Chapter 2
De Hollandsche jongen is grof: fiksche knieën, fiksche knokkels. Hij is blank van vel, en kleurig van bloed. Zijn oogopslag is vrij; bij 't brutale af. Liefst draagt hij zijn ooren buiten zijn pet. Zijn haar is van zondagmorgen half elf tot zaterdagavond, als hij naar bed gaat, in volkomen wanorde. Het overige van de week zit het goed. Krul zit er meestal niet heel veel in. Gekrulde haren, gekrulde zinnen! Maar sluik is het óók niet; sluik haar is voor gierigaards en benepen harten; dat zit niet in jongens; sluik haar krijgt men, geloof ik, eerst op zijn veertigste jaar. De Hollandsche jongen draagt zijn das liefst als een touwtje, en nog liever in 't geheel niet; een blauw of schotschbont kieltje over zijn buis, en een verstelde broek--dit laatste kenteeken gaat vast. In dees broek voert hij met zich--al wat de tijd opgeeft; dat wisselt af; knikkers, stuiters, ballen, een spijker, een aangebeten appel, een stukkend knipmes, een touwtje, drie centen, een kluit vischdeeg, een dolle kastanje, een stuk elastiek uit de bretel van zijn oudsten broer, een leeren zuiger om steenen mee uit den grond te trekken, een voetzoeker, een zakje met kokinjes, een grifje, een koperen knoop om heet te maken, een hazesprong, een stukje spiegelglas, enz. enz. alles opgestopt en in rust gehouden door een bonten zakdoek.
De Hollandsche jongen maakt in 't voorjaar eene verzameling van uitgeblazen eieren; in het uithalen van nestjes geeft hij blijken van kracht en behendigheid, en misschien van den aanleg tot de zeevaart, ons volk eigen; in het inkoopen van vreemde soorten, bewijzen van onverstoorbare goede trouw; en in het verkwanselen van zijne doubletten, van vroegtijdigen Hollandschen handelsgeest. De Hollandsche jongen, het is waar, slaat zijne bokken hardvochtig, maar in 't geven van roggebrood aan diezelfde dieren heeft hij zijns gelijken niet. De Hollandsche jongen is veel minder ingenomen met de leerwijze van _Prinsen_ dan de Hollandsche schoolmeester; maar wat de opvoeding van plakkers en paapjes betreft, hierin zou hij een examen kunnen doen voor den eersten rang. Hij is dolgraag op een paardemarkt, en wandelt op de parade voor de tamboers uit, met den rug naar de mooie mannen toe. De Hollandsche jongen encanailleert zich lichtelijk, en noemt spoedig over uit een woordenboek, dat aan Hollandsche moeders niet bevalt; maar hij heeft ook weinig aanmatiging jegens de dienstboden. Hij is gewoonlijk hoogrood als hij binnen moet komen om aan oom en tante te vragen hoe zij varen, en spreekt bij dergelijke gelegenheid bijna geen woord; maar minder spaarzaam met woorden en minder verlegen is hij onder zijns gelijken, en niet bang om voor zijn gevoelen uit te komen. Hij haat lafaards en klikkers met een volkomen haat; hij zal nog al eens gauw zijn vuisten uitsteken, maar spaart in 't vechten zijn partij; hij speelt niet valsch; hij heeft een bestendigen inktvlak op zijn overgeslagen halsboord, en wel wat neiging om zijn schoenen scheef te loopen;--hij houdt zijnen vader staande dat hij over ijs van één nacht loopen kan, en beschikt over vriezen en dooien naar lust en welgevallen; hij eet altijd een boterham minder en leert eene les meer, dan waar hij trek toe heeft; hij gooit een steen tienmaal verder dan gij of ik, en buitelt driemaal over zijn hoofd zonder duizelig te worden.
Gegroet, gegroet, gij vroolijke en gezonde, lustige en stevige knapen; gegroet, gegroet, gij speelsche en blozende hoop des vaderlands! Mijn hart gaat open als ik u zie, in uwe vreugde, in uw spel, in uw uitgelatenheid; in uw eenvoudigheid; in uw vermetelen moed. Mijn hart krimpt toe, als het bedenkt wat er, ook van u, worden moet. Of zult gij, die daar beurtelings een frisschen beet uit een zelfden appel doet, in later jaren nooit gewaar worden dat het noodig is den appel in een hoek te nemen en alleen op te eten; ja, de schillen weg te stoppen, en de pitten te zaaien voor uwe nakomelingschap? En gij; die daar geduldig uw sterker rug leent aan uw vlugger vriend, die zich op uwe schouders verheft om in den boom het spreeuwenest te zoeken, dat heel hoog ligt: zal de ondervinding u de verdrietige wijsheid onthouden, dat het beter is zelf een ladder te krijgen, en zelf het nest uit te halen, dan een goeden dienst te doen en af te wachten óf en hoe men u zal beloonen?
Dat is de wereld. Maar ook in uzelven zijn de zaden aanwezig van veel onheils en veel verdriets. Uwe voortvarende drift, uwe onschuldige teederheid, tot opvliegendheid, eerzucht en wellustigheid gerijpt; uwe levendigheid en onafhankelijk gevoelen, tot wereldzin en ongeloof verhard!... O, als gij in later jaren op uwe kindsheid terugziet, dat, dat zal de vreugde wezen, die gij het meest benijdt en nu toch het minst geniet, dat gij zooveel minder boos waart, dat gij zooveel onschuldiger waart tot zelfs in het kwaaddoen toe. De goede hemel zegene u allen, goede jongens, die ik ken, en rondom mij zie, en liefheb! Hij doe u lang en vroolijk spelen, en als de ernst des levens komt, zoo geve hij u ook een ernstig harte daartoe! Maar hij late u tot aan uw laatsten snik nog veel kinderlijke en jeugdigs behouden. Hij spare u, in hunne volle frischheid, eenige dier kinderlijke gevoelens, die den jongeling helpen in het zuiver houden van zijn pad en den man versieren; opdat gij mannen wordende in het verstand, kinderen blijft in de boosheid. Dit is een _stille_ wensch, jongenslief! want ik wil u nog geen oogenblik van priktol of hoepel aftrekken, zonder u voor die vreugde iets anders te kunnen geven dan ... een wensch!--
KINDERRAMPEN.
Ik kom nog eens terug op het versje van _Hölty_.
Hoe zalig als de jongenskiel Nog om de schouders glijdt! Dan is het hemel in de ziel, En alles even blijd.
Niets, niets ter wereld doet hem aan Of baart hem ongemak, Dan stuiters die te water gaan, Of ballen over 't dak.
Het ontbreekt zeker niet aan dergelijke lofredenen op het geluk van jeugd en kinderjaren. Ik stem er van harte mede in; maar ik neem de vrijheid te mogen opmerken, dat ze alleen door menschen van leeftijd, of ten minste door jongelingen geschreven zijn, van wier standpunt gezien, het kinderlijk geluk bijna geen uitzondering toelaat. En zeker, zeker is dat een droevig bewijs voor den treurigen toestand van later dagen. Maar ik weet niet dat er ooit dichtertjes geweest zijn van zeven, acht, of negen jaar, die hun actueel geluk zoo onvoorwaardelijk hebben geprezen. En toch dezulken waren er de naaste toe. Toen ik op de Hollandsche school ging, maakten wij in de hoogste klasse, bestaande uit heeren van negen tot tien jaar, allen des woensdag-voormiddags een opstel, soms over een gegeven, soms over een door onszelven gekozen en uitgedacht onderwerp. Maar ik roep al de Jannen, Pieten, Willems en Heinen, waarmee ik in de Jacobijnenstraat te H. op de banken zat, tot getuigen, of er ooit iemand is geweest, die zijn lei volgeschreven heeft met een optelling der genoegelijkheden of een uitweiding over 't ongestoord geluk des kinderleeftijds. Neen: wij schreven wel diepzinnige vertoogen over de Deugd, of over de Vier Jaargetijden: _Sander U._, wiens vader adjudant van een generaal was, heeft zesmalen over het Paard geschreven; en _Piet Q._ die nooit op het bord stond, en nooit meedoen wilde in de edele oefening van het puisje vangen, had het altijd over de Gehoorzaamheid en over de Vlijt, een denkbeeld, waar hem de opschriften van zijn extra-kaartjes op brachten. Eigenlijk vroolijke onderwerpen heb ik te geenen tijde door de collega's zien behandelen. Ik zelf heb het nooit verder kunnen brengen dan tot de philosophische beschouwing der Tevredenheid; een geluk, 't welk gewoonlijk door den jongeling voorbij-, en door den man vruchteloos nagestreefd wordt, en dat den grijsaard uitmuntend te pas zou komen, indien zijne lichaamsgebreken hem nog even veroorloven wilden het te genieten; een heel mooi ding die tevredenheid, maar in het volop des kinderlijken geluks vanzelf ingesloten en niet opmerkenswaardig.
Doch om tot de zaak te komen! Van dat volop des kinderlijken geluks dan, schenen wij toentertijde toch niet heel vol, of althans niet zóo vol te zijn, dat wij het moesten uitstorten. Ik heb wel eens gemeend, dat het een onderscheidend kenmerk des echten, waarachtigen geluks zijn zou, dat het de minste behoefte had zich uit te boezemen, terwijl het ongeluk klachten en verluchtingen noodig heeft--om van de tranen niet te spreken. Want de menschen, die altijd den mond van hun geluk vol hebben, heb er ik wel eens op aangezien of zij ook naar een autoriteit zochten die, na gehoord verslag, hun zou verklaren dat zij gelukkig zijn, iets waarvan zij zelf tot nog toe zoo heel overtuigd niet waren. Zij achten zich zóó-zóó, niet ongelukkig, en niet razend gelukkig ook; maar zij schikken het goede in hun lot zoo bij elkander, en stapelen het in redevoeringen, die zij op wandelingen en, zoo gij met hen in ééne kamer slaapt, uit ledekanten, vooral na een goed souper, houden, dat zij u in de verzoeking brengen hen te benijden. Dat verhoogt dan onmiddellijk hun koud geluk tot een hooger temperatuur. Gij slaat een warme hand aan hun thermometer.
Ziedaar een mooie opmerking, die ik gemaakt heb, en die ik met dit mooie physische beeld besluit; maar over 't onderwerp meer nadenkende, heb ik ook wel eens gedacht, of de school dan toch ook de rechte plaats wel was, om het kindergeluk diep te doen gevoelen. Ik weet wel, de meester zit er niet meer met slaapmuts en kamerjapon en een ontzettende plak in den katheder, en brengt ons niet langer door de verschrikkelijkheid zijner oogen en gebaren tot een punt van angst, waarin wij (als de jongen van ouds) zouden willen bekennen, dat wij zelf de wereld geformeerd hadden, maar 't nooit weer zouden doen, liever dan het antwoord schuldig blijven op de eerste vraag van het vrageboek. Wij lezen er ook niet meer, tot onze schrikbarende verveling, de Haarlemmer Courant, van A-Z. (Zijn wij daarom later minder goede politici?) Wij zitten er ook in een goed ruim lokaal, zoo hoog en zoo luchtig, dat het er somtijds aan de beenen tocht; wij hebben er niet zelden het uitzicht op een bleekveld met een appelboom, of op een binnenplaats met een bestekamer. Maar toch, de meester is zoo dik, en de ondermeesters zijn zoo lang, en hunne brillen en bakkebaarden zien er zoo onverbiddelijk uit, en de borden zijn zoo zwart, en de tafels zoo ongezellig, en de kaart van Nederland hangt zóó lang op dezelfde plaats, dat wij er de kleine scheurtjes en inktvlekjes nog beter op weten aan te wijzen, dan de steden der--toen was 't nog 17 provinciën [6]. Dan hebt ge--nog bloedt mijn hart--de Tafel van _Werkzaamheden_. Schrikkelijke werkzaamheden, wier optelling aan rekenboeken denken doet, en geographieboeken, en wat voor boeken er al meer zijn, wier blaren heen en weer schuiven in den band, wegens de krampachtige aanraking der wanhopige vingers van jeugdige heeren, die maar niet onthouden kunnen hoeveel koeien er jaarlijks aan de Hoornsche markt komen, en hoeveel inwoners en drukkerijen van Enschedé, en Kostersbeelden, en instituten voor schoolonderwijzers Haarlem heeft; of niet begrijpen kunnen, hoe zij de 9de som uit de "Herhaling der voorgaande Regelen" moeten opzetten. O, die rekenboeken! zij waren de zwakke zijde van velen onzer. In mijn oog waren er geen hatelijker boeken. Vooreerst waren zij veel te vol letters, en ten andere veel te vol cijfers. Ten overvloede zijn er soms fouten in de opgave der uitkomsten; maar al zijn die er niet in, die opgaven zijn verschrikkelijk. Ga eens na. Gij hebt uw lei vol met een berekening van belang: driemaal hebt gij reeds de helft uitgeveegd, omdat gij bemerkte dat gij het vraagpunt niet begrepen hadt; maar eindelijk, de som is af, en gij krijgt tot uitkomst: 12 lasten, 7 mudden, 5 schepels, 3 kop, 8 maten rogge. Met een gerust geweten, en met het zalig gevoel van als ijverig lid der maatschappij uw plicht gedaan te hebben, zoudt gij uw lei aan den ondermeester overgeven om te laten nacijferen. Maar neen! het hatelijk rekenboek geeft, onder den verwaanden titel "Uitkomst", op: 95 lasten, 2 mudden, 1 schepel rogge, en niet ééne kop of maat. Het is blijkbaar dat gij u vergist hebt; driemaal doet gij al de vermenigvuldigingen en deelingen over en weer over; eindelijk besluit gij alles uit te veegen, en nog hebt gij uw mouw op de lei, als de ondermeester komt om te gelooven dat gij niets hebt uitgevoerd. Dat had ik tegen die rekenboeken! Maar het kwaadwilligst en het onbillijkst van diezelfde uitvinding is, dat zij u op alle mogelijke manieren sarren en in uw zwak tasten. Daar zit gij sedert klokke halftien op school, bij mooi weer, in de maand Mei, als het groen jong is gelijk gijzelf en, wat meer is, als de plassen opgedroogd zijn, zoodat het heerlijk weer is om te knikkeren. Daar zit gij sedert halftien op de school, waar gij den voet hebt ingezet, met benijding terugziende op de armelui's kinderen, die geen opvoeding krijgen en "duitjen òp" speelden op straat. Eerst hoeft men u gedwongen met al uwe speelsche lotgenooten het lied aan te heffen:
Wat vreugd, het schooluur heeft geslagen, Waarnaar elk kind om 't zeerst verlangt.
Daarna hebt gij een uur gelezen van het model van een braven jongen, zoo braaf, zoo zoet, zoo gehoorzaam, zoo knap en zoo goedleersch, dat gij hem met pleizier een paar blauwe oogen zoudt slaan, als gij hem op straat ontmoette; of, indien gij al wat verder zijt, de levensschets van een onbegrijpelijk groot man, wien na te volgen u pedant en wanhopig toeschijnt, en door welke levensschets kunstiglijk een samenspraak is heengevlochten van knapen en meisjes, voor wie gij ook al geen de minste sympathie gevoelt, al "staan zij ook waarlijk verbaasd over de ontzettende kundigheden van dien man," daar vader _Eelhart_ of _Braafmoed_ van verhaalt. Het volgende uur hebt gij geschreven; naar een mooi exempel; als bijv., zoo gij groot schrijft, het woord _wederwaardigheid_, opmerkelijk door twee moeilijke W's, zonder aandikken bijna niet goed te krijgen, zevenmaal; of indien gij klein schrijft, vijftien maal, achtmaal op, en zevenmaal tusschen de lijn: _Voorzichtigheid is de moeder der wijsheid_; bij welke gelegenheid gij in twee regels het lidwoord _der_ hebt overgeslagen, wat tengevolge van de laatste lettergreep van het woord moe_der_ zeer licht gebeuren kon, en eenmaal _voorwijzigheid_ in plaats van _voorzichtigheid_ hebt gezet, welke omstandigheden, zoo ieder op zichzelf als in onderling verband, u eenigszins angstig doen denken aan het uur, waarop de critiek des meesters haar uitspraak zal komen doen. Om niet te spreken dat gij gekweld zijt geweest met een linksche pen, ontelbare haren in den inkt, een klad of drie, met kunstenaars achteloosheid over uw schrijfboek verspreid, en de onverbiddelijke wet dat gij maar tweemaal uw pen op mocht steken om ze te laten vermaken, door een ondermeester, die even zoo ver is in die kunst als gij in 't schrijven. Nu komt het rekenboek. Ik heb het lang laten wachten, lieve lezer; maar het was uit wraak, omdat het voor mij zoo dikwijls te vroeg is gekomen. Nu komt het rekenboek. Merk op, dat gij in den loop van den morgen tweemaal op 't bord zijt geschreven: eens, omdat gij met uw rechter buurman een verdacht gefluister hebt aangevangen, dat evenwel over niets liep dan over goedkoope ballen in de Wijde Appelaarsteeg, en eens, omdat gij aan uw linker dito een albasten knikker (gezegd alikas) hebt laten zien, zonder een eenig rood aartje, van welk delict het corpus u is ontnomen, tegen de pijnlijke onzekerheid of gij het ooit terug zult zien. Vat dit alles te zamen, en sla dan uw rekenboek op, dat u sart met de 13de som, waarin u, om u of 't ware te tantaliseeren, met de grootste koelbloedigheid een mooie voorstelling gedaan wordt van vijf jongens, zegge vijf, die te zamen zouden knikkeren, en waarvan de eene bij den aanvang van 't spel bezat 20, zegge 20, knikkers, de tweede 30, de derde 50, de vierde--neen, het is niet uit te houden! de tranen komen er u bij in de oogen; maar daar zit gij, voor nog een geheel uur, en dan nog wel te cijferen.--Waarlijk ik houd het er voor, dat de meeste rekenboekmakers afstammelingen van koning _Herodes_ zijn!
Uit al wat ik tot nog toe in het midden heb gebracht, zal zonneklaar blijken, dat de school de plaats niet is om het kinderlijk gemoed te doen overstroomen van het besef van geluk en genot. Ik geloof niet dat het denkbeeld daarvan ooit onder eenig blond of bruin kinderhaar is opgekomen. Neen, neen! de school is zoo goed als zij zijn kan. De school wordt, naar de nieuwste verordeningen, zoo aangenaam en dragelijk mogelijk gemaakt. Maar hare genoegens zijn ten hoogste negatief. De school blijft altijd iets van het gevangenisachtige, en de meester, met en benevens al de ondermeesters iets van het vogelverschrikkende behouden. Dat gezegde van _Van Alphen_:
Mijn leeren is spelen
wil er bij niet één kind in, zelfs niet bij de vlijtigste. Ik verbeeld mij nog al onder de vlijtigste behoord te hebben; maar toch, wanneer mijn vader of moeder mij de eer aandeed van aan mijn ooms en tantes te vertellen dat ik altijd blij was als de vacantie uit was, kwam mijn gansche gemoed tegen dat edel denkbeeld (dat mij ondertusschen vrij dweepachtig voorkwam) op, en ik heb jaren noodig gehad om zekere angstige schuwheid voor mijn respectieve meesters te leeren overwinnen. Ook zijn er, in weerwil van de verbeterde leerwijze, nog altijd onder, die een kind, al is het niet van de bloohartigste, als electriseeren.
Ja, lieve vrienden! laten wij deze bladzijde voor alle vliegeroplaters en soldaatjespelers verbergen en verstoppen; maar laten wij het bekennen: daar zijn Kinderrampen! Klein en nietig, van onze verwaande hoogte beschouwd, maar gewichtig en groot, in de kleine evenredigheden van de kinderwereld. Rampen, die benauwen, kwellen en schokken, en die niet zelden een grooten en hevigen invloed hebben op de vorming van het karakter.
De eerste en grootste hebben wij al gehad. Het is, met verlof van _Pestalozzi_ en _Prinsen_, de school. Dat is een kanker; een dagelijks weerkeerend verdriet. Een man met schuldeischers geplaagd ondervindt iets van het leed van een kind met meesters aangehaald. Nu, onze goede _Hölty_ zelf kan niet nalaten aan 't eind van zijn versje daarmede te dreigen. Daarom wilde ik u verzoeken: heb deernis met het lot uwer telgen. Ontziet als iets heiligs het levensgenot uwer kinderen. Zij moeten allen schoolgaan; dat is een natuurwet, zoo zeker als die volgens welke zij allen ingeënt, wij allen sterven moeten; maar even gelijk wij, naar den gewonen loop der dingen, niet sterven moeten op ons achttiende jaar, wilde ik ook niet dat hun de school overviel vóór hun achtste. 't Is wel aardig, en wij hebben het aan de veranderde uitspraak van de namen der medeklinkers te danken, dat zij op hun vijfde jaar met kleinen _Piet_ zeggen kunnen: "Nu kan ik al le-zen"; maar ik weet niet of kleine _Piet_ op zijn tiende jaar, in massa, zoo veel meer geprofiteerd zal hebben dan een ander, die op zijn zevende of achtste begonnen is "met de _spa_" te werken. Ik geef dit alleen in bedenking aan alle kinderminnende harten, en waag het niet, met zoo weinig ondervinding als _Hildebrand_ (de baardelooze _Hildebrand_, zullen de recensenten zeggen) in zoo weinig jaren heeft kunnen opdoen, mijne meening te staven.
Om het onderwerp eene wending te geven, en van een andere ramp uit het tranendal der kinderen te spreken, noem ik het wisselen der tanden. Waarlijk, lieve dame, die de wereld zoo trouweloos en de mannen zoo wuft vindt! _la perte des illusions_ kan op uwe jaren nauwelijks zoo zwaar wegen als _la perte des dents_ op de hunne. Herinnert ge 't u nog wel? Gij voelde--neen, gij voelde toch niet;--ja, helaas, gij voelde maar al te zeker--dat gij een dubbelen tand hadt. En de voorste zat zoo vast als een muur. Zes dagen lang verborgt gij uw leed; somtijds vergat gij het; maar zesmaal daags, midden onder uw spel, bij het genot van de lekkerste krakeling, onder 't bewerken van de zoetste ulevel--daar stond weer eensklaps voor uw oog, die akelige, allerakeligste dubbelheid!--Uw eenige troost was, dat de voorman vanzelf wel wat losser zou worden. Inderdaad, natuur en rede geven deze hoop aan de hand. De ondervinding leert het echter meestal anders. Op den zevenden dag; het was een zondag; uw kleine theegoedje stond klaar op uw kleine tafeltje; en uwe stoeltjes stonden er bij klaar met twee poppen: de nieuwste voor u, en de oudste voor uw nichtje _Keetje_, die bij u te spelen kwam; en 's avonds zoudt ge een tulbandje bakken van gestampte beschuit en melk; en een boterham met aardbeien zou alles bekronen. Met een grooten schreeuw gaaft gij uwe vreugde over het laatste artikel te ennen. "Laat ik je mond reis effen zien," zei mama; "wat? een dubbele tand?" en weg was uw vreugd! Gij droopt af alsof gij op een zware misdaad betrapt waart; waarschijnlijk zoudt gij onder uwe kwelling nestig en kribbig zijn tegen _Keetje_, het tulbandje zou geene bekoorlijkheden voor u hebben, de aardbeien geen smaak; en ge zoudt naar bed gaan en droomen van den tandmeester! Vergeefs beproefdet gij achtereenvolgens alle huismiddelen: wiggelen met den vinger, bijten op een harde korst, die gij evenwel om eventueele pijn te vermijden, in een gansch anderen hoek van uw mond inbracht; aanleggen van een draad garen, waaraan ge toch niet durfdet trekken. De tandmeester moest komen. Hij kwam, niet waar? de ijselijke man! Hij had voor u de verschrikkingen eens scherprechters. Hij veinsde maar effen naar uw tand te voelen; hij trok er hem verraderlijk uit. Ondertusschen was deze slinksche streek voor u een weldaad, die voor alle volgende keeren verkeken was.--Spreek mij niet van groote-menschen-jammeren! Zij halen niet bij deze. Geen koopman die "op springen staat" ziet met meer angst den dag tegemoet waarop hij zal worden "omvergegooid", dan een blijde jongen of vroolijk meisje den dag, waarop men scheiden zal van den dubbelen tand!
Wij zijn aan de physieke rampen. Welnu, er zijn er meer dan men denkt. Het grootworden, hoe schoon en voortreffelijk een uitvinding ook, is de oorzaak veler smarten. Want vooreerst, men steekt lange bloote armen uit de mouwen, groote en den kous uit de broek. Daarbij schaamt men zich dan gewoonlijk dat men nog rijglaarsjes of schoenen met gespen draagt, omdat er altijd eenige voorlijke knapen zijn, die al halve-laarzen hebben, en vroegtijdige juffertjes, die zich op schoenen met lange linten verheffen. Ook rekenen vele moeders er naar 't schijnt niet op, dat niet alleen de beenen, maar het geheele lichaam groeit, en dat het diensvolgens op goede natuur- en wiskundige gronden te bewijzen is, dat, al kunnen de broekspijpen worden uitgelegd, het overige gedeelte van dat kleedingstuk hetzelfde blijvende, men eene niet zeer aangename bekrompenheid in de circumferentie van het lichaam gewaar wordt, die ook al weer de oorzaak is van menig nieuw kruis, in een dubbelen zin, en van ontelbare scheuren. Maar ook dit is een kwade kant van den edelen groei, dat hij bij de individuen verschilt, en zelfs zóó, dat bij sommige tegen het geprezene grootworden, het verwijtende kleinblijven o verstaat. Nu is het niet pleizierig, ieder keer als men een boodschap van papa of mama komt doen, of bij _Lodewijk_ of _Doortje_ spelen komt, altijd door mijnheer of mevrouw, of de juffrouw, of de meid somtijds, tegen _Lodewijks_ of _Doortjes_ rug gezet te worden, om met de ververschte overtuiging dat men een hoofd of een half hoofd kleiner en een ware peulschil is, naar huis te gaan. Dat noemt men in het maatschappelijk leven, als men't op het moreele toepast, taxeeren; en die taxatie van 't physieke is de eenige, waarvoor de kinderleeftijd gevoelig, en ook zeer gevoelig is. Neen, 't is niet aardig van de groote menschen, dat ze 't den kleinen aandoen, evenmin, als dat altoosdurende uitgillen van: "wat ben je groot geworden!" op den duur bevallen kan.