Chapter 19
_Henriette_ werd vuurrood op deze uitspraak. Welke gevolgtrekkingen kon de charmante heer _Van der Hoogen_ niet uit zulk een bekentenis opmaken! Maar de charmante heer _Van der Hoogen_ dacht misschien aan zijn eigen vader die, zoo als ik naderhand vernam, een logementhouder te Amsterdam was, en met wien hij dien ten gevolge niets meer had uit te staan dan dat hij nu en dan een wissel op hem trok.
Vaderangsten en kinderliefde.
Wie _Hildebrand_ te logeeren vraagt, krijgt, durf ik zeggen, geen al te lastigen gast in hem; maar op één ding is hij zeer gesteld. Hij moet niet alleen een afgeschoten hoekje hebben waar hij slaapt, maar ook een afgeschoten hoekje waar hij alleen kan zitten; een plaatsje van ontwijk, al is dat dan ook nog zoo klein, waar hij zichzelven kan toebehooren en, ongestoord en onbespied, gedurende een zeker gedeelte van den dag doen wat hij wil; en als het winter is, valt dat bij sommige menschen moeielijk; want dan kan op de eene kamer niet gestookt worden om de valwinden, en op de andere geen vuur aangemaakt omdat het er zoo rookt en, schoon hij zich vrij wat koude getroosten kan, "in de kou mag hij volstrekt niet gaan zitten." Ondertusschen is het een schrikkelijk ding tusschen het ontbijt en het koffieuur, te zitten hangen in de huiskamer, eerst in gezelschap van de dames in négligé; daarna in gezelschap van een dienstbode, die u verzoekt uw boek op te lichten om "eventjes de tafel te wrijven," vervolgens met in 't geheel geen gezelschap, en eindelijk weer in gezelschap van iemand, die een brief gaat zitten schrijven, en dan, af en aan, eene flauwe, slaperige en rekkerige conversatie. Neen! de conversable dag begint niet voor één ure. Aan het ontbijt voegt de bijbel en de stilte, en na den ontbijt, eenzaamheid en bezigheid; met de koffie krijgt eerst de gezelligheid hare rechten, en ik heb geen eerbied voor den man, die eene anecdote vertelt of een geestigheid zegt vóór dat de klok van éénen koud is.
Ik was tot één ure op de bibliotheek gebleven, waar ik mij recht op mijn gemak genesteld had, en mij onledig gehouden, niet met mij op eene fatsoenlijke wijze te vervelen door, zonder bepaald iets te willen doen, nu het eene dan het andere boek uit de kast te halen, in te zien, en weer op zijn plaats te stellen, maar door een klein werkjen op te zetten, waartoe ik de materialen had meegebracht, een werkje daar ik alle oogenblikken van scheiden kon, maar daar ik ook genoeg aan had om met belangstelling in bezig te zijn.
Ik kwam beneden en werd door mijn gastheer als "den geleerde" begroet, "die den heelen ochtend met den neus in de boeken had gezeten; allemaal gekheid. Hij was een dromedaris als hij er niet bij in slaap zou zijn gevallen."
_Henriette_ kwam binnen. Zij zag er buitengewoon vroolijk en opgewekt uit, en hield in de eene hand een violetkleurig biljet, dat zij pas scheen te hebben ontvangen.
"Kind!" riep de heer _Kegge_ haar toe, "vanavond ga je uit, hoor!"
"En waarheen, papa?" vroeg _Henriette_.
"Naar neef _De Groot_, hart! Op vergulden."
"Op wat?" vroeg _Henriette_, wier aangezicht betrok.
"Op koekplakken!" zei haar vader, "Sakkerloot, ik heb het in mijn jeugd ook gedaan. Vrijers, vrijsters, varkens, ledikanten, _Adam_ en _Eva_, schepen, al den boel! "Weetje niet dat het haast Sinter Klaas is?"
"Ik koekplakken, papa, bij de _De Grooten_!--Ik kan het niet; ik bedank er voor. Neen, _daar_ bedank ik nu voor," zei _Henriette_ op een welberaden toon, "ik doe het _niet_."
"Ja maar, lieve meid," zei de heer _Kegge_, "ik heb het voor je aangenomen; hoor; je kunt er niet af; 't is een heele damespartij."
"En wat voor dames zouden er bij de _De Grooten_ komen?" vroeg de schoone smalend.
"Weet _ik_ het, juffrouw _Henriette_?" zei de vader, op een kluchtige wijze het mutsje afnemende, dat hij droeg uit aanmerking van het hiaat in zijne lokken, ofschoon met zichtbare verlegenheid. "Ik ben een kievit als ik het weet. Je neef heeft er me verscheiden opgenoemd; juffrouw _Riet_, juffrouw _Dekker_, juffer dit en dat; hij zegt dat het heele ordentelijke juffrouwen zijn."
"En waarom heeft _Saartje_ mij dan gisteren niet verzocht?"
"Omdat zij het vergeten heeft, zegt ze."
"Omdat ze niet gedurfd heeft," verbeterde _Henriette_, rood van verontwaardiging.
"_Henriette_-hef!" vleide papa, "ik had graag dat je wèl waart met de _De Grooten_. Toen we hier vreemd aankwamen, hebben ze ons duizend diensten bewezen. Neef heeft dit huis voor ons gehuurd en alles; hij is een eerlijk man; kan hij 't helpen dat hij geen adellijk heer of groote hans is, dat hij geen glacé handschoentjes draagt als onze vriend _Van der Hoogen_? Ik heb het aangenomen; je zult er immers heengaan? Ik wil dat je er heengaat."
"Het is wèl; ik _zal_ er heengaan," antwoordde _Henriette_, bleek van drift; "maar als ik vrijdag slecht speel, is het _uw_ schuld."
"Voor mijn rekening, kind! Maar, van vrijdag gesproken! Misschien bevalt je dat óók niet; ik heb neef _De Groot_ een introductiekaartje beloofd."
"'t Is goed," zei _Henriette_, haar spijt verbijtende.
"Van wien is dat paarse briefje?"
"Ik heb het met muziek gekregen."
"Nu, kind! van avond vergulden, hoor! _Hildebrand_ mag je komen halen als hij pleizier heeft; en dan moet hij wat vroeg gaan, dan kan hij nog reis mee trekken om 't langste brok. 't Zijn waarlijk goeie menschen, _Hildebrand_! heel ordentelijk. Je hebt gisteren _Saartje_ gezien. _Henriet_"--vervolgde hij, met de oogen pinkende--"_Henriet_ mocht willen dat zij er zoo uitzag!"
_Henriet_ beefde.
"Maar zij heeft óók wel mooie zwarte oogen," zei haar papa, en gaf haar een kus. "_Harriot_, _my dear_, je moet niet boos zijn."
_Harriot_, _his dear_, draaide het hoofd af.
De vader was verlegen.
"Het is goed weer," hernam hij: "best weer! ik heb de schimmels voor de barouchette laten zetten; ik wil een toertje maken met mijn logé. Ga je mee, _Harriot_?"
"Ik heb te schrijven en muziek te copiëeren," antwoordde zij, een slotportefeuille openslaande, en er een blaadje bathpapier uitkrijgende, dat zij oogenblikkelijk met veel ijver ging zitten vullen.
"Nu, dan gaan wij alleen; voor mama is het te koud."
Er volgde een poosje stilte.
"Is uw toilet voor vrijdag al in orde, _Harriot_?" vroeg de heer _Kegge_.
"Ik weet niet," zei _Harriot_.
"Moet er niets nieuws zijn, een ferronière, of zoo wat?"
"Neen, papa."
De schimmels waren vóór; _Henriette_ bleef pruilen. Wij namen afscheid en stegen in de barouchette.
"_Henriette_ was boos," zei de vader, toen wij gezeten waren. "Ja, die dametjes! je moet ze ontzien, vrind! En _Henriet_ heeft _veel karakter_."
Wij toerden eerst door de voornaamste straten der stad, en lieten de vensters der respectieve bewoners dreunen. Mijnheer _Kegge_ beweerde dat men hard moest rijden, want dat men anders geen ontzag onder de voetgangers krijgen kon. Ik kon dan ook het woord "ongepermitteerd" duidelijk lezen op het gelaat van verscheidene Joden, die de stad met kruiwagens doorkruisten, en van oude vrouwen die van de vischmarkt kwamen en op dezen of genen hoek niet gauw genoeg uit den weg konden komen. Ook zag ik deftige heeren met rottingen onder den arm die, niettegenstaande de straat breed genoeg was, het veiliger achtten hunne wandeling te staken, totdat het rijtuig zou zijn voorbijgegaan, en kindermeiden die, twintig huizen vóór ons uit, "verschoten" en de aan haar zorg toevertrouwde lievelingen bij de armen naar zich toe sjorden, om der wereld te toonen hoe goed zij voor hen zorgden. In een koffiehuis kwamen, drie of vier heeren, met horizontaal opgeheven pijpen in den mond, over het horretje kijken, en alles toonde ontzag voor de twee schimmels, het mooie rijtuig, den deftigen koetsier, en den zwarten lakei achterop, die met onbewegelijke plechtigheid zat rond te kijken en iedereen eerbied inboezemde, behalve den boven alle vooroordeelen verheven straatjongen, die hem nariep: "Mooie jongen, pas op, hoor! dat de zon je niet verbrandt!"
Alle deze bewijzen van opmerkzaamheid en belangstelling in zijn persoon en bezitting schenen ditmaal noch de hoovaardij van den heer _Kegge_ te prikkelen, noch zijne vroolijkheid gaande te maken.
Wij reden de poort uit en den straatweg op, en deden een mooien keer door de boschrijke streek. Het was een heerlijke najaarsdag. Het had in dien herfst weinig geregend en nog in het geheel niet gestormd. De boomen pronkten dus nog met een goed gedeelte van hun bladerkroon. Heerlijk blonken de goudgele en bloedroode tinten van iepen en beuken in het rosse zonlicht. Hier en daar breidde een eik daartusschen zijn gelende takken uit, nog steeds groen aan den top; en het donkergroen van een partij dennen beschaamde van tijd tot tijd, met somberen ernst, de overige zonen van het woud, die nu nog zoo trotsch schenen op verdorde pracht, en weldra naakt en arm den winter zouden tegemoet gaan.
Maar noch de schoone natuur, noch de heldere zon, noch de frissche najaarslucht vermochten de wolk van het voorhoofd van den heer _Kegge_ te verdrijven. Ik trachtte het gesprek levendig te houden en zijne gedachten over allerlei onderwerpen te verdeelen, maar telkens bleek het mij duidelijk dat zij over de verstoordheid van zijne beminde dochter liepen.
De schimmels waren ongemeen vurig en liepen uitmuntend, en de koetsier maakte den heer _Kegge_ herhaalde malen opmerkzaam dat de bijdehandsche nu toch alle kuren had afgelegd. Het scheen alsof de heer _Kegge_ er geen gevoel voor had; hij dacht aan de kuren van _Henriet_.
De koetsier slaagde er in, na een lange worsteling, een "grooten hans en adellijken heer" voorbij te rijden; maar de heer _Kegge_ wreef zich de handen niet met dat genoegen, waarmee ik mij overtuigd hield dat hij het gisteren zou gedaan hebben. Zijn geest was gedrukt. Wel poogde hij den last nu en dan van zich af te werpen, of zich dien te ontveinzen, door van tijd tot tijd koddig of ruw uit te vallen, maar daarna geraakte hij op nieuw in de stilte. Hij was de man van gisteren niet. Die barre mijnheer _Kegge_, zoo onafhankelijk, zoo luidruchtig, zoo opbruisend, en voor geen kleintje vervaard, was kleinmoedig en benepen van ziele, om den wille van de gril van een zeventienjarig meisje, dat hij liefhad, en vreesde. Mejuffrouw _Toussaint_, in wie ik niet weet wat het meest te bewonderen, òf de juistheid waarmede zij de verborgenheden van het innerlijk leven opvat, òf de keurigheid en kracht waarmee zij die in hare geschriften schildert, heeft dezen vorm der ouderlijke liefde uitstekend geschetst.
Op den terugkeer gebood de heer _Kegge_ stil te houden voor de deur van een bloemist.
De zwarte palfrenier steeg af en schelde aan. "Is je heer thuis, meisje?"
"Meheer is na Amsterdam."
"Maar mogelijk is _Barend_ te werk," riep _Kegge_ uit het rijtuig.
"Ja, meheer! _Barend_ is er. As meheer er maar uit wil komen?"
Wij stegen af, en men bracht ons naar het zoogenaamde bollenhuis, waar _Barend_ zich weldra te midden der bolrekken, houten zaadbakjes en sterke geuren aan ons oog vertoonde.
_Barend_ was de oudste, de meester-knecht van den bloemist, bij wien wij waren afgestapt; een man van een, in zijn stand, allereerwaardigst voorkomen. Hij was niet groot van gestalte, en droeg een blauw wambuis van een antiek snit, een korte broek, grijze kousen en groote vierkante zilveren kuit- en schoengespen; zijn wit voorschoot was in de schuinte opgenomen. Niettegenstaande zijn hooge jaren, droeg hij het hoofd nog vrij rechtop. Dunne witte haren hingen hem langs de slapen; maar zijn gerimpeld gelaat had nog dat gezonde rood, dat denzulken, die hun leven in de open lucht hebben doorgebracht, tot in hun grijsheid bijblijft. Zijne blauwe oogen hadden een vriendelijken glans, en zijn mond was juist genoeg ingevallen om een allerinnemendste plooi te hebben aangenomen.
"_Barend_!" zei de heer _Kegge_, "ik moet een mooien ruiker bloemen hebben."
"Dat zal slecht gaan, meheer _Kegge_," antwoordde _Barend_.
"Voor geld en goede woorden, _Barend_!" hernam _Kegge_; "'t kan me niet schelen wat het kost; je weet wel dat ik op geen kleintje zie."
"Allemaal goed," zei _Barend_; "maar je kent de natuur niet dwingen. Dat 's een anjer; verstaje! 't Is nou de allerschraalste tijd. Weetje wel dat we al mooi naar korsemis opschieten? Kom zoo vroeg in 't voorjaar as je wil, meheer _Kegge_, en ik zel je een handvol gebroeid goed geven, dat je hart er van verdaagt; maar nou is alles gedaan. Der mag nog een enkele kresantemum wezen,--maar 't is over, meheer _Kegge_; je kent, zeg ik nog reis, de natuur van een ding niet dwingen. Je _kent_ het wel dwingen; maar dwingen en dwingen is twee; en as je een ding dwingt, dat nou eigenlijk niet gedwongen kan worden, wat heb je dan? Dan plaag je je zelve."
De heer _Kegge_ brak dezen niet zeer duidelijken woordenstroom van den ouden _Barend_ af, met te zeggen: "Nu nu, _Barendje_, als je al de kassen reis doorloopt!"
"Hoor reis!" zei _Barend_, "je mot maar denken dat ik je net zoo graag de heele pot geef, as dat ik er de hartsteng uit mot snijen, want daar zit al de kracht in, weetje. 'En blom, meheer _Kegge_; dat zeg ik altijd; 'en blom is net as 'en mensch. As ik jou je hart uit je gemoed snij, dan kan je ommers ook niet in 't leven blijven? Daar zit 'et 'em as 't ware maar in.... Wat zeg _jij_, meheer?" voegde hij er bij, zich tot mij richtende.
De heer _Kegge_ wachtte volstrekt niet af wat _ik_ in dezen zeggen zoude. "Maar voor een goud vijfje zal ik toch nog wel wat kunnen hebben?" zei hij ongeduldig.
"Hoor," zei _Barend_, zijn snoeimes uit den zak halende en openslaande, "as ze der binnen, dan hoefje geen goud vijfje te besteeën; dan zelje voor een spiergulden [16] al heel wat doen. Maar 't is maar dat het zoo bitter uit den tijd is. Is het voor mevrouw?"
"Neen, _Barend_! voor me dochter."
"Kom an!" hernam hij, "da's etzelfde; de dames zijn onze beste klanten voor de blommen; maar as we 't van de blommen hebben mosten!"
"Maar waar drommel moet je 't anders van hebben?"
"Wel, van de bollen," zei _Barend_; "de blommen beteekenen nies. Dat is armoed. Kijk!" ging hij voort, daar hij een potje aanwees dat niet bloeide, maar met een rijkdom van fijne samengestelde bladeren pronkte; "motje zoo'n dingsigheidje niet hebben? Of hebje dat al?"
"Wat is het, _Barend_?"
"Dat," zei _Barend_, "is nou eigenlijk de effetieve mimosa nolus mi tangere!"
"Hou op met je potjes-latijn!" riep _Kegge_ uit; "allemaal gekheid! Hoe heet het in je moers taal, man?"
"Kruidje roer me niet," antwoordde _Barend_.
"Dankje hartelijk!" hernam _Kegge_, zich waarschijnlijk herinnerende dat hij "zoo'n dingsigheidje" al had.
Wij gingen eerst den tuin door, waar nog een enkele maandroos bloeide, die er heel goed uitzag, ofschoon _Barend_ beweerde, dat zij het door de nattigheid toch in het hart weg moest hebben, en zagen vervolgens de kassen, waar hij hier en daar een pelargonium, chrysanthemum, en primula sinensis afsneed, zoodat wij op 't laatst nog een vrij aanzienlijken ruiker bijeen hadden, terwijl _Barend_ bij iedere bloem zijn kennis en praatziekte had aan den dag gelegd. Toen hij de laatste deur achter zich sloot, liet de heer _Kegge_ zich onvoorzichtig de vraag ontvallen:
"Wel _Barend_! hoe lang ben jij hier nu al geweest?"
"Vijf en vijftig jaar, meheer! met God en met eere," was zijn antwoord; "ik word met vrouwendag achtenzestig; en ik ben hier op me dertiende jaar as tuinmansjongen gekommen."
"Wel man! en je ziet er nog zoo fiksch uit!" merkte ik aan.
"O!" antwoordde _Barend_; "maar dan most meheer me wijf zien. Die is nou toch ook in der zestigste, maar da's nog wat anders. Ik heb dertien kinderen bij 'er gehad, en de jongste scheelde met de oudste krek eenentwintig jaar. Nou beurt dat zoo niet meer, maar voor een jaar of tien is 'et _mennigmaal_ gebeurd dat de lui an der vroegen, of 'er vader thuis was."
"Dat 's knap!" zei _Kegge_, "weergaasch knap, hoor _Barend_. In de Westinjes is dat anders. Daar kan 't wel beuren dat moeder en dochter maar vijftien jaar schelen; maar de vrouwen zijn er vroeg oud, man."
Met deze woorden haalde de heer _Kegge_ zijn beurs uit den zak en nam de houding aan van iemand die vertrekken wilde. Maar _Barend_ dacht er anders over, en leunde tegen den muur van de kas met al de gemakkelijkheid van iemand die een lange historie beginnen gaat.
"De heeren hadden men vader motten kennen," zei _Barend_, "dat was een vast man. Toen ie stierf was ie omme en bij de negenenzestig jaar, maar hij had zijn volle gebit nog. We woonden toen ter tijd te Uitgeest en hij kwam geloopen van Uitgeest na Alkmaar om de koffie, want we hadden een eigen moei te Alkmaar; en hij ging weer na huis, en hij wist er niks niemendal van.--En was 't niet om 'en boer--hij _was_ er nog wel."
"Zóó," merkte ik aan; "dan zou hij toch nog al aardig oud zijn! vrind!"
"Doet niet!" zei _Barend_, "doet niet! Dan was ie pas honderd en vijf, en dat had _hij_ makkelijk kennen worden ook. Maar dat mot ik de heeren toch reis vertellen. Hij was bij een boer, _Stoetema_ hiette de boer, an 't werk; want me vader was een timmerman van zijn ambacht. Wat wil 't geval. Hij krijgt zoo klakkeloos de koors op 't lijf. Nou was me vader van _zoo'n_ natuur, dat as ie, met permissie, maar an 't zweeten kommen kon, dan was ie weer klaar. Jongens, zeit ie tegen zijn kameraads, ik heb een harde koors. Weetje wat, zeiën ze, dan motje wat op de koes gaan leggen. Dat is, zooals de heeren mogelijk wel weten, in den koestal, achter de koeien, de plek waar de knechts, deur den bank, slapen. Maar _Stoetema_ zei: dat kan niet, want we hebben 't bed pas opgemaakt voor de jongens; dan most me vader maar in den hooiberg gaan. Nou toen moest me vader zoo'n hooge ladder op van 'en veertig sporten. Jongens! dat kostte hem wat 'n moeite voor dat ie boven kwam! Toen maakte hij daar zoo'n kuiltje voor 'm en haalde het hooi over 'm heen, en bleef stil leggen. Maar toen ie een uurtje gelegen had, kwam daar 't houtschuitje; daar gingen de knechts mee na huis; want het sloeg twaalf uren. Deur _die_ weg riepen ze an me vader: _Jan_, kom der nou of, daar is 't schuitje! maar me vader zei: neen, want ik zweet zoo, laat me nou leggen. Maar ze zeiën: jongen, as 't reis erger wier; je most maar mee gaan. Toen kwam me vader van den hooiberg af; maar kijk, hij zweette dan erg. Toen vroegen ze an _Stoetema_ om koedekken. Maar hij wou ze niet geven; me koedekken motten droog blijven, zeid' ie. Toen trok de een zen wammes uit, en de ander trok zen wammes uit, en lei dat over me vader; maar het holp niet, want het was te kort. Zoo kwammen ze te Uitgeest, maar het was nog wel 'en anderhalfuur varens. Maar die menschen motten zekerlijk der tijd noodig gehad hebben, want geen een ging er met me vader mee. Maar toen waren zen beenen zoo stijf geworden, dat ie niet gaan kon, maar van hoeken tot kanten viel. Toen motten de lui, die 'm gezien hebben, zekerlijk bij der eigen hebben gedocht, die man is dronken. Maar ziet! met dat ie zóó an de deur kwam, wou ie de knop grijpen...."
Hier raakte de oude _Barend_ zijn stem, die al zwakker en afgebrokener geworden was, geheel kwijt, en stikte in zijn tranen. Met de linkerhand greep hij zich bij 't achterhoofd en trok zich bij de dunne haren.
"Kijk!" zei de oude man, met den voet stampende, en met even veel smart en verontwaardiging als of zijn vader gisteren gestorven was, "kijk! as ik an dien boer denk!..."
"Hij wou de knop grijpen," ging hij bedaarder voort, "maar het ging niet. Drie dagen daarna was ie 'n lijk. Maar was 't niet om dien boer," zei hij, andermaal stampvoetende, "hij zou der makkelijk _nog_ kennen wezen."
De heer _Kegge_ had de tranen in de oogen. Hij tastte in zijn beurs.
"Daar _Barend_," zeide hij; "wat er meer is dan een spiergulden is voor jou. Geef me nu den ruiker maar in een groote spanen doos."
_Barend_ ging de doos halen.
"Die oude heer _Barend_ is in allen gevalle toch niet in de wieg gesmoord," merkte de heer _Kegge_ aan, met gemaakte vroolijkheid. En zijn oogen afvegende, voegde hij er bij: "een lamentabele historie! Zoo'n ouwe kerel zou je nog akelig maken óók."
Wij waren al spoedig klaar en weer te huis. _Henriette_, die ook al berouw over hare verstoordheid had, keek weer vriendelijk; en toen haar vader haar de bloemen gaf, stonden er tranen in haar mooie oogen. Zij was beschaamd.
"Je bent toch een lieve papa," zei ze, hem kussende, en met haar fraaie hand zijn haren schikkende. "Ik had het niet verdiend," voegde zij er bij; en zij boog haar hoofd aan zijn hart.
"Geen coupjes!" zei de vader. "Allemaal gekheid! Een mensch moet altijd vroolijk zijn!"
Ik begon tienmaal meer van _Henriette_ te houden. De kaketoe riep:
"Zoete vrouw."
Wij zaten nog aan het dessert, toen de heer _Van der Hoogen_, dien ik in mijne gedachten nooit anders dan "den charmanten" noemde, aangediend werd en binnenkwam.
_Henriette_ kleurde vreeselijk.
"Dérangeer je niet, lieve mevrouw; dankje mijnheer _Van Kegge_. Een zeer ongelegen uur, inderdaad! Mijn boodschap was aan juffrouw _Van Kegge_; het is alleraffreust; ik ben desperaat!"
Ik zag den heer _Van der Hoogen_ opmerkzaam aan, maar ik merkte niets van die verwilderde haren of strakke blikken, die de dichters mij als het onvermijdelijk vereischte der wanhoop hebben leeren beschouwen. Integendeel; 's mans lokken zaten, dank zij het uitmuntend plakmiddel, bij de haarbouwkunstenaars als cosmétique bekend, even glad en net als gisteren; de blik zijner oogen was volmaakt kalm; en ook beefde de hand des desperaten heeren _Van der Hoogen_ niet, toen hij die naar een glas port uitstak, dat mijn gastheer voor ZEd. had ingeschonken.
"Ik zal u zeggen;" dus vervolgde hij tot _Henriette_; "ik kan onmogelijk donderdagavond bij uwe repetitie zijn. Zoo even ontving ik de uitnoodiging tot een groot souper bij den heer _Van Lemmer_, waar ik niet van tusschen kan, en 's middags moet ik bij mevrouw _D'autré_ dineeren! Morgen is er, zoo als je weet, soirée bij den generaal. Als je van avond niet kunt, dan ben ik waarlijk radeloos. Maar ik _vrees_ dat je niet zult kunnen...."
De dochtervreezende vader nam deze gelegenheid waar, om alles wat hij dezen morgen verkorven had geheel weder goed te maken; want indien _Henriettes_ toorn hem bevreesd had gemaakt, hare tranen hadden hem volkomen overtuigd dat hij haar ongelijk had aangedaan. Misschien was hij wel een weinigje bang voor eene nieuwe vredebreuk.
"Nu _Henriette_," zei de heer _Kegge_, het woord schielijk opvattende: "dan zit er niets anders op dan dat je thuisblijft. Je _kunt_ er wel af,--zóó is het niet."
"Hadje een invitatie? Dat vreesde ik al," merkte _Van der Hoogen_ aan; "juffrouw _Van Kegge_ is overal zoo gechérisseerd. Neen, neen! als je er iets voor sacrifiëeren moet, doe het dan niet; ik zal...."
"Neen!" zei de heer _Kegge_, "ik ben op die repetitie gesteld. Wij wachten u van avond stellig.... Om een uur of zeven, niet waar?"
"Charmant, charmant!" riep de heer _Van der Hoogen_ uit, en wipte van zijn stoel op: "dérangeer u niet; à ce soir!" Hij danste heen.
Ik begreep de beschaamdheid en de tranen van _Henriette_ nog beter dan vóór den eten. Het was alles een opgedicht stukje, en de heer _Van der Hoogen_ vertrok met de zalige overtuiging, der schoone brunette een belangrijken dienst te hebben bewezen. Zij zelve had er berouw van. Ik stond op om hem uit te laten.
"Mijnheer studeert te Leiden, niet waar?" vroeg hij mij in de gang. "Charmante jongelui. Ik heb ook een halfjaar te Leiden geresideerd. Maar 't is voor 't overige een miserabele stad. Geen amusementen; de menschen zien elkander niet. Eens in 't jaar een bal, om hun fatsoen te houden. Criant vervelend. Dérangeer u niet. A ce soir!"
"Het spijt mij dat het zoo treft," zei _Henriette_ toen ik weder binnenkwam, "maar gij ziet, ik kan nu volstrekt niet gaan."
"Je moet een briefje schrijven!" zei haar papa.
"Foei neen!" zei _Henriette_; "geen briefjes aan de _De Grooten_; dat zijn die menschen niet gewend."
"Wil _ik_ het voor u af gaan zeggen?" vroeg ik half schertsend.