Ik schilder u de uitgelatenheid des geheelen gezelschaps niet, toen _Toosje Opper_ iets heel moeielijks had opgegeven, in de stellige overtuiging dat _Bartje Bloms_ pand voor den dag zou komen, en het waarlijk haar eigen naaldekoker bleek te zijn; of toen de heer _Hupstra_, in het spaansch speksnijden, dat hij nooit te voren gedaan had, met zekere verliefdheid de mooie juffrouw _Noiret_ had gekozen, en per slot niets te kussen kreeg dan den harden muur, terwijl den jongen _Opper_ het lot te beurt viel haar den zoen te geven!--in één woord, het was aller-aller-prettigst, de vreugd was op ieders aangezicht te lezen, en ik vermaakte mij duizendmaal meer onder deze goede blijhartige menschen, dan ik gedaan zou hebben, indien ik ware thuisgebleven onder de sublieme piano van juffrouw _Kegge_ en de charmante viool van den charmanten _Van der Hoogen_.

De dames, die nu allen kleuren hadden als boeien, werden onder de heeren verdeeld, en ik nam op mij juffrouw _Noiret_, die mij groot belang inboezemde, thuis te brengen. De juffers namen van elkander en van ons een hartelijk afscheid; de drie bollebuizen drukten mij allen zeer voelbaar de hand; en ik was zeer tevreden met de vriendschap die ik zoo onverwachts had aangeknoopt.

Juffrouw _Noiret_ was er mede verlegen dat ik de moeite nam haar thuis te brengen. "Het was zoo ver!"

Ik antwoordde zooals betaamde, dat hoe langer ik haar bijzijn genoot, het mij des te aangenamer zijn zou.

"Ach!" zeide zij, "mijn bijzijn, mijnheer, is toch anders niet heel aangenaam. Ik schaamde mij onder al die vroolijke menschen. Zat ik er niet treurig bij?"

"Gij waart zeker niet zoo luidruchtig als de overige. Maar toch..."

"Neen, zeg het niet! zeg niet dat ik vroolijk was!" viel zij mij in de rede. "Het zou mij spijten. Ik hield mij zoo goed als mogelijk; maar mijn hart was ergens anders... Mijn hart was bij mijn moeder," voegde zij er haastig bij.

"Is uw moeder ziek, of..."

"Zij is oud, mijnheer! heel oud. Was zij niet wèl geweest, u zou mij daar niet gevonden hebben. Maar wie kan zich bij vriendelijke menschen, die u gaarne zien, verontschuldigen, altijd weer daarmee verontschuldigen, dat zij eene oude moeder heeft? Ook had zij van avond iemand die haar gezelschap hield, en wilde zij volstrekt dat ik gaan zou."

_Suzette_ zuchtte.

"Is uw moeder zoo heel oud?" vroeg ik. "Gij zijt, dunkt mij, nog zoo heel jong."

"Ik ben drieëntwintig, mijnheer!" antwoordde zij met openhartigheid "en mijn moeder is vijfenzestig. Maar zij heeft veel ongelukken gehad. Mijn vader stierf voordat ik geboren werd. Zij had toen negen kinderen; sedert twaalf jaar ben ik haar eenigste, en nu kan zij niet wel zonder mij... en ik niet wel zonder haar."

"En uw vader..."

"Mijn vader was de zoon van een Zwitsersch predikant, mijnheer! Maar zijn vader had hem niet kunnen laten studeeren. Hij had maar een kleinen post bij het accijnskantoor, en moest mijne moeder in behoeftige omstandigheden achterlaten. Maar wij werken beide. Nu heeft zij sedert drie jaren het hofje, en dat is een groot geluk. En toch..."

"Ik geloof," zeide ik, "dat wij voor de poort van het hofje staan. Klopt men hier aan, of moet men aan dien langen schel trekken!"

"Helaas, geen van beiden," zei _Suzette_, op een allerdroevigsten toon van stem, die een klank had als of haar een traan in de oogen schoot: "geen van beiden. Mijne moeder woont wel op het hofje, maar ik niet."

"Waarom niet?" vroeg ik.

"Op het hofje woont niemand onder de zestig jaar," ging _Suzette_ voort: "ik kom er 's morgens heel vroeg, zoodra de poort opengezet wordt, en blijf er den heelen dag bij mijn moeder; maar slapen mag ik er niet. Vóór tienen moet ik er vandaan, en's avonds na zevenen mag ik er zelfs niet meer op. O, wat zou ik geven als ik mijn moeder nu nog maar eens even mocht goenacht zeggen!..."

En zij zag naar de geslotene poorte om.

"Mijn moeder slaapt daar nu moederziel alleen in haar huisje," ging zij voort; "haar naaste buurvrouw is onbeschreeuwbaar doof; en als haar eens iets overkwam--! Dat, dat is mijn grootste zorg; dat pijnigt en vervolgt mij altijd en overal!..."

"Maar als uw moeder ziek wordt, dan moogt ge toch wel..."

"Als zij ernstig ziek wordt, dan schrijft de dokter van't hofje een verklaring dat zij niet alleen kan blijven, en _dan_ mag ik in haar huisje slapen. Maar ach, het ligt mij op de leden dat mijn lieve moeder er eens onverwachts uit zal zijn, en als dat eens bij nacht was! O, ik bid God alle dagen dat het bij dag moge zijn... Ik zou het niet overleven!"

Wij gingen zwijgend verder.

"Hier woon ik, mijnheer!" zei juffrouw _Noiret_, hare schoone oogen afvegende, als wij voor een kleinen koomenijswinkel stonden; "ik dank u voor uw vriendelijkheid."

"Ik hoop," zeide ik, "dat gij uwe moeder nog lang zult hebben, en zonder angsten."

Zij reikte mij stilzwijgend de hand, en als het licht uit den kleinen winkel op haar gelaat viel, zag ik hoe bleek en hoe bedroefd zij was. Wij scheidden.